



Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek




In de basiliek bij de grot bevindt zich een relikwie van de heilige Bernadette.
Bernadette (kloosternaam Marie-Bernard) Soubirous werd in 1844 geboren in een arm molenaarsgezin.
Naar school ging ze niet; dat kwam er niet van. Bovendien leed ze aan astma.

Op 11 februari van het jaar 1858 – ze was dus veertien jaar oud – was ze samen met haar zusje en een vriendinnetje bezig hout te sprokkelen, toen haar in een grot van de berg Massabielle bij Lourdes (Zuid-Frankrijk) een Vrouwe verscheen.
Ze stond rechtop in een uitholling van de rots, was gekleed in een lang wit gewaad met een blauwe ceintuur om haar middel en een witte sluier op het hoofd; ze had een gouden roos op haar blote voeten, en ze leek op een jonge vrouw van zo’n zestien, zeventien jaar oud.
De andere twee die erbij waren, zagen wel, hoe Bernadette iemand meende te zien en er mee sprak, maar zelf namen ze niets bijzonders waar.

Tussen 11 februari en 16 juli liet de verschijning zich achttien keer zien.
Zij vroeg om te bidden voor de bekering van de zondaars; ze drukte Bernadette op het hart dat men berouw moest hebben en boete doen; en zij wilde graag een kapelletje op de plaats van haar verschijning. “Ik beloof je gelukkig te maken, voegde ze eraan toe, niet in deze wereld, maar in de toekomende wereld.”
Op 25 maart durfde Bernadette de Vrouwe te vragen, hoe ze eigenlijk heette.
Daarop antwoordde de verschijning: Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.
Een van de volgende keren gaf ze te kennen dat Bernadette in de grond moest graven. Er ontsprong een bron. Vanaf dat moment vloeide er water in overvloed tot op de huidige dag.
In 1866 trad zij in bij de Soeurs de la Charité van Nevers, die een huis hadden in Lourdes.

Zij leerden haar lezen en schrijven, droegen zorg voor haar religieuze vorming en gaven haar eenvoudige werkjes te doen, zoals het schrappen van worteltjes in dienst van de keukenzuster.
Op 22-jarige leeftijd deed zij haar gelofte, kreeg als kloosternaam Soeur Marie-Bernard en werd overgeplaatst naar het moederhuis van de Congregatie in Nevers.
Daar leefde ze nog dertien jaar.
Net als zij zelf waren de meeste medezusters van eenvoudige komaf.
Haar oversten, meenden er goed aan te doen om bijzonder streng tegenover haar te zijn.
Waarschijnlijk omdat ze vreesden dat ze anders verwaand zou worden.
Door haar medezusters was ze vaak het middelpunt van pesterijtjes.
Daar kwam bij dat haar lichamelijke gezondheid steeds meer achteruit ging.
Zij probeerde dat alles welgemoed te verdragen.
Na een slepende ziekte overleed zij, 35 jaar oud.
Volgens omstanders waren haar laatste verzuchtingen: “Heilige Maria, moeder van God, bid voor mij, arme zondares, arme zondares…”
Haar lichaam is nog altijd niet vergaan en rust volkomen gaaf in de kapel bij de zusters van St.-Gildard te Nevers.
In 1933 werd ze officieel heilig verklaard.
Het beeld van de Heilige Maria, dat in 1873 aan de grot ingewijd is in Oostakker, is in 1974 gestolen.
De diefstal is nooit opgehelderd.
De talrijke dankplaatjes in en bij de grot en verspreid over de hele lengte van de twee ommegangen, meer dan achtduizend, zijn de uitdrukking van diepe gevoelens.
Op de meeste vinden we het woord: dank.
Aan de grot zijn ruim driehonderd niet overdekte zitplaatsen op banken zonder rugleuning.
Er zijn twee ommegangen: de vijftien mysteries van de rozenkrans en de zeven smarten van Maria. (Diverse bronnen, Katrien Cools en postkaart uit mijn eigen verzameling, 1939)


Blancke Karel was een Vlaamse priester en schrijver die zich inzette voor de Vlaamse beweging.
Hij studeerde aan het Klein Seminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als leraar had en Zeger Maelfait als medeleerling.
Hij was actief in de letterkundige kring en als voorzitter moedigde hij de leerlingen aan om deel te nemen aan de Vlaamse strijd.
Hij ging verder studeren aan het Grootseminarie in Brugge, waar hij bevriend raakte met Amaat Vyncke.
Hij werd kapelaan en werkte mee aan verschillende Vlaamse tijdschriften, zoals De Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen, De Vlaamsche Vlagge en Rond den Heerd.
Hij was ook een van de stichters van de volksalmanak ’t Manneke uit de Mane.
In De Vlaamsche Vlagge schreef hij vooral over godsdienstige en zedelijke onderwerpen, maar ook over de Vlaamse strijd.
Hij riep de lezers op om de Vlaamse taal te beminnen, het ‘vreemde juk’ af te schudden en zich in te spannen om een sterk en katholiek Vlaanderen op te bouwen.
In 1925 verbrak hij echter zijn banden met De Vlaamsche Vlagge, nadat de bisschoppen het Vlaams-nationalisme hadden veroordeeld.
Hij vond dat het blad moest stoppen of zijn propaganda moest staken.
De meeste redacteurs waren het niet met hem eens en hij verliet de redactie om problemen met zijn bisschop te vermijden.
Als pastoor in verschillende gemeenten, waaronder Kortemark vanaf 1908, was hij betrokken bij het sociaal-culturele leven en ijverde hij voor de vervlaamsing van het openbaar leven.
Hij was ook een van de leiders van de katholieke partij in Kortemark.


Gisteren nog vandaag
Ze werd geboren op 27 november 1765 in Sancey-le-Long, in de regio Franche-Comté, als vijfde kind van een arme en diep christelijke familie.
Ze trad op 22-jarige leeftijd in bij de Dochters van Liefdadigheid van Sint-Vincentius a Paulo, waar ze zich wijdde aan de zorg voor de armen en de zieken, eerst in Langres en daarna in Parijs.
Tijdens de Franse Revolutie werd ze gedwongen terug te keren naar haar familie, maar ze bleef haar roeping trouw en vluchtte naar Zwitserland, Duitsland en opnieuw naar Zwitserland, waar ze een school, een ziekenhuis (Instituut van de Dochters van Sint-Vincentius a Paulo) en een nieuwe congregatie oprichtte met als naam congregatie van de Zusters van de Liefdadigheid van Sint-Jeanne-Antide Thouret.
Ze keerde terug naar Frankrijk in 1799 en stichtte een school voor arme meisjes en een soepkeuken voor de armen in Besançon.
Van mei tot september 1802 schreef ze een leefregel voor haar gemeenschap, die in 1807 officieel de naam “Zusters van de Liefdadigheid van Besançon” kreeg.
Ze werkte ook met gevangenen in Bellevaux, waar ze hen onderwees, voedde en werk bezorgde.
In 1810 vertrok ze met enkele zusters naar Savoye, Thonon en later naar Napels, waar ze zich ontfermde over de “Onherstelbaren” in een ziekenhuis.
Ze stierf op 24 augustus 1826 in Napels en werd begraven in de kerk Santa Maria Regina Coeli.
Haar heiligverklaring vond plaats op 14 januari 1934 in Rome.

De Oosters-orthodoxe kerken vieren op die dag Kerstmis en dus de geboorte van Jezus.
Daarbij werden tekenen van zijn goddelijkheid herdacht: de geboorte uit de Maagd Maria, het bezoek en de aanbidding van de Wijzen uit het Oosten, gebeurtenissen uit Jezus’ jeugd en de doop door Johannes de Doper.
De Latijns-Christelijke kerk vierde de geboorte van Jezus echter op 25 december.
Daarom werd, toen deze feestdag door hen werd overgenomen, op 6 januari alleen nog maar de aanbidding van de drie wijzen uit het oosten herdacht.
Deze drie koningen – Balthasar, Melchior en Caspar – kwamen Jezus vereren.
Ze brachten wierook, goud en mirre als geschenken mee.
Driekoningen wordt in meerdere landen gevierd, waaronder Vlaanderen, Nederland, Duitsland, Italië en Frankrijk.
In Vlaanderen en Nederland is het Driekoningenfeest al ruim zevenhonderd jaar aanwezig.
Driekoningen begon dan ook bij ons als een bedelfeest.
Net als bij Sint Maarten en Nieuwjaar mochten arme mensen in de koude wintermaanden langs de deuren gaan om te zingen en om voedsel te krijgen.
Driekoningen was het laatste bedelfeest van de kersttijd.
Pas vanaf de 19e eeuw werd deze traditie een kinderfeest.
Verkleed als drie koningen gingen kinderen dan op de avond van 6 januari zingend langs de deuren.
Als beloning kregen ze snoep en geld.
Thuis werd Driekoningen gevierd met lekkernijen.
Er werd een koningstaart of brood gebakken waarin een boon werd verstopt.
Degene die de boon vond, was koning voor een dag.
Ook werd er gebruikgemaakt van een koningsbrief.
Je kon uit een ton met papiertjes grabbelen en wie de koningsbrief trok, werd getrakteerd door zijn of haar baas of familie.
Kunstschilder Jan Steen heeft het koningsfeest mooi samengevat in zijn schilderij Driekoningenfeest, De koning drinkt (1662).
De Britse koning George IV kocht in 1814 het schilderij en tot op vandaag maakt het schilderij deel uit van de Britse Royal Collection
Vandaag komen kinderen nog maar zelden aan de deur en dat zal wel waarschijnlijk het gevolg zijn van de ontkerkelijking en afwezigheid van kennis over het feest.
Maar de taart met de boon is een blijvertje en Driekoningen is voor veel mensen de datum tot wanneer ze de kerstboom laten staan. (Diverse bronnen, Isgeschiedenis, Wikipedia en foto januari 1963)

Gisteren nog vandaag


Gisteren nog vandaag
Friso van Oranje-Nassau van Amsberg was het tweede kind van kroonprinses Beatrix en prins Claus.
Friso werd geboren in het Academisch Ziekenhuis Utrecht.

De toenmalige ‘hofpredikant’ Henk Kater doopte hem op 28 december 1968 in de Dom van Utrecht.
Zijn peetouders waren zijn maternale grootmoeder koningin Juliana, prins Harald van Noorwegen, Herman van Roijen, Johan Christian Freiherr von Jenisch en Christina von Amsberg, een jongere zus van zijn vader.


Foto’s afkomstig van het tijdschrift De Post van 12 januari 1969

De kerk van Madonna del Ghisallo is een heiligdom dat gewijd is aan de beschermheilige van de wielrenners.
Het ligt op de top van een heuvel in de buurt van het Comomeer, in de Italiaanse regio Lombardije.

De geschiedenis van deze kerk gaat terug tot de 17e eeuw, toen een lokale edelman, graaf Ghisallo, werd aangevallen door struikrovers en zijn toevlucht zocht bij een beeld van de Maagd Maria.
Hij beloofde haar een kapel te bouwen als hij gered werd.

Zijn gebed werd verhoord en hij hield zich aan zijn belofte. In 1949 werd Madonna del Ghisallo officieel uitgeroepen tot de patrones van de wielrenners door paus Pius XII. Sindsdien is de kerk een bedevaartsoord geworden voor fietsliefhebbers van over de hele wereld.
De kerk herbergt een museum met talrijke memorabilia en relikwieën uit de geschiedenis van het wielrennen, zoals fietsen, truien, medailles en foto’s van beroemde kampioenen.

Onder de meest opvallende stukken zijn de fietsen waarmee Fausto Coppi en Gino Bartali de Tour de France wonnen, de fiets waarmee Eddy Merckx het werelduurrecord vestigde, en de fiets waarmee Fabio Casartelli verongelukte tijdens de Ronde van Frankrijk van 1995 (Panorama 10 december 1963).

Zij was de dochter van François Verhelle en Caroline Van Den Bussche, en werd geboren als Agnes Margarita Verhelle.
In 1823 richtte ze in Gent de congregatie op die zich toelegde op het christelijk onderwijs voor meisjes, vooral voor de armen en de verwaarloosden.
De congregatie is nu bekend als Religieuzen van het Christelijk Onderwijs.
Zuster Agathe Verhelle en haar medezusters hebben op verschillende plaatsen in Gent en daarbuiten hun sporen nagelaten.
In 1823 vestigden ze zich in de oude gebouwen van de abdij van Doornzele nabij de H. Kerstkerk, waar ze een school en een weeshuis oprichtten.
In 1827 openden ze een internaat en een externaat in Vrasene, waar ze gratis onderwijs en opvang boden aan peuters, kleuters en jonge meisjes.
In 1921 verlieten ze Vrasene en werd hun werk voortgezet door de zusters Franciscanen.
Ook in Antwerpen en Brazilië hebben de Dames van het Christelijk Onderwijs hun stempel gedrukt op het onderwijslandschap.
In Antwerpen staat de school bekend als Instituut Dames van het Christelijk Onderwijs of De Dames, en heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1842.
De school heeft ook moeilijke tijden gekend, zoals toen een V-bom in 1944 een groot deel van het gebouw verwoestte en negen slachtoffers eiste.
In Brazilië vierde de school Colègio Damas in 2016 haar 120-jarig bestaan, en eert nog steeds de stichteres Agathe Verhelle voor haar visie en inzet voor het christelijk onderwijs.
Agathe Verhelle ligt samen met heel wat medezusters begraven op begraafplaats Campo Santo in Sint-Amandsberg.

St.-Baafskathedraal (1903)

De kerk herbergt een kostbaar kunstwerk: een gotisch kruisbeeld uit de 15e eeuw.
Het kruisbeeld heeft een bewogen geschiedenis.
Het was oorspronkelijk te zien in de Kapel van het Bruine Kruis, die in 1358 werd opgericht.
De kapel werd verwoest door de Calvinisten in 1580 en Begin 17e eeuw werd hij gerestaureerd, maar in 1797-1798 tijdens de Franse revolutie werd hij gesloten en uiteindelijk gesloopt.
Het kruisbeeld werd echter gered en gerestaureerd in de 17e eeuw.

Gisteren nog vandaag


Een van de bekendste begraafplaatsen in Vlaanderen is het Campo Santo in Sint-Amandsberg, een deelgemeente van Gent.
Deze begraafplaats is vernoemd naar het gelijknamige kerkhof in Rome en is de laatste rustplaats van vele bekende figuren uit de katholieke, culturele en financiële wereld.
Maar ook enkele vrijzinnigen hebben hier hun graf gevonden.
Het Campo Santo ligt op een heuvel waar volgens de overlevering de heilige Amandus in de zevende eeuw het evangelie verkondigde.

Gisteren nog vandaag
Op de top staat de Sint-Amanduskapel, een barok bouwwerk uit 1720.
Rondom de kapel staan oude bomen die getuigen zijn van de geschiedenis van deze plek.
De eerste persoon die hier werd begraven was Marie de Hemptinne, een rijke dame die veel geld schonk aan goede doelen.

Gisteren nog vandaag
Zij stierf in 1847 en liet haar landgoed na aan de kerk.
Sindsdien zijn er meer dan 130 grafmonumenten opgericht, die beschermd zijn als cultureel erfgoed.
Onder de beroemdheden die hier liggen, zijn er veel schrijvers, schilders en componisten.

Gisteren nog vandaag
Zo vinden we hier onder andere de graven van Cyriel Buysse, Maurice Maeterlinck, Gustave Van de Woestyne, Jules De Bruycker en Arthur Verhaegen.
Ook de Gentse acteur Cyriel Van Gent, die eigenlijk Cyriel Verbrugghen heette, ligt hier begraven.
Ook mijn papa heeft hier zijn laatste rustplaats gevonden. (Foto’s met dank aan Beeldbank Stad Gent en Claude Faseur)

Gisteren nog vandaag
Johannes Paulus II was als paus betrekkelijk jong, 58, toen hij verkozen werd.
Zijn pontificaat werd het op twee na langste in de geschiedenis (na dat van Petrus en Pius IX).
Bij zijn aantreden was hij in een goede lichamelijke conditie en was een actieve sporter.
Hij wandelde, zwom en skiede. Na de eerste aanslag op zijn leven ging zijn gezondheid achteruit.
In 1989 schreef hij een brief waarin hij aangaf dat hij zou aftreden als zich bij hem een ongeneeslijke ziekte of een andere vergaande verslechtering van zijn gezondheid had gemanifesteerd die hem het werken onmogelijk zou maken.
In dat voorkomende geval zou hij het overlaten aan de deken van het College van Kardinalen, de Romeinse Curie en aan de vicaris van Rome wanneer zijn ontslag geaccepteerd zou worden.

In 1992 werd er bij Johannes Paulus II een tumor verwijderd.
In 1993 had hij een schouderoperatie, een jaar later brak hij een dijbeen en op hoge leeftijd, in 1996, kreeg hij een blindedarmontsteking en moest zijn blindedarm verwijderd worden.
In 2001 werd door een arts onthuld dat de paus aan de ziekte van Parkinson leed, wat in 2003 door het Vaticaan bevestigd werd.
Johannes Paulus II kreeg steeds meer moeite met zijn motoriek en spreken in het openbaar ging hem steeds slechter af.
Johannes Paulus II begon door deze toenemende lichamelijke problemen een steeds fragielere indruk te geven bij openbare optredens.
In 2005 kreeg hij zware ademhalingsproblemen, waardoor hij op 24 februari een tracheotomie moest ondergaan.
Op 31 maart 2005 kreeg de paus “zeer hoge koorts die door een urinebuisinfectie werd veroorzaakt”, maar de paus werd op zijn uitdrukkelijk verzoek niet naar het ziekenhuis gebracht, waarschijnlijk overeenkomstig zijn wens in het Vaticaan te sterven als zijn tijd gekomen was.
Later die dag meldden bronnen in het Vaticaan dat de paus de laatste sacramenten had ontvangen.
Op 1 april verslechterde zijn toestand en kreeg hij orgaanuitval.
De paus werd gevoed door middel van een neussonde.
In een officieel communiqué werd gesproken van een “ernstige, maar stabiele toestand”. Rapporten uit het Vaticaan vroeg in de ochtend berichtten dat de paus een hartaanval had gekregen, maar bij kennis was gebleven.
Op 2 april om ongeveer half één in de ochtend bevestigde het Vaticaan dat de paus de laatste sacramenten had ontvangen.
De daaropvolgende ochtend was er om 11.30 uur een persconferentie waarin de woordvoerder van het Vaticaan, Joaquín Navarro-Valls, meldde dat de paus steeds minder bij bewustzijn was.
Navarro-Valls vertelde dat de paus de woorden “Ik denk aan jullie” had uitgesproken, volgens hem waarschijnlijk refererend aan de jongeren die op het Sint-Pietersplein verzameld waren.

Dezelfde dag schreef de paus een afscheidsbriefje aan zijn naaste Poolse medewerkers (drie nonnen en twee secretarissen) met de tekst: “Ik ben gelukkig, laten jullie ook gelukkig zijn.”
Uiteindelijk overleed paus Johannes Paulus II in zijn privéappartement op 2 april om 21.37 uur op de leeftijd van 84 jaar aan de gevolgen van een scepsis en bijbehorende infecties, waardoor zijn nieren en andere vitale organen, waaronder uiteindelijk zijn hart, het lieten afweten.
In zijn laatste bericht, aan de jongeren op het Sint-Pietersplein, zei hij: “Ik kwam voor u, nu bent u naar mij gekomen. Ik dank u.”
Volgens de officiële lezing van het Vaticaan waren zijn laatste woorden, uitgesproken in het Pools: “Laat mij gaan naar het huis van de Vader”.
Zes uur later kwam na 26 jaar, vijf maanden en zestien dagen een eind aan zijn pontificaat.
Op 1 mei 2011 werd hij door zijn opvolger, paus Benedictus XVI, zalig verklaard.
Op 27 april 2014 werd hij door paus Franciscus heilig verklaard.
De kerk gedenkt hem op 22 oktober, de dag waarop hij in 1978 als paus werd geïntroniseerd. (Diverse bronnen en Wikipedia, Foto 3 bezoek aan Ieper 17 mei 1985).
