Otis Redding: Van talentenjacht tot wereldster

Op 8 februari 1958 organiseert een lokaal radiostation in Macon, Georgia, een talentenjacht onder de naam Teenage Party.

De show is al snel zo populair dat het kleine Roxy Theatre te krap wordt en de productie verhuist naar het grotere Douglass Theatre.

Vanaf dat moment kunnen luisteraars elke zaterdagochtend via de radio meegenieten van de opnames.

Het is tijdens een van deze edities dat Otis Redding het podium betreedt als kandidaat.

Zijn optreden maakt indruk en hij raakt in contact met de bekende gitarist Johnny Jenkins, die hem aanbiedt om zijn vaste begeleider te worden.

Dit moment is de start van een glansrijke, maar tragisch korte carrière.

Slechts negen jaar later, op 10 december 1967, komt de zanger op 26-jarige leeftijd om het leven bij een vliegtuigongeluk.

Een van zijn nummers is’ I’ve got dreams to remember’, dat hij samen met zijn echtgenote Zelma Redding en Joe Rock schreef.

Redding scoorde er na zijn overlijden een postume hit mee in 1968, en herhaalde dat succes nogmaals in 1994.

Op de B-kant van deze single staat het nummer ‘Nobody’s fault but mine’.

De single deed het internationaal goed en bereikte de hitlijsten in zowel de Verenigde Staten als Nederland.

In Nederland was het nummer een groot succes; het stond maar liefst veertien weken in de Hitparade, met de achtste plaats als piek, en het eindigde op de achtste plaats in de Top 40.

In Vlaanderen bleef het succes iets bescheidener en strandde het nummer in de Tipparade.

De Cubaanse pianist, organist en componist Pérez Prado

Dámaso Pérez Prado (1916–1989) was een Cubaanse muzikant en componist, maar de wereld kent hem vooral als de onbetwiste “Koning van de Mambo”.

Hij werd geboren als zoon van een onderwijzeres en leerde al als kind klassieke muziek spelen op de piano.

Later speelde hij orgel en piano in lokale clubs. In de jaren 40 was hij een actieve muzikant in Havana, waar hij onder meer deel uitmaakte van het Orquesta Casino de la Playa.

Nadat hij in 1946 zijn eigen band formeerde, zette hij in 1948 de beslissende stap: hij verhuisde naar Mexico-Stad.

Vanuit Mexico, waar hij het grootste deel van zijn carrière zou doorbrengen, perfectioneerde hij de mambo.

Hij creëerde een kenmerkend, explosief orkestgeluid: bombastisch, met vlijmscherpe trompetten en een onweerstaanbaar ritme, vaak aangevuurd door zijn eigen beroemde kreet: “¡Uh!”.

In de jaren 50 veroverde hij de wereld met instrumentale hits die synoniem werden met feesten.

Zijn bekendste nummers zijn “Mambo No. 5”, “Mambo No. 8” en “Patricia”. Met “Cherry Pink and Apple Blossom White” scoorde hij in 1955 zelfs een nummer 1-hit in zowel de VS als het VK.

Zijn succes leidde ook tot familieconflicten. Zijn broer, Pantaleón Perez Prado, toerde door Europa met een eigen orkest onder de naam “Perez Prado”.

Dit leidde tot een rechtszaak die Dámaso aanspande tegen zijn broer.

Pantaleón overleed in 1983 in Milaan, waar hij woonde.

Pérez Prado zelf overleed in september 1989 op 72-jarige leeftijd.

Zijn nalatenschap kreeg in 1999 een enorme boost toen Lou Bega zijn “Mambo No. 5” gebruikte als basis voor een wereldwijde hit, wat nogmaals bewees hoe tijdloos Prado’s muziek was.

De tweelingzussen Alice en Ellen Kessler zijn vandaag op 89-jarige leeftijd samen overleden. Onscheidbaar tot het laatst, kozen ze gezamenlijk voor euthanasie.

De zussen, geboren in 1936, laten een indrukwekkende en veelzijdige carrière na als danseressen, zangeressen en actrices.

Hun artistieke pad begon al vroeg. Dankzij hun muzikale ouders gingen de eeneiige tweelingzussen op zesjarige leeftijd naar de balletschool, wat in 1947 leidde tot een plek bij het kinderballet van de Leipziger Opera.

Na de vlucht van het gezin naar West-Duitsland in 1952 debuteerden ze in de revue van Düsseldorf. Het duurde niet lang voordat ze internationaal doorbraken.

In Parijs en Italië stonden ze bekend als de ‘tweeling van de benen’ en veroverden ze de harten van het publiek.

Vooral met Italië hadden ze een sterke band; ze woonden er van 1962 tot 1986 en hadden er hun eigen tv-show. Hun populariteit bleek ook in 1976, toen ze op 40-jarige leeftijd poseerden voor de Italiaanse Playboy. Dit zorgde voor een ware sensatie en het blad was in korte tijd uitverkocht.

Gedurende hun loopbaan deelden ze het podium met wereldsterren als Burt Lancaster, Fred Astaire, Sammy Davis Junior en Frank Sinatra.

Ook deden ze in 1959 mee aan het Eurovisiesongfestival met het nummer ‘Heute abend wollen wir tanzen gehen’, waarmee ze de achtste plaats behaalden (het jaar dat de Nederlandse Teddy Scholten won).

Ze waren echter ook kritisch op hun keuzes: zo weigerden ze een rol naast Elvis Presley in de film ‘Viva Las Vegas’, uit angst om in Hollywood getypecast te worden.

Sinds 1986 woonden de zussen weer in Duitsland, in Grünwald nabij München. Stilzitten deden ze niet; zo gaven ze in 2009 nog een reeks jazzconcerten.

Zoals ze hun leven samen deelden, zo zullen ze ook hun laatste rustplaats delen: Alice en Ellen hebben in hun testament vastgelegd dat ze samen in één urn begraven willen worden.

Vandaag 95 jaar geleden werd Ray Charles geboren (23 september 1930)

Charles improviseerde dit nummer toen hij in december 1958 bij een van zijn optredens de gehele setlist gespeeld had, maar nog zin had om verder te spelen.

Het nummer is dus geschreven door Ray Charles zelf en de productie was in handen van Jerry Wexler.

Het was voor Ray Charles zijn eerste top 10-hit in zijn thuisland Amerika.

Het werd in 2002 opgenomen in het National Recording Registry.

In een door het muziekblad Rolling Stone samengestelde lijst van de vijfhonderd beste liedjes stond What’d I Say op de tiende plek.

Vijfenzeventig jaar geleden scoorde Billy Eckstine een hit met zijn prachtige cover van het nummer ‘My Foolish Heart’, dat in 1949 werd geschreven door Victor Young met tekst van Ned Washington.

William Clarence Eckstein werd op 8 juli 1914 geboren in Pittsburgh, Pennsylvania, als zoon van een chauffeur en een naaister.

Het gezin verhuisde naar Washington, waar hij klusjes deed voor Ethel Waters in het Howard Theater.

Met het zakgeld dat hij zo verdiende, kon hij deelnemen aan een talentenjacht, die hij in 1932 won.

Hij verliet de school, sloot zich aan bij de Tommy Miles Band en leerde trompet spelen om zijn zang te ondersteunen.

Al vroeg in zijn carrière veranderde hij zijn achternaam in Eckstine, nadat een clubeigenaar de oorspronkelijke spelling ‘te joods’ vond.

Zijn talent bleef niet onopgemerkt, bandleider Earl Hines hoorde hem in de De Lizza Club en nam hem op in zijn band.

Met hen nam hij ‘Skylark’ op, een versie die beter verkocht dan die van Glenn Miller.

Samen met Hines componeerde hij ook de ‘Stormy Monday Blues’.

Dankzij zijn groeiende succes kon Eckstine zijn eigen club openen op 52nd Street in New York, maar die moest hij uiteindelijk sluiten vanwegete hoge onkosten.

Daarna ging hij op tournee met zijn eigen, historische band.

Samen met zijn muzikaal arrangeur John Birks ‘Dizzy’ Gillespie hielp hij de weg vrijmaken voor de bebop en de moderne jazz.

Deze band was een broedplaats voor talent en Eckstine was zo mede verantwoordelijk voor de doorbraak van vele grootheden, zoals Miles Davis, Charlie Parker, Dexter Gordon, Art Blakey en Sarah Vaughan.

In oktober 1945 scoorde hij met ‘A Cottage for Sale’ zijn eerste van in totaal 28 hits in de Amerikaanse Billboard hitparade.

In 1947 kreeg hij een platencontract bij het nieuw opgerichte MGM Records.

Nog datzelfde jaar had hij een hit met ‘Everything I Have is Yours’.

Tot zijn grote successen behoren verder opnamen als ‘Caravan’, ‘I Apologize’, ‘No One But You’ en ‘Gigi’.

Daarnaast componeerde hij zelf de bluesklassieker ‘Jelly, Jelly’.

Bekend om zijn rijke, bijna opera-achtige bas-baritonstem, zette Eckstine ook modetrends met zijn stijlvolle pakken, een imago dat hem gedurende zijn hele solocarrière van pas zou komen.

Zijn invloed reikte ook tot in Europa. Zo scoorde P.J. Proby in 1965 een hit met een cover van ‘I Apologize’ en zijn duet ‘Passing Strangers’ met Sarah Vaughan haalde tweemaal de Engelse hitlijst, in 1957 en 1969.

Zijn laatste album, ‘Billy Eckstine Sings with Benny Carter’, werd in 1986 genomineerd voor een Grammy Award.

Voor zijn bijdragen aan de muziek werd Eckstine ook onderscheiden met een ster op de Hollywood Walk of Fame.

Billy Eckstine overleed op 8 maart 1993 op 78-jarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

70 jaar geleden, Billy Williams Quartet met hun cover van het nummer Sh-Boom(Life Could Be A Dream).

Het Billy Williams Quartet werd opgericht in 1950.

De leden waren:

  • Billy Williams (leadzanger)
  • Eugene Dixon (bas)
  • Claude Riddick (bariton)
  • John Ball (tenor)

Billy Williams was eerder de leadzanger van de populaire vocale groep The Charioteers.

Het kwartet genoot vooral succes in de vroege jaren 50.

Ze waren vaste gasten in de radioshow van Bing Crosby en verschenen meer dan 160 keer in de tv-show “Your Show of Shows” met Sid Caesar. Ook werkte ze samen met Frank Sinatra.

Hun grootste hit was “(It’s No) Sin” in 1951, die meer dan een miljoen exemplaren verkocht en de derde plaats bereikte in de Amerikaanse hitlijsten.

Andere bekende nummers waren “I Won’t Cry Anymore”, “The Gaucho Serenade”, “Busy Line” en “I’ll Never Fail You”.

Na het kwartet zette Billy Williams zijn solocarrière voort.

Na twee huwelijken en twee dochters, ging het helaas minder met hem.

Midden de jaren zestig leefde hij in een gekraakte pand dat daarvoor een hotel was.

Want door diabetes verloor hij zijn stem.

Op straat leerde hij Eerwaarde Clarence Cobbs kennen die hem kon overtuigen om bij hem te komen wonen.

Die kon hem overtuigen om zijn studie aan de De Paul University af te ronden.

Daardoor kon hij aan de slag gaan als medewerker in een stadsproject om straatloze alcoholisten te helpen.

Billy Williams overleed op 12 oktober 1972 en dit 61-jarige leeftijd.

65 jaar geleden, Ella Fitzgerald met haar cover van het nummer The Secret Of Christmas.

Voor mij één van de mooiste kerstnummers en vreemd genoeg niet zo bekend bij het grote publiek.

Het nummer is geschreven door Sammy Cahn en Jimmy Van Heusen en dit in opdracht van Bing Crosby.

Bing Crosby bracht het nummer uit op single in 1959.

Het was toen in Amerika een groot succes voor Bing, maar Ella die als eerste het nummer coverde in 1959, maakte er toch een echte parel van……

Andy Williams is niet ongeduldig (Picollo van december 1959)

De zanger begon zijn carrière al op jonge leeftijd.

In het dorp Wall Lake in Iowa, waar hij opgroeide, zong hij met zijn drie broers in het kerkkoor.

Toen hij maar 8 jaar oud was, vormde hij met hen het Williams Brothers Quartet.

Ze traden regelmatig op voor de lokale en later nationale radio.

Door hun liedjes op de radio, trokken ze de aandacht van Bing Crosby.

De broers Williams namen met hem hun eerste plaat op.

Het nummer Swinging on a Star werd een hit in 1944.

In de jaren die volgden, traden de broers regelmatig op in hun eigen land, maar ook in Londen. In 1951 gingen de broers ieder hun eigen (muzikale) weg.

Williams had ook een eigen televisieprogramma, The Andy Williams Show.

Die werd met tussenpozen uitgezonden tussen 1959 en 1971, eerst op de zender CBS en later bij concurrent NBC.

Williams was aanhanger van de Republikeinen, maar dat stond vriendschap met de Kennedy’s niet in de weg.

In 1968 was hij aanwezig in een hotel in Los Angeles toen Robert F.

Kennedy daar werd doodgeschoten.

Op de begrafenis zong Andy Hymn Of The Republic (Het lied is in november 1861 geschreven door Julia Ward Howe op de melodie van “Say, brothers will you meet us”, een lied geschreven door William Steffe omstreeks 1856.

In 1860 schreef Thomas Bishop ook op deze melodie “John Brown’s Body” over de militante abolitionist John Brown.

Het lied van Howe werd het eerst gepubliceerd in The Atlantic Monthly in februari 1862, waarna het snel in populariteit groeide)

Het lied van Andy Williams en de toespraak van Roberts broer Ted Kennedy (waaruit een gedeelte staat afgedrukt op de achterkant van de single) maakten veel emoties los onder de aanwezigen en de televisiekijkers die het gebeuren rechtstreeks konden volgen.

Het is dan ook niet te verwonderen dat de single heel vlug de eerste plaats bereikte in de hitparade.

Ook de single kwam uit in Vlaanderen, maar bereikte niet de hitparade.

Maar Egbert Douwe kwam wel in de hitparade met een parodie van het nummer en kreeg als titel Vader Is De Dader en bereikte daarmee de 23e plaats van de Hitparade.

Ook maakte hij tal van kerstalbums en leende hij zijn warme stem aan de kerstkraker The Most Wonderful Time of the Year.

Williams leed sinds 2011 aan blaaskanker.

Op 19 juli 2012 klonk het nog dat Williams goed herstelde en zich elke dag beter voelde en in september alweer kon gaan optreden.

Williams kon de ziekte echter niet de baas en overleed uiteindelijk op 25 september 2012 aan de gevolgen ervan.

Andy Williams kreeg maar liefst 18 gouden en 3 platina-albums.

De tweeling Alice & Ellen Kessler, wie kent ze nog?

De tweeling Alice & Ellen Kessler (geboren in Nerchau op 20 augustus 1936) hebben een lange en veelzijdige carrière gehad als danseressen, zangeressen, actrices en presentatrices.

Hun ouders waren muzikaal aangelegd en stuurden de eeneiige tweeling op 6-jarige leeftijd naar de balletschool.

In 1947 gingen ze bij het kinderballet van de Leipziger Opera.

Na de vlucht van hun familie naar West-Duitsland in 1952, maakten ze hun debuut bij de revue in Düsseldorf.

Ze veroverden al snel de harten van het publiek in Parijs en Italië, waar ze bekend stonden als de “tweeling van de benen”.

Ze namen ook deel aan het Eurovisiesongfestival in 1959 met het nummer Heute abend wollen wir tanzen gehen, waarmee ze de 8e plaats behaalden.

Ze speelden in verschillende films en hadden ook hun eigen televisieprogramma.

Ze woonden in Italië van 1962 tot 1986 en hadden daar hun eigen tv-show.

Ze poseerden voor de Italiaanse playboy in 1976, toen ze 40 jaar waren, wat een sensatie veroorzaakte en die dan ook in korte tijd was uitverkocht.

Ze hebben samengewerkt met beroemde sterren zoals Burt Lancaster en Elvis Presley.

Sinds 1986 wonen ze in Grünwald nabij München.

In 2009 gaven ze een reeks jazzconcerten samen met Hugo Strasser, Max Greger, Bill Ramsey en de SWR Big Band.

Vandaag is het ook al 35 jaar geleden dat de Amerikaanse zanger Paul Robi, die we vooral kennen als lid van The Platters is overleden.

Paul Robi werd geboren op 20 augustus 1931 en begon zijn carrière als zanger in verschillende gospelkoren.

Hij sloot zich aan bij The Platters in 1954, nadat hij ontdekt was door hun manager Buck Ram.

Samen met Tony Williams, Zola Taylor, David Lynch en Wilbert Reed vormde hij de klassieke bezetting van de groep, die hits scoorde als Only You, The Great Pretender, My Prayer, Twilight Time en Smoke Gets In Your Eyes.

Paul Robi had een warme baritonstem en zong vaak de tweede stem of de lead in sommige nummers.

Hij bleef bij The Platters tot 1960, toen hij de groep verliet na een juridisch conflict met Buck Ram over de rechten op de naam.

Hij vormde zijn eigen versie van The Platters en bleef optreden tot zijn dood in 1989.