Koning Albert I, was de enige koning die een autogiro kon besturen (Foto 1934).

Een autogiro is een soort vliegtuig dat gebruikmaakt van een rotor om lift te genereren, maar ook een motor met propeller om voorwaartse snelheid te creëren.

Het verschil met een helikopter is dat de rotor niet aangedreven wordt door de motor, maar door de luchtstroom die erlangs gaat.

Dit heet autorotatie.

Een autogiro kan niet verticaal opstijgen of landen, maar heeft wel een kortere start-en-landingsbaan nodig dan een conventioneel vliegtuig.

Een autogiro is een soort vliegtuig dat een motorloze rotor heeft, die alleen door de langsstromende lucht in beweging wordt gebracht.

Dit zorgt voor een grote veiligheid en stabiliteit, maar ook voor een beperkte start- en landingsruimte.

De uitvinder van de autogiro was de Spaanse vliegtuigbouwer Juan de la Cierva y Codorníu (1895-1936), die zijn eerste succesvolle model in 1923 bouwde.

Hij noemde zijn uitvinding Autogiro, volgens de Spaanse spellingregels met een i.

Hij richtte in 1925 een fabriek op in Engeland, waar hij zijn toestellen verder ontwikkelde en verkocht.

Koning Albert I was een groot liefhebber van de luchtvaart en leerde in 1931 zelf een autogiro te besturen.

Hij maakte verschillende vluchten boven België en Europa, soms vergezeld door zijn zoon Leopold III.

De autogiro raakte in de vergetelheid door de opkomst van de helikopter, die meer mogelijkheden bood voor verticaal opstijgen en landen.

De uitvinder Juan de la Cierva kwam in 1936 om het leven bij een vliegtuigongeluk in Engeland.

Vandaag 90 jaar geleden, zware rellen in Parijs door de affaire Stavisky (6 februari 1934)

Acha Stavisky kwam ter wereld in 1886 als zoon van een joodse tandarts in Oekraïne.

Hij verhuisde met zijn familie naar Parijs in 1899, waar hij al snel betrokken raakte bij verschillende oplichterijen, soms samen met zijn grootvader.

Na de Eerste Wereldoorlog werkte hij als gigolo en cocaïnehandelaar.

Hij werd meerdere keren veroordeeld tot gevangenisstraf.

In 1926 bedroog hij een effectenmakelaar in Parijs voor miljoenen francs.

Hij werd aangehouden en na anderhalf jaar in voorarrest werd hij tijdelijk vrijgelaten in afwachting van zijn proces.

Na zijn vrijlating veranderde Stavisky zijn naam van Sacha in Serge Alexander en pakte vanaf dan de zwendel grootscheeps aan.

Hij richtte een trits nieuwe maatschappijen met bekende personen in de directie.

Zij moesten hun naam en sociale status aan het bedrijf geven, maar hadden geen macht en zeker geen expertise.

Investeerders werden zo overgehaald hun geld in zijn bedrijven te stoppen.

Een van zijn bedrijven maakte houten koelkasten die geen elektriciteit nodig zouden hebben en daardoor goed waren voor koloniaal Afrika.

De koelkasten werkten natuurlijk niet.

Stavisky fêteerde politici en rechters en kreeg daardoor ondersteuning

Van deze politici werd gezegd: “ze zijn mannen van woorden in plaats van actie, en van ambitie in plaats van idealen “.

Stavisky gebruikte een piramidespel om zijn investeerders te misleiden.

Hij richtte een nieuw bedrijf op met het geld dat hij van de vorige investeerders had gekregen.

Zo hield hij de schijn op dat hij winstgevend was.

Maar dit kon natuurlijk niet eeuwig doorgaan en eind 1933 stortte zijn imperium.

Stavisky had een plaatselijke bank in Bayonne opgericht met de hulp van de burgemeester.

Hij leende geld bij zijn eigen bank en dit met als onderpand nepjuwelen.

Komt daarbij, om deze leningen terug te betalen, gaf hij obligaties uit die werden gesteund door de minister van arbeid.

Maar toen de obligaties eind 1933 moesten worden afgelost, was er geen geld meer.

De bank werd aangeklaagd en Stavisky sloeg op de vlucht naar Chamonix.

Op 8 januari probeerde de politie hem te arresteren, en terwijl ze de deur van zijn chalet forceerden, schoot Stavisky zich zelf door het hoofd.

Zowel de links als rechtse pers geloofde dit niet en negen van de tien Fransen dacht dat Stavisky was vermoord om te voorkomen dat de namen van medeplichtige politici bekend zouden worden.

De bankfraude in Bayonne bracht de frauduleuze praktijken van Stavisky aan het licht.

Hij leek onaantastbaar te zijn door zijn connecties met machtige personen en door omkoping van politie, rechters en politici.

De Action Française, een extreemrechtse en antisemitische groep, eiste dat de verantwoordelijken in de regering en overheid zouden worden ontmaskerd.

De Action Française was een autoritaire beweging die oud-strijders vereerde en al jaren de democratische instellingen aanviel.

De affaire Stavisky gaf hen een nieuwe aanleiding om onrust te stoken.

De politieke crisis in Frankrijk escaleerde in januari 1934.

Vooral omdat de premier, Chautemps, van de liberale Radicale Partij, weigerde een onderzoek in te stellen.

De Action Française, beschuldigde daarom de regering van medeplichtigheid en eiste haar aftreden.

Dit leidde daardoor tot een golf van protesten en geweld in Parijs, die duurden van 9 tot 29 januari.

Verschillende andere rechtse organisaties, zoals de Crois de Feu en de Solidarité Française, sloten zich aan bij de Action Française om de regering omver te werpen.

De situatie werd zo ernstig dat Chautemps op 27 januari ontslag nam.

Daladier, ook van de liberale Radicale Partij, vormde een nieuwe regering op 29 januari 1934.

Daladier probeerde de socialisten te paaien voor zijn kabinet door Chiappe, de politieprefect van Parijs, te laten oppakken.

Chiappe werd namelijk door de socialisten beschuldigd van extreemrechtse sympathieën en mogelijke betrokkenheid bij de Stavisky-affaire.

Dit leidde tot grote verontwaardiging bij rechts.

Op 5 februari organiseerde de Croix de Feu een betoging in Parijs.

De volgende dag, toen het kabinet-Daladier zou worden beëdigd, wilde de Croix de Feu een massale protestactie houden tegen het parlementaire systeem.

De geruchten dat de regering Senegalese soldaten zou inzetten tegen de betogers versterkten de woede bij rechts.

Een grote menigte, waaronder leden van fascistische organisaties, verzamelde zich op 6 februari aan de oever van de rivier, tegenover het parlementsgebouw dat door een brug verbonden was.

Ze gooiden projectielen naar de politieagenten die de brug bewaakten.

De politie slaagde er niet in om de menigte te verspreiden.

De demonstranten vielen de paarden aan met stokken met scheermesjes en gooiden knikkers om ze te laten struikelen.

Rond acht uur ’s avonds probeerden de fascisten de brug over te steken om het parlement te bereiken.

Er ontstond een vuurgevecht tussen de politie en de aanvallers.

De brug bleef echter in handen van de politie en de menigte trok zich tegen middernacht terug.

Er waren 15 doden en ruim 1400 gewonden.

De volgende dag bood de één dag oude regering van Daladier haar ontslag aan.

Er werd nu een rechtse regering gevormd onder Gaston Doumerge, een socialisten hater.

Petain, de maarschalk uit de Eerste Wereldoorlog en collaborateur in de tweede, werd minister van oorlog.

De rechtse groeperingen waren tevreden en de demonstraties namen af.

De affaire Stavisky was niet de oorzaak van de crisis in de Franse politiek, maar wel een symptoom ervan.

Het toonde aan hoe corrupt en zwak de Derde Republiek was, en hoe verdeeld en gepolariseerd de Franse samenleving was.

Het was een voorbode van de donkere tijden die zouden volgen (Ons Volk 7 januari 1934)

90 jaar geleden, sfeerfoto’s van het verdronken land van Saaftinge (Ons Volk 28 januari 1934)

Het verdronken land van Saaftinge had een rijke geschiedenis.

Het gebied werd al bewoond sinds de prehistorie, toen het nog een veenlandschap was. In de 13e eeuw liet de graaf van Vlaanderen er een kasteel bouwen en werd het gebied ingepolderd door monniken.

Er lagen vier dorpen en enkele gehuchten, waar mensen leefden van landbouw en turfsteken.

Het gebied was een aparte heerlijkheid, die soms betrokken raakte bij conflicten tussen Vlaanderen en Holland.

In 1570 werd het gebied getroffen door de Allerheiligenvloed, die grote delen onder water zette.

Vier jaar later, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, staken Nederlandse soldaten de laatste intacte dijken door om de Spanjaarden te hinderen.

Zo verdween het land van Saaftinge voorgoed onder water.

Alleen enkele restanten van huizen, kerken en forten bleven soms zichtbaar bij laagwater.

Vandaag de dag is het verdronken land van Saaftinge een natuurgebied, dat wordt beheerd door stichting Het Zeeuwse Landschap.

Het gebied is een belangrijk leefgebied voor vogels, vissen en planten.

Het is ook een beschermd gebied onder de Conventie van Ramsar en een Important Bird Area.

Het gebied is alleen toegankelijk onder begeleiding van een gids, die meer kan vertellen over de geschiedenis en de natuur van deze bijzondere streek.

Het verdronken land van Saaftinge was een gebied op de grens van België en Nederland, dat in de middeleeuwen werd bedijkt en bewoond.

Het bestond uit vier dorpen, een slot en verschillende gehuchten.

Door overstromingen, oorlogen en dijkdoorbraken raakte het gebied steeds meer onder water.

De laatste resten verdwenen in 1584, toen de Nederlandse soldaten de dijken doorknipten om de Spanjaarden tegen te houden.

Nu is het verdronken land van Saaftinge een groot schorrengebied dat beschermd wordt als natuurgebied en belangrijk is voor vogels en planten.

Geschiedenis van de schandpaal in Vlaanderen en de overgebleven schandpalen in de schandpaal van St Amands, Van Viersel, Merksem, Gestel en Gent.

Een schandpaal was een houten of stenen paal die in de middeleeuwen en later werd gebruikt om misdadigers of overtreders aan het publiek te tonen.

Ze werden meestal geplaatst op een centrale plaats in een stad of dorp, zoals een marktplein of een kerkhof.

De schandpaal diende als een vorm van straf en afschrikking, maar ook als een vernedering en een schending van de eer.

In Gent stond er een schandpaal op de groentemarkt, vlakbij het café Galgenhuis.

Dit café dankt zijn naam aan het feit dat het vroeger een gerechtshuis was waar ter dood veroordeelden hun laatste glas konden drinken.

Het café heeft nog steeds een galg in zijn uithangbord.

De schandpaal op de groentemarkt werd in 1772 afgebroken, maar er is nog een replica te zien in het STAM, het stadsmuseum van Gent.

In Vlaanderen zijn er verschillende oude schandpalen bewaard gebleven, die getuigen van de lokale geschiedenis en cultuur.

Een van de bekendste is de schandpaal van Sint-Amands, die dateert uit de 16e eeuw en versierd is met het wapenschild van de familie Lalaing, de toenmalige heren van Sint-Amands.

De schandpaal staat nog steeds op zijn oorspronkelijke plaats aan de Scheldekaai, waar hij vroeger diende om misdadigers aan de schepen te tonen.

Een andere oude schandpaal is die van Viersel, een deelgemeente van Zandhoven.

Deze schandpaal werd in 1771 opgericht door graaf Karel van Ursel, de heer van Viersel, en is versierd met zijn wapenschild en dat van zijn vrouw.

De schandpaal staat nu in het park van het kasteel van Viersel, dat nog steeds eigendom is van de familie van Ursel.

De schandpaal van Merksem is een van de oudste schandpalen van Vlaanderen.

Hij werd in 1393 opgericht door hertog Jan zonder Vrees, de heer van Merksem, en is gemaakt van arduinsteen.

De schandpaal heeft een achthoekige vorm en is voorzien van vier ijzeren ringen waaraan kettingen werden bevestigd.

De schandpaal staat nu op het Burgemeester Jozef Nolfplein, vlakbij de Sint-Bartholomeuskerk.

De schandpaal van Gestel is een bijzondere schandpaal, omdat hij niet alleen diende om mensen te straffen, maar ook om dieren te keuren.

Hij werd in 1756 opgericht door graaf Jan Baptist d’Ursel, de heer van Gestel, en is gemaakt van blauwe hardsteen.

De schandpaal heeft een ronde vorm en is voorzien van een ijzeren haak waaraan een weegschaal werd gehangen.

De schandpaal staat nu op het dorpsplein van Gestel, een deelgemeente van Berlaar.

De meeste schandpalen werden afgeschaft na de Franse Revolutie, toen ze werden beschouwd als symbolen van feodale onderdrukking en onrechtvaardigheid.

Sommige schandpalen werden vernield of verplaatst, andere werden bewaard als historische monumenten of kunstwerken.

De oude schandpalen in Vlaanderen zijn dus niet alleen overblijfselen uit het verleden, maar ook getuigen van het heden.

De schandpaal was een strafinstrument dat gebruikt werd om misdadigers publiekelijk te vernederen.

In Vlaanderen werden schandpalen opgericht vanaf de 13e eeuw, vooral in steden en dorpen met een eigen rechtspraak.

De schandpaal bestond meestal uit een stenen of houten zuil met een ijzeren ring of ketting waaraan de veroordeelde werd vastgebonden.

De schandpaal stond vaak op een centrale plaats, zoals een marktplein of een kerkhof, zodat iedereen de schande kon zien.

De misdadigers moesten soms ook een bord dragen met hun misdaad erop geschreven, of werden bekogeld met rotte eieren, stenen of vuilnis.

De schandpaal werd afgeschaft in de 18e eeuw, toen de Verlichting nieuwe ideeën over strafrecht bracht.

Veel schandpalen werden vernield of verwijderd, maar sommige zijn nog steeds te zien in Vlaanderen.

Een van de oudste en best bewaarde schandpalen staat in Sint-Amands, een gemeente aan de Schelde.

Deze schandpaal dateert uit 1525 en heeft een fraai versierde sokkel met het wapenschild van de heerlijkheid Sint-Amands.

Andere voorbeelden van overgebleven schandpalen zijn die van Viersel, een dorp in de provincie Antwerpen, die uit 1619 dateert en een leeuwenkop als bekroning heeft; die van Merksem, een district van Antwerpen, die uit 1624 dateert en een adelaar als bekroning heeft; en die van Gestel, een gehucht in de gemeente Berlaar, die uit 1773 dateert en een zonnewijzer als bekroning heeft. (Ons Volk 7 januari 1934)

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het 90 jaar geleden dat de Vlaamse priester Blancke Karel is overleden (18 januari 1934)

Blancke Karel was een Vlaamse priester en schrijver die zich inzette voor de Vlaamse beweging.

Hij studeerde aan het Klein Seminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als leraar had en Zeger Maelfait als medeleerling.

Hij was actief in de letterkundige kring en als voorzitter moedigde hij de leerlingen aan om deel te nemen aan de Vlaamse strijd.

Hij ging verder studeren aan het Grootseminarie in Brugge, waar hij bevriend raakte met Amaat Vyncke.

Hij werd kapelaan en werkte mee aan verschillende Vlaamse tijdschriften, zoals De Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen, De Vlaamsche Vlagge en Rond den Heerd.

Hij was ook een van de stichters van de volksalmanak ’t Manneke uit de Mane.

In De Vlaamsche Vlagge schreef hij vooral over godsdienstige en zedelijke onderwerpen, maar ook over de Vlaamse strijd.

Hij riep de lezers op om de Vlaamse taal te beminnen, het ‘vreemde juk’ af te schudden en zich in te spannen om een sterk en katholiek Vlaanderen op te bouwen.

In 1925 verbrak hij echter zijn banden met De Vlaamsche Vlagge, nadat de bisschoppen het Vlaams-nationalisme hadden veroordeeld.

Hij vond dat het blad moest stoppen of zijn propaganda moest staken.

De meeste redacteurs waren het niet met hem eens en hij verliet de redactie om problemen met zijn bisschop te vermijden.

Als pastoor in verschillende gemeenten, waaronder Kortemark vanaf 1908, was hij betrokken bij het sociaal-culturele leven en ijverde hij voor de vervlaamsing van het openbaar leven.

Hij was ook een van de leiders van de katholieke partij in Kortemark.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het 90 jaar geleden dat Jeanne-Antide Thouret heilig werd verklaard door paus Pius XI (14 januari 1934)

Ze werd geboren op 27 november 1765 in Sancey-le-Long, in de regio Franche-Comté, als vijfde kind van een arme en diep christelijke familie.

Ze trad op 22-jarige leeftijd in bij de Dochters van Liefdadigheid van Sint-Vincentius a Paulo, waar ze zich wijdde aan de zorg voor de armen en de zieken, eerst in Langres en daarna in Parijs.

Tijdens de Franse Revolutie werd ze gedwongen terug te keren naar haar familie, maar ze bleef haar roeping trouw en vluchtte naar Zwitserland, Duitsland en opnieuw naar Zwitserland, waar ze een school, een ziekenhuis (Instituut van de Dochters van Sint-Vincentius a Paulo) en een nieuwe congregatie oprichtte met als naam congregatie van de Zusters van de Liefdadigheid van Sint-Jeanne-Antide Thouret.

Ze keerde terug naar Frankrijk in 1799 en stichtte een school voor arme meisjes en een soepkeuken voor de armen in Besançon.

Van mei tot september 1802 schreef ze een leefregel voor haar gemeenschap, die in 1807 officieel de naam “Zusters van de Liefdadigheid van Besançon” kreeg.

Ze werkte ook met gevangenen in Bellevaux, waar ze hen onderwees, voedde en werk bezorgde.

In 1810 vertrok ze met enkele zusters naar Savoye, Thonon en later naar Napels, waar ze zich ontfermde over de “Onherstelbaren” in een ziekenhuis.

Ze stierf op 24 augustus 1826 in Napels en werd begraven in de kerk Santa Maria Regina Coeli.

Haar heiligverklaring vond plaats op 14 januari 1934 in Rome.

Vandaag 90 jaar geleden, de Nederlandse arbeider en communist Marinus van der Lubbe onthoofd in Duitsland (10 januari 1934)

Van der Lubbe werd geboren in 1909 in Leiden, als zoon van een metselaar.

Hij verloor zijn vader op jonge leeftijd en moest al vroeg gaan werken om zijn moeder en broers te ondersteunen.

Hij raakte betrokken bij de socialistische beweging en werd lid van de Communistische Partij van Nederland.

Hij nam deel aan stakingen en demonstraties en raakte gewond bij een confrontatie met de politie.

Hij verloor ook zijn linkeroog bij een ongeluk op het werk.

In 1931 reisde hij naar Duitsland, waar hij getuige was van de opkomst van het nazisme en de vervolging van de communisten en andere tegenstanders.

Hij sloot zich aan bij verschillende antifascistische groepen en nam deel aan illegale acties.

Hij werd meerdere keren gearresteerd en mishandeld door de nazi’s.

Hij raakte gefrustreerd door het gebrek aan effectieve weerstand tegen Hitler en besloot om een individuele daad van protest te plegen.

Op 27 februari 1933 sloop hij het Rijksdaggebouw binnen en stak verschillende gordijnen in brand.

Hij werd snel overmeesterd door de bewakers en bekende zijn daad.

Hij beweerde dat hij alleen had gehandeld, uit haat tegen het nazisme.

De nazi’s grepen echter de kans om een groot complot te fabriceren en beschuldigden de communisten, de sociaaldemocraten en andere tegenstanders van betrokkenheid bij de brand.

Ze gebruikten de brand als voorwendsel om een noodtoestand af te kondigen en duizenden mensen te arresteren, te martelen en te doden.

Van der Lubbe werd berecht voor hoogverraad, samen met vier andere verdachten: Ernst Torgler, een Duitse communistische leider, en drie Bulgaarse communisten: Georgi Dimitrov, Vasil Tanev en Blagoi Popov.

Het proces was een schijnvertoning, waarbij de nazi’s probeerden om Van der Lubbe als een marionet van de communisten af te schilderen, terwijl de andere verdachten hun onschuld volhielden en zich fel verdedigden.

Dimitrov maakte vooral indruk met zijn moedige weerwoord tegen Hitler, die persoonlijk het proces bijwoonde.

De rechtbank sprak uiteindelijk alle verdachten vrij, behalve Van der Lubbe, die schuldig werd bevonden en ter dood werd veroordeeld.

Hij werd onthoofd op 10 januari 1934, ondanks internationale protesten en verzoeken om gratie.

De doodstraf voor Marinus van der Lubbe leidde tot een opmerkelijke actie van de VARA op die dag.

De omroep liet drie minuten lang niets horen op de radio, als een stil protest tegen het vonnis.

De regering was woedend en nam wraak door de VARA een dag lang van de ether te halen.

Zijn lichaam werd gecremeerd en zijn as werd verstrooid boven de Noordzee.

Na zijn dood bleef Van der Lubbe een controversiële figuur.

Sommigen beschouwden hem als een martelaar voor de antifascistische zaak, anderen als een dwaas of een verrader die de nazi’s hielp om aan de macht te komen.

In 1967 werd hij postuum gerehabiliteerd door een West-Duitse rechtbank, die oordeelde dat zijn executie onrechtmatig was geweest.

In 2008 werd hij ook officieel vrijgesproken van alle beschuldigingen door een Duitse federale rechtbank, op grond van een wet die alle nazioorlogsmisdaden nietig verklaarde.