Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Patrick de Radiguès de Chennevière, geboren op 25 juli 1956 in Leuven, is een Belgische voormalige sportman die naam maakte in zowel de motorsport als de zeilsport.
Hij is een afstammeling van de adellijke familie de Radiguès.
Zijn sportieve carrière begon in de racerij, waar hij deelnam aan auto- en motorraces, waaronder de prestigieuze 24 uur van Le Mans.
Een van zijn grote successen was het winnen van de Bol d’Or in 1984 en het behalen van de tweede plaats in het wereldkampioenschap motoruithoudingsraces in datzelfde jaar.
Op 36-jarige leeftijd maakte hij de overstap naar de zeilsport, waarbij hij zich met name richtte op solo- en shorthanded offshorezeilen.
In deze hoedanigheid nam hij deel aan diverse grote wedstrijden, zoals de Transat Jacques Vabre (waarin hij derde werd) en de Transat Québec-Saint-Malo.
Hij nam ook deel aan de zware Vendée Globe-race.
Tijdens de editie van 2000 raakte hij betrokken bij een ernstig ongeval waarbij hij bewusteloos raakte en zijn boot op de kust spoelde, een incident dat hij gelukkig overleefde.
Patrick is de broer van Didier de Radiguès, die eveneens een bekende figuur is in de Belgische motorsportwereld.
Patrick is momenteel woonachtig in Monaco.
Wat betreft de geschiedenis van de familie de Radiguès, het is een oud adellijk geslacht waarvan de wortels in Frankrijk liggen, met name in de regio rond Chennevière.
De familie vestigde zich in de loop der eeuwen in de Zuidelijke Nederlanden en het huidige België.
Het geslacht staat bekend om zijn bijdragen aan zowel het militaire, bestuurlijke als maatschappelijke leven in de regio.
De adellijke status van de familie werd in België officieel erkend en bevestigd, waarbij verschillende leden door de jaren heen belangrijke posities bekleedden.
De familie voert een wapenschild en houdt vast aan de tradities die horen bij hun adellijke afkomst, waarbij de naam de Radiguès de Chennevière de historische band met hun oorspronkelijke Franse domeinen in ere houdt.
Boule d’Or Star Racing vond plaats op het circuit van Zolder, waar Patrick de Radigués toen deelnam.
Door strengere wetgeving rond tabaksreclame en het verdwijnen van het merk, hield de rechtstreekse sponsoring van koersen en raceteams onder die naam aan het einde van de jaren 80 op te bestaan.
De fatale aanvaring van de SS Andrea Doria vond plaats op de late avond van 25 juli 1956.
Het Italiaanse passagiersschip naderde op dat moment de Amerikaanse oostkust en was bezig aan het laatste stuk van de reis van Genua naar New York.
Aan boord bevonden zich 1134 passagiers en 572 bemanningsleden, waaronder de actrice Betsy Drake.
Als bijzondere lading vervoerde het schip ook een futuristische conceptauto, de Chrysler Norseman, gebouwd door de Italiaanse auto-ontwerper Ghia.
Ter hoogte van het eiland Nantucket werd het schip echter overvallen door een dichte mistbank.
Tegelijkertijd was de MS Stockholm, een wat kleiner Zweeds passagiersschip met een lengte van 160 meter en een bruto tonnenmaat van 12.165 ton, net vanuit New York vertrokken.
Het schip was onderweg naar Göteborg en naderde uit de tegenovergestelde richting.
Beide schepen beschikten over radar, wat toen nog een relatief nieuwe technologie was, maar toch ging het mis.
De bemanningen lazen de koers en snelheid van de ander verkeerd af.
In de overtuiging dat ze elkaar veilig zouden passeren, stuurden ze hun schepen juist recht op elkaar af.
Iets na elf uur in de avond boorde de versterkte ijsboeg van de Stockholm zich met volle kracht diep in de stuurboordzijde van de Andrea Doria.
De impact was verwoestend. De zijkant van het Italiaanse schip werd over een grote lengte opengereten.
Doordat het zeewater direct in de lege brandstoftanks stroomde, maakte de Andrea Doria vrijwel meteen zware slagzij.
Dat zorgde voor een acuut probleem, want de reddingsboten aan de bakboordzijde hingen hierdoor te ver naar binnen en konden niet meer worden gebruikt.
Het grote geluk in deze tragedie was dat het schip weigerde snel te zinken en nog ruim elf uur bleef drijven, waardoor een massale reddingsoperatie mogelijk werd.
De Stockholm was weliswaar zwaar beschadigd, maar liep geen gevaar om te zinken en zette onmiddellijk eigen reddingsboten in.
Het uitgezonden SOS-signaal werd bovendien snel beantwoord door andere schepen in de omgeving, waaronder het grote Franse passagiersschip Île de France.
Door deze snelle samenwerking op zee konden 1660 opvarenden in veiligheid worden gebracht, onder wie Betsy Drake.
Zij overleefde de ramp, maar verloor tijdens dit ongeluk wel haar juwelen ten bedrage van 200.000 dollar.
Bij de aanvaring verloren helaas 46 passagiers op het Italiaanse schip en vijf bemanningsleden van de Zweedse Stockholm het leven.
In de vroege ochtend van 26 juli 1956, elf uur na de klap, kapseisde de Andrea Doria volledig en verdween in de Atlantische Oceaan.
Het wrak ligt daar nog steeds op zeventig meter diep op de oceaanbodem.
Het model van de Chrysler Norseman verdween mee in de golven en is nooit in productie genomen.
De overlevende Betsy Drake had er op het moment van de ramp al een bewogen leven op zitten.
Ze werd geboren in Parijs als dochter van twee Amerikanen.
Haar grootvader, Tracy Drake, was de oprichter van het bekende Drake Hotel in Chicago.
Toen haar familie tijdens de beurskrach van 1929 haar fortuin verloor, keerde ze terug naar de Verenigde Staten.
Ze bracht haar jeugd achtereenvolgens door in Chicago, Westport in Connecticut, Washington D.C., Virginia in North Carolina en New York City.
Na het bezoeken van maar liefst twaalf verschillende scholen, sloot ze zich aan bij een toneelschool in Maryland.
Om een carrière als actrice op te bouwen, verhuisde ze later naar New York City en werkte ze als model om haar opleiding te kunnen financieren.
Haar acteercarrière kreeg verder vorm toen ze dramaturg Horton Foote ontmoette, waardoor ze werk kreeg als understudy en lid werd van de Actors’ Equity Association.
Op aanraden van haar agent tekende Drake via Hal B. Wallis een contract in Hollywood.
De filmstad beviel haar echter allerminst en ze ging zelfs zo ver dat ze zichzelf gestoord liet verklaren om onder de contractuele verplichtingen uit te komen.
Ze keerde terug naar New York City, waar ze door regisseur Elia Kazan werd gecast voor een toneelstuk in Londen.
Daarnaast was ze een van de medeoprichters van Kazans invloedrijke Actors Studio.
Tijdens haar verblijf in Londen ontmoette ze in 1947 de beroemde acteur Cary Grant.
De twee keerden samen terug naar de Verenigde Staten en kregen een relatie.
Op aandringen van Grant werd Drake gecast voor de romantische komedie ‘Every Girl Should Be Married’ uit 1948.
Het koppel trad tijdens de kerstdagen van 1949 in het huwelijk en in 1952 was Drake opnieuw tegenover haar echtgenoot te zien in de film ‘Room for One More’.
Na nog enkele andere rollen besloot ze te stoppen met acteren om zich te richten op het schrijven.
Ze bouwde bovendien een nieuw leven op als psychotherapeut in Los Angeles en behaalde een Master of Education aan de prestigieuze Harvard-universiteit.
Haar huwelijk met Cary Grant liep echter stuk nadat hij in 1957 op de set van ‘The Pride and the Passion’ de actrice Sophia Loren had leren kennen.
Grant werd smoorverliefd op de twintig jaar jongere Loren en ze begonnen een intense affaire.
Uiteindelijk wees Loren het huwelijksaanzoek van Grant af en koos ze voor de Italiaanse filmproducent Carlo Ponti, met wie ze nog in 1957 trouwde.
Dit zorgde later voor uiterst gespannen situaties op de set van hun gezamenlijke film ‘Houseboat’.
Grant was nog steeds zwaar gekwetst, hoewel hun chemie op het scherm onmiskenbaar bleef.
Als gevolg van deze buitenechtelijke verhouding vroeg Betsy Drake de scheiding aan, die in 1962 definitief werd afgerond.
Na een veelzijdig leven overleed Betsy Drake op 27 oktober 2015 op 92-jarige leeftijd in haar huis in Londen.
In juli 1981 maakte de voormalige tienerster Keith Marshall, ooit de leadgitarist van de groep Hello, een onverwachte comeback met zijn succesvolle hit ‘Only Crying’.
Rond het midden van de jaren zeventig had het in Engeland nog gekrioeld van de teenybopper-groepen, met ‘Mud’, ‘The Sweet’ en ‘The Bay City Rollers’ als de absolute blikvangers.
Zij hadden echter allemaal moeten ondervinden dat de roem in die specifieke tak van de popindustrie vaak van korte duur was.
Kleinere groepjes zoals Kenny, Slik en Hello waren in 1981 al bijna volledig in de vergetelheid geraakt.
Toch had dat verrassende popjaar twee nieuwe namen uit die oude formaties naar voren geschoven.
Midge Ure vond, na een kort verblijf bij the Rich Kids en Thin Lizzy, zijn weg naar Ultravox en loodste die groep naar een wereldhit met Vienna.
En toen dook plots Keith Marshall weer op.
De glorieperiode van Hello had indertijd slechts een jaar geduurd. Toch had dat viertal, dat verder bestond uit Jeff Allen, Vic Faulkner en Bob Bradbury, in die korte tijd enkele prima pophits afgeleverd.
Een leuk detail uit die begintijd is dat Keith zijn bandleden al kende van school en dat ze rond 1971 werden ontdekt door niemand minder dan Rod Argent van de band The Zombies.
Hun single Tell Him behaalde eind 1974 de zilveren status in Engeland.
Het jaar daarop werd New York Groove, een nummer dat was geschreven door Russ Ballard en geproduceerd door de manager van Gary Glitter, Mike Leander, zelfs uitgeroepen tot plaat van het jaar in Duitsland.
Dit sterke nummer werd enkele jaren later in de Verenigde Staten bovendien nog succesvol gecoverd door Ace Frehley van de hardrockband Kiss.
Na nog wat singles en de film Side by Side wilde Hello het serieuzer gaan aanpakken.
Engelse rockjournalisten voorspelden een enorme toekomst voor de enige groep uit dat genre die volgens hen echt wat in zijn mars had, maar het grote publiek haakte onverwachts af.
Nadat hun platenfirma Bell failliet ging, viel definitief het doek voor Hello.
Zo verdween ook de blonde gitarist Keith Marshall, destijds de absolute lieveling van de meisjes, uit de belangstelling.
Een opmerkelijk weetje is dat Keith destijds definitief besefte dat het voorbij was met Hello toen hij in 1979 een stapel platen zat te signeren voor hun fanclub in Duitsland.
Het drong toen tot hem door dat de band louter nog teerde op oud succes bij een kleine, overgebleven groep fans op het vasteland, en dat een nieuwe internationale doorbraak uitgesloten was.
In alle stilte werkte hij daarna verder aan zijn solocarrière.
Tijdens zijn periode bij Hello had hij al enkele eigen nummers geschreven, en daar besloot hij zich aanvankelijk op te concentreren.
Omdat Europa, en in het bijzonder Duitsland, altijd een uitstekend wingewest was geweest voor zijn oude band, richtte hij zijn pijlen op het vasteland.
Noch Keith, noch de Europese fans waren de voorbije successen vergeten.
Zijn allereerste eigen solosingle in Duitsland in 1979, het zelfgeschreven ‘Remember Me’, werd meteen een hit en werd nadien zelfs door Duitse vedetten in hun eigen taal opgenomen.
Omdat platenlabels in Groot-Brittannië niet meteen happig waren om hem een contract aan te bieden, weigerde hij een snelle klim af te dwingen en bleef hij resoluut op de Duitse markt mikken.
Daar toerde hij succesvol met groepen als Racey en Clout, waarna hij pas echt zijn zinnen weer op Engeland zette.
De manager van Keith had inmiddels zijn eigen platenlabel Arrival Records opgericht, en daar bracht hij in het voorjaar van 1981 ‘Only Crying’ uit.
Het was meteen weer raak.
Het wat beklemmende maar uiterst melodieuze nummer bereikte vlot de top tien in Engeland en leidde tot een succesvolle rondreis die hem in onze streken zelfs een nummer één-notering opleverde.
Op 18 juli 1981 bereikte het nummer ‘Only Crying’ effectief de eerste plaats in de BRT-Top 30.
In Nederland was de single eveneens een succes en goed voor een derde plaats in de Top 40.
Dat Keith Marshall helemaal terug was, bewees hij in de zomer van 1981 ook met de release van zijn eerste solo-elpee, waarvoor hij onder andere de muzikale steun had gekregen van Jim Rodford, de bassist van The Kinks.
Daarnaast nam hij ook de rol van producer op zich, onder meer voor de meisjesgroep The Teezers, van wie in diezelfde periode hun debuutalbum, en later zou blijken, hun enige album, The Best Part Of Breaking Up, werd verwacht.
In juli 1981 was Keith precies vijfentwintig jaar oud.
Hij was op 5 juni 1956 in het Londense Hackney ter wereld gekomen als de zoon van Violet en Albert Marshall.
Al op elfjarige leeftijd had hij zich tot de showbusiness aangetrokken gevoeld.
Hij leerde zichzelf gitaar, mondharmonica en een beetje piano spelen, waarna hij zijn kans waagde in het bekende BBC-programma Opportunity Knocks, wat vergelijkbaar was met Ontdek de Ster.
Naast muziek hield Keith destijds enorm van eten, drinken, slapen en zonnebaden, maar hij had een hartgrondige hekel aan reizen per boot of wagen.
Indisch eten droeg zijn absolute voorkeur weg en als er dan toch gedronken moest worden, koos hij het liefst voor een glas Southern Comfort.
Muzikaal gezien bleef hij opkijken naar Russ Ballard en koesterde hij een grote bewondering voor Diana, Presley en Jimi Hendrix.
Keith zocht zijn favoriete filmsterren vooral in vervlogen jaren, met name Errol Flynn en Marilyn Monroe, en dit lijstje werd destijds ongetwijfeld nog aangevuld.
In de zomer van 1981 was het overduidelijk dat Keith Marshall er weer stond, en men hoopte dat er deze keer geen snel afscheid zou volgen.
De nu 70-jarige zanger is nog steeds actief in de muziekwereld, zij het op verschillende manieren.
Tegenwoordig is hij onder andere werkzaam als barista-trainer, muziekverzamelaar en af en toe actief als dj in Dublin.
Daarnaast treedt hij nog op, verzorgt hij muziek in de regio en werkt hij aan eigen muziek.
De geschiedenis van Weltruf in de Zinniastraat in Gent is nauw verbonden met de opkomst van de radio en het modernisme in de twintigste eeuw.
In het pand op nummer 1, gelegen in de wijk Brugsepoort-Rooigem, was de firma Etablissements Van Den Weghe gevestigd.
Dit bedrijf combineerde houtbewerking met de assemblage van elektronica.
Omdat Weltruf in de Zinniastraat hoofdzakelijk fungeerde als een assembleur en verdeler, gebruikten zij vaak chassis en onderdelen van grotere fabrikanten uit die tijd, zoals Barco, Siera of Philips.
In het eigen atelier werden houten kasten vervaardigd waarin deze onderdelen werden ingebouwd, om vervolgens als complete radiomeubels en platenspelers onder de eigen merknaam Weltruf te worden verkocht.
Later werd het aanbod uitgebreid met televisietoestellen.
Naast het atelier op nummer 1 diende de locatie op nummer 37 als een bijkomend verkooppunt en toonzaal waar klanten rechtstreeks de geassembleerde toestellen konden aanschaffen.
Ook de nabijgelegen firma Supermoderne aan de Boerderijstraat 85 fungeerde als toonzaal en officieel verkooppunt voor de apparatuur uit het atelier.
De sterke lokale verankering van deze zaken bleek onder meer uit de betrokkenheid bij de wielersport.
Een feitelijk bewijs hiervan is de overwinning van Rik Van Steenbergen en Emile Severeyns in de Gentse Zesdaagse van 1956 in ’t Kuipke.
Deze foto waarop Van Steenbergen een Radio-Pick-up van Weltruf in ontvangst neemt bij Supermoderne in de Boerderijstraat, bevestigt dat deze toestellen als prestigieuze prijzen werden geschonken.
Ook op de Gentse Jaarbeurs in het Floraliënpaleis was het merk aanwezig met eigen presentaties van modellen zoals de Weltruf Super.
Het atelier in de Zinniastraat bood naast de vervaardiging ook technische ondersteuning voor het onderhoud van de apparaten.
De geschiedenis van de firma Van Den Weghe en het merk Weltruf blijft herkenbaar door de bewaarde objecten, zoals radio’s, televisies en luciferetiketten, die rechtstreeks naar deze locaties in Gent verwijzen. (Met dank aan Dirk Peeters voor de reclame)