Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Hij behoorde tot de groep van de Vijfenvijftigers, een experimentele dichtersbeweging die vooral uit Vlamingen bestond en die verbonden was met het tijdschrift Gard Sivik.
Andere bekende namen uit deze groep waren Gust Gils en Hugues C. Pernath.
Zij publiceerden allemaal voor 1955 en vormden een tegenreactie op de Nederlandse Vijftigers, zoals Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Hans Andreus en Hugo Claus.
Paul Snoek wilde trouwens niet geassocieerd worden met de Nederlandse Vijftigers.
Het werk van Paul Snoek is niet gemakkelijk in een bepaalde stroming of categorie onder te brengen.
Hij begon als een romantische dichter, maar ontwikkelde zich tot een meer agressieve en cynische schrijver.
Aan het einde van zijn leven was hij een berustende, pessimistische dichter, in overeenstemming met zijn manisch-depressieve stemmingen.
Paul Snoek was ook actief als schilder en exposeerde zijn werken. Het KaZ in Oostende heeft een aantal schilderijen van hem in bezit, waaronder “Little Venus” en “Angry Jupiter”.
In 1975 ging hij een nieuwe relatie aan.
Hij verliet vrouw en kinderen en verhuisde naar Oostende.
De scheiding met zijn vrouw werd uitgesproken in 1976 en hij hertrouwde in 1977.
Hij verhuisde opnieuw, eerst naar Loppem en dan naar Varsenare.
In zijn laatste jaren leed hij aan manisch-depressieve buien en sprak hij tegen zijn vrienden regelmatig over de dood.
Hij stierf in een auto-ongeluk op 19 oktober 1981, in Egem en werd begraven in Varsenare.
Peter De Maerel was een van de belangrijkste figuren in de Belgische culturele diplomatie in de twintigste eeuw.
Hij speelde een cruciale rol in de organisatie en promotie van de wereldtentoonstelling in Brussel in 1958, waar hij als adviseur optrad.
Daarna werd hij directeur van het Belgisch Bureau voor Toerisme in New York, waar hij de schoonheid en diversiteit van zijn land aan het Amerikaanse publiek voorstelde.
Hij werkte ook nauw samen met Sabena, de nationale luchtvaartmaatschappij, om het toerisme naar België te stimuleren.
Peter De Maerel had een passie voor kunst en literatuur, en was bevriend met enkele van de meest vooraanstaande Belgische kunstenaars en schrijvers die in Amerika woonden of werkten.
Hij was een van de oprichters van de American Belgian Art Foundation, samen met Harry Torczyner, een advocaat en kunstcriticus die een indrukwekkende collectie moderne kunst bezat, waaronder werken van Magritte, Chagall, Balthus en Bacon.
Torczyner schreef ook een boek over zijn vriendschap met Magritte, getiteld Magritte/Torczyner letters between friends.
Hij overleed in 1998 in New York.
Een andere goede vriend van Peter De Maerel was Albert Goris, beter bekend onder zijn pseudoniem Marnix Gijsen.
Hij was een schrijver en diplomaat, die tijdens de Tweede Wereldoorlog naar Amerika vluchtte als vertegenwoordiger van het Belgisch paviljoen op de wereldtentoonstelling van New York in 1939-1940.
Hij bleef daar tot 1964, eerst als directeur, daarna als Belgisch Commissaris voor Informatie.
Hij verzorgde ook elke zaterdagavond een radioprogramma op de BRT, genaamd De Stem uit Amerika.
In 1959 werd hij benoemd tot cultureel attaché en in 1964 tot ambassadeur.
Hij keerde terug naar België in 1964, en woonde in Elsene tot zijn dood in 1984.
De schrijver werd in 1975 door de Belgische koning tot baron benoemd, een erfelijke titel die alleen aan hem toebehoorde.
Zijn wapenschild droeg de spreuk “Qui transtulit, sustinet”: wie verplant is, bloeit toch voort.
Hij had geen nakomelingen uit zijn twee huwelijken, dus met zijn dood eindigde ook zijn adellijke lijn.
Marnix Gijsen onderhield een hechte vriendschap met Marc Galle, een politicus van de SP, die hem weer in contact bracht met Maria Magdalena (‘Leentje’) Bambust, met wie hij vijftien jaar in New York had samengeleefd en met wie hij in 1976 trouwde.
Op zijn sterfbed in 1984 zou Gijsen aan Galle gevraagd hebben om na zijn heengaan voor zijn weduwe te zorgen.
Galle kreeg ook de opdracht om het vermogen en het literaire archief van de overleden schrijver als een goede rentmeester te beheren.
In 2000 spande de familie van Leentje Bambust een rechtszaak aan tegen Galle wegens misbruik van vertrouwen en verduistering van 2,5 miljoen euro en twee schilderijen van René Magritte.
De strafzaak werd echter stopgezet door het overlijden van Galle in maart 2007.
Marnix Gijsen stierf op 29 september 1984 op 84-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Leuven.
Hij werd begraven op het Schoonselhof in Antwerpen.
Haar echte naam was Maria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos en ze kwam ter wereld in New York, als dochter van arme Griekse immigranten.
Haar ouders scheidden toen ze jong was en ze had een moeizame relatie met haar moeder, die haar streng en ambitieus opvoedde.
In 1937 verhuisde ze met haar moeder terug naar Griekenland, waar ze haar eerste zangopleiding kreeg in Athene.
Ze maakte haar debuut in 1941 en bouwde al snel een internationale carrière op, met optredens in de belangrijkste operahuizen van Europa en Amerika.
Haar stem, die zowel dramatisch als lyrisch was, stelde haar in staat om een breed repertoire te zingen, van belcanto tot verismo.
Ze stond ook bekend om haar acteertalent en haar interpretatie van complexe personages.
Ze trouwde in 1949 met de rijke industrieel Giovanni Battista Meneghini, die haar manager werd, maar scheidde van hem in 1959 na een affaire met de Griekse scheepsmagnaat Aristoteles Onassis.
Deze relatie duurde tot 1968, toen Onassis haar verliet voor Jacqueline Kennedy, de weduwe van de Amerikaanse president.
Callas had geen kinderen, hoewel er geruchten waren dat ze een miskraam had gehad of een kind had afgestaan.
Ze stierf op 16 september 1977 in Parijs, op 53-jarige leeftijd, aan een hartaanval.
Op haar begrafenis waren tienduizenden mensen naar Parijs gekomen
De dienst werd gehouden in de Grieks-orthodoxe kerk aan de Rue Georges Bizet in Parijs.
Daarna werd haar lichaam gecremeerd en werd haar as in het columbarium geplaatst op de Parijse begraafplaats Père Lachaise.
Daar werd op dezelfde dag haar as gestolen en gelukkig twee dagen later teruggevonden.
In 1979, conform haar eigen wens, werd de as uitgestrooid voor het eiland Skorpios in de Ionische Zee.
Ze was een veelzijdige en kritische auteur, die zowel poëzie, proza als essays schreef. Ze was ook een voorvechtster van de vrouwenemancipatie en de Vlaamse Beweging.
Virginie Loveling werd geboren in Nevele, als dochter van een Duitse vader en een Vlaamse moeder.
Haar vader pleegde zelfmoord toen ze nog een kind was, waardoor ze opgroeide in armoede.
Ze leerde verschillende talen en ontwikkelde een grote liefde voor literatuur.
Samen met haar zus Rosalie begon ze gedichten te publiceren onder het pseudoniem Loveling.
Na de dood van haar zus in 1875 legde Virginie zich toe op het schrijven van verhalen en romans, die getuigden van een scherp observatievermogen en een realistische stijl.
Ze nam geen blad voor de mond en hekelde de invloed van de katholieke kerk, de verfransing van de elite en de achterstelling van de vrouw.
Haar werken waren vaak controversieel en werden soms gecensureerd of verboden.
Virginie Loveling reisde veel en maakte kennis met andere culturen en schrijvers.
Ze schreef ook over haar reiservaringen in boeiende verslagen.
Ze was bevriend met haar neef Cyriel Buysse, met wie ze samen een roman schreef: Levensleer, een humoristische roman over de verfranste Gentse bourgeoisie.
Ze was ook actief in verschillende verenigingen die opkwamen voor de rechten van de vrouw en de Vlaming.
Virginie Loveling stierf op 1 december 1923 in Gent en werd begraven op de Westerbegraafplaats te Gent.
Vandaag is het 70 jaar geleden dat de Amerikaanse auteur Eugene O’Neill is overleden.
De pers schreef toen het volgende, zijn grootste drama was zijn eigen leven.
Zijn toneelstukken, die vaak autobiografisch waren, verkenden de donkere kanten van het menselijk bestaan, zoals verslaving, familieconflicten en dood.
O’Neill had zelf een tragisch leven, dat werd getekend door ziekte, verlies en vervreemding.
Hij verbrak het contact met zijn dochter Oona, die op jonge leeftijd trouwde met de veel oudere Charlie Chaplin.
Hij rouwde om zijn zoon Eugene Jr., die zelfmoord pleegde in 1950.
Hij had een moeilijke relatie met zijn vader James, een bekende acteur van Ierse afkomst, die hem weinig aandacht gaf in zijn jeugd.
O’Neill bracht zijn kinderjaren door in hotels, treinen en theaters, waar hij zijn vader zag optreden.
Hij ging naar verschillende kostscholen en studeerde kort aan de universiteit van Princeton, waar hij werd weggestuurd na een incident met een bierfles.
Daarna begon hij te werken bij een groothandel in kruiden en specerijen.
In 1910 trouwde hij met Kathleen Jenkins, met wie hij een zoon kreeg, Eugene Jr.
Het huwelijk duurde echter niet lang en hij verliet zijn gezin om samen met zijn vriend Stevens naar Honduras te gaan.
Ze hadden geen idee wat ze daar konden verwachten en raakten verdwaald in de jungle.
Na vijf maanden van ontberingen en ziekte gaven ze hun avontuur op en keerden ze terug naar de beschaving.
O’Neill ging vervolgens als matroos aan boord van een schip naar Buenos Aires.
In 1911 was hij weer in New York, waar hij zich overgaf aan drank en het nachtleven.
In 1912 werd hij gediagnosticeerd met tuberculose en moest hij naar een sanatorium.
Daar kwam hij in contact met de literatuur en begon hij zelf te schrijven.
Hij verhuisde naar Provincetown, waar hij onderdak vond bij een Engelse familie.
Hij schreef daar zijn eerste toneelstukken, vooral eenakters, maar ook langere werken en gedichten.
Hij sloot zich ook aan bij de artistieke en politieke beweging van Greenwich Village in New York, waar hij veel vrienden en invloeden vond.
In 1918 trouwde hij voor de tweede keer, nu met Agnes Boulton, een jonge Engelse schrijfster.
Ze kregen twee kinderen, Shane en Oona.
O’Neill werd steeds succesvoller als toneelschrijver en won vier keer de Pulitzerprijs en in 1936 de Nobelprijs voor Literatuur.
Hij reisde veel met zijn gezin, onder andere naar Bermuda, Europa en het Midden-Oosten.
Hij experimenteerde met verschillende stijlen en thema’s in zijn drama’s, die vaak autobiografisch waren.
In 1929 scheidde hij van Agnes Boulton en trouwde hij voor de derde en laatste keer, met Carlotta Monterey, een voormalige actrice.
Ze vestigden zich eerst in een kasteel bij Tours in Frankrijk, later in San Francisco en New York.
O’Neill schreef in deze periode zijn meest bekende en gewaardeerde werken, zoals The Iceman Cometh, Long Day’s Journey into Night en A Moon for the Misbegotten.
Hij leed echter ook aan de ziekte van Parkinson, die zijn vermogen om te schrijven steeds meer aantastte.
Hij stierf op 27 november 1953, op 65-jarige leeftijd, in Boston (foto Wikipedia)
Hij is vooral bekend om zijn roman Brave New World, waarin hij een toekomstige samenleving schetst die wordt gedomineerd door technologie, consumptie en massamedia.
Huxley werd geboren in een intellectuele familie.
Zijn grootvader, Thomas Henry Huxley (1825-1895), was een vooraanstaand bioloog die samen met Charles Darwin de grondslag legde van de evolutietheorie.
Zijn ouders waren Leonard Huxley en Julia Frances Arnold. Leonard Huxley was ook een schrijver en leraar. Julia Frances Arnold was oprichtster van de gekende meisjesschool Prior’s Field School.
Zijn moeder Julia overleed aan kanker toen hij nog maar 14 jaar oud was.
Op zijn 16de kreeg hij een ooginfectie die hem twee jaar lang blind maakte.
Uiteindelijk moest hij verder leven met één functionerend oog en dat kon ook maar 40% zien.
Op zijn 20ste maakte zijn broer Trevenen een einde aan zijn leven.
Ook in zijn latere jaren kende hij weinig geluk.
Maria Nys, een Vlaamse vrouw, was de eerste echtgenote van Aldous Huxley.
Ze werd door haar ouders naar Groot-Brittannië gestuurd om te ontsnappen aan de dreiging van de Eerste Wereldoorlog.
Ze vond een baan als dienstmeisje in Garsington Manor, waar ze in contact kwam met de Bloomsbury Group, een literaire kring met bekende leden zoals Virginia Woolf en T. S. Eliot.
Zo ontmoette ze ook Aldous Huxley, die haar introduceerde in de wereld van de beroemdheden.
Hij was namelijk bevriend met vele invloedrijke schrijvers en denkers, zoals D.H. Lawrence, Bertrand Russell en George Orwell.
Het koppel kreeg een zoon, Matthew Huxley in 1920.
Maria was ook zijn trouwe assistente die hem hielp met alles wat hij nodig had.
Ze typte zijn boeken uit, begeleidde hem bij verplaatsingen, en onderhield zijn contacten met beroemdheden zoals Chaplin en Strawinsky (die een muziekstuk voor hem heeft geschreven).
De Huxleys mogen dan ook gezien worden als een beroemd echtpaar dat zowel in Europa als in Amerika veel invloed hadden.
Ze waren bevriend met de Belgische koning Albert en koningin Elisabeth en werden zelfs uitgenodigd op het paleis.
Ook in Hollywood waren ze graag geziene gasten.
Maria Huxley organiseerde er glamoureuze feesten waar schrijvers, acteurs, componisten en wetenschappers elkaar ontmoetten en ideeën uitwisselden.
Maar ook Louis B. Mayer, een van de medestichters van de filmstudio van Metro Goldwyn Mayer, was een vriend aan huis bij de Huxleys.
Maria had biseksuele gevoelens en beleefde lesbische avonturen met onder anderen Greta Garbo en Marlene Dietrich.
Maar ook hielp ze haar man met het verleiden van andere vrouwen,
Maria stierf acht jaar voor Huxley aan borstkanker.
Ze zorgde er echter voor dat hij niet alleen achterbleef. Ze regelde een huwelijk en dit de Amerikaanse Laura Archera, die voor hem kon zorgen na haar dood.
Laura Archera was ook schrijfster, producent van documentaires, psychotherapeut en violiste.
Zo speelde ze viool op haar veertiende voor Helena van Montenegro, die toen koningin was van Italië was.
Het koppel kreeg te maken met een brand die al hun bezittingen verwoestte, waaronder zijn literaire werken.
In 1960 werd bij Huxley keelkanker vastgesteld, waardoor hij niet meer kon spreken.
Hij stierf op 22 november 1963 aan kanker, op dezelfde dag als de moord op president John F. Kennedy.(Foto Wikipedia)
De film was een remake van de Duitse film Acht Mädel im Boot uit 1932, die gebaseerd was op een toneelstuk.
Gisteren nog vandaag
De film werd op 21 november 1958 voor het eerst vertoond in de Vlaamse bioscoop.
De hoofdrollen werden gespeeld door Ellen van Hemert, Ko van Dijk jr., Maxim Hamel, Andrea Domburg, Kees Brusse, Teddy Schaank, Bert van der Linden en Corry Brokken.
Gisteren nog vandaag
In Nederland ging de film al in première op 21 februari 1958.
Ter ere van haar verjaardag publiceerde het tijdschrift Ons Land in november 1933 een interview met de schrijfster, die toen al wereldberoemd was.
Selma Lagerlöf groeide op in een welgestelde familie op een landgoed in Värmland.
Ze studeerde voor onderwijzeres en gaf les op verschillende scholen. Haar literaire carrière begon met de roman Gösta Berling (1891), die haar meteen veel succes en erkenning bracht.
Ze schreef nog vele andere werken, waarin ze haar rijke verbeelding, haar gevoel voor de Zweedse natuur en cultuur, en haar interesse voor het spirituele en het religieuze liet zien.
Enkele van haar bekendste boeken zijn De wonderen van Anti-christ (1897), Jerusalem (1901) en Nils Holgerssons wonderbare reis (1906).
Dit laatste boek was oorspronkelijk bedoeld als een leermiddel voor de Zweedse aardrijkskunde, maar werd al snel een klassieker voor jong en oud.
De Nederlandse vertaling door Margaretha Meijboom verscheen in 1911.
Ze was de eerste vrouw die de Nobelprijs voor Literatuur won in 1909, en de eerste vrouw die lid werd van de prestigieuze Zweedse Academie in 1914.
Ze was ook betrokken bij sociale en politieke kwesties, zoals vrouwenrechten, pacifisme en antisemitisme.
Ze stierf op 16 maart 1940 op haar geliefde landgoed Marbacka, dat nu een museum is.
Haar gezicht sierde tot 2015 het bankbiljet van twintig kronen.
Ze is de dochter van Michel Vinaver, een Franse schrijver en toneelschrijver, en de achterkleindochter van Maxim Vinaver, een Russische politicus voor de revolutie van 1917.
Ze begon haar carrière op het toneel op 13-jarige leeftijd, en speelde sindsdien in meer dan 40 films en televisieseries.
Ze werd drie keer genomineerd voor de César voor beste actrice, voor haar rollen in Merci la vie, Un, deux, trois, soleil en Mon homme.
Ze won ook de Zilveren Beer voor beste actrice op het filmfestival van Berlijn voor haar rol in Mon homme.
Ze was lange tijd de partner van de Frans filmregisseur en scenarioschrijver Bertrand Blier, met wie ze een zoon (Léonard Blier) heeft en die ook acteur is.
Sinds 2003 is ze getrouwd met de wiskundige Michel Broué.
Haar nichtje Louise Grinberg is ook actrice.
Ze is nog steeds actief als actrice en speelt regelmatig in het theater.
Vele beroemde toneelspelers schitterden op de planken en maakten indruk op het publiek met hun talent,
In dit artikel blikken we terug op enkele van de meest bekende toneelspelers uit 1958 en vragen we ons af of u ze nog kunt herkennen.
Foto 1 Julien Schoenaerts toen 33 jaar oud. Hij maakte zijn filmdebuut in 1955 met de hoofdrol in Meeuwen sterven in de haven, een film van Roland Verhavert, Ivo Michiels en Rik Kuypers.
Hij schitterde ook in andere films, zoals De Leeuw van Vlaanderen (1983), waarin hij Pieter de Coninck speelde onder de regie van Hugo Claus, en Daens (1992), waarin hij de rol van monseigneur Stillemans vertolkte onder de regie van Stijn Coninx.
Gisteren nog vandaag
Foto: Luc Philips toen 43 jaar oud. Zijn bekendste televisierol was die als pastoor Munte in het Vlaamse televisiefeuilleton Wij, Heren van Zichem (1969). Hij speelde ook mee in De filosoof van ’t Sashuis (België, 1963), een film van Maurice Balfoort naar de gelijknamige roman van Maurits Sabbe uit 1907.
Eind jaren 80 speelde hij Bompa in de sitcom Bompa. In de film Max speelde hij Gaspard De Keukeleire, de vader van Max gespeeld door Jacques Vermeire.
Gisteren nog vandaag
Foto: Marcel Hendrickx toen 38 jaar oud. Hij was een vaste kracht in de meeste BRT-jeugdseries vanaf 1963-1964 toen hij een rol had in De Tijdscapsule.
In 1965 was hij een baljuw in Johan en de Alverman. In 1966 was hij Commissaris Talboom in Axel Nort. In 1969 speelde hij mee in Fabian van Fallada. In 1973 vertolkte hij de rol van Bruno Pienter in De Kat.
Gisteren nog vandaag
Foto: Jan Cammans toen 67 jaar oud. Bekend van De wonderdokter (1936), De Aangenaam (1941) en De bruid zonder bed (1955). Hij stierf op 4 januari 1976 in Antwerpen.
Gisteren nog vandaag
Foto: Ward De Ravet toen 34 jaar oud. De Ravet was verbonden aan het gezelschap van de Koninklijke Nederlandse Schouwburg van Antwerpen en dit tot 1967, daarna aan het Dramatisch Gezelschap van de BRT; hij heeft daarnaast een lange film- en televisiecarrière. Zoals Kapitein Zeppos, Fabian van Fallada, Slisse & Cesar, De Paradijsvogels en De bossen van Vlaanderen.