Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
De wortels van de groep lagen al in 1968, toen drummer Mick Tucker en zanger Brian Connolly samen optraden als Wainwright’s Gentlemen.
De echte kentering volgde in 1970. Toen bundelden de heren de krachten met het gouden schrijversduo Nicky Chinn en Mike Chapman, de hitsmeden achter namen als Mud, Suzi Quatro, Smokie en Racey. In datzelfde jaar verving Andy Scott leadgitarist Mick Stewart.
Na een aarzelende aanloop met vier nummers die de hitparades links lieten liggen, bleek Funny Funny het startschot van een gigantische zegetocht.
Plots reeg de band de klassiekers vlot aan elkaar, met meezingers zoals Co-Co, Poppa Joe, Little Willy, Wig Wam Bam, Blockbuster, Teenage Rampage en Hell Raiser.
In 1974 gooiden de groepsleden het roer om. Ze namen afscheid van Chinn en Chapman om te kiezen voor een serieuzere muzikale richting.
De grote vloedgolf aan hits nam daarna stilaan af, maar begin 1978 pakten ze nog uit met een laatste wereldhit: Love is like Oxygen.
Qua stijl bleef de groep trouwens voortdurend evolueren.
Wat begon als melodieuze hardrock, verschoof eind jaren zeventig naar symfonische rock en mondde in de jaren tachtig uit in toegankelijke poprock.
De doorbraak met Funny Funny, met You’re Not Wrong For Loving Me op de B-kant, sloeg destijds ook bij ons meteen aan.
Op 8 mei 1971 prijkte het nummer helemaal bovenaan de BRT Top 30, net zoals het ook in de Nederlandse Top 40 naar de absolute nummer één doorstootte.
Hoewel ze goeie connecties hadden binnen de vroege punkscene en berucht waren om hun wilde optredens, waren Siouxsie & The Banshees zowat de allerlaatste grote naam uit die eerste punkgolf die een platencontract wist te strikken.
De doorbraak kwam er pas toen legendarische radio-dj John Peel het nummer op de radio draaide; Polydor ging daarna eindelijk overstag.
Het idee voor het nummer kwam van gitarist John McKay, die ook die typische, oosters klinkende intro op de elektrische xylofoon bedacht.
De titel ‘Hong Kong Garden’ verwees naar een Chinees afhaalrestaurant in Chislehurst, waar Siouxsie opgroeide.
Het nummer was haar persoonlijke eerbetoon aan de uitbaters, nadat ze met eigen ogen had gezien hoe skinheads hen racistisch belaagden.
Ze vertelde later hoe hard dat binnenkwam: ze martelden die mensen genadeloos puur omdat ze buitenlands waren, waardoor ze zich compleet machteloos en ellendig voelde.
Na maandenlange media-aandacht groeide deze brok postpunk-euforie uit tot een flinke hit in de Britse charts.
Opvallend genoeg haalde de single het debuutalbum ‘The Scream’ destijds niet, al werd het nummer later wel toegevoegd aan de heruitgaven op cd
Eind september 1981 was Rob Davis allang geen tieneridool meer. Jaren eerder vormde hij samen met zanger Les Gray het vertrouwde uithangbord van Mud, een band die zowel bij ons in Vlaanderen als in Nederland over de koppen liep.
Dagelijks kreeg Rob zakken vol liefdesbrieven en rustig over straat lopen zat er destijds echt niet meer in.
Die gigantische roem bleef echter niet duren. De hits droogden op, het aantal optredens slonk en ook binnen de groep begon het te wringen.
De vanzelfsprekende chemie tussen Les Gray en drummer Dave Mount verdween.
Les trok het schrijven van singles en covers steeds meer naar zich toe, vaak met B-kantjes die maar weinig voorstelden.
Daardoor groeiden Rob en Les stilaan uit elkaar, tot ze eigenlijk gewoon zaten te wachten op het definitieve einde van de groep.
Na hun laatste hit begonnen Rob Davis en bassist Ray Stiles zich stilaan los te wrikken.
Ze zagen het niet meer zitten en hun muzikale voorkeur verschoof naar oudere soulgroepen en opkomende Amerikaanse westcoastbands zoals The Doobie Brothers en Eagles.
Achteraf bekeken werd Mud toen al een heel andere richting uitgeduwd, zonder dat ze het zelf goed en wel beseften.
Toch bleven ze nog enige tijd samen optreden. Er liepen namelijk nog buitenlandse aanbiedingen binnen, al voelde dat vaak als overleven op korte termijn en gebeurde het lang niet altijd met volle goesting.
In 1978 viel dan toch het doek. Het allerlaatste optreden vond plaats in een afgelegen dorpje.
Muzikaal ging het nog wel, maar de sfeer zat helemaal onder het vriespunt en het plezier was definitief weg. Iedereen voelde dat het verhaal geschreven was.
Dave Mount was kort voor dat einde al opgestapt, waarna Rob een tijdje de kost verdiende met studiowerk en het geven van gitaarles.
Ondertussen stampte Les Gray met verse muzikanten een vernieuwde versie van Mud uit de grond.
De vriendschap bleef wel overeind: Rob hielp Les af en toe nog in de studio, al zag hij hem minder vaak, en hij hield ook geregeld contact met Dave, die op dat moment zonder werk zat.
In 1980 belandde Rob bij de Britse doo-wop- en rock-‘n-rollformatie Darts.
Eerst viel hij even in voor de vertrekkende gitarist George Currie, om wat later een vast bandlid te worden.
Hij zou er zo’n twee jaar blijven, tot in 1982.
Zijn uitstraling was intussen een pak nuchterder dan tijdens de wilde Mud-jaren. Grote hits scoorde Darts in die periode amper, maar aan optredens was er geen gebrek: van intieme clubs en kleine zalen tot verre buitenlandse reizen naar Thailand, Korea en Japan.
Bij Mud was het succes vroeger vooral beperkt gebleven tot Engeland, Duitsland en de Benelux.
Rob vond het achteraf gezien best jammer dat ze met Mud nooit die kleinere, directe concerten hadden gespeeld, maar bij Darts kon dat gelukkig wel.
Een echt idool wilde hij sowieso nooit zijn. De muziek primeerde altijd. Die uitzinnige adoratie van vroeger hoefde voor hem niet eens en had hij ook nooit gevraagd.
Op zijn tijd bij Mud keek hij intussen met een heel nuchtere blik terug.
Bij Darts zat hij weer helemaal op zijn plek: omringd door jongere muzikanten, een goedgevulde agenda en elk optreden dat aanvoelde als een echt feestje.
Eind september 1981 liet hij dan ook weten dat hij voorlopig bij Darts bleef. Hij amuseerde zich rot, net zoals de rest van de bende.
De groep had werk en dat was voor hem het allerbelangrijkste.
Hij prees zich gelukkig dat hij opnieuw deel uitmaakte van een band die hem op handen droeg en respecteerde.
Na zijn periode bij Darts gooide Rob Davis het over een heel andere boeg en legde hij zich volledig toe op het schrijven van pop- en dancehits en het studiowerk achter de knoppen.
Dat bleek een schot in de roos: samen met Cathy Dennis pende hij later gigantische wereldhits neer voor Kylie Minogue, waaronder Can’t Get You Out of My Head en Come Into My World.
Ook de andere Mud-leden kenden elk hun eigen verhaal.
Les Gray blies Mud in de jaren tachtig nieuw leven in met een verjongde bezetting.
Zeker in Vlaanderen, Nederland, Duitsland en het Verenigd Koninkrijk was hij een graag geziene gast op nostalgiefestivals en dook hij geregeld op in televisieprogramma’s.
Hij overleed op 21 februari 2004 in een Portugees ziekenhuis aan de gevolgen van keelkanker en een daaropvolgende hartaanval.
Bassist Ray Stiles sloot zich vanaf de jaren tachtig aan bij The Hollies en bleef in de groep tot 20 augustus 2026. Toen de twee kernleden, gitarist Tony Hicks (80) en drummer Bobby Elliott (84), besloten om met pensioen te gaan
Samen met twee nieuwe bandleden treedt hij met de andere muzikanten nog altijd geregeld op onder de naam Mud.
Vier jaar geleden stonden ze trouwens nog gewoon bij ons op het podium in Oudenaarde.
Met drummer Dave Mount liep het helaas heel wat minder goed af. Hij trok zich volledig terug uit de muziekwereld en overleed op 2 december 2006 in het ziekenhuis, na een zelfmoordpoging.
In september 1976 kwam het succes precies op tijd voor Liverpool Express.
De voorafgaande maanden waren bijzonder moeizaam verlopen voor de band.
Eerst begaf hun bestelbus het, vervolgens liet de zanginstallatie het afweten en daarna ging een geleende auto stuk.
Tot overmaat van ramp sneuvelde er een set gloednieuwe luidsprekers van duizend pond per stuk, destijds omgerekend ruim 1670 euro, maar door de inflatie naar de maatstaven van vandaag vergelijkbaar met een slordige zevenduizend tot achtduizend euro. Uiteindelijk gaf ook de gitaar van een van de groepsleden de geest.
Het was uitsluitend te danken aan de steun van hun manager Hal Carter en de financiële rugdekking van de platenmaatschappij dat de formatie na die rampzalige periode overeind bleef.
De groep stond namelijk op het punt de handdoek in de ring te gooien, zeker nadat ook hun debuutsingle ‘Smile My Smiler’s Smile’ al was geflopt.
Voor bassist Billy Kinsley, een goedgehumeurde blonde muzikant, was het niet de eerste keer dat hij door zwaar weer ging.
Eerder maakte hij al naam met The Merseybeats en The Merseys. Als tiener bezocht Billy geregeld The Cavern Club om The Beatles te zien optreden, waardoor hij al snel door het rockvirus werd gegrepen.
In 1963 had hij naar eigen zeggen alles in huis om er vol voor te gaan: een zelfgebouwde basgitaar, een leren outfit, een flinke afkeer van Cliff Richard en een voorliefde voor nummers zoals ‘Red River Rock’.
Samen met Tony Crane, John Banks en Aaron Williams richtte hij The Merseybeats op, die eind 1963 debuteerden met ‘It’s Love That Really Counts’ van Burt Bacharach en Hal David.
Doordat managers en zaakwaarnemers hen financieel uitbuitten, bleven uiteindelijk enkel Kinsley en Crane over om als The Merseys verder te gaan, waarmee ze scoorden met ‘Sorrow’.
Later sloot Billy zich aan bij de band rond Jackie Lomax en verrichtte hij de nodige studiowerkzaamheden voor Apple Records, het platenlabel van The Beatles, totdat zakelijk leider Allen Klein daar flink bezuinigde en er voor Kinsley amper nog werk overbleef.
Ondertussen traden Tony Coates, Roger Craig en drummer Derek Cashin op onder de naam Paper Chase.
Dit trio ontmoette Billy Kinsley tijdens een wekelijkse vriendschappelijke voetbalwedstrijd waar lokale muzikanten samenkwamen.
Die partijtjes dienden niet alleen om fit te blijven, maar boden de beroepsmuzikanten ook de gelegenheid om nieuwtjes uit te wisselen over opgeheven groepen, lopende projecten en verse platencontracten. Zodra de vier heren hun eerdere verplichtingen hadden afgerond, besloten ze een nieuwe band te vormen.
Hun manager bedacht, bij gebrek aan een beter alternatief, de groepsnaam Liverpool Express.
In de zomer van 1975 volgde hun eerste tournee en verscheen hun debuutsingle, die commercieel gezien weinig deed.
Ondanks die tegenvaller dook het viertal opnieuw de studio in om aan te tonen hoe veelzijdig ze waren als songwriters.
‘You Are My Love’ werd geschreven door Billy Kinsley en Roger Craig, die beiden lid waren van de groep.
Kinsley schreef de basis van het nummer thuis toen hij enkele dagen alleen zat en zich somber voelde.
Tijdens een volgende repetitie werkte Roger Craig het nummer samen met hem uit.
Aanvankelijk dachten ze dat het het slotakkoord van de groep zou zijn en schonken ze er verder weinig aandacht aan.
Billy overwoog dan ook geenszins om het als single uit te brengen.
De uiteindelijke release verliep echter via een bijzondere omweg.
Derek Taylor, topman bij platenmaatschappij Warner Bros., nam een bandje met opnames mee naar huis en liet het aan zijn zes kinderen horen. Twee van hen wezen ‘You Are My Love’ aan als de ideale single.
Van enige vergelijking met The Beatles of Badfinger kon bij die jonge kinderen uiteraard geen sprake zijn, aangezien ze nauwelijks hun eigen naam konden schrijven.
De keuze van de kinderen bleek een schot in de roos, want de ballade groeide in Groot-Brittannië uit tot een volwaardige hit, terwijl ook de rest van Europa in september 1976 klaargestoomd werd voor de doorbraak van de band en er ondertussen volop werd gewerkt aan een debuutalbum.
In Nederland bereikte het nummer uiteindelijk de twaalfde plaats in de Nederlandse Top 40, al bleef een notering in Vlaanderen vreemd genoeg uit, waar het nummer de BRT Top 30 niet eens wist te bereiken.
Overigens kreeg de compositie later nog een bijzonder groot compliment uit wel heel deskundige hoek: niemand minder dan Paul McCartney riep ‘You Are My Love’ ooit uit tot een van de beste songs die ooit zijn geschreven.
In hun thuisland scoorde de formatie daarna nog bescheiden hits met nummers als ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Hold Tight’.
In 1977 volgde hun laatste officiële Britse hitsingle met het nummer ‘Dreamin”, dat destijds piekte op de veertigste plaats in de Britse hitlijsten.
Opvallend is dat de groep in Zuid-Amerika, en met name in Brazilië, een gigantisch veel grotere hitstatus genoot dan in Europa.
De drie singles ‘You Are My Love’, ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Dreamin” stormden daar allemaal door naar de absolute nummer één-positie.
Ze waren destijds zelfs de allereerste band die daar een grootschalige stadiontournee deed voor honderdduizenden uitzinnige fans.
Dat de band destijds kon rekenen op Hal Carter, was een geluk bij een ongeluk.
De Hal Carter Organisation was een Brits bureau voor artiesten- en muziekmanagement, opgericht in 1968 door Hal Carter, een Britse producer, manager en songwriter.
Zijn loopbaan begon op een bijzondere plek: in de piste van het Bertram Mills Circus.
Dit was een van de beroemdste en meest prestigieuze Britse circussen van de twintigste eeuw. Het circus bestond van 1920 tot 1967 en stond bekend als The Quality Show vanwege de ongekend hoge kwaliteit van de acts.
Niet veel later maakte hij de overstap naar de muziekwereld toen impresario Larry Parnes hem vroeg als roadmanager voor Marty Wilde.
In de jaren die volgden leerde Carter de fijne kneepjes van het vak door op pad te gaan met rockiconen als Eddie Cochran, Johnny Burnette, Brenda Lee, Gene Vincent en Billy Fury.
Begin jaren zestig verzorgde hij de podiumshows en tournees voor topbands als The Kinks, The Troggs en The Who, waarna hij de sprong waagde en zijn eigen bureau startte.
Toen hij zich ook op het produceren van platen richtte, volgde het succes al snel.
Na een reeks sterke producties voor Billy Fury scoorde hij met Liverpool Express, een handvol tijdloze hits in het Verenigd Koninkrijk, Europa en Zuid-Amerika.
Ook met de formatie Coast to Coast wist hij vervolgens twee keer de Britse hitlijsten te bestormen.
In 1994 stond Carter aan de wieg van de eerste Solid Gold Rock’n’Roll Show.
De concertreeks werd een enorm succes voor uitverkochte zalen en keerde in de jaren erna nog diverse keren terug op de planken. Tegen het einde van de jaren negentig drukte hij zijn stempel op grote Britse tournees zoals de Solid Silver Sixties en The Illegal Eagles.
Bovendien bracht hij in 2000 de immens populaire eerbetoonband Rumours of Fleetwood Mac op gang voor hun concerten in het Verenigd Koninkrijk.
Zijn agentschap bouwde een indrukwekkend artiestenbestand op, met namen als Slade, The New Seekers, John Leyton, Eden Kane en White Plains met zanger Tony Burrows, naast succesvolle producties zoals The Carpenters Story en Blondie Goes to Hollywood.
Carter stond bekend om zijn grote toewijding aan zijn artiesten en het publiek.
Naast zijn commerciële werk zette hij zich regelmatig in voor grootschalige liefdadigheidsevenementen, waaronder een benefietshow in Londen voor Marie Curie-verpleegkundigen en optredens voor de Variety Club in Cardiff.
Ook buiten het Verenigd Koninkrijk liet hij van zich horen, onder meer met zijn vaste betrokkenheid bij de Golden Years Show in het Antwerpse Sportpaleis en het Britse Chelmsford Festival.
De allerlaatste editie van de populaire nostalgieshow The Golden Years in het Sportpaleis (inmiddels bekend als de AFAS Dome) in Antwerpen vond plaats op zaterdag 14 december 2013.
Het was de vijfentwintigste en tevens finale editie van dit langlopende muziekfeest voor golden oldies, met optredens van onder meer Dave Edmunds, Albert Hammond, Slade, Alvin Stardust, The Sweet en The Rubettes.
Hal Carter, geboren als Harold Carter Burrows op 13 juli 1935, overleed op zijn negenenzestigste verjaardag op 13 juli 2004.
In 1981 belichtte Siouxsie haar grimmige kijk op de wereld met de stelling dat vrolijke toestanden geen inhoud hadden.
De zangeres met het zwarte, verwarde piekhaar was samen met The Banshees verantwoordelijk voor het destijds pas verschenen album ‘Ju-Ju’.
Voor het grote publiek leek ze bepaald niet op het vriendelijke buurmeisje.
Haar nummers gingen doorgaans over de donkere, sombere kanten van het bestaan en een lach op haar gezicht was een zeldzaamheid.
Sommigen bestempelden haar zelfs als de ‘Ijskoningin van de rock’. In werkelijkheid klopte dat afstandelijke beeld niet met wie ze was.
In een openhartig gesprek doorprikte ze dat kille imago en liet ze zien dat ze dol was op dieren, prima kon opschieten met haar moeder en tijd vrijmaakte voor goede doelen.
Aan labels had Siouxsie destijds een broertje dood.
Ze gaf toe geen flauw idee te hebben wie haar de bijnaam Ijskoningin had gegeven.
Zulke typeringen raakten volgens haar kant noch wal; ze vermoedde dat iemand vond dat die naam beter bij haar paste dan bijvoorbeeld Sneeuwwitje.
Vanaf het begin was het haar bedoeling geweest om het publiek te prikkelen met haar kleding en muziek.
Rond 1976 behoorde ze tot de pioniers van de punkbeweging.
Haar wilde zwarte kapsel werd door duizenden jongeren nagebootst, onder wie Nina Hagen.
Tegen 1981 stond ze aan het roer van een Britse topband.
Hoewel de toekomst er rooskleurig uitzag, bleef ze worstelen met onzekerheden en gaf ze ruiterlijk toe dat ze bang was voor het moment waarop ze ouder zou worden.
Die persoonlijke kant had ze lange tijd voor de buitenwereld verborgen gehouden.
Omdat haar reputatie minder belangrijk voor haar was geworden, sprak ze opener over haar privéleven.
Zo trok ze zich het lot van dieren enorm aan.
Op haar eerdere album had ze in het nummer ‘Skin’ fel uitgehaald naar de jacht op zeehondenjongen.
Toen ze nog thuis woonde, ving ze samen met haar moeder voortdurend zwerfkatten en gewonde vogels op om ze te verzorgen.
Ze koesterde sowieso veel respect voor haar moeder, ook al voldeed ze niet aan het ideaalbeeld van de keurige dochter.
Haar moeder had ooit gehoopt dat ze secretaresse zou worden, maar dat plan had ze al snel laten varen, al bleef de band tussen hen hecht.
Toentertijd woonde Siouxsie op zichzelf in een appartement.
Ze liet niet veel los over vriendschappen, maar vertelde wel dat ze regelmatig werd meegevraagd voor een avondje uit.
Het succes dat ze in die periode oogstte, veranderde weinig aan haar levensstijl of werkwijze.
Ze was vastbesloten om duistere muziek te blijven maken.
Zodra songs te braaf of oppervlakkig werden, verloren ze volgens haar elke betekenis.
Vrolijkheid om de vrolijkheid zei haar weinig, omdat zulke situaties naar haar mening zelden echte diepgang hadden.
Haar allerlaatste uitgebrachte originele nummer was ‘Love Crime’ uit 2015, dat speciaal werd opgenomen voor de finale van de tv-serie Hannibal.
Haar enige solostudioalbum, Mantaray, stamt uit 2007.
Haar meest bekende relatie was met Peter Clarke, beter bekend als Budgie, de drummer van Siouxsie and the Banshees.
Het stel trouwde in mei 1991 en vormde samen ook het muzikale duo The Creatures.
Na een relatie van 25 jaar, waarvan 15 jaar getrouwd, gingen ze in 2007 uit elkaar.
Siouxsie kreeg geen kinderen; tijdens haar huwelijk grapte ze in interviews wel eens dat haar katten haar baby’s waren.
In 1992 verhuisde ze met Budgie naar het zuidwesten van Frankrijk.
Daar woonde ze ruim 23 jaar in een afgelegen stenen landhuis in de regio Gers, nabij Toulouse.
Ze leidde er een rustig bestaan, ver weg van alle roem, en vulde haar dagen vooral met tuinieren, lezen en de zorg voor haar dieren.
In 2015 keerde ze terug naar Londen, waar ze sindsdien weer woont.
Siouxsie is altijd heel openhartig geweest over haar geaardheid.
In een interview met The Independent gaf ze aan dat ze zichzelf nooit expliciet als heteroseksueel of lesbisch heeft bestempeld.
Ze voelt zich aangetrokken tot mensen, en wanneer ze op mannen valt, hebben die volgens haar vaak wat meer feminiene eigenschappen.
Haar bekendheid zet ze af en toe in voor het goede doel.
Zo is ze een uitgesproken medestander van PETA, waarmee ze fel strijdt tegen dierproeven in de medische sector en de voedingsindustrie.
De inmiddels 69-jarige zangeres geniet van haar pensioen en houdt zich alleen nog bezig met het beheer van haar muzikale erfenis.
Er verschijnen regelmatig nog hoogwaardige vinyl-heruitgaven en geremasterde verzamelalbums van Siouxsie and the Banshees.
Ook de muziekwereld blijft haar vieren; zo bracht het gerenommeerde muziektijdschrift MOJO Magazine in juli 2026 een luxe special uit die volledig aan haar en haar band is gewijd.
Geboren als Susan Janet Ballion op 27 mei 1957 in Londen, vond ze al vroeg houvast in muziek, ondanks een lastige jeugd met een alcoholverslaafde vader.
Haar grote doorbraak volgde in 1976 met de oprichting van Siouxsie and the Banshees.
Als leadzangeres en tekstschrijver groeide ze razendsnel uit tot het boegbeeld van een hele generatie.
De band begon midden in de punkexplosie, maar ontwikkelde al gauw een volstrekt eigen, vernieuwend post-punkgeluid vol ritmische experimenten en donkere sferen.
Daarmee drukten ze een onuitwisbare stempel op de muziekgeschiedenis.
Samen met Banshees-drummer Budgie, met wie ze in 1991 trouwde, begon ze het percussieve zijproject The Creatures.
Na het uiteenvallen van de Banshees in 1996 ging ze solo verder.
Privé liep het huwelijk met Budgie in 2006 spaak en het koppel bleef kinderloos.
Haar enige soloalbum, Mantaray, kreeg lovende recensies van zowel critici als fans, al bleven de grote verkoopcijfers helaas uit.
Toch liet ze zich nooit definitief uit het veld slaan: na een radiostilte van maar liefst tien jaar maakte deze unieke koningin van de post-punk in 2023 eindelijk haar langverwachte rentree op het podium.
In het muzikale landschap van 1973, in Schotland, besloten twee leden van de Bay City Rollers, David Paton en Billy Lyall, een nieuwe koers te varen.
Ze richtten de band Pilot op, een naam die al snel synoniem zou staan voor een reeks onvergetelijke popsongs.
Hun muziek sloeg verrassend snel aan. Singles als ‘Magic’, ‘January’, ‘Just a Smile’ en ‘Call Me Round’ vonden vlot hun weg naar de hogere regionen van de Britse hitlijsten.
Het was vooral het nummer ‘Magic’, afkomstig van hun debuutalbum dat de band internationale bekendheid bracht.
De productie was in handen van de legendarische Alan Parsons, en dat was te horen.
De single werd in 1974 een ‘million seller’, bereikte een indrukwekkende vijfde plaats in de hitlijsten van de Verenigde Staten en een elfde plek in hun thuisland.
De opvolger, ‘January’, deed het zelfs nog beter. Begin 1975 schoot het nummer naar de eerste plaats in zowel het Verenigd Koninkrijk als Australië, en vestigde de naam van Pilot definitief.
Een interessant detail is de rol van arrangeur Andrew Powell. Direct na de opnames van ‘January’ dook hij de studio in met een jonge, opkomende artieste: Kate Bush.
Omdat zowel Pilot als Kate Bush onder contract stonden bij EMI Records, waren de lijntjes kort en de samenwerkingen snel gelegd.
Dit leidde ertoe dat de leden van Pilot meespeelden op Kate’s iconische debuutalbum “The Kick Inside” en later ook op “Lionheart”.
Zoals dat wel vaker gaat in de muziekwereld, was de oorspronkelijke bezetting geen lang leven beschoren.
Gisteren nog vandaag
In 1977 waren alleen Paton en gitarist Ian Bairnson nog over. Samen met een groep sessiemuzikanten namen ze nog het album “Two’s a Crowd” op, wat de zwanenzang voor de band zou inluiden.
Het einde van Pilot betekende echter een nieuw begin voor de kernleden.
In 1978 werden Paton, Bairnson en drummer Stuart Tosh vaste leden van The Alan Parsons Project, de groep van hun voormalige producer.
Tosh liet ook van zich horen als drummer bij de band 10cc.
Medeoprichter Billy Lyall overleed helaas in 1989 aan de gevolgen van aids.
Decennia later kwam de magie van Pilot onverwacht weer tot leven. In augustus 2014, precies veertig jaar na het verschijnen van hun debuut, kwamen Paton, Bairnson en Tosh weer samen.
Onder de naam “A Pilot Project” brachten ze een album uit als een hommage aan Eric Woolfson, de zanger en componist van The Alan Parsons Project.