Vandaag 65 jaar geleden onderweg naar Nederland, komt de Franse filosoof en schrijver Albert Camus om het leven door een auto-ongeluk.

De Nobelprijswinnaar, bekend van literaire klassiekers als De Pest en De Vreemdeling, stierf op slechts 46-jarige leeftijd toen de imposante Facel Vega FV3B, bestuurd door zijn vriend en uitgever Michel Gallimard, met hoge snelheid tegen een boom reed.

Het ongeluk vond plaats in het Franse dorpje Villeblevin.

In de wrakstukken van de auto werd het onafgemaakte manuscript van Camus’ autobiografische roman Le Premier Homme (De Eerste Mens) teruggevonden, dat pas in 1994 door zijn dochter werd gepubliceerd.

De Facel Vega FV3B was een luxueuze en krachtige Franse auto, een zeldzaam model dat bekend stond om zijn snelheid.

De auto was eigendom van Michel Gallimard, de neef van de beroemde uitgever Gaston Gallimard, en hijzelf en zijn vrouw Janine kwamen eveneens om in het ongeluk, net als hun dochter Anne.

Tien jaar geleden lanceerde de Italiaanse academicus en dichter Giovanni Catelli een controversiële theorie: het auto-ongeluk zou geen ongeluk zijn geweest, maar een moordaanslag georkestreerd door de KGB.

Volgens Catelli zou de Sovjet-Russische geheime dienst, op bevel van Sovjet-minister van Buitenlandse Zaken Dmitri Sjepilov, de banden van Camus’ auto hebben gesaboteerd, zodat deze bij hoge snelheid zouden klappen.

Catelli baseerde zijn bewering onder andere op passages uit het dagboek van de Tsjechische dichter Jan Zábrana, die zou hebben gehoord van een “betrouwbare bron” dat de KGB achter het ongeluk zat.

De vermeende reden voor deze aanslag zou Camus’ uitgesproken kritiek op de Sovjet-Unie zijn geweest.

Hij veroordeelde de Sovjet-invasie van Hongarije in 1956 fel en sprak openlijk zijn steun uit voor Boris Pasternak, de auteur van het in de Sovjet-Unie verboden meesterwerk Dokter Zjivago.

Albert Camus ontving in 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur, onder andere voor zijn “belangrijke literaire productie, die met scherpzinnig oprechte ernst de problemen van het menselijk geweten in onze tijd belicht.”

Pasternak zou het jaar daarop de Nobelprijs winnen, maar werd gedwongen deze te weigeren door de Sovjet-autoriteiten.

Camus was een fervent voorstander van een “Verenigd Europa” en geloofde in de kracht van dialoog en verzoening.

Hoewel experts erkennen dat de KGB destijds tot gruwelijke daden in staat was, is er tot op heden geen overtuigend bewijs gevonden voor Catelli’s moordtheorie.

De officiële lezing blijft dat het een tragisch auto-ongeluk betrof, veroorzaakt door een klapband.

De dood van Albert Camus, de beroemde grondlegger van het absurdisme, blijft dus tot vandaag omgeven door een zweem van mysterie en speculatie.

Zijn invloedrijke werken en zijn pleidooi voor menselijkheid en vrijheid blijven echter voortleven.

Vandaag 55 jaar geleden, begrafenis van de Franse schrijfster Louise de Vilmorin.

Louise de Vilmorin werd in 1902 geboren in Verrières-le-Buisson, telg uit een vooraanstaand geslacht van botanisten.

Ze had een ouder zusje en vier jongere broers, die ze later aanmerkte als haar beschermende klaverblad; het klavertjevier waarmee ze haar brieven ondertekende, haar handelsmerk.

Haar moeder leidde een mondain leven, had een salon, waar vorsten, diplomaten en schrijvers elkaar kruisten.

Als kind was Louise door ziekte vaak gekluisterd aan haar ‘Rossinante’, haar bed op wielen; een positie aan de zijlijn die haar observatievermogen en haar fantasie scherpte.

Haar liefdesleven was tumultueus.

In 1923 verloofde ze zich met haar neef Saint-Exupéry; in 1925 trouwde ze met de Amerikaan Henry Leigh-Hunt, met wie ze drie dochters kreeg.

In 1933 had ze kort een verhouding met André Malraux.

In 1937 trouwde ze met de Hongaarse graaf Pali Pálffy; ook dat huwelijk hield geen stand.

In 1947 leerde ze Coco Chanel kennen en tien jaar later bracht ze haar biografie uit, Mémoires de Coco.

Vanaf 1950 vestigt ze zich in het huis van haar familie in Verrières-le-Buisson, waar ze in haar ‘salon bleu’ kunstenaars, schrijvers en regisseurs ontvangt.

Enkele meesterwerken van haar zijn Sainte-Unefois, Julietta, L’Heure Maliciôse, Lettre dans un taxi en poëziebundels als Fiançailles pour rire en L’Alphabet des aveux.

Louise schreef zelf het scenario voor Les Amants, van Louis Malle, uit 1958.

De film is gebaseerd op de novelle Point de lendemain van de Franse auteur Vivant Denon, met onder meer in de hoofdrol Jeanne Moreau en Alain Cuny.

Aan het eind van haar leven krijgt ze opnieuw een verhouding met André Malraux.

De media-aandacht die dat oplevert, doet haar verzuchten: ‘Ik ben niet langer Louise de Vilmorin, ik ben Marilyn Malraux.’

Ze stierf op de leeftijd van zevenenzestig jaar op 26 december 1969 en drie dagen later begraven op 29 december 1969 (diverse bronnen, Wikipedia en foto 1 André Malraux troost één van haar dochters, foto 2 de Franse acteur Paul Meurisse en foto 3 Ingrid Bergman en haar man)

Vandaag, 100 jaar geleden, première van het toneelstuk de Paradijsvogels van Gaston Martens in Antwerpen.

Gaston groeide op in een welgesteld brouwersgezin in Zulte. Hij was geen briljante student, maar blonk wel uit in sport.

Zijn specialiteit was verspringen.

Hij werd viermaal Belgisch kampioen en hield van 1905 tot 1919 het Belgisch record in handen.

Hij behaalde ook twee medailles op de Belgische kampioenschappen atletiek in het kogelstoten.

Martens schreef vooral volkse toneelstukken met humoristische en sentimentele elementen.

Enkele van zijn werken zijn:

“De Heirweg” (1924, “Het Dorp der Mirakelen” (1932), “En waar de ster bleef stille staan” (1933), “De Mannen van Goed Gewil” (1936) en “Paradijsvogels” (1934, zijn succesvolste stuk)

Het verhaalt de lotgevallen van de bewoners van Leydonck-Waterland, een fictief dorpje aan de Leie in de tweede helft van de jaren twintig van de twintigste eeuw.

Het werd vertaald in verschillende talen en opgevoerd in binnen- en buitenland.

In 1946 werd het verfilmd in Frankrijk als “Les Gueux au Paradis” met Raimu en Fernandel in de hoofdrollen.

Martens won voor “Paradijsvogels” de Staatsprijs voor Toneelliteratuur.

In 1911 trouwde Gaston Martens met Germaine De Buck. Ze kregen samen één dochter, Godelieve.

In 1937 verhuisde Martens naar Frankrijk, waar hij een perzikplantage begon.

Tijdens zijn verblijf in Frankrijk vertaalde hij zijn stukken in het Frans.

Na de Tweede Wereldoorlog keerde Martens terug naar België. Hij bleef schrijven, maar zijn latere werk was minder succesvol dan zijn vroegere stukken.

Gaston Martens overleed in 1967 in Deinze en is begraven in Deurle.

Vandaag, 100 jaar geleden, viering 25 jaar NTG (27 december 1924)

De officiële naam luidt als volgt: Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS).

Nochtans staat het gebouw beter bekend als NTG of NTGent omdat NTG de theatergroep is die op die locatie speelt.

Ik heb daar jaren gewerkt als hoofd van het horecagedeelte en ik woon daar toen ook in het gebouw.

Ook ben ik trots dat ik toen de eer had om de Foyer op te starten en dat met veel succes.

90 jaar geleden, het nieuwe Diocesaan Museum in Mechelen.

Het museum sloot de deuren in 1986, gelukkig bestaat vandaag nog wel het Archief van het Diocesaan Museum, Mechelen.

Het archiefbestand bestaat in de eerste plaats uit stukken in verband met de oprichting van het diocesane museum en de administratieve commissie in 1933.

Voorts zijn vergaderverslagen en briefwisseling van de commissie bewaard, evenals stukken betreffende de betrekkingen met de stedelijke en provinciale overheden.

Andere bescheiden betreffen de tentoonstellingen die in het museum werden georganiseerd en de weerklank ervan in de pers.

Rafaël Tambuyser, geboren en getogen in Mechelen, werd in 1927 tot priester gewijd en was één van de oprichters van het museum.

Vier jaar later behaalde hij in Leuven een diploma als licentiaat in het kerkelijk recht.

Datzelfde jaar benoemde kardinaal Van Roey hem tot secretaris van het aartsbisdom en tot assistent van diocesaan archivaris Jozef Laenen.

Na de dood van Laenen in 1940 werd Tambuyser archivaris en conservator van het diocesaan museum. E

en jaar later volgde de benoeming tot erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel.

Intussen was Tambuyser ook actief aan de kerkelijke rechtbank in Mechelen.

Met zijn aanstelling tot hulparchivaris en vervolgens hoofdarchivaris van het Aartsbisschoppelijk Archief groeide bij Tambuyser de interesse voor Mechelse geschiedenis.

In 1931 werd hij lid van de Mechelse oudheidkundige kring. Later volgde het lidmaatschap van diverse andere historische commissies en verenigingen.

In 1939 trad Tambuyser toe tot het bestuur van de oudheidkundige kring van Mechelen. Een jaar later werd hij voorzitter, een functie die Tambuyser tot aan zijn dood in 1966 bleef uitoefenen.

In het gebouw vestigde zich daarna het Koninklijke Manufactuur De Wit die over een van de prestigieuste privécollecties van wandtapijten ter wereld beschikt.

De “Manufacture de Tapisseries d’Art” werd in 1889 opgericht door Theo De Wit en vernoemd naar diens zoon, tapijtwever Gaspard De Wit.

Ook is er een werkplaats waar men werk verricht op het vlak van conservatie en restauratie van oude wandtapijten voor musea (De Stad van 28 december 1934, site Koninklijke Manufactuur De Wit, Wikipedia en Site Odis)

90 jaar geleden, het nieuwe Diocesaan Museum in de Schoutetstraat 7, in Mechelen (De Stad van 28 december 1934).

Het museum sloot de deuren in 1986, gelukkig bestaat vandaag nog wel het Archief van het Diocesaan Museum, Mechelen.

Het archiefbestand bestaat in de eerste plaats uit stukken in verband met de oprichting van het diocesane museum en de administratieve commissie in 1933.

Voorts zijn vergaderverslagen en briefwisseling van de commissie bewaard, evenals stukken betreffende de betrekkingen met de stedelijke en provinciale overheden.

Andere bescheiden betreffen de tentoonstellingen die in het museum werden georganiseerd en de weerklank ervan in de pers.

Rafaël Tambuyser, geboren en getogen in Mechelen, werd in 1927 tot priester gewijd en was één van de oprichters van het museum.

Vier jaar later behaalde hij in Leuven een diploma als licentiaat in het kerkelijk recht.

Datzelfde jaar benoemde kardinaal Van Roey hem tot secretaris van het aartsbisdom en tot assistent van diocesaan archivaris Jozef Laenen.

Na de dood van Laenen in 1940 werd Tambuyser archivaris en conservator van het diocesaan museum. E

en jaar later volgde de benoeming tot erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel.

Intussen was Tambuyser ook actief aan de kerkelijke rechtbank in Mechelen.

Met zijn aanstelling tot hulparchivaris en vervolgens hoofdarchivaris van het Aartsbisschoppelijk Archief groeide bij Tambuyser de interesse voor Mechelse geschiedenis.

In 1931 werd hij lid van de Mechelse oudheidkundige kring. Later volgde het lidmaatschap van diverse andere historische commissies en verenigingen.

In 1939 trad Tambuyser toe tot het bestuur van de oudheidkundige kring van Mechelen. Een jaar later werd hij voorzitter, een functie die Tambuyser tot aan zijn dood in 1966 bleef uitoefenen.

In het gebouw vestigde zich daarna het Koninklijke Manufactuur De Wit die over een van de prestigieuste privécollecties van wandtapijten ter wereld beschikt.

De “Manufacture de Tapisseries d’Art” werd in 1889 opgericht door Theo De Wit en vernoemd naar diens zoon, tapijtwever Gaspard De Wit.

Ook is er een werkplaats waar men werk verricht op het vlak van conservatie en restauratie van oude wandtapijten voor musea (De Stad van 28 december 1934, site Koninklijke Manufactuur De Wit, Wikipedia en Site Odis)

Vandaag 45 jaar geleden, opening van de tentoonstelling Kermesse Heroique in het Centre Pompidou in Parijs.

Voor deze grote retrospectief van Salvador Dalí over de overdracht van voorwerpen in een wel of niet schaalverandering.

De bezoeker kreeg een installatie te zien van tientallen gerechten, worstjes en een theelepel op een andere schaal dan in de werkelijkheid.

Zo was de lepel 38 meter lang en goed voor een gewicht van 1600 kg.

Dali gaf de opdracht aan Kim Hamisky om dit kunstwerk te maken.

Gedurende meer dan zes weken hebben een twintigtal arbeiders metalen platen gesneden en gelast om dit kunstwerk samen te stellen.

De Theelepel kreeg een plaats in de hal, naast een rots die begroeid is met regenschermen.

De Theelepel en de rots kregen ook nog een andere functie.

Een pompsysteem pompte water uit de lepel en spoot die dan eens per uur over de rots.

Zo waren de beide kunstwerken verbonden als een soort fontein. (Diverse bronnen en De Post van 30 december 1979)

75 jaar geleden, te gast in het droomkasteel ‘Le Palais Idéal’ van de postbode Cheval.

In het plaatsje Hauterives in de Drôme staat een exotisch bouwsel dat iets weg heeft van de tempels van Angkor.

Geen hoek van Le Palais Idéal is recht en de muren zijn versierd met de vreemdste stenen, schelpen, exotische dieren en wezens.

Dit is het aandoenlijke levenswerk van Facteur Cheval, een postbode die in 1879 zijn voet stootte tegen een gek uitziende steen.

Gisteren nog vandaag

Hij voelde een roeping en besloot het paleis van zijn dromen te bouwen, speciaal voor zijn jonge dochter.

In 30 jaar (en totaal 90.000 manuren) verrees een heus paleis met verwijzingen naar bouwstijlen uit alle continenten. Want postbode Cheval vond zijn inspiratie op de ansichtkaarten die hij bezorgde. In zwart-foto’s van hindoe-tempels, moskeeën en Egyptische grafkamers.

Gisteren nog vandaag

Verleden jaar kwam de Franse film L’Incroyable destin du Facteur Cheval uit.

In de film zien we hoe Facteur Cheval die een hoop te verduren krijgt in zijn leven. Zo verliest hij de ene na de andere geliefd. Maar zijn paleis blijkt een soort reddingsboei, een reden om door te gaan, ook al begrijpt alleen zijn dochter waar hij mee bezig is.

Een mooi moment in de film is als zijn vrouw (Laetitia Casta) naar hem lacht, als hij een eerste lintje krijgt van de burgemeester. Jarenlang vond ze zijn project net zo vreemd als de andere dorpsbewoners.

Maar nu realiseert ze zich trots dat mensen van verre komen om zijn paleis te bewonderen.

Gisteren nog vandaag

Facteur Cheval is ineens geen lokale gek meer, maar de held van een eenvoudig dorpje in de Drôme.

Bijna een eeuw na zijn dood blijft dat een hele mooie reden om zijn Palais Idéal eens te bezoeken.

Le Palais Idéal en het museum over Facteur Cheval in Hauterives is dagelijks open en de inkom is is 8 euro (volw.) en 5 euro (kinderen). Meer informatie: http://www.facteurcheval.com. (Diverse bronnen, Sabine Dekker, Wikipedia en Foto’s afkomstig uit het Tijdschrift Ons Volk november 1949)

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Vandaag 25 jaar geleden, Hugo Claus geëerd met de driejaarlijkse Cultuurprijs van de Vlaamse gemeenschap.

Zijn werk en invloed blijven resoneren in de literaire wereld, recentelijk versterkt door de publicatie van een sterke biografie door Mark Schaevers.

In een uitgebreid interview in het weekblad Humo in februari van dit jaar, werd Schaevers uitgelicht om zijn diepgaande biografische werk over Claus te bespreken.

Het gesprek vond plaats in de bekende Hotsy Totsy in Gent, een locatie die past bij de culturele statuur van Claus (foto 1: Ann Van Den Sompel)

Vandaag is het precies een eeuw geleden dat het toneelstuk Mama’s kind van Willem Putman in première ging in Tienen (16 januari 1924).

Willem Putman was een Vlaamse schrijver en toneelauteur, geboren in Waregem op 7 juni 1900.

Zijn vader, Palmer Putman, was een actief lid van de rederijkerskring “Kunst en Eendracht” en stimuleerde de artistieke interesse van zijn zoon.

Na zijn vroegtijdige dood in 1910 nam zijn moeder, Elvira Callens, de boekhandel en het toneelfonds over.

Willem Putman kon verder studeren aan het Sint-Amanduscollege in Kortrijk, waar hij in contact kwam met de werken van Albrecht Rodenbach.

Hij raakte geïnspireerd door diens idealisme en flamingantisme, en begon zelf toneelstukken te schrijven onder het pseudoniem W. Hegeling, ontleend aan Rodenbachs versdrama Gudrun.

Zijn eerste succes behaalt hij in 1920 met Het oordeel van Olga.

Het stuk was een felle aanklacht tegen het Belgische gerecht, dat na de oorlog hard optrad tegen Vlaamse activisten, maar de oorlogsprofiteurs ongestraft liet.

Het stuk werd op verschillende plaatsen verboden wegens beledigend voor het leger en de geallieerden.

In 1921 kreeg Putman meer erkenning met zijn stuk Het Stille Huis, dat werd opgevoerd in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg.

Putman werkte toen als ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, maar bleef actief schrijven.

Van 1926 tot 1944 was hij inspecteur van de openbare bibliotheken in West-Vlaanderen.

Vóór mei 1940 lieert hij zich nog niet openlijk tot een politieke strekking, maar twee maanden daarna zou de in de tussenoorlogse jaren geradicaliseerde Vlaams-nationalist Willem Putman uitgroeien tot een overtuigde collaborateur.

Het VNV-dagblad Volk en Staat meldt dat Putman stichter-voorzitter is geworden van een ‘Kortrijkse Kunstenaarskamer’.

De opzet van dergelijke Kunstenaarskamers was het Vlaamse cultuurleven beetje bij beetje in nationaal-socialistische richting te sturen.

Tevens werkt hij mee aan de Brüsseler Zeitung.

In de winter van 1941-1942 werd het toneelstuk Mama’s kind in Hamburg opgevoerd, als onderdeel van de Niederdeutsch-Flämische Bühnenwoche, een culturele uitwisseling tussen Vlaanderen en Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Dit leidde natuurlijk onvermijdelijk tot vervolging na de Bevrijding, op beschuldiging van culturele collaboratie.

Hij werd veroordeeld tot vier jaar cel en levenslange ontzetting uit zijn burgerrechten.

Dit betekende niet alleen dat hij zijn betrekking kwijt was maar ook dat hij niet meer kon publiceren.

In de nazomer van 1946 werd hij vervroegd vrijgelaten.

Hij had zich ondertussen in de gevangenis aan het schrijven gezet.

Putman had een groot gezin, namelijk zes kinderen en moest schrijven om rond te komen.

Hij gebruikte de schuilnaam Jean du Parc, maar iedereen wist wie hij was.

Hij werd niet lastiggevallen door de rechters.

Hij schreef tien romans bij een uitgever in Antwerpen.

Mevrouw Pilatus en Christine Lafontaine waren erg populair.

Hij schreef ook nog toneelstukken en schreef over de oorlog, de repressie, de liefde, de kinderen, het berouw, het verraad, het gemis, de naïviteit, de passie en de berusting.

Zijn boeken waren niet zo goed geschreven, maar wel spannend en boeiend.

Veel mensen lazen ze dan ook graag.

In 1952 maakte hij een openluchtspel voor een feest in Kortrijk.

Hij bleef veel schrijven, tot hij in 1954 plotseling ziek werd en stierf.

Zijn zoon Luc Putman (1927-2002) was ambassadeur in Marocco, Kinshasa, Moskou en Dublin (Ons Land 26 januari 1924)

Kan een afbeelding zijn van 5 mensen en de tekst 'VLAAMSCHE GEBEURTENISSEN Opvoering van Thienen veel Mama's Kind,, van Willem Putman, te Thienen richtingen. sommige gezegden... eens tuurt eigen aarh mo dedigt ra verhouding, Betsy DE DRIE VROUWENROLLEN Tante, Joh. Dons. HARE VERTOLKERS: Een jarige dame, Greta DE DRIE HEERENROLLEN EN HARE VERTOLKERS krioelt bovendien Ditg'

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Voor de aanvang van het toneelstuk was er een speciale ontvangst georganiseerd voor de schrijver Willem Putman en de andere vooraanstaande gasten.

Daar sprak burgemeester en parlementslid De Jaegher hen toe met een welkomstwoord.

Gisteren nog vandaag

65 jaar geleden, nieuwjaarskaart van een schilderij van kunstschilder Raphaël Pricert

Raphaël Pricert is een kunstschilder die in Oekraïne geboren is op 19 december 1905 in de familie van een rijke graanhandelaar uit De Krim.

Zijn vader stuurde Raphaël in 1918 naar Odessa, om tekenen en schilderen te studeren bij meester Ilya Bersetski.

In 1919 zocht de familie Pricert, verdreven door de Oktoberrevolutie, hun toevlucht in Roemenië.

Raphaël Pricert vervolgt zijn artistieke opleiding aan de School voor Schone Kunsten in Boekarest.

Daarna volgde hij een opleiding aan de Academie van Florence.

Hij verhuisde in 1930 permanent naar Parijs, waar hij zich onderdompelde in het artistieke leven van Montparnasse.

Op 29 juni 1935 trouwde hij met Lisa Samsovici, ook een Russische emigrant zoals hijzelf.

Het koppel woonde toen in het 14e arrondissement van Parijs.

Eén van de kamers van het appartement doet dienst als atelier en de opslagruimte voor zijn schilderijen.

Dankzij zijn vriendschap met de eigenaar Faivret van een groot reclamebureau aan de Quai d’Orsay, in Parijs. Kreeg hij opdrachten om reclameposters te ontwerpen en werden zijn schilderijen gebruikt voor postkaarten.

Maar ook bleef hij actief meewerken aan artistieke leven van Montparnasse.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vluchtte hij weg uit Parijs en leefde hij en zijn gezin naar de streek van Auvergne.

In de maanden na de bevrijding exposeerde hij zijn schilderijen in Vixouze, Polminhac, Vic sur Cère en Aurillac.

Ondanks de grote armoede van de naoorlogse periode werden er veel werken van hem aangekocht.

Omdat er geen geld is, bieden sommigen hem in ruil daarvoor kaas en andere voedselproducten aan.

Bij zijn terugkeer naar Parijs in 1945 ontdekte hij dat zijn appartement bewoond werd door een oorlogsweduwe.

Al zijn middelgrote en grote schilderijen die hij tijdens de uittocht niet mee kon nemen, zijn verdwenen.

Gelukkig kreeg hij de kans om zijn nieuwe werken tentoon te stellen en met veel succes.

Hij besluit dan ook om zich volledig te wijden als schilder en stop dan ook met werken voor het reclamebureau van de heer Faivret.

Hij reist vaak naar verschillende landen, zoals Frankrijk, Italië, de VS, Zweden, Spanje, Engeland, Israël enz.

Raphaël heeft dan ook veel vrienden over de hele wereld, waaronder Abe Saperstein, de baas van de Harlem Globe Trotters, met wie hij een hechte band had tot aan zijn dood in 1966.

Raphaël is een polyglot die zes talen vloeiend spreekt: Russisch, Roemeens, Italiaans, Duits, Frans en Engels.

Hij raakte gefascineerd door Zweden en zijn cultuur toen hij daar in 1951 tentoonstellingen hield.

Hij leerde snel Zweeds en verraste zijn vrouw Lisa en dochter met zijn taalvaardigheid tijdens een reis door Frankrijk in datzelfde jaar.

Raphaël Pricert stierf op 2 februari 1967 na zijn lange en pijnlijke ziekte.

Kan een afbeelding zijn van tekst

Vandaag is het 125 jaar geleden dat de Gentse dichter en schrijver Georges Rodenbach is overleden.

Rodenbach werd geboren in Doornik op 16 juli 1855, maar verhuisde op jonge leeftijd naar Gent, waar hij opgroeide in een welgestelde familie.

Hij studeerde rechten aan de universiteit van Gent en werd advocaat, maar zijn ware passie lag bij de literatuur.

Hij schreef gedichten, romans, toneelstukken en essays, waarin hij vaak de melancholie en het verval van de moderne stad uitdrukte.

Zijn bekendste boek is Bruges-la-Morte (1892), een roman over de obsessie van een weduwnaar voor zijn overleden vrouw en de stad Brugge.

Rodenbach trouwde in 1887 met Anna-Maria de Schaetzen, met wie hij twee kinderen kreeg.

Hij verhuisde naar Parijs, waar hij actief was in de literaire kringen en bevriend raakte met onder andere Emile Verhaeren en Stéphane Mallarmé.

Hij overleed op 25 december 1898 aan een longontsteking, op 43-jarige leeftijd en werd begraven op het kerkhof van Père-Lachaise, waar zijn grafmonument nog steeds te bewonderen is.

In Gent is er een straat naar hem genoemd, de Georges Rodenbachstraat en een gedenkplaat aan zijn geboortehuis in de Veldstraat.

Vandaag 75 jaar geleden, werd een gedenkplaat onthuld ter ere van de Gentse dichter Georges Rodenbach, die in 1898 overleed

De Gentse kunstenaar Geo Vindevogel ontwierp het bronzen gedenkplaat om de gebeurtenis te herdenken.

De plechtigheid vond plaats in de Orbanlaan nummer 9, in Gent, waar Rodenbach zijn jeugd doorbracht.

Onder de aanwezigen waren zijn zus Marie, die gehuwd was met de schilder Georges Le Brun, zijn zoon Constantin en zijn neef Andre, die ook dichter was.

Andre Rodenbach was de halfbroer van de Gentse dichteres Eliane (Ely) Rodenbach.

Hij groeide op in Lokeren, en toen hij 14 jaar was verhuisde het gezin naar Gent. Daar woonde ze in 1915 in de Meerstraat.

In 1919 trokken ze naar de Blankenbergestraat, in 1921 naar de Pelikaanstraat en in 1928 naar de Vrijheidslaan.

Hij was een gepassioneerde dichter, die poëzie beschouwde als een middel om de menselijke geest te verheffen boven het materialisme.

Hij had een grote bewondering voor Frankrijk en zijn cultuur, vooral voor de streek van de Midi.

Hij betreurde de achteruitgang van het Frans in Vlaanderen, die hij toeschreef aan de taalwetten en het verdwijnen van het Frans uit het onderwijs.

Hij voelde zich geroepen om de Franse cultuur levend te houden in België, vooral onder de toen 75000 Franssprekende Vlamingen ( gedenkplaat onthuld op 19 december 1948).