50 jaar geleden, KC & The Sunshine Band en hun hit That’s The Way (I Like It .

Casey ontmoette Finch begin jaren 70 in de platenzaak waar Harry werkte.

Wanneer ze een Caraïbische band aan het werk zien, besluiten ze een discogroep op te richten met Caraïbische invloeden.

De eerste single flopt, maar met ‘Queen Of Clubs’ scoren ze een eerste top 10-hit, merkwaardig genoeg wel enkel in de UK.

Op dat moment is er ook nog geen echte Sunshine Band. Harry en Richard nemen alles zelf op in de studio.

‘Get Down Tonight’ wordt in de zomer van 1975 de eerste wereldhit voor het kleurrijke gezelschap uit Miami, meteen goed voor een eerste Amerikaanse n°1.

Ondertussen was er al een echte Sunshine Band samengesteld waarmee op tournee kon worden gegaan. Met ‘That’s The Way I Like It’ scoort KC & The Sunshine Band in het najaar van 1975 zijn voorlopig grootste hit.

Naast de Billboard Hot 100 bereikte de single ook in Nederland de top van de Top 40.

In Ultratop houdt ‘I’m On Fire’ van 5000 Volts hen van de top. Hierna wordt ‘Queen Of Clubs’ in januari 1976 alsnog een top 10-hit in Vlaanderen en Nederland.

KC & The Sunshine Band scoorde tot 1980 nog hits.

Na ‘Please Don’t Go’ was het vet van de soep. In 1983 volgde een verrassende comeback met ‘Give It Up’, een Britse n°1.

Alhoewel de naam KC & The Sunshine Band behouden bleef, ging het om een soloproject van Harry W. Casey.

‘Queen Of Clubs’ werd in het najaar van 1995 weer een klein Ultratop-hitje (n°38) in de versie van het Vlaamse danceproject Timeshift (Joepie 17 december 1975 en met dank aan Denis Michiels).

40 jaar geleden, Kris De Bruyne, de tijd van holle dromen en braspartijen is voorbij.

De carrière van Kris De Bruyne start in 1968, wanneer hij doorbreekt met een bluesversie van ‘Klein klein kleutertje’.

Tijdens zijn studies aan het Sint-Lukasinstituut in Brussel, enkele jaren later, leert hij in de kantine Guido Van Hellemont en Wim Bulens kennen.

Dit leidt al snel tot de vorming van het absurde trio Lamp, Lazerus en Kris. Ze nemen samen een plaat op, die onder meer de hits ‘De Peulschil’ en ‘De Onverbiddelijke Zoener’ bevat.

Hierna kiest De Bruyne voor een solocarrière.

In 1973 neemt hij met zijn eerste begeleidingsband, waar ook Raymond van het Groenewoud deel van uitmaakt, een titelloze debuutelpee op.

Hoewel de plaat helaas flopt, wordt ze vandaag algemeen erkend als de allereerste, echte Nederlandstalige rockplaat.

Twee jaar later, in 1975, brengt hij de single ‘Vilvoorde City’ uit, een lied over de stad die toen zijn thuishaven was.

Het nummer schetst een grauw beeld en is aanvankelijk omstreden in Vilvoorde.

In datzelfde jaar verschijnt ook de single ‘Amsterdam’, met muziek van Jo Muyllaert en tekst van De Bruyne.

Beide nummers zijn terug te vinden op het album ‘Ook Voor Jou’ uit 1975.

Met het nummer ‘Je Suis Gaga’ staat hij op 7 december 1985 op de eerste plaats in de Vlaamse Top 10.

Nadat zijn liedjes eind jaren 80 en ’90 wat uit de gratie raken, volgt de echte erkenning pas deze eeuw.

In 2007 wordt ‘Amsterdam’ opgenomen in de Eregalerij van de Vlaamse Klassiekers.

In 2021 krijgt het de ultieme bekroning als het allerbeste Nederlandstalige lied, met een nummer 1-positie in de Lage Landenlijst.

Kris De Bruyne overleed op 3 februari 2021, op 70-jarige leeftijd.

Burt Blanca, geboren als Norbert Blancke op 6 augustus 1944 in Neder-Over-Heembeek, wordt beschouwd als een van de absolute grondleggers van de rock-‘n-roll in België.

Zijn muzikale reis begon nochtans klassiek; als jong kind volgde hij lessen aan het conservatorium op de accordeon en klarinet.

Die wereld veranderde echter volledig toen hij de Amerikaanse rock-‘n-roll ontdekte.

Geïnspireerd door iconen als Elvis Presley en Bill Haley ruilde hij zijn klassieke instrumenten in voor een gitaar.

In de vroege jaren 60 vormde hij zijn band The King Creoles.

Ze maakten furore met instrumentale nummers die sterk deden denken aan de stijl van The Shadows en The Ventures.

Blanca stond al snel bekend om zijn virtuoze spel op de Fender Stratocaster, wat hem in eigen land de bijnaam de Belgische Elvis opleverde.

Wat zijn carrière echter uniek maakte, was zijn enorme succes over de taalgrens.

In 1961 werd zijn talent opgemerkt door het grote Franse label Pathé-Marconi.

Hij verhuisde naar Parijs, speelde in de legendarische club Golf Drouot en deelde in 1962 het podium van de Olympia met internationale grootheden zoals Gene Vincent.

Toen de muzikale trends in de jaren zeventig veranderden, bleef Blanca trouw aan zijn wortels.

Hij nam in dat decennium verscheidene rock-‘n-roll-albums op met zijn eigen versies van bekende songs uit het genre.

Zijn status als gerespecteerd muzikant werd bevestigd door de artiesten voor wie hij het voorprogramma mocht verzorgen.

Dit waren niet de minsten: hij opende voor legendes als Chuck Berry, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Gary Glitter en de Frans-Belgische rocker Johnny Hallyday.

De jaren tachtig brachten een enorme commerciële heropleving. In het begin van dit decennium ging Burt Blanca een samenwerking aan met Lou Deprijck, de producer achter Plastic Bertrand en Two Man Sound.

Dit resulteerde in de single Touche Pas à Mon R.N.R., waarmee hij de hitlijsten veroverde.

Maar daar bleef het niet bij. In 1983 richtte hij de band The Klaxons op.

Samen met zijn vrienden Jean-Marie Troisfontaine en Roger Verbestel schreef hij de megahit Clap, Clap Sound.

Het nummer werd een fenomenaal succes en haalde in verscheidene landen de top van de hitparade.

In Zuid-Afrika stond de single maar liefst 25 weken op nummer 1.

Het leverde hen verscheidene keren platina en zelfs diamant op.

Ook in het nieuwe millennium bleef hij actief en veelzijdig.

In januari 2004 maakte hij een uitstapje naar televisie door deel te nemen aan de opnamen van de populaire VTM-serie Familie.

Datzelfde jaar was ook op muzikaal vlak bijzonder: in juni 2004 gaf hij opnieuw een concert in de Olympia in Parijs en vierde hij zijn 45-jarige carrière met een optreden in de Ancienne Belgique.

Burt Blanca, inmiddels Ridder in de Orde van Leopold II, blijft de geschiedenis ingaan als de man die de elektrische gitaar in België populariseerde, internationale successen boekte van Parijs tot Zuid-Afrika, en zijn hele leven in dienst stelde van de rock-‘n-roll.

40 jaar geleden, Jan Vanroelen van Arbeid Adelt en zijn vriendin Agnes De Man gaan in zaken.

Creatief, geestig en gevat: dat is Agnes De Man ten voeten uit. Na haar studies in modestad Parijs was ze zeventien jaar lang actief in de modewereld, waar ze haar eigen winkel had.

Ze bruiste van de inspiratie en ontwierp kledij, zowel in opdracht van boetieks als voor zichzelf.

Haar rijke fantasiewereld voedde een eigen lijn met extravagante kledij, typisch voor de post-punkperiode van de eighties.

Denk aan een explosie van kleuren, gecombineerd met halskettingen, breiwerk, plastiek en gigantische schouders.

Daarbij richtte ze zich niet zelden tot vrouwen met een maatje meer. Het leverde haar een leven vol hectische modeshoots en campagnes op.

Haar fascinatie voor het Oosten bracht haar naar Indonesië, waar ze stoffen bedrukte met zeefdrukken van koriander- en kippenvoerzakken.

In India trok ze de aandacht door oude, veelkleurige stoffen op te kopen en ter plaatse, samen met Indische kleermakers, nieuwe kleding te creëren.

Een grote ommekeer in haar leven kwam in 1996.

Agnes De Man hing haar flitsende modecarrière aan de wilgen om haar jeugddroom na te jagen: clown worden.

Ze richtte de vzw Relatieclowns op en werkte tien jaar lang intensief met kwetsbare ouderen en mensen met dementie.

Deze ervaring vormt een belangrijke inspiratiebron voor haar huidige kunstwerken. Haar werk is een direct gevolg van deze persoonlijke en professionele verschuiving.

De kwetsbaarheid van de ‘oudjes’ – soms gekwetst, soms kinderlijk onbevangen lachend – bood een diepgaand tegengewicht voor de perfectionistische modewereld waarin ze eerder vertoefde.

Hieruit ontstonden haar groteske, witte poppen van papier-maché.

Sindsdien maakt Agnes De Man persoonlijk en oprecht werk.

Haar emotionele erfenissen vinden een uitweg in suggestieve sculpturen en “niet onschuldige” colliers, maar altijd met de nodige knipoog. Haar wereld is vervreemdend en speels: een champignon groeit door het dak van een huis, een diepblauwe kwal spreidt zijn lange tentakels en houten popjes houden een vinger voor hun mond.

Ze schuwt ook de maatschappijkritiek niet. Met haar komische Barbie-installatie confronteert De Man ons met het maatschappelijk opgedrongen “perfecte” lichaam.

Met klei geeft ze de poppen allerlei plastisch chirurgische ingrepen, van borstvergrotingen en liposucties tot geslachtsveranderingen.

Wat ze ook maakt, haar werk raakt telkens een gevoelige snaar en is doordrongen van tederheid, compassie, troost en humor.