De Chevrolet Corvette van Kim Novak in juli 1961 en de schaduw van haar eerdere relatie met Ramfis Trujillo

De Amerikaanse actrice Kim Novak en de Dominicaanse playboy Ramfis Trujillo hadden een kortstondige maar veelbesproken relatie in de eerste helft van 1958. Ramfis, voluit Rafael Leónidas Trujillo Martínez, was de zoon van de meedogenloze dictator van de Dominicaanse Republiek.

Hij verbleef in de Verenigde Staten voor een militaire opleiding.

Zijn vader, die hem nota bene al op vijfjarige leeftijd de rang van generaal had geschonken, hoopte dat hij daar discipline zou leren. Ramfis had echter andere plannen en maakte in Amerika vooral furore als jetsetter.

Hoewel hij in zijn thuisland al getrouwd was met Octavia Ricart en vader was van zes kinderen, overlaadde hij in Amerika de mooiste vrouwen met luxeauto’s, nertsjassen en peperdure sieraden.

Zijn reputatie liep zo ver vooruit dat jonge vrouwen in Los Angeles als grap een spottende bumpersticker op hun auto kleefden met de tekst dat hun wagen geen geschenk was van Ramfis Trujillo.

In Hollywood kruiste zijn pad dat van Kim Novak, net in de periode dat zij schitterde in de meesterlijke Hitchcock-film Vertigo. Novak stond in die tijd bekend om haar mysterieuze aantrekkingskracht en haar weigering om zich te schikken naar de strenge regels van de grote studiobazen.

Ramfis viel als een blok voor de actrice en vroeg haar zelfs ten huwelijk.

Hij deelde bovendien kwistig dure Europese sportwagens uit aan de actrices met wie hij omging.

Zo is het een historisch feit dat hij de beroemde Zsa Zsa Gabor een exclusieve Mercedes-Benz schonk.

Dat specifieke cadeau leidde zelfs tot een heus schandaal in het Amerikaanse Congres, waar men vreesde dat de financiële steun van de Verenigde Staten aan de Dominicaanse Republiek indirect werd misbruikt om sportwagens voor Hollywoodsterren te bekostigen.

Ook Kim Novak kreeg van de jonge playboy een fonkelnieuwe Mercedes-Benz cadeau.

Al deze weelderige geschenken en de bijbehorende roddels zorgden voor een enorm schandaal dat de filmstudio in de verlegenheid bracht.

Omdat zijn gedrag als playboy de spuigaten uitliep en hij bovendien zijn einddiploma van de militaire academie niet wist te behalen, besloot zijn vader dat het welletjes was en riep hij hem terug naar huis.

Bij zijn thuiskomst wachtte hem een koude douche, want zijn vrouw Octavia vroeg onmiddellijk de echtscheiding aan.

Terug in de Dominicaanse Republiek ontspoorde Ramfis volledig.

Hij hield zich bezig met gruwelijkheden, waaronder groepsverkrachtingen van jonge vrouwen en het uitdelen van onbeduidende opdrachten om mensen uit de weg te ruimen.

Het liep dermate uit de hand dat zijn vader hem noodgedwongen naar een sanatorium in België stuurde, waar hij eind 1958 een elektroshockbehandeling onderging.

Lang bleef hij daar niet, want kort daarna verhuisde hij naar Parijs om zijn oude levensstijl zonder aarzelen te hervatten.

In de Franse hoofdstad leerde hij Lita Milan kennen, een Amerikaanse actrice die onder meer naast Paul Newman had geacteerd.

Zij gaf haar veelbelovende carrière op en de twee stapten al snel in het huwelijksbootje.

Ondertussen heerste zijn vader Rafael Trujillo nog steeds met ijzeren vuist. Hij was al sinds februari 1930 aan de macht en had zelfs de hoofdstad naar zichzelf vernoemd, Ciudad Trujillo.

Zijn eenendertigjarige bewind, bij de Dominicanen bekend als het Trujillo-tijdperk of El Trujillato, staat geboekstaafd als een van de bloedigste periodes ooit in de regio.

De dictator, die extreem ijdel was en zijn gezicht poederde om blanker te lijken, was met zijn regime verantwoordelijk voor tienduizenden doden.

Een absoluut dieptepunt waren de zogenaamde Peterseliemoorden in 1937, een gerichte massamoord op tienduizenden Haïtianen. Hoewel Trujillo uitsluitend dictator was van de Dominicaanse Republiek, deelt het land het eiland Hispaniola met buurland Haïti.

In de uitgestrekte grensstreek werkten destijds veel Haïtianen als goedkope arbeidskrachten op Dominicaanse plantages.

Trujillo koesterde echter een diepe racistische haat en was geobsedeerd door het idee om zijn land witter en Spaanser te maken.

Hij zag de donkerdere, Franstalige buurbevolking als een bedreiging en gaf het meedogenloze bevel om de Dominicaanse grensstreek etnisch te zuiveren.

Afhankelijk van de historische bron werden er tussen de 5.000 en 67.000 Haïtianen afgeslacht.

De naam van dit lugubere bloedbad verwijst naar de wrede taalkundige test die de soldaten gebruikten om de bevolkingsgroepen te onderscheiden.

Ze hielden een takje peterselie, in het Spaans perejil, omhoog. Omdat dit Spaanse woord een rollende r en een specifieke j-klank bevat, was het voor de Franstalige of Creools sprekende Haïtianen nagenoeg onmogelijk om dit perfect uit te spreken.

Wie het woord met een verkeerd accent uitsprak, werd onmiddellijk op brute wijze geëxecuteerd met kapmessen of bajonetten om munitie te besparen.

Aan deze jarenlange terreur kwam pas een einde toen Rafael op 30 mei 1961 werd vermoord door samenzweerders, die financieel en logistiek werden gesponsord door de Amerikaanse inlichtingendienst CIA.

In de onmiddellijke nasleep van de moord nam Ramfis de tijdelijke controle over het land over.

Gedreven door wraak zwoer hij alle betrokkenen bij de dood van zijn vader te straffen, een belofte die hij waarmaakte door eigenhandig tal van verdachten te vermoorden en te martelen.

De internationale en binnenlandse druk werd echter onhoudbaar, waardoor de familie Trujillo op 19 november 1961 gedwongen werd het land te verlaten.

De vlucht naar Frankrijk verliep in stijl via het luxueuze jacht Angelita, een indrukwekkend schip dat vandaag de dag nog steeds vaart onder de naam Sea Cloud.

Aan boord bevond zich ook de kist van zijn vader, die naar verluidt was bekleed met vier miljoen dollar aan contant geld, kostbare juwelen en belangrijke waardepapieren.

Na een kort verblijf in Frankrijk vestigde Ramfis, de zoon van de overleden dictator Rafael Trujillo, zich in 1962 in Spanje, waar hij bescherming genoot van Generalisimo Francisco Franco.

Daar zette hij zijn extravagante jetset-leven ongehinderd voort en besteedde hij veel tijd aan het vliegen met vliegtuigen als hobby.

Aan dit decadente bestaan kwam een abrupt einde in december 1969. In de buitenwijken van Madrid raakte Ramfis bijzonder zwaar gewond bij een auto-ongeluk.

Hij bestuurde op dat moment een blauwe tweedeurs Ferrari 330GT met serienummer 9151, een sportwagen die hij in 1966 had gekocht.

Bij de harde klap kwam de bestuurster van het andere voertuig, Teresa Bertrán de Lis, op slag om het leven.

Zij was de hertogin van Alburquerque en een zeer prominent lid van de Spaanse hoge adel. Ramfis zelf overleefde het ongeluk in eerste instantie, maar stierf elf dagen later, op 27 december 1969, in een Spaans ziekenhuis aan de complicaties van een opgelopen longontsteking.

Zijn zwaar gehavende Ferrari bleef vanaf 1969 ongerestaureerd in Spanje staan, tot het wrak uiteindelijk begin 2013 voor 50.000 dollar te koop werd aangeboden aan verzamelaars

Boy George mag vandaag 65 kaarsjes uitblazen.

Boy George werd op 14 juni 1961 geboren als George Alan O’Dowd in Eltham, een wijk in het zuidoosten van Londen.

Hij groeide op in een groot, levendig, maar ook turbulent arbeidersgezin van Ierse afkomst.

Zijn ouders, Jeremiah (Jerry) en Christina (Dinah) O’Dowd, hadden in totaal zes kinderen: George, zijn vier broers en een zus.

Zijn vader Jerry werkte in de bouw en stond bekend als een charismatische man die soms een moeilijk humeur had.

George heeft later in interviews en zijn autobiografie beschreven dat de sfeer thuis soms gespannen was door de driftbuien van zijn vader.

Zijn moeder Dinah werd door George omschreven als de rots in de branding die het gezin ondanks alles bij elkaar hield.

De band met zijn moeder was erg sterk, en hij bewonderde haar veerkracht enorm.

In 2026 verscheen er nog een documentaire waarin George dieper inging op deze familiegeschiedenis en de invloed van zijn Ierse wortels.

Tijdens zijn jeugd voelde George zich vaak een buitenbeentje, of zoals hij het zelf noemde, het roze schaap van de familie.

Terwijl zijn broers zich meer richtten op sport of in de voetsporen van hun vader traden in de bouw, was George gefascineerd door kunst, mode en muziek.

Hij werd sterk beïnvloed door artiesten als David Bowie en Marc Bolan van T. Rex.

Zijn vader nam hem op jonge leeftijd zelfs mee naar een concert van Bowie, wat een grote indruk op hem maakte.

Zijn opvallende verschijning leidde op school tot veel conflicten.

George begon al vroeg te experimenteren met make-up en extravagante kleding, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij van school werd gestuurd.

Na zijn schooltijd nam hij verschillende baantjes aan om zijn passie voor mode te financieren, waaronder werk als fruitplukker en als make-upartist bij de Royal Shakespeare Company.

In de nachtelijke uren was hij een bekend gezicht in de Londense clubscene, waar hij uiteindelijk werd ontdekt en zijn weg naar de roem vond met de band Culture Club.

Gisteren nog vandaag

Boy George werd op 14 juni 1961 geboren als George Alan O’Dowd in Eltham, een wijk in het zuidoosten van Londen.

Hij groeide op in een groot, levendig, maar ook turbulent arbeidersgezin van Ierse afkomst.

Zijn ouders, Jeremiah (Jerry) en Christina (Dinah) O’Dowd, hadden in totaal zes kinderen: George, zijn vier broers en een zus.

Zijn vader Jerry werkte in de bouw en stond bekend als een charismatische man die soms een moeilijk humeur had.

George heeft later in interviews en zijn autobiografie beschreven dat de sfeer thuis soms gespannen was door de driftbuien van zijn vader.

Zijn moeder Dinah werd door George omschreven als de rots in de branding die het gezin ondanks alles bij elkaar hield.

De band met zijn moeder was erg sterk, en hij bewonderde haar veerkracht enorm.

In 2026 verscheen er nog een documentaire waarin George dieper inging op deze familiegeschiedenis en de invloed van zijn Ierse wortels.

Tijdens zijn jeugd voelde George zich vaak een buitenbeentje, of zoals hij het zelf noemde, het roze schaap van de familie.

Terwijl zijn broers zich meer richtten op sport of in de voetsporen van hun vader traden in de bouw, was George gefascineerd door kunst, mode en muziek.

Hij werd sterk beïnvloed door artiesten als David Bowie en Marc Bolan van T. Rex.

Zijn vader nam hem op jonge leeftijd zelfs mee naar een concert van Bowie, wat een grote indruk op hem maakte.

Zijn opvallende verschijning leidde op school tot veel conflicten.

George begon al vroeg te experimenteren met make-up en extravagante kleding, wat er uiteindelijk toe leidde dat hij van school werd gestuurd.

Na zijn schooltijd nam hij verschillende baantjes aan om zijn passie voor mode te financieren, waaronder werk als fruitplukker en als make-upartist bij de Royal Shakespeare Company.

In de nachtelijke uren was hij een bekend gezicht in de Londense clubscene, waar hij uiteindelijk werd ontdekt en zijn weg naar de roem vond met de band Culture Club.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 65 jaar geleden, waren koning Boudewijn en koningin Fabiola te gast op de Belgische ambassade in Rome.

Op deze receptie was toen ook kanunnik Lucien De Bruyne aanwezig. (foto 1)

Lucien De Bruyne was een vooraanstaand Belgisch geestelijke en een internationaal gerespecteerd deskundige op het gebied van vroegchristelijke archeologie.

Zijn kerkelijke loopbaan begon in 1928, het jaar waarin hij tot priester werd gewijd.

Al snel trok hij naar Rome, het historische hart van het christendom, waar hij in 1931 aan het Pauselijk Instituut voor Christelijke Archeologie met de hoogste onderscheiding, summa cum laude, zijn doctoraat behaalde.

In de jaren die volgden, specialiseerde hij zich verder en schreef hij diverse academische bijdragen over vroegchristelijke kunst, oude Romeinse sarcofagen en de catacomben.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg zijn carrière binnen het Vaticaan verder gestalte.

In 1946 werd hij benoemd tot directeur van de Pauselijke Commissie voor Gewijde Archeologie, een uiterst prestigieuze functie waarbij hij de verantwoordelijkheid kreeg over het beheer, het behoud en de studie van de eeuwenoude catacomben in en rond Rome.

Daarnaast was hij als censor verbonden aan de Pauselijke Academie voor Oudheidkunde, wat getuigt van zijn grote wetenschappelijke autoriteit.

Naast zijn academische werk speelde hij een centrale rol voor de Belgische gemeenschap in Rome.

Hij werd benoemd tot rector van de Koninklijke Belgische Kerk en Stichting Sint-Juliaan-der-Vlamingen, een plek die fungeerde als een spiritueel en cultureel ankerpunt voor landgenoten in de Eeuwige Stad.

Als erkenning voor zijn uitzonderlijke verdiensten voor de kerk en de wetenschap werd hij in 1965 door de paus verheven tot apostolisch protonotaris, een hoge eretitel waardoor hij als monseigneur mocht worden aangesproken.

Ondanks zijn indrukwekkende loopbaan in Italië behield hij een sterke band met zijn thuisland.

Zo was hij verbonden aan het bisdom Gent als lid van het prestigieuze Sint-Baafskapittel.

Na een leven dat volledig in het teken stond van de kerkgeschiedenis en de archeologische wetenschap, bracht hij zijn laatste jaren door in België.

Hij overleed op 12 mei 1978 in de Oost-Vlaamse gemeente Waarschoot.

Diane Catherine Sealy, beter bekend onder haar artiestennaam Dee C Lee mag vandaag 65 kaarsjes uitblazen.

Dee C Lee is een Britse zangeres die haar sporen heeft verdiend in de soul- en popmuziek.

Hoewel ze later bekend werd als een intelligente en ambitieuze artiest, was ze in haar jeugd naar eigen zeggen een onhandelbaar kind. spijbelde vaak, was haantje-de-voorste en liet niet over zich heen lopen, wat er uiteindelijk toe leidde dat ze van school werd gestuurd.

Na enkele vervelende baantjes begon haar muzikale carrière echt toen ze aan de slag ging als achtergrondzangeres bij Wham!, waarna ze werd opgemerkt door Paul Weller die haar bij The Style Council haalde.

Naast haar werk in groepen profileerde Lee zich ook als soloartiest.

Het was Paul Weller die haar aanmoedigde om zelf nummers te gaan schrijven, iets wat ze aanvankelijk niet durfde omdat ze opkeek tegen grootheden als Aretha Franklin.

Dit resulteerde uiteindelijk in haar hit “See The Day”, het eerste nummer waarover ze zelf tevreden was.

In Vlaanderen werd de single goed ontvangen en bereikte deze de dertiende plaats in de BRT Top 30, maar vreemd genoeg kwam het nummer in Nederland niet verder dan de Tipparade.

Lee staat daarnaast bekend om haar uitgesproken meningen over de muziekindustrie, die ze in de jaren tachtig als seksistisch ervoer.

Ze hekelde het feit dat vrouwen aan een stereotype moesten voldoen, terwijl er nauwelijks aandacht was voor hun stem of ideeën.

Ook gebruikte ze haar bekendheid om maatschappelijke problemen aan te kaarten, zoals het toenemende racisme en de agressie in Engeland.

Na haar periode bij The Style Council bleef ze muzikaal zeer actief.

Van 1989 tot 1991 vormde ze samen met Robert Howard, de frontman van The Blow Monkeys, het duo Slam Slam.

Nummers als Move (Dance All Night) en het door The Young Disciples geproduceerde Free Your Feelings werden bescheiden clubsuccessen.

Daarna verleende Lee haar medewerking aan het Jazzmatazz-project van Gang Starr-rapper Guru. Het nummer No Time To Play, waarop ook gitarist Ronny Jordan meespeelde, werd eind 1993 een hit.

In de jaren negentig bracht ze ook eigen werk uit, met de solo-albums Things Will Be Sweeter in 1994 en Smiles in 1998.

In de jaren daarna bleef Lee optreden en maakte ze uitstapjes naar de filmwereld; zo was ze als actrice te zien in Rabbit Fever en The Town that Boars Me.

In september 2007 verscheen ze in de talkshow Loose Women en zong ze op een benefietconcert tegen huiselijk geweld. Een opvallend optreden volgde op 31 mei 2009 in de wijk Shepherd’s Bush, waar ze op het podium stond met Mike Lindup en Phil Gould van Level 42 en het collectief Favoured Nations.

Een bijzonder moment voor de fans vond plaats in augustus 2019, toen Lee werd herenigd met Weller, Talbot en White voor een eenmalig akoestisch optreden in een documentaire over The Style Council, waarbij ze de albumtrack It’s A Very Deep Sea ten gehore brachten.

In 2024 bracht ze na zesentwintig jaar een nieuw album uit, getiteld Just Something, dat verscheen op het label Acid Jazz.

De productie was in handen van Tristan Longworth.

Het album, met nummers als Don’t Forget About Love, Anything, Be There In The Morning en Walk Away, werd kwalitatief sterk bevonden en had wellicht meer aandacht verdiend.

Verleden jaar kwam er nog een remix uit van het nummer Back in time, dat eerder al in 2024 verscheen als voorbode van het album.

Op persoonlijk vlak was Lee jarenlang nauw verbonden met haar collega Paul Weller.

Ze voerden vaak lange discussies over het vinden van de balans tussen engagement en entertainment.

Het paar was van 1987 tot 1998 getrouwd en kreeg twee kinderen: dochter Leah Weller en zoon Nathaniel, ook wel bekend als Natt Weller.

Vijfenzestig jaar geleden: de grote Gentse rattenoorlog van 1961

In april 1961 was de maat voor de inwoners van Gent eindelijk vol.

De stad, die met haar schilderachtige reien en vesten zo geliefd was bij wandelaars, ging gebukt onder een ware rattenplaag.

De overlast was zo groot geworden dat de knagers zelfs overdag onbeschaamd over straat renden.

Wandelaars zagen hoe de dieren het brood voor de vogels wegkaapten en werklieden aan de waterkant konden hun lunch geen moment onbeheerd achterlaten zonder dat deze door de brutale veelvraten werd verorberd.

De schade aan woningen en meubilair was niet meer te overzien en de angst zat er bij de Gentenaars goed in.

Om dit probleem grondig aan te pakken, besloot het stadsbestuur af te stappen van ouderwetse methoden.

In plaats van individuele rattenvangers in te schakelen, werd er gekozen voor een wetenschappelijke benadering in samenwerking met een gespecialiseerde firma uit Mechelen.

De strategie speelde in op de natuurlijke intelligentie en nieuwsgierigheid van de ratten.

Er werd een speciaal soort lokaas ontwikkeld dat niet direct dodelijk was, maar pas na verloop van tijd werkte.

Dit voorkwam dat de dieren argwaan kregen wanneer ze een dode soortgenoot bij het voedsel zagen liggen.

De uitvoering van dit plan was vindingrijk. Men plaatste speciale houten lokaasbakken van ongeveer een halve meter lang langs de stadsvesten.

Deze bakken bevatten een vernuftig doolhofsysteem, waardoor alleen de ratten bij het vergif konden komen.

Voor mensen, honden en katten was het systeem volkomen veilig, aangezien zij fysiek onmogelijk bij de binnenste compartimenten konden komen.

Bovendien was de concentratie van de werkzame stof zo laag dat grotere zoogdieren er nauwelijks hinder van zouden ondervinden, zelfs bij onverhoopte aanraking.

De resultaten van deze grootschalige actie waren medio april 1961 al overduidelijk merkbaar.

In de eerste weken na het uitzetten van de bakken werden duizenden ratten gedood, veelal onzichtbaar in hun eigen holen onder de grond.

De bewoners langs de Ketelvest en de Muinkkaai merkten als eersten dat de overlast drastisch afnam.

Waar de stad voorheen nog machteloos leek tegen de grijze plaag, zorgde deze gecoördineerde aanpak voor een enorme opluchting.

De Gentse straten en kelders werden eindelijk weer rustig en veilig, wat door de bevolking als een groot succes werd onthaald.

De artistieke gedaanteverwisseling van Romy Schneider in maart 1961

Vandaag 65 jaar geleden, op 29 maart 1961, vond in het Théâtre de la Renaissance in Parijs de spraakmakende première plaats van het toneelstuk ‘Dommage qu’elle soit une putain’, de Franse vertaling van het originele Britse stuk ‘Tis Pity She’s a Whore van John Ford uit de zeventiende eeuw.

Romy Schneider stond hierin samen met Alain Delon op de planken onder regie van Luchino Visconti.

Dit klassieke drama over een gedoemde liefde tussen broer en zus markeerde een definitief omslagpunt in haar carrière.

De actrice, die wereldberoemd werd in de rol van de jonge en onschuldige vorstin, nam hiermee bewust afstand van haar eerdere suikerzoete imago.

Hoewel het grote publiek haar na films als Monpti en Die Halbzarte even uit het oog leek te verliezen, bewees zij hiermee haar transformatie tot een serieuze, Europese karakteractrice.

Deze artistieke ontwikkeling ging hand in hand met een uiterlijke verandering.

Onder invloed van Coco Chanel ruilde Romy haar vroegere stijl in voor die van een elegante Parijse vrouw.

In deze periode van maart 1961 werkte zij ook met Visconti aan het filmproject Boccaccio 70.

Ondanks haar groeiende professionele status bleef haar privéleven de gemoederen bezighouden.

Terwijl zij en Alain Delon veelvuldig samen werden gezien, weigerden zij hun relatie officieel te bevestigen.

De pers speculeerde volop over hun verbintenis, mede door geruchten over de charmes van Claudia Cardinale, die op dat moment met Delon werkte aan de film Rocco e i suoi fratelli, vertaald als Rocco en zijn broers.

Romy Schneider ontweek in maart 1961 behendig de nieuwsgierige vragen over haar toekomstplannen en haar liefdesleven.

Het was duidelijk dat zij zich niet langer liet beperken door de verwachtingen die voortkwamen uit haar vroege successen.

Zij koos resoluut voor haar eigen artistieke weg en persoonlijke groei, ongeacht de aanhoudende stroom aan geruchten in de media.

Met haar optreden in Parijs liet zij zien dat zij vastberaden was om haar eigen koers te blijven varen in de internationale film- en theaterwereld.

Ray Charles bleek in maart 1961 elke cent van zijn honorarium waard te zijn.

De zanger had destijds met Georgia On My Mind een enorme hit te pakken, een nummer dat decennia eerder door Hoagy Carmichael was geschreven en al successen had gekend in de uitvoeringen van Louis Armstrong en Nat Gonella.

Hoewel veel Europese liefhebbers destijds nog niet de kans hadden gehad om hem live te zien, spraken Amerikaanse critici vol lof over zijn veelzijdige talenten.

De toen bekende jazzcriticus, Francis Newton vergeleek in het tijdschrift New Statesman het luisteren naar zijn platen met het kijken naar een tijger in een dierentuin; je zag de vorm, maar de ware kracht werd pas duidelijk tijdens een optreden.

Zijn concerten werden omschreven als bijna religieuze bijeenkomsten.

De sfeer raakte geladen met elektriciteit zodra hij achter zijn piano plaatsnam en zijn liedjes met een intense, bezielde stem de zaal in stuurde, terwijl het publiek ritmisch meewiegde.

Voor dergelijke optredens ontving hij destijds duizend dollar per voorstelling, een bedrag dat omgerekend naar de huidige waarde in 2026 neerkomt op ongeveer 11.000 dollar.

In 1961 was dit een uitzonderlijk hoog inkomen voor één avond, aangezien een gemiddeld gezin toen nog geen zesduizend dollar per jaar verdiende.

De single Georgia On My Mind was de voorbode van het album The Genius Hits The Road, waarvoor Sid Feller opnieuw als producer optrad.

Feller was een trompettist, orkestleider en arrangeur wiens dertigjarige samenwerking met Ray Charles weelderig gearrangeerde hits voortbracht zoals ‘I Can’t Stop Loving You’.

Als hoofdarrangeur voor Capitol Records en later ABC Records werkte Feller ook samen met grootheden als Peggy Lee, Mel Torme, Paul Anka, Steve Lawrence en Eydie Gormé

De arrangementen voor dit specifieke album werden echter verzorgd door Ralph Burns, een klassiek geschoolde musicus die aan het New England Conservatory of Music had gestudeerd.

Burns was bijna vijftien jaar lang een drijvende kracht achter het orkest van Woody Herman, de Amerikaanse jazzklarinettist en bigbandleider die zijn loopbaan al tijdens zijn middelbare schooltijd in Milwaukee was begonnen.

Na omzwervingen bij orkesten van onder meer Tom Gerun, Harry Sosnik en Isham Jones, richtte Herman in 1936 zijn eigen legendarische formatie op, waar hij tot het einde van zijn leven trouw aan bleef.

Ralph Burns zou later in zijn carrière, in 1972, een Academy Award winnen voor Cabaret en muziek arrangeren voor films als Lenny, New York, New York en All That Jazz.

Op het album The Genius Hits The Road reisden we door Amerika en kwamen we onder meer terecht in Alabamy Bound, Georgia On My Mind, Basin Street Blues, Mississippi Mud, Moonlight In Vermont, New York’s My Home, California, Here I Come, Moon over Miami, Deep In The Heart Of Texas, Carry Me Back To Old Virginny, Blue Hawaii en Chattanooga Choo-Choo.

Alleen in Virginny ontmoette hij op deze reis zijn Raelettes.

Deze groep, in 1958 voortgekomen uit The Cookies, bestond rond die tijd uit Gwen Berry, Margie Hendricks, Pat Lyles en Darlene McCrea.

Vooral de krachtige stem van Margie Hendricks gaf nummers als Hit the Road Jack hun onvergetelijke karakter.

Hoewel er binnen de muziekindustrie destijds veel werd gefluisterd over de persoonlijke verhoudingen tussen Charles en zijn zangeressen, was hun muzikale invloed onomstreden.

De Raelettes traden niet alleen op als ondersteuning; ze brachten later ook eigen werk en albums uit, zoals Yesterday… Today… Tomorrow uit 1972, en bleven in wisselende bezettingen tot aan zijn overlijden in 2004 met hem verbonden.

Ondanks dat het album uit 1961 een verzameling popnummers was, bewees Charles hiermee dat hij zelfs van eenvoudige liedjes zoals Deep In The Heart Of Texas iets muzikaals interessants kon maken.

Dit album is dan ook een aanrader voor mensen die graag luisteren naar bigbandmuziek en lichte jazz en is vandaag de dag nog steeds eenvoudig te beluisteren via diensten als Spotify en YouTube.