Van The Lopez Sisters tot ‘Going Back to My Roots’ de reis van Odyssey

De muzikale reis van Odyssey begon in 1968. De van de Maagdeneilanden afkomstige zussen Carmen, Lillian en Louise Lopez richtten toen de familiegroep The Lopez Sisters op.

Jarenlang traden ze op in en rond New York, voornamelijk op feestjes, bruiloften en in kleine clubs.

Omdat het grote succes uitbleef, besloot Carmen de groep na enkele jaren te verlaten voor een leven buiten de schijnwerpers.

Lillian en Louise gaven echter niet op en zochten eind 1976 naar een nieuw geluid om door te breken.

Die frisse impuls vonden ze bij de Filipijnse bassist-zanger Tony Reynolds.

Met een mannelijke zanger en een meer op pop gerichte sound was het tijd voor een nieuwe naam: Odyssey was geboren.

De zusjes Lilian en Louise Lopez legden destijds uit dat ze voor de naam Odyssey hadden gekozen, omdat ze hun publiek wilden meenemen op reis naar verschillende landen, waarbij ze zoveel mogelijk verschillende muziekstijlen gebruikten als een echte odyssee.

De Lopez-zusters waren geboren in Stamford in de Amerikaanse staat Connecticut, maar voelden zich evenzeer Afrikaans als Amerikaans.

De songtitel ‘Going Back to My Roots’ was dan ook geen toevallige keuze, want beiden waren altijd al trots op hun afkomst, al jaren voordat de tv-serie «Roots» van Alex Haley daar een trend van maakte.

Louise vertelde dat ze hun haar toen al meer dan tien jaar op Afrikaanse wijze gevlochten droegen.

Zelf ontwierp ze ook kleding, zoals vloeiende kaftans in traditionele Ethiopische stijl, en voor hun podiumshows maakte ze Zoeloe-halskettingen en Egyptische kragen.

De doorbraak volgde in 1977 met de single ‘Native New Yorker’

Het nummer behaalde de 21e plaats in de Amerikaanse hitlijsten en werd een top 5-hit in het Verenigd Koninkrijk.

In Vlaanderen en Nederland bleef het succes toen beperkt tot een notering in de tipparade.

Overigens coverde ook Frankie Valli het nummer in diezelfde periode op zijn album ‘Lady Put The Light Out’.

Na hun debuuthit op de wip tussen 1977 en 1978 was het weer rimpelloos stil geworden rond de groep.

Er werden indertijd zes singles uitgebracht die nauwelijks de bodem van de Amerikaanse hitlijsten benaderden. Iedereen dacht toen dat men met een eendagsvlieg te maken had, zoals de discowereld er in die periode de ene na de andere uitspuwde.

De bezetting van de groep veranderde echter snel.

Ten tijde van het debuutalbum was Tony Reynolds alweer vertrokken.

Hij koos voor een heel ander pad, werd elektricien bij de politie van New York en speelde daarnaast in een plaatselijke band tot aan zijn overlijden op 2 februari 2010.

Hij werd vervangen door Bill McEachern, die een bepalende stem zou worden voor de groep.

Billy was geboren in Fayetteville in de staat North Carolina en zong al sinds zijn kinderjaren beroepsmatig.

Voordat hij zich bij Odyssey aansloot, behoorde hij tot de topzangers in de New Yorkse studio’s.

Een jaar na de stilte, in de zomer van 1980, liet Odyssey opnieuw van zich horen.

Met ‘Use It Up and Wear It Out’ scoorden ze een vierde plaats in zowel Vlaanderen als Nederland, en het nummer klom langzaam maar zeker naar een hoge notering in Engeland, waar het zelfs een nummer één-hit werd.

Een nieuwe inzinking bleef uit, want Odyssey zette de succesreeks voort met ‘If You’re Looking for a Way Out’ en ‘Hang Together’.

In de zomer van 1981 volgde hun cover van ‘Going Back to My Roots’, geproduceerd door Steve Tyrell, van ex-Motown-schrijver Lamont Dozier, wat hun hittotaal indertijd op vijf bracht.

Meestal bleef de rol van Billy McEachern binnen de groep beperkt tot harmoniezang, maar op «Going Back to My Roots» kreeg hij de leadzang toegewezen.

Billy zong dat nummer zo overtuigend in dat hij toen terecht bij de zusjes Lopez kon aankloppen om meer op de voorgrond te treden.

Met de leadzang van McEachern werd dit een groot succes in Vlaanderen, met een derde plaats in de BRT Top 30 en een vierde plaats in de Top 40.

Het zat diep bij de zussen, want ze waren in juli 1981 even trots op de eerste plaats van «Use It Up and Wear It Out» in de nationale hitlijst van Kenia als op hun sterrenstatus in de grote poplanden.

Ze verklaarden destijds in koor dat ze er alle drie van droomden om zo snel mogelijk aan een Afrikaanse tournee te kunnen beginnen.

In deze periode werd ook Lilians zoon, Steven Collazo, aan de groep toegevoegd als toetsenist, zanger en muzikaal leider. Voor wie destijds meer van de groep wilde horen, was bovendien hun pas verschenen elpee ‘I Got the Melody’ beschikbaar.

Hun laatste grote internationale hit werd ‘Inside Out’ uit 1982.

Een opvallend detail is dat de baslijn van dit nummer sterke gelijkenissen vertoont met die van ‘Watching You’ (1980) van de Amerikaanse soulband Slave, waar ook Steve Arrington (die we kennen van zijn hit ‘Feel so Real’) deel van uitmaakte.

In 1990 kreeg ‘Inside Out’ nog een tweede leven door een cover van de Engelse houseband Electribe 101.

Hoewel de originele zangeressen Lillian (overleden in 2012) en Louise Lopez (overleden in 2015) inmiddels niet meer onder ons zijn, treedt Steven Collazo samen met wisselende vocalisten (zoals Romina Johnson en Jerdene Wilson) nog regelmatig op.

In de zomer van 1976 bevrijdde de Britse viermansformatie The Real Thing zichzelf in één klap van al haar vorige klusjes.

De groep werd aan het begin van de jaren zeventig opgericht in de wijk Toxteth in Liverpool.

Aanvankelijk traden de leden op onder namen zoals Sophisticated Soul Brothers.

De uiteindelijke bandnaam ontstond volgens de overlevering toen hun manager Tony Hall op Piccadilly Circus in Londen een levensgroot reclamebord van Coca-Cola zag staan met de bekende slagzin.

De vaste kern van de groep werd gevormd door de broers Chris en Eddie Amoo, aangevuld met Dave Smith en Ray Lake.

Na enkele jaren van bescheiden successen en optredens in de bekende tv-talentenshow Opportunity Knocks, kwam in 1976 de grote doorbraak.

Ze waren niet langer de jongens die David Essex vocaal bijstonden op zijn singles en tijdens zijn optredens, en ook het werk als jingle-inzingers lag definitief achter hen.

Iedereen kende hen plotseling dankzij de enorme zomerhit ‘You To Me Are Everything’.

Die doorbraak kwam er dankzij de single die in het voorjaar van 1976 via Pye Records werd uitgebracht.

Het nummer werd geschreven en geproduceerd door het koppel Ken Gold en Michael Denne.

De twee songschrijvers bedachten de meeslepende melodie en het pakkende refrein in minder dan een uur tijd, speciaal afgestemd op de warme tenorstem van leadzanger Chris Amoo.

De song steeg door naar de absolute top van de Britse hitparade, nadat er op het hoogtepunt maar liefst 30.000 exemplaren per dag van over de toonbank gingen.

In juli 1976, midden in de broeierige Britse zomer, klom de single naar de absolute eerste plaats van de Britse hitparade.

Het nummer bleef drie weken lang bovenaan de UK Singles Chart staan en zorgde voor een historisch moment: The Real Thing werd daarmee de eerste volledig zwarte Britse band die toen een nummer 1-hit scoorde in het Verenigd Koninkrijk.

Ook buiten Groot-Brittannië werd de song een grote hit.

In Vlaanderen was het nummer goed voor de achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl de single het in Nederland nog iets beter deed en daar de vierde plaats bereikte in de Top 40.

Ondanks dat plotselinge succes hielden de bandleden er een opmerkelijk doordachte en verrassende visie op na.

Ze waren namelijk niet van plan om vijf jaar op een doorbraak te wachten om vervolgens na één knaller weer in de vergetelheid te verzinken.

Eddie Amoo kon het nauwelijks geloven toen manager Tony Hall hem opbelde met het nieuws dat de single als een raket omhoogschoot.

Eddie trok halsoverkop zijn kleren aan, stapte in de wagen en kocht alle muziekkranten die hij kon vinden om de hitlijsten met eigen ogen te zien.

Pas toen hij de notering op nummer 22 in Top of the Pops zag staan, drong het werkelijk tot hem door.

Toch voelde de groep dat succes heel nuchter aan.

Ze wilden dit momentum vooral gebruiken om materiaal uit te brengen dat veel dichter lag bij wie ze echt waren.

Ze vonden ‘You To Me Are Everything’ simpelweg niet representatief voor hun eigen muzikale identiteit.

Zonder enige artistieke pretentie zagen de jongens die hit puur als een opstapje naar een wijdere en diepere creatieve ruimte.

Na een reeks van zo’n zes spectaculaire flops uit het verleden stonden ze nu eenmaal anders in het leven toen ze het nummer opnamen.

Ken Gold ging eerder ook met hen aan de slag voor hun geplande conceptalbum over het leven in Liverpool 8.

Dat project lag de mannen nauw aan het hart.

Ze wilden het verhaal vertellen van een kind dat opgroeide in een reusachtig appartementsgebouw van negentig verdiepingen.

Op Ray na kwamen alle bandleden uit die dichtbevolkte en arme wijk bij de dokken, waar misdaad aan de orde van de dag was, maar waar ook mensen met een ijzeren karakter zoals bokser John Conteh opgroeiden.

Waar iedereen bij Liverpool meteen aan The Beatles dacht, wilde The Real Thing laten zien hoe het er daar werkelijk aan toe ging.

De groep had daarnaast enorm veel te danken aan de mensen om hen heen.

Via een tv-spotje voor producer Jeff Wayne leerden ze zanger David Essex kennen.

Essex was ontzettend eerlijk tegen hen, hielp hen bij het componeren en leerde hen hoe ze persoonlijke liedjes moesten schrijven die echt geworteld waren in hun eigen achtergrond.

Ook het optreden in hun voorprogramma voor duizenden uitzinnige tieners in de Londense Earl’s Court was een onvergetelijke ervaring geweest.

Een andere sleutelfiguur was hun manager Tony Hall, een absolute autoriteit op het gebied van zwarte muziek in Engeland, die hen voortdurend op het juiste spoor hield.

In hun beginjaren traden ze namelijk vooral op in de clubs van Noord-Engeland, waar ze aan het verwachtingspatroon van vier ‘leuke zwarte kerels’ voldeden: ze zongen Amerikaanse nummers, maakten strakke danspasjes en praatten op aandringen van hun vorige manager zelfs met een Amerikaans accent.

In de zomer van 1976 lieten ze die ingestudeerde rol voorgoed achter zich om eindelijk hun eigen verhaal te vertellen.

Na het succes van You To Me Are Everything scoorde de band nog diverse andere hits, waaronder ‘Can’t Get By Without You’ en het doordringende disco-epos ‘Can You Feel The Force?’

Tien jaar later, in 1986, beleefde hun bekendste klassieker een tweede jeugd. Een remix onder de titel The Decade Remix bracht de plaat opnieuw hoog in de hitlijsten, met een top 5-notering in het Verenigd Koninkrijk.

You To Me Are Everything is door de decennia heen uitgegroeid tot een tijdloze pop- en soulklassieker die nog steeds frequent op de radio te horen is en door tal van andere artiesten, zoals Frankie Valli, werd gecoverd.

In de jaren 80 stak het fenomeen van de remixes de kop op in de charts

Heel wat grote hits uit de 60s en 70s keerden dat decennium terug in de hitlijsten, o.a. ‘December 1963 (Oh What A Night)’, ‘Heaven Must Be Missing An Angel’, ‘Downtown’, ‘Black Betty’ en ‘Eve Of The War’.

De allereerste single die in een nieuwe versie opnieuw een hit werd, was ‘You To Me Are Everything’ van de Engelse soulgroep The Real Thing.

In de lente van 1986 werd dit voor de tweede keer een grote Europese hit. In de UK stond het nummer zelfs 2 keer in de top 5.

Het origineel voerde in juli 1976 gedurende 3 weken de Britse top 40 aan. In Nederland stond The Real Thing ermee op n°4 en op n°8 in Ultratop. ‘You To Me Are Everything’ werd nooit een groot succes in de VS.

Dit was te wijten aan het feit dat er verschillende coverversies van werden opgenomen.

Hiervan stonden er drie tegelijkertijd in de Billboard Hot 100, die elkaar stuk voor stuk verhinderden om erboven uit te steken.

Het al in 1970 opgerichte The Real Thing was in de jaren ’70 de meest succesvolle zwarte act.

Ze kwamen in het vizier van EMI door een sterke live-act bestaande uit progressieve versies van Amerikaanse hits. Ondanks positieve kritieken werden de eerste singles geen succes.

De kentering komt er wanneer ze de steun krijgen van idool David Essex en een contract krijgen bij Pye Records.

Na talrijke personeelswissels is de 8ste single ‘You To Me Are Everything’ eindelijk een schot in de roos. ‘Can’t Get By Without You’ en ‘You’ll Never Know What You’re Missing’ (in 2002 nog gesampled door Thomas Bangalter van Daft Punk) zijn daarna nog grote Britse hits, maar daarna sputtert de hitmachine een aantal jaren.

In 1979 slaan ze terug met het space disco-nummer ‘Can You Feel The Force?’.

In 1982 werken ze opnieuw samen met David Essex als diens backingband.

Vier jaar later worden de oude hits dus heropgevist. The Real Thing draait nog steeds mee in het oldiescircuit.

Ze zijn intussen wel herleid tot een duo bestaande uit de oorspronkelijke leden Chris Amoo en Dave Smith.

De andere helft is reeds gestorven.

Chris’ broer Eddie overleed op 23 februari 2018 op 74-jarige leeftijd.

Ray Lake is in 2000 al op 54-jarige leeftijd overleden na een leven van drank- en drugverslavingen.

Ken Gold, de voornaamste songwriter en producer van de band, schreef ook hits bij elkaar voor Billy Ocean, Tight Fit, The Jodelles en Delegation.

Het verhaal van The Real Thing werd in 2019 opgetekend in de docu Everything – The Real Thing Story (met dank aan Denis Michiels)

45 jaar geleden, het nieuwe thuis van de familie Starr

Ringo Starr trouwde in 1965 met Maureen Cox. Samen kregen zij drie kinderen: Zak, Jason en Lee.

Nadat het paar in 1975 scheidde, vond Ringo opnieuw de liefde bij Barbara Bach, die hij ontmoette op de set van de film Caveman in 1980

Het stel stapte op 27 april 1981 in het huwelijksbootje.

Inmiddels is Ringo grootvader van zeven kleinkinderen en mocht hij op 16 augustus 2016 zijn eerste achterkleinkind verwelkomen.

Zijn oudste zoon, Zak Starkey, trad in zijn muzikale voetsporen; hij is sinds 1996 de drummer van de Engelse rockband The Who en drumde daarnaast enkele jaren bij Oasis.

Een ander bijzonder hoogtepunt in het leven van Starr vond plaats op 29 december 2017, toen hij door koningin Elizabeth werd geridderd.

Zijn echtgenote Barbara Bach werd geboren in Queens, New York.

Ze stopte al op 16-jarige leeftijd met school om een carrière als model na te jagen, met succes: een jaar later werkte ze al als internationaal topmodel.

Op 18-jarige leeftijd trouwde ze met Augusto Gregorini, met wie ze in Italië twee kinderen kreeg.

Tijdens haar periode in Italië was ze te zien in een aantal kleine filmrollen.

Na haar scheiding in 1975 keerde ze terug naar de Verenigde Staten. Haar grote internationale doorbraak volgde in 1977 met de rol van de Russische agent Triple X, majoor Anya Amasova, in een bekende James Bond-film.

Deze rol bracht haar wereldwijde roem, waarna ze een jaar later te zien was in een volgende grote speelfilm.

Tegenwoordig houdt ze zich vooral bezig met liefdadigheidswerk. Samen met Ringo bezit ze meerdere huizen over de hele wereld, waaronder in Monte Carlo en Beverly Hills.

In april 2026 bracht Ringo zijn nieuwe album Long Long Road uit. Dit is zijn tweede country- en Americana-plaat, geproduceerd door T Bone Burnett, met gastbijdragen van artiesten als Sheryl Crow, St. Vincent en Billy Strings.

Het album is de opvolger van het succesvolle Look Up uit 2025.

De nu 86-jarige Ringo staat nog altijd vol energie op het podium.

In mei en juni 2026 toerde hij met zijn All Starr Band, waarin onder meer Steve Lukather van Toto en Colin Hay van Men at Work meespelen, langs de Amerikaanse Westkust.

Voor het najaar van 2026 staat er opnieuw een tournee op het programma, waarbij hij in september en oktober zal optreden in het noordoosten van de Verenigde Staten

Vijfenveertig jaar geleden scoorde de Belgische discogroep Bisquit een hit met het nummer Roller Boogie.

De formatie uit de regio Brussel bestond oorspronkelijk uit de vier leden Sue, Martine, Pascale en Viviane.

Voordat ze de muziekwereld veroverden, werkten de dames al vijf jaar samen als dansgroep en stonden ze op het podium als achtergronddanseres bij bekende artiesten zoals Will Tura en Lee Towers.

Hun muzikale doorbraak kwam er dankzij een samenwerking met Raymond Felix, die eerder al succes boekte met Jack Jersey.

Het absolute hoogtepunt van Bisquit was de single Roller Boogie, geschreven door het duo Ronny Sigo en Raymond Felix.

Die laatste nam ook de volledige productie van het nummer voor zijn rekening.

De aanpak werkte, want de single deed het commercieel goed en klom tot de achttiende plaats in de BRT Top 30.

Hoewel de hitparade in Nederland buiten bereik bleef, werd het nummer ook in Duitsland een bescheiden succes met een achtenvijftigste plaats als hoogste notering.

De groep viel niet alleen op door de muziek, maar ook door een opvallende futuristische stijl.

De leden traden op in paarse pakken en droegen zilveren discohelmen die volledig met spiegeltjes waren bedekt.

Dit mysterieuze imago was een bewuste strategie om de nieuwsgierigheid van het publiek te prikkelen en boven de massa uit te steken.

Wel zat er een opmerkelijk verschil tussen de werkelijkheid en het imago: hoewel de formatie achter de schermen uit vier vrouwen bestond, werd de groep op de singlehoes gepresenteerd als een trio van twee vrouwen en een man.

Hoewel de spiegelhelmen hun handelsmerk werden, keken de groepsleden al vooruit naar andere vermommingen om hun visuele presentatie vernieuwend te houden.

De kern van hun succes bleef de ijzersterke combinatie van professionele danschoreografieën en aanstekelijke discomuziek, een formule die destijds zowel op de televisie als in de discotheken volop in de smaak viel.

45 jaar geleden, zo ziet Bisquit er nu uit

45 jaar geleden, hoe Larry Wilcox het leven van zijn Chips-partner redde.

De bekende tv-reeks CHiPs, die van 1978 tot en met 1983 goed was voor zes seizoenen en destijds te zien was op de BRT, is een iconisch en licht misdaaddrama over twee motorpolitieagenten.

In de serie vertolkt Erik Estrada de rol van de macho-agent Francis, beter bekend als Frank Poncherello, terwijl Larry Wilcox gestalte geeft aan zijn no-nonsense en rechttoe rechtaan partner Jon Baker.

Samen patrouilleren ze als Highway Patrolmen voor het kantoor in Central Los Angeles van de California Highway Patrol.

De afkorting van deze politiedienst, CHP, verklaart meteen ook de herkomst van de serietitel.

Hun opdrachten krijgen de agenten steevast van Sergeant Joseph (of Joe) Getraer, een rol gespeeld door Robert Pine.

Kenmerkend voor de reeks is de ronkende motor waar de agenten op rijden: voor de opnames maakte men gebruik van de Kawasaki Z1000 P, waarbij de P heel toepasselijk voor Police staat.

De aanhoudende populariteit van de originele reeks leidde in 2017 nog tot een bioscoopfilm.

Hierin namen Dax Shepard en Michael Peña de hoofdrollen van respectievelijk Jon Baker en Frank Poncherello voor hun rekening, al dook Erik Estrada wel nog even op voor een kleine gastrol.

Wat veel televisiekijkers destijds echter niet wisten over de reeks en de twee hoofdrolspelers, is dat de vriendschap tussen de agenten louter acteerwerk was.

Hoewel Estrada en Wilcox op het scherm onafscheidelijke en loyale partners speelden, konden de twee acteurs het achter de schermen helemaal niet goed met elkaar vinden.

De onderlinge rivaliteit en de spanningen op de set liepen na verloop van tijd zelfs zo hoog op dat Larry Wilcox besloot om op te stappen.

Hij keerde daardoor niet meer terug voor het zesde en tevens laatste seizoen van de serie.

Daarnaast had Erik Estrada de reeks bijna niet kunnen afmaken: hij kreeg tijdens de opnames van het derde seizoen een zeer zwaar motorongeluk op de set, maar wist na een intensieve revalidatie toch succesvol terug te keren.

Patrick de Radiguès: een leven vol snelheid en avontuur viert vandaag zijn 70ste verjaardag

Patrick de Radiguès de Chennevière, geboren op 25 juli 1956 in Leuven, is een Belgische voormalige sportman die naam maakte in zowel de motorsport als de zeilsport.

Hij is een afstammeling van de adellijke familie de Radiguès.

Zijn sportieve carrière begon in de racerij, waar hij deelnam aan auto- en motorraces, waaronder de prestigieuze 24 uur van Le Mans.

Een van zijn grote successen was het winnen van de Bol d’Or in 1984 en het behalen van de tweede plaats in het wereldkampioenschap motoruithoudingsraces in datzelfde jaar.

Op 36-jarige leeftijd maakte hij de overstap naar de zeilsport, waarbij hij zich met name richtte op solo- en shorthanded offshorezeilen.

In deze hoedanigheid nam hij deel aan diverse grote wedstrijden, zoals de Transat Jacques Vabre (waarin hij derde werd) en de Transat Québec-Saint-Malo.

Hij nam ook deel aan de zware Vendée Globe-race.

Tijdens de editie van 2000 raakte hij betrokken bij een ernstig ongeval waarbij hij bewusteloos raakte en zijn boot op de kust spoelde, een incident dat hij gelukkig overleefde.

Patrick is de broer van Didier de Radiguès, die eveneens een bekende figuur is in de Belgische motorsportwereld.

Patrick is momenteel woonachtig in Monaco.

Wat betreft de geschiedenis van de familie de Radiguès, het is een oud adellijk geslacht waarvan de wortels in Frankrijk liggen, met name in de regio rond Chennevière.

De familie vestigde zich in de loop der eeuwen in de Zuidelijke Nederlanden en het huidige België.

Het geslacht staat bekend om zijn bijdragen aan zowel het militaire, bestuurlijke als maatschappelijke leven in de regio.

De adellijke status van de familie werd in België officieel erkend en bevestigd, waarbij verschillende leden door de jaren heen belangrijke posities bekleedden.

De familie voert een wapenschild en houdt vast aan de tradities die horen bij hun adellijke afkomst, waarbij de naam de Radiguès de Chennevière de historische band met hun oorspronkelijke Franse domeinen in ere houdt.

Boule d’Or Star Racing vond plaats op het circuit van Zolder, waar Patrick de Radigués toen deelnam.

Door strengere wetgeving rond tabaksreclame en het verdwijnen van het merk, hield de rechtstreekse sponsoring van koersen en raceteams onder die naam aan het einde van de jaren 80 op te bestaan.

50 jaar geleden, Golden Earring, weldra weer met zijn vieren

Vijftig jaar geleden rees de vraag of de Golden Earring weldra weer met zijn vieren zou zijn.

Het was in die tijd algemeen bekend dat popgroepen die zich uitsluitend op tieners richtten, vaak geen lang leven beschoren waren.

Na een reeks hits kwam er meestal een periode van stilte of zelfs neergang. Dat wilde echter niet zeggen dat men zomaar op zijn lauweren kon rusten.

Ook zwaardere rockbands hadden het destijds moeilijk, en het werd meteen opgemerkt wanneer het lp-publiek begon af te haken.

Het meest sprekende voorbeeld daarvan was op dat moment de Nederlandse supergroep Golden Earring.

Na enkele jaren van groot succes stonden ze toen voor een bijzonder lastige periode.

Slechts een paar maanden eerder had alles nog uitstekend geleken voor de band.

Ze waren enorm enthousiast geweest over hun geplande Amerikaanse tournee.

Brian Hay gaf aan dat hun vorige plaat een kassucces was geweest in de Verenigde Staten en dat de daaropvolgende tournee erg goed was meegevallen.

Om hun nieuwe album ‘To The Hilt’ te promoten, hadden ze een nieuwe reeks optredens voorzien, maar de verwachtingen werden die keer helaas niet ingelost.

Het album bereikte destijds de 156e positie in de Amerikaanse Billboard Top 200 en ontving over het algemeen minder gunstige kritieken.

Hierdoor liepen de voorverkoopcijfers van de Amerikaanse tournee drastisch terug.

Ondanks deze tegenvallende cijfers trok de band toch naar Amerika.

Volgens Barry Hay was de eerste show geweldig, maar verzwakte de belangstelling daarna enorm.

Hoewel hij niet precies wist waar dat aan lag, benadrukte hij dat ze zich nochtans de ziel uit het lijf hadden gespeeld.

Hij voegde eraan toe dat men met het Amerikaanse publiek echter nooit zeker was.

De opkomst was op een bepaald moment zo minimaal dat de tournee werd onderbroken en de groepsleden veel vroeger dan verwacht naar Nederland terugkeerden.

Alsof deze zware domper nog niet genoeg was, stond het er rond die tijd ook al zo goed als vast dat de nieuwste aanwinst van de groep, organist Robert Jan Stips, de Golden Earring zou gaan verlaten.

Een tijd daarvoor had hij zijn eerste soloalbum uitgebracht, en de algemene verwachting was dat hij als soloartiest verder wilde gaan.

Robert zelf was toen niet te bereiken voor commentaar, maar Barry Hay gaf wel tekst en uitleg.

Hij vertelde dat Robert het in die periode niet meer met hen zag zitten, omdat hij absoluut veranderingen in hun muziek wilde doorvoeren.

Hoewel de kans op zijn vertrek zeer groot was, stond de definitieve beslissing nog niet voor de volle honderd procent vast en zou er eerst nog verder over gepraat worden.

Barry Hay nuanceerde de situatie door te stellen dat het voor hen geen drama zou zijn als Robert daadwerkelijk de groep verliet.

Ze hadden het immers al die jaren daarvoor ook met zijn vieren gedaan, dus er was geen reden waarom ze dat op dat moment niet meer zouden kunnen.

De hele show zou in dat geval wel herzien moeten worden, maar dat was volgens hem hooguit een kwestie van enkele maanden werk.

Uiteindelijk was Robert Jan Stips van 1974 tot 1976 toetsenist bij de band.

Hij speelde mee op het album Switch en toerde destijds intensief met hen door de Verenigde Staten.

Na zijn vertrek uit de groep in 1976 richtte hij zich op diverse andere projecten.

Zo was hij medeoprichter van de formatie Sweet d’Buster en startte hij daarna kortstondig zijn eigen project Transister.

Daarnaast drukte hij als producer zijn stempel op de Nederlandse popmuziek door onder meer drie albums te produceren voor de bekende new-waveband Gruppo Sportivo.

In 1981 sloot hij zich vervolgens aan bij de groep Nits.

Op een korte onderbreking eind jaren negentig na, is hij nog altijd een vast gezicht binnen deze band.

Zijn muzikale carrière was echter al veel eerder begonnen.

In 1968 was Stips de oprichter van de progressieve rockband Supersister, die een grote hit scoorde met ‘She Was Naked’.

In 2019 blies hij deze groep succesvol nieuw leven in met het Supersister Project.

Vanaf de jaren negentig werkte hij bovendien intensief samen met cabaretier Freek de Jonge.

Stips schreef muziek voor diens theatershows en speelde de herkenbare accordeonpartij in op de nummer één-hit Er is leven na de dood.

De inmiddels 76-jarige Robert Jan Stips is nog altijd enorm actief als veelzijdig muzikant, componist en producer.

Hij combineert zijn decennialange vaste rol als toetsenist en zanger bij The Nits met talloze eigen projecten.

Zo treedt hij nog steeds op met zijn oude band Supersister, waarbij hij een trio vormt met Rinus Gerritsen, en staat hij op de planken met zijn soloprogramma RJSolo.

Ook blijft hij muzikaal vernieuwen; hij werkt samen met violiste Marieke Brokamp en in 2025 bracht een recenter project hem samen met zangeres Jane Goulding, wat resulteerde in het album en de tournee Love & Affection.

Het creatieve talent zit overigens ruimschoots in de familie, want zijn oudere broer Wouter Stips is een bekende kunstschilder en beeldhouwer.

De geschiedenis van de Golden Earring als band kwam uiteindelijk definitief ten einde nadat gitarist George Kooymans in 2021 de diagnose ALS kreeg.

Tot groot verdriet van velen is hij in 2025 aan de gevolgen van deze slopende ziekte overleden.

De overgebleven bandleden gingen daarna ieder hun eigen weg, maar lieten de muziek nooit helemaal los.

De inmiddels zevenenzeventigjarige zanger Barry Hay woont tegenwoordig op Curaçao.

Hij geniet daar van een rustiger leven, al blijft de muziek door zijn aderen stromen en sluit hij een optreden op zijn tijd zeker niet uit.

Ook de energieke drummer Cesar Zuiderwijk is nog altijd actief in de muziekwereld.

Hij geeft regelmatig drumclinics en treedt vol enthousiasme op in theaters met diverse soloprojecten en muzikale shows.

Bassist Rinus Gerritsen is eveneens nog volop met muziek bezig.

Hij blijft muzikaal experimenteren, repeteert veel en voelt naar eigen zeggen dat hij als muzikant nog steeds vooruitgaat.

Begin 2026 kwamen Hay, Zuiderwijk en Gerritsen nog eenmaal samen voor een groots en emotioneel afscheidsconcert in Rotterdam Ahoy.

Daar brachten zij als prachtig eerbetoon, samen met diverse gastartiesten, een indrukwekkende viering van hun enorme muzikale nalatenschap

In de zomer van 1976 deelde Elton John in de Joepie heel wat persoonlijke weetjes, die een fascinerende mix vormden van waargebeurde feiten, lichte overdrijvingen en zijn typische droge humor.

Hij had toen een heel duidelijke droomwens: hij wilde ooit Elvis Presley persoonlijk ontmoeten.

Opvallend genoeg is dat vlak voor de publicatie van dit lijstje ook echt gelukt.

Op 27 juni 1976 woonde Elton samen met zijn moeder een concert van The King bij in Maryland en werd hij na de show backstage uitgenodigd.

Het werd echter een trieste ervaring, want Elvis was toen al fysiek enorm afgetakeld.

Elton vertelde later in interviews dat de ontmoeting hem diep raakte en dat hij huilde, omdat hij besefte dat het niet lang meer goed zou gaan met zijn grote idool.

Ondanks dat verdrietige moment had zijn eigen sterrenstatus hem toen al ver gebracht, want een paar jaar eerder was hij als speciale gast uitgenodigd voor een diner bij prinses Margaret.

Op muzikaal vlak zong hij destijds liever dan dat hij nummers schreef, en hij was volop bezig met het nemen van gitaarlessen.

Hoewel hij zelf geen noten kon lezen, koesterde hij grote ambities.

Zo wilde hij dolgraag een duo-album vol liefdesliedjes opnemen met Kiki Dee. Dat klopte overigens helemaal met de realiteit, want die wens resulteerde exact in die periode in de gigantische wereldhit ‘Don’t Go Breaking My Heart’.

Verder wilde hij zich graag verdiepen in de countrymuziek, beweerde hij de grootste platenverzameling ter wereld te bezitten en luisterde hij naar klassieke muziek om te kalmeren als hij zenuwachtig was.

Zijn favoriete componist in die tijd was Randy Newman.

Elton had een uitgesproken levensstijl met opmerkelijke voorkeuren en afkeren.

Hij had een hekel aan vliegen en reisde veel liever met de trein, deels door zijn hoogtevrees.

Hij had een bloedhekel aan scheerapparaten en verafschuwde alles wat met plastic en namaak te maken had.

In plaats van zich in het nachtleven te storten of feestjes af te schuimen, ging hij liever vroeg naar bed, steevast aan de rechterkant, om er vroeg weer uit te komen.

Hij rookte niet en begon elke ochtend met het slikken van vitaminen.

Daarnaast was hij dol op de zon, kookte hij ontzettend graag en was hij een echte zoetekauw met een zwak voor chocolade en vruchtensap.

Urenlange telefoongesprekken voeren was een favoriete bezigheid.

Als hij een dochter zou krijgen, vond hij Umbrella de mooiste meisjesnaam, al klinkt dat veeleer als een typisch plagerijtje tijdens een interview.

Dat geldt wellicht ook voor zijn bewering dat hij erg bijgelovig was en exact 96 boeken over de Tweede Wereldoorlog had, al was hij wel een enorme filmliefhebber met Katharine Hepburn als favoriete actrice.

Het geld dat hij verdiende, spendeerde hij het liefst aan kunstwerken.

Ook had hij de luxueuze gewoonte om alles in het dubbel te kopen voor zijn verschillende peperdure huizen, een extreem koopgedrag dat destijds beroemd en berucht was.

In zijn Engelse stulpje had hij in elke kamer een kleurentelevisie staan.

Mensen verraste hij het liefst met honden als geschenk.

Zijn eigen vrienden waren erg belangrijk voor hem.

Tot een paar maanden voor juli 1976 woonde hij op nog geen honderd meter van zijn beste vriend Alice Cooper, totdat diens woning afbrandde, een hechte vriendschap die doorheen de jaren goed gedocumenteerd bleef.

Acteur Steve McQueen was dan weer een van Eltons grootste fans.

De zanger, die al op negentienjarige leeftijd het ouderlijk huis had verlaten, zat destijds vol veranderingen.

Hij had net een haartransplantatie achter de rug om zijn beginnende kaalheid te bestrijden en had even overwogen om onder een andere naam te gaan optreden.

Omdat hij niets geschikts bedacht, liet hij dat plan uiteindelijk varen.

Al deze feitjes en aangedikte details samen gaven uiteindelijk een verrassend sfeervol beeld van de flamboyante popster die hij in dat decennium was.

40 jaar geleden, Madonna met haar hit ‘Papa Don’t Preach’.

De videoclip bij Papa Don’t Preach uit 1986 is een legendarisch moment in de carrière van Madonna en markeerde een belangrijke stijlverandering.

De regie van de videoclip was in handen van James Foley, die destijds ook de clip voor Live to Tell regisseerde.

In de video introduceerde Madonna een nieuwe look die bekend kwam te staan als de gamine-stijl, geïnspireerd op actrices als Audrey Hepburn en Shirley MacLaine.

Dit was een bewuste breuk met haar eerdere imago van zware make-up en opzichtige sieraden.

Ze droeg kort, platinablond haar en een atletisch, gespierd figuur, vaak gekleed in eenvoudige jeans of een zwarte bustier met capribroek.

Een opvallend element is het T-shirt dat Madonna in de clip draagt met de tekst Italians Do It Better.

Dit was een duidelijke verwijzing naar haar eigen Italiaanse afkomst en droeg bij aan het rebelse, maar zelfverzekerde imago dat ze wilde uitstralen.

De rol van de vader in de clip werd gespeeld door de bekende acteur Danny Aiello.

De clip wisselt af tussen scènes waarin Madonna als tomboy door het leven gaat en momenten waarin ze een meer volwassen, sensuele kant van zichzelf laat zien terwijl ze danst in een verduisterde studio.

Deze afwisseling benadrukte de innerlijke strijd van het personage in het nummer: een tiener die geconfronteerd wordt met een onverwachte zwangerschap en een besluit moet nemen waarvoor ze de goedkeuring van haar vader zoekt.

De videoclip veroorzaakte, net als het nummer zelf, veel maatschappelijke discussie.

Door het onderwerp tienerzwangerschap en de keuze om het kind te houden, werd het nummer door verschillende groepen verschillend geïnterpreteerd.

Terwijl sommige conservatieve groepen de pro-life-boodschap in de video prezen, zagen feministen en andere organisaties het als een gevaarlijke verheerlijking van tienerzwangerschappen.

Madonna zelf hield zich op de vlakte en benadrukte vooral dat het nummer ging over een meisje dat voor haar eigen keuzes durft te staan en de band met haar vader wil behouden.

De single was in Vlaanderen goed voor een eerste plaats in de BRT Top 30 en dat voor drie weken lang. In Nederland bereikte het nummer de tweede plaats in de Top 40.

Brian Elliot baseerde de tekst op tienerroddels en gesprekken die hij hoorde buiten zijn opnamestudio in Los Angeles, waar schoolmeisjes vaak even stopten om hun haar te doen en te kletsen.

In eerste instantie schreef Elliot het nummer voor een zangeres genaamd Christina Dent.

Zij werkte toen vooral als backing vocal in de platenstudio.

In 1980 was ze lid van de groep The Friends Band.

Andere leden van deze groep waren Barbara Paige, Deborah Morton, Larry Fulcher, Peter Dobson, Ron Rhoades en Ruthie Lewis.

Deze groep heeft één album uitgebracht met als titel ‘All Kinds Of People In Every Room’ in 1980.

Een platenbaas van Warner Bros. hoorde de demo en vond dat het perfect bij Madonna paste.

Madonna paste na ontvangst kleine delen van de songtekst aan. Ze bracht het in de zomer van 1986 uit als de tweede single van haar succesvolle derde studioalbum, True Blue.

40 jaar geleden, de klacht van Pa (Danny Aiello)

Danny Aiello begon pas op latere leeftijd met acteren. Om in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien, werkte hij aanvankelijk in uiteenlopende functies, zoals bij een busdienst en als uitsmijter in een nachtclub.

Pas rond zijn veertigste kreeg hij voet aan de grond in de acteerwereld en in 1973 beleefde hij zijn filmdebuut, onder meer in Bang the Drum Slowly.

In de jaren daarna bouwde Aiello een veelzijdige carrière op in films, op televisie en in het theater.

Halverwege de jaren zeventig maakte hij diepe indruk in Chicago met een rol in het toneelstuk That Championship Season van Jason Miller, wat hem verschillende prijzen en nominaties opleverde.

In 1981 werd zijn werk voor televisie bekroond met een Daytime Emmy Award voor zijn vertolking in ‘A Family of Strangers’.

Zijn grote doorbraak op het witte doek volgde in 1987, toen hij de verloofde van Cher speelde in Moonstruck.

Twee jaar later volgde zijn iconische rol als pizzeriaeigenaar Sal in de film Do the Right Thing van Spike Lee, een prestatie die hem een nominatie voor een Academy Award voor beste mannelijke bijrol opleverde.

Aiello speelde ook de rol van de vader in de bekende videoclip van Madonna bij het nummer ‘Papa Don’t Preach’.

Hij was zo overtuigd van zijn personage dat hij later een antwoordnummer uitbracht onder de titel ‘Papa Wants the Best for You’, waarin het verhaal vanuit het perspectief van de vader werd verteld.

Er waren plannen voor een videoclip bij dit nummer, maar omdat Madonna weigerde haar rol als dochter opnieuw te spelen, werd voor de video een dubbelganger ingezet (Joepie 12 oktober 1986).