
10 cc is over de crisis heen (Muziek Expres september 1977)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek


Zangeres Kiki van Oostindiën was voor velen destijds al een bekende verschijning, zij het vooral visueel; zij was namelijk het vaste fotomodel dat te zien was op de iconische platenhoezen van de verzamelreeks Alle 13 Goed.
Haar muzikale partner Pearly was niemand minder dan haar toenmalige echtgenoot Herman Schmitz.
Hun grote doorbraak kwam in 1975 met het nummer ‘Patrick, Mon Chéri’.
Dit nummer was een gezamenlijke creatieve inspanning, geschreven door Herman Schmitz alias Pearly, Peter Koelewijn, Will Hoebee en Kiki van Oostindië.
De productie van de plaat lag eveneens in handen van Peter Koelewijn en Will Hoebee.
Hoebee verwierf later grote bekendheid als manager van de meidengroep Luv’ en als echtgenoot van zangeres José; hij overleed op 10 juni 2012 op 64-jarige leeftijd aan darmkanker.
Het succes was aanzienlijk: de single behaalde in zowel Vlaanderen als Nederland exact dezelfde hoge notering en bereikte de zevende plaats in respectievelijk de BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.
De Franse tekstschrijvers Claude Carrère en Jean Schmitt bewerkten het origineel tot een Frans chanson dat perfect paste bij het stemgeluid en imago van de zangeres Sheila.
Deze internationale versie werd een enorme hit en was goed voor een verkoop van meer dan 800.000 singles.
De carrière van Kiki beperkte zich overigens niet tot de samenwerking met haar man.
Ze scoorde ook nog een hit met het nummer ‘Et Si Tu Pars’, een duet met de zanger Art Sullivan.
Deze samenwerking gaf haar discografie een bijzonder tintje door de achtergrond van deze Franstalige Brusselaar.
Geboren als Marc Liénart van Lidth de Jeude was hij via moederskant familie van de huidige koningin Mathilde. Sullivan kende vooral in de jaren zeventig grote successen in landen als Frankrijk, Canada, Duitsland en Portugal, waarbij hij in totaal meer dan tien miljoen platen verkocht.
De bekendste nummers van Art Sullivan waren hits zoals “Ensemble”, “Adieu sois heureuse” en “Donne Donne moi.”
Aan het eind van dat decennium vertrok hij naar de Verenigde Staten om televisieprogramma’s te produceren, maar door de opkomst van de cd kreeg zijn oeuvre een nieuw leven, waarna hij ook weer ging optreden.
Art Sullivan overleed op 27 december 2019 aan de gevolgen van pancreaskanker.
In 1979 deed Kiki nog een poging om het succes te evenaren met een cover van ‘Tous Les Garcons Et Les Filles’, maar dit bleef zonder het gewenste resultaat.
Kiki van Oostindiën beperkte zich echter niet alleen tot de muziek; in 1980 maakte ze een uitstapje naar het witte doek.
Ze speelde toen een rol in de film Dirty Picture van de bekende Surinaams-Nederlandse regisseur Pim de la Parra.
Daarna is zij uit de publieke belangstelling verdwenen.


Gisteren nog vandaag
Paul Decoutere, beter bekend als Paul Couter, werd bij toeval geboren in Izegem toen zijn moeder daar op familiebezoek was, maar was in hart en nieren een jongen van de kust.
Hij groeide op in het horecaleven; zijn ouders baatten een café uit in Knokke.
Na hun echtscheiding verhuisde hij met zijn moeder en stiefvader naar Zeebrugge.
De muziek zat er al vroeg in, want vanaf zijn negende speelde hij gitaar.
Het was aan die kust dat hij een muzikale zielsverwant vond in de Oostendenaar Arno Hintjens.
In 1972 legden ze de basis voor hun latere carrière met de band Freckleface.
Met Couter op gitaar, Arno op zang, Paul Vandecasteele op bas en Eddy Storm (later Jean Lamoot) op drums, werd de kiem gelegd voor een jarenlange samenwerking.
Hoewel Freckleface hetzelfde jaar nog werd opgedoekt, gingen de leden naadloos over in de formatie Tjens Couter, een samentrekking van de achternamen van de twee frontmannen.
In 1980 transformeerde de groep tot T.C. Matic, de band die later klassiekers als O la la la en Putain putain zou maken.
Voor Paul Couter was dit echter het eindpunt van de samenwerking.
Het nieuwe geluid lag hem niet, en al na enkele maanden verliet hij de band om plaats te maken voor Jean-Marie Aerts.
Couter koos daarna zijn eigen, grillige pad. Hij trok een tijd naar Parijs als straatmuzikant, richtte met Ferre Baelen de band Partisan op en baatte diverse cafés uit in Zeebrugge.
In de jaren tachtig verlegde hij zijn terrein naar Gent.
Daar drukte hij een blijvende stempel op het nachtleven door, samen met Jo van Groeningen, aan de wieg te staan van het iconische muziekcafé Charlatan.
Tot aan zijn dood bleef Paul Couter actief als muzikant, vooral in de Gentse scene.
Hij bracht nog verscheidene cd’s uit in eigen beheer, ver weg van het commerciële circuit.
Zijn zwanenzang volgde in maart 2021. Terwijl hij op de palliatieve afdeling van het AZ Sint-Lucas verbleef wegens terminale kanker, bracht hij nog een laatste album uit.
Hij overleed in het ziekenhuis op 27 april 2021 op 72-jarige leeftijd.


Gisteren nog vandaag


Gisteren nog vandaag


Kort na het eerste album van ELO liepen de meningsverschillen met medeoprichter Jeff Lynne geregeld hoog op.
Om zijn eigen muzikale weg te kunnen gaan, verliet Roy Wood ELO, en met hem Bill Hunt (toetsen en hoorn), Hugh McDowell (cello) en Trevor Smith (geluidstechnicus).
Daarbij kwamen Rick Price (bas), Charlie Grima (drums) en Keith Smart (drums), Mike Burney (sax) en Nick Pentelow (sax).
Ze debuteerden op een festival in Wembley op 5 augustus 1972. Door de opvallende make-up van Wood en de tv-optredens waarbij bizarre kostuums en excentriek gedrag de regel waren, zijn ze een van de meest pittoreske groepen uit de glamrock-periode.
Hun eerste single, “Ball Park incident”, was meteen succesvol, maar hun tweede single, “See My Baby Jive”, was hun grootste hit.
Met het als eerbetoon bedoelde gebruik van Phil Spectors Wall of Sound behaalden ze vier weken de top van de Britse hitlijsten. Ook de opvolger “Angel Fingers (A Teen Ballad)” was een Britse nummer 1.
Hun eerste album, Wizzard Brew, bevatte geen singles en was eerder jazzgericht.
De opvolger Introducing Eddy and the Falcons is commerciëler. Hun kerstsingle uit 1973, “I Wish It Could Be Christmas Everyday”, wordt jaarlijks nog vaak gedraaid op de Britse radiostations.
Door de gezondheidsproblemen van een overwerkte Wood dienden in 1974 heel wat optredens uitgesteld of afgelast.
De Amerikaanse tournee van eind 1974 was geen succes.
In de herfst van 1975 ging de groep uit elkaar. Een van de redenen hiervoor waren de hoge kosten, die niet door voldoende commercieel succes konden worden goedgemaakt.
Deze kosten kwamen onder andere voort uit het grote aantal groepsleden, de steeds wisselende attributen, de gewoonte om bij elk optreden piano’s te vernielen en de zeer langdurige opnamesessies.
Hun derde en laatste album, Main Street, opgenomen in 1975, werd uiteindelijk pas in 2000 uitgegeven.


Paul Da Vinci, is onlosmakelijk verbonden met een van de grootste hits uit de jaren 70, namelijk “Sugar Baby Love” van The Rubettes.
Het opvallende aan dit verhaal is dat Da Vinci weliswaar de drieënhalve octaaf omvattende falsetstem op de plaat verzorgde, maar de band verliet vóórdat het nummer werd uitgebracht en uitgroeide tot een wereldhit.
“Sugar Baby Love”, geschreven door Wayne Bickerton en Tony Waddington, was oorspronkelijk bedoeld als een mogelijke inzending voor het Eurovisiesongfestival.
Nadat de beoogde groep het nummer afwees, besloten Bickerton en Waddington zelf een groep te formeren om het op te nemen.
Hiervoor rekruteerden ze een groep sessiemuzikanten, waaronder Paul Da Vinci, die de herkenbare hoge noten voor zijn rekening nam.

Na de opnames van “Sugar Baby Love” en enkele andere nummers, besloten de sessiemuzikanten, met uitzondering van Da Vinci, officieel verder te gaan als The Rubettes.
Da Vinci had echter al een solocontract getekend bij Penny Farthing Records, en koos ervoor om zijn eigen weg te gaan.
Dit betekende dat hij geen deel uitmaakte van de band toen “Sugar Baby Love” in 1974 de hitlijsten bestormde en in onder andere het Verenigd Koninkrijk de nummer één positie bereikte.
De rol van leadzanger in de band werd overgenomen door Alan Williams, die tijdens optredens en in de videoclip de partijen van Da Vinci playbackte.
Da Vinci zelf begon aan een solocarrière en scoorde een bescheiden hit met “Your Baby Ain’t Your Baby Anymore” in 1974.

In Vlaanderen bereikte hij wel de derde plaats in de Brt Top 3 en in Nederland de vierde plaats in de Top 40.
In 1976 scoorde hij nog een kleine hit in Vlaanderen met het nummer It Hurts To Be In Love.
Het verhaal kreeg later nog een juridisch staartje, toen er onenigheid ontstond over het gebruik van de naam “The Rubettes”.
Zowel Alan Williams als toetsenist Bill Hurd claimden het recht op de bandnaam en traden op met hun eigen versies.
Uiteindelijk resulteerde dit in een compromis waarbij de bands verder gingen als “The Rubettes featuring Alan Williams” en “The Rubettes featuring Bill Hurd”.
Alan Williams is geboren op 22 december 1948, dus hij is momenteel 75 jaar oud.
Williams heeft ook als soloartiest opgetreden en muziek uitgebracht, hoewel dit niet tot groot commercieel succes heeft geleid.
Hij is ook actief geweest als producer voor andere artiesten.
In 2018 bepaalde het Britse hooggerechtshof dat Williams zich als enige “The Rubettes” mocht noemen (Joepie 17 september 1975)



Gisteren nog vandaag



Gisteren nog vandaag