



Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek





Deze film was de eerste Nederlandstalige film over WO II in België.
Want allen hebben gezondigd was een productie van het Gentse Cinébel.
Deze maatschappij was nog erg jong.
In 1958 was de Gentse Belgische Filmonderneming opgericht.
Deze onderneming zorgde ervoor dat Gent zijn eigen productiehuis kreeg, naast de tot 1960 dominante Brusselse en Antwerpse maatschappijen.
De film werd geschreven en geregisseerd door Paul Berkenman.
Deze naam is eigenlijk een pseudoniem voor Roger Thienpondt.
Thienpondt was een Genste dichter, geboren in 1926.
Hij schreef onder andere de succesvolle gedichtenbundel Orfeus achterna in 1949.
Voor dit werk kreeg hij de prijs voor letterkunde van de Stad Gent.
Naast dichter was hij actief in het Vlaamse toneel.
Berkenman had ook een grote passie voor film.
Dit leidde tot enkele filmprojecten, waar Want allen hebben gezondigd een voorbeeld van is.Berkenman werkte voor deze film voor de tweede keer samen met de dramaturg Raymond Cogen.
Hun eerste langspeelfilm was Prelude tot de dageraad, een romantische film die werd uitgebracht in 1959.
Met deze film wouden Berkenman en Cogen de onzin van de oorlog aanklagen.
Hoewel het thema van de Jodenvervolging het uitgangspunt is van het verhaal, zei Cogen dat dit thema slechts de achtergrond is van een klassiek noodlotsverhaal.
Het doel van beide filmmakers was met andere woorden niet een film te maken over de Jodenvervolging in België, maar dit thema was het best geschikt als achtergrond voor wat ze wel wouden vertellen.
De structuur van de film Want allen hebben gezondigd bestaat uit flashbacks van een Joodse vertelster, die tussen de stukken door mijmert over Wereldoorlog II.
Het voornaamste motief in de film is de schuldvraag, die al beantwoord wordt in de titel: Want allen hebben gezondigd. Berkenman en Cogen tonen aan de kijker een meer complexe schuldvraag dan wat ze gewoon zijn uit andere films.
Waar tot dan toe alles zwart- wit werd voorgesteld, een patriottisch volk tegenover een agressieve bezetter, is er in deze film veel meer aandacht voor de grijswaarden.
Zo is de ‘zwarte’ Von Lehndorf helemaal niet zo overtuigend als ‘vijand’, is de notaris ‘schuldig’ omdat hij ver gaat in zijn accommodatie en is de verzetsheld helemaal niet heroïsch wanneer hij totaal overbodig een medemens vermoordt.
De periodisering van de film is moeilijk te bepalen.
Aangezien de jodenvervolging aan bod komt, kunnen we stellen dat het na 1942 is, aangezien dan pas de vervolgingen in België op gang kwamen.
In Want allen hebben gezondigd zien we een heel andere beeldvorming van de Duitsers en het verzet dan in de films van de Franstalige filmmakers die ik tot hiertoe heb besproken.
In de plaats van een verheerlijking van het verzet, zien we een nuancering van hun vermeende heldhaftigheid.
Ook de mythe dat de Duitse bezetters allemaal onmenselijke nazi’s waren, wordt in deze film ontkracht.
Op het eerste zicht is deze film een aanklacht tegen de oorlog en het racisme tegenover de Joden. Maar als we de film plaatsen in de Belgische maatschappelijke context van een gespleten oorlogsherinnering, krijgt de film nog een tweede betekenis.
De film roept namelijk impliciet op om de harde beschuldigingen tegenover collaboratie te herbekijken.
Zo kan Von Lehndorf vergeleken worden met een collaborateur: hij staat weliswaar aan de Duitse kant, maar gaat daarom nog niet akkoord met de nationaal-socialistische theorieën.
De notaris kan op zijn beurt gezien worden als een symbool voor de accommodatiepolitiek van de Belgische elite: ook hen treft schuld.
De moord op Von Lehndorff ten slotte kan gelezen worden als symbool voor de wraakacties van het verzet op collaborateurs of de onrechtvaardige repressie.
Waarom in deze film collaboratie en repressie, thema’s die nochtans nog steeds actueel waren in Vlaanderen, niet expleciet voorkomen, kan verklaard worden door het feit dat er op deze zaken nog steeds een taboe rustte.
De tijd was nog niet rijp voor zo een film. (Ons Land 19 november en scriptie Voor vorst, voor waarheid of voor kijkcijfers? Beeldvorming van Wereldoorlog II in de Belgische film van Maaike Van Melckebeke).





Met een Maria-spel werd in Jezus-Eik gevierd dat de Vlaamse vroomheid hier al driehonderd jaar diepgeworteld zit.
Zo’n Maria-spel is een traditionele vorm van religieus volkstoneel of een theatraal openluchtspel waarin lokale spelers en koren in opeenvolgende taferelen de ontstaansgeschiedenis en de devotie van het bedevaartsoord uitbeelden.
Het Maria-spel was een eenmalige, grootschalige openluchtopvoering die specifiek werd gecreëerd ter gelegenheid van dit historisch driehonderdjarig jubileum.
Heel de parochiegemeenschap werd daarbij ingezet als speler, zanger of figurant om het ontstaan van het bedevaartsoord theatraal te herdenken.
De opvoering vond precies plaats op 9 augustus 1951. Het vormde het absolute hoogtepunt van de driehonderdjarige jubileumviering van Jezus-Eik die zomer.
Met dat groots opgezette openluchtspel bracht men op die datum de hele geschiedenis van het bedevaartsoord nog eenmaal theatraal tot leven voor een massaal opgekomen publiek.
Nadien is dit spel niet uitgegroeid tot een blijvende of periodieke opvoering zoals pakweg een Passiespel of een vaste processie.
De religieuze verering in de Onze-Lieve-Vrouwkerk en de bedevaartstraditie bleven op bescheidener schaal voortbestaan, maar het theaterspel zelf behoort tot het historische verleden van het gehucht.
De geschiedenis van deze bijzondere plek gaat dan ook ver terug in de tijd.
Oorspronkelijk lag het hele gebied volledig in het Zoniënwoud, dat hier werd doorsneden door de steenweg van Brussel naar Waver.
Hier stond een eik die al verschillende keren door de bliksem was geraakt. Om onheil en de duivel af te wenden, spijkerde men een kruisbeeld aan deze duivelseik.
Rond 1636 liet een Brusselaar hier een Mariabeeldje bevestigen en daarna zou het aantal wonderlijke genezingen hier zijn gestegen. Jezus-Eik groeide zo uit tot een bedevaartsplaats, onder toezicht van de Abdij van Heverlee.
De pastoor van Tervuren richtte er een altaar op en door het succes werd een houten kapel gebouwd, die stelselmatig werd uitgebreid en verstevigd.
In 1650 werd de eerste steen gelegd van een volwaardige kerk.
Dat gebeurde onder impuls van Leopold Willem van Oostenrijk (1614-1662), de vrome landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden die vaak kwam bidden aan de eik.
De werken aan de Onze-Lieve-Vrouwkerk zouden dertig jaar duren.
De Franse naam voor Jezus-Eik, Notre-Dame-au-Bois, ontleent er nog steeds haar naam aan. In 1700 werd dit een parochiekerk.
Op de Ferrariskaart uit de jaren 1770 is de plaats te zien als een gehuchtje, midden in het Zoniënwoud, aangeduid als N.D. au Bois (Notre-Dame-au-Bois).
Op het einde van het ancien régime werd Jezus-Eik een gemeente, maar deze werd in 1810 alweer opgeheven en bij Overijse gevoegd.
De rand van het Zoniënwoud werd teruggedrongen, waardoor Jezus-Eik aan de bosrand kwam te liggen.
In de loop van de twintigste eeuw werden in het gebied tussen Jezus-Eik en Overijse nieuwe woonwijken aangelegd, waardoor het gehucht vergroeide met de rest van Overijse.
Ook het kerkgebouw kende een bewogen geschiedenis.
55 jaar geleden werd de kerk grondig gerestaureerd, maar tijdens de werken stortten de neogotische gevel en de toren in, op 23 januari 1969.
De restauratiewerken werden bijgestuurd en op basis van oude tekeningen werd de nieuwe gevel opgetrokken.
Zo kreeg de kerk in 1973 zijn barokke gevel terug.
In 2007 werd de kerk tenslotte binnenin nog uitgebreid gerenoveerd.
Vandaag de dag functioneert Jezus-Eik niet meer als een drukbezocht bedevaartsoord met grote, georganiseerde volkstoeloop.
De tijd waarin duizenden pelgrims te voet vanuit Brussel en omstreken naar de bosrand trokken voor wonderbaarlijke genezingen, ligt definitief in het verleden.
Wel leeft het bedevaartskarakter nog altijd voort in een ingetogen, lokale en erfgoedgerichte vorm.
De Onze-Lieve-Vrouwkerk blijft toegewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van Jezus-Eik en vormt het spirituele hart van de dorpsgemeenschap.
Vooral in de meimaand steken individuele gelovigen, wandelaars en fietsers uit de streek er nog regelmatig een kaarsje aan bij het historische Mariabeeld.
Daarnaast is het rijke bedevaartsverleden nog altijd voelbaar in het dorpsbeeld: de vele herbergen en eetgelegenheden rond het kerkplein danken immers hun ontstaan aan het onthaal van de bedevaartgangers uit vervlogen tijden, waardoor de plek van een massaal pelgrimsoord harmonieus is geëvolueerd naar een sfeervol trefpunt voor rust, bezinning en ontmoeting.
