Vandaag, 40 jaar geleden, achter de schermen van Europa’s grootste metal-festijn Monsters of Rock 1986

Op 16 augustus 1986 vond in het Engelse Castle Donington een gedenkwaardige editie plaats van het Monsters of Rock-festival.

Ozzy Osbourne was die dag de absolute headliner. Hij sloot het festival af met een spectaculaire show waarin hij een gigantische opblaasbare duivel als decorstuk gebruikte.

Voor Def Leppard was het optreden een enorm emotioneel moment.

Drummer Rick Allen speelde er zijn allereerste grote festivalshow sinds hij eind 1984 zijn linkerarm verloor bij een zwaar auto-ongeluk.

Met een speciaal voor hem ontworpen elektronisch drumstel speelde hij feilloos, wat leidde tot een van de meest legendarische en ontroerende publieksovaties in de geschiedenis van het festival.

De affiche bevatte veel grote namen uit de hardrock en heavymetal.

Naast Ozzy Osbourne en Def Leppard stonden ook Scorpions, Motörhead, Bad News en Warlock op het podium.

De Duitse metalband Warlock schreef die dag geschiedenis dankzij frontvrouw Doro Pesch.

Zij was de allereerste vrouwelijke artiest die ooit op het podium van Monsters of Rock in Donington optrad.

De komische rockband Bad News, ontstaan uit de Britse comedyserie The Comic Strip Presents, speelde als openingsact.

Het publiek ontving de parodieact met een beruchte Castle Donington-traditie: de band werd tijdens het hele optreden bekogeld met plastic flessen, modder en blikjes, iets wat de groep overigens met de nodige humor onderging.

Het festival trok naar schatting zo’n zestigduizend tot tachtigduizend enthousiaste rockfans naar het legendarische racecircuit.

Na het succes in Engeland trok de festivalformule die zomer als rondreizende tournee door naar het Europese vasteland, met succesvolle edities in onder andere Neurenberg, Mannheim en Stockholm.

Vandaag exact 40 jaar geleden deed Stan Ridgway zijn intrede in de BRT Top 30 met zijn opvallende single Camouflage.

Zijn muzikale reis begon echter al jaren eerder, in 1977, toen hij aan de slag ging met de band Wall of Voodoo.

Met deze groep scoorde hij in 1983 een grote hit met het nummer Mexican Radio, maar kort na dit succes besloot Ridgway zijn eigen weg te gaan als soloartiest.

Datzelfde jaar bewees hij meteen zijn veelzijdigheid door een nummer te componeren voor de speelfilm Rumble Fish van regisseur Francis Ford Coppola.

In 1986 verscheen uiteindelijk zijn solodebuut, getiteld The Big Heat.

Dit album sloot ijzersterk af met ‘Camouflage’, een meeslepende verhaalsong over een soldaat in de Vietnamoorlog die in het heetst van de strijd gered wordt door een mysterieuze geestverschijning.

Verrassend genoeg werd juist deze ongewone track massaal opgepikt door het publiek en de radio.

Het nummer behaalde de hoogste regionen van de Britse hitlijsten en kende ook in de Lage Landen veel succes.

In Vlaanderen piekte de single op een mooie achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl het in de Nederlandse Top 40 goed was voor een elfde positie.

Wat de zanger als artiest zo uniek maakt, is zijn kenmerkende, bijna droge en vertellende zangstijl, vaak de spoken word-techniek genoemd.

Hij klinkt meer als een acteur in een donkere film noir dan als een klassieke popzanger.

Dit talent om verhalen te schilderen met woorden past perfect bij de sfeer van Camouflage.

Muzikaal gezien valt het nummer op door het contrast tussen de kille, machinale ritmes van synthesizers en drummachines en de meer organische klanken, zoals de mondharmonica die Ridgway steevast zelf inspeelt.

Het spookachtige verhaal over de grote marinier Camouflage is overigens niet zomaar uit de lucht gegrepen; het leunt sterk op echte stadslegendes en volksverhalen die onder Amerikaanse militairen de ronde deden.

De bijbehorende videoclip, sfeervol in zwart-wit geschoten, versterkte het mysterieuze karakter enorm en werd een veelgedraaide favoriet in de vroege jaren van muziekzender MTV.

Ridgway beschouwde zijn nummers altijd als korte films voor de radio.

Zijn voorliefde voor het witte doek liep dan ook als een rode draad door zijn verdere carrière.

De eerder genoemde samenwerking voor de film Rumble Fish resulteerde in de culthit ‘Don’t Box Me In’, een project dat hij opnam samen met Stewart Copeland, de beroemde drummer van The Police.

Tot op heden blijft Stan Ridgway een gerespecteerde naam in de muziekgeschiedenis, vooral geprezen om zijn vermogen om een radiovriendelijke popsong aan te laten voelen als een meeslepende bioscoopervaring.

De inmiddels 72-jarige Stan Ridgway is overigens nog steeds actief in de muziekindustrie.

Hij woont en werkt tegenwoordig in Los Angeles, Californië, waar hij zijn eigen label en creatieve studio runt onder de naam Stan Ridgway’s Grand Emporium.

Daar treedt hij nog regelmatig op, vaak aan de zijde van zijn vrouw en muzikale partner Pietra Wexstun.

Samen vormen ze geregeld een akoestisch trio, of richten ze zich op het componeren van sfeervolle muziek voor kunsttentoonstellingen, films en theaterproducties.

Daarnaast laat Ridgway nog vaak van zich horen op sociale media, waar hij zijn scherpe politieke en maatschappelijke observaties met de wereld deelt.

Wat zijn muzikale output betreft, verscheen zijn laatste grote solo-studioalbum, Priestess of the Promised Land, in 2016.

Ook deze plaat maakte hij samen met Pietra Wexstun.

Hoewel er de afgelopen jaren geen volwaardige nieuwe studioalbums meer zijn uitgebracht, is hij zeker actief gebleven.

Hij verraste zijn fans sindsdien nog met diverse singles, waaronder ‘Train Of Thought’, en in 2022 bracht hij zijn meest recente single ‘This Town Called Fate’ uit.

Tien jaar geleden, in 2016, kreeg het nummer bovendien een opvallende heropleving toen de Zweedse metalband Sabaton er een succesvolle cover van maakte.

Hoewel hun versie oorspronkelijk slechts als bonusnummer verscheen op het album The Last Stand, wordt het door velen gezien als een absolute vaste waarde.

Fans beschouwen het als een regelrechte banger die naadloos past binnen het kenmerkende militaire thema van de band.

Sabaton is erin geslaagd om het aangrijpende verhaal met hun powermetal-sound nieuw leven in te blazen en het meteen ook populair te maken bij een heel nieuw publiek.

De impact van deze cover was zelfs zo groot dat het de inspiratie vormde voor aflevering 129 van het Sabaton History Channel.

In deze videoreeks duiken de Zweden steevast dieper in de waargebeurde verhalen en achtergronden van hun nummers.

De connectie met de hit stopt daar overigens niet.

De band heeft inmiddels een eigen, succesvol magazine gelanceerd dat eveneens de naam Camouflage draagt.

Dit blad, dat exclusief wordt aangeboden in hun officiële webshop, is inmiddels al toe aan meerdere edities.

In de zomer van 1976 bevrijdde de Britse viermansformatie The Real Thing zichzelf in één klap van al haar vorige klusjes.

De groep werd aan het begin van de jaren zeventig opgericht in de wijk Toxteth in Liverpool.

Aanvankelijk traden de leden op onder namen zoals Sophisticated Soul Brothers.

De uiteindelijke bandnaam ontstond volgens de overlevering toen hun manager Tony Hall op Piccadilly Circus in Londen een levensgroot reclamebord van Coca-Cola zag staan met de bekende slagzin.

De vaste kern van de groep werd gevormd door de broers Chris en Eddie Amoo, aangevuld met Dave Smith en Ray Lake.

Na enkele jaren van bescheiden successen en optredens in de bekende tv-talentenshow Opportunity Knocks, kwam in 1976 de grote doorbraak.

Ze waren niet langer de jongens die David Essex vocaal bijstonden op zijn singles en tijdens zijn optredens, en ook het werk als jingle-inzingers lag definitief achter hen.

Iedereen kende hen plotseling dankzij de enorme zomerhit ‘You To Me Are Everything’.

Die doorbraak kwam er dankzij de single die in het voorjaar van 1976 via Pye Records werd uitgebracht.

Het nummer werd geschreven en geproduceerd door het koppel Ken Gold en Michael Denne.

De twee songschrijvers bedachten de meeslepende melodie en het pakkende refrein in minder dan een uur tijd, speciaal afgestemd op de warme tenorstem van leadzanger Chris Amoo.

De song steeg door naar de absolute top van de Britse hitparade, nadat er op het hoogtepunt maar liefst 30.000 exemplaren per dag van over de toonbank gingen.

In juli 1976, midden in de broeierige Britse zomer, klom de single naar de absolute eerste plaats van de Britse hitparade.

Het nummer bleef drie weken lang bovenaan de UK Singles Chart staan en zorgde voor een historisch moment: The Real Thing werd daarmee de eerste volledig zwarte Britse band die toen een nummer 1-hit scoorde in het Verenigd Koninkrijk.

Ook buiten Groot-Brittannië werd de song een grote hit.

In Vlaanderen was het nummer goed voor de achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl de single het in Nederland nog iets beter deed en daar de vierde plaats bereikte in de Top 40.

Ondanks dat plotselinge succes hielden de bandleden er een opmerkelijk doordachte en verrassende visie op na.

Ze waren namelijk niet van plan om vijf jaar op een doorbraak te wachten om vervolgens na één knaller weer in de vergetelheid te verzinken.

Eddie Amoo kon het nauwelijks geloven toen manager Tony Hall hem opbelde met het nieuws dat de single als een raket omhoogschoot.

Eddie trok halsoverkop zijn kleren aan, stapte in de wagen en kocht alle muziekkranten die hij kon vinden om de hitlijsten met eigen ogen te zien.

Pas toen hij de notering op nummer 22 in Top of the Pops zag staan, drong het werkelijk tot hem door.

Toch voelde de groep dat succes heel nuchter aan.

Ze wilden dit momentum vooral gebruiken om materiaal uit te brengen dat veel dichter lag bij wie ze echt waren.

Ze vonden ‘You To Me Are Everything’ simpelweg niet representatief voor hun eigen muzikale identiteit.

Zonder enige artistieke pretentie zagen de jongens die hit puur als een opstapje naar een wijdere en diepere creatieve ruimte.

Na een reeks van zo’n zes spectaculaire flops uit het verleden stonden ze nu eenmaal anders in het leven toen ze het nummer opnamen.

Ken Gold ging eerder ook met hen aan de slag voor hun geplande conceptalbum over het leven in Liverpool 8.

Dat project lag de mannen nauw aan het hart.

Ze wilden het verhaal vertellen van een kind dat opgroeide in een reusachtig appartementsgebouw van negentig verdiepingen.

Op Ray na kwamen alle bandleden uit die dichtbevolkte en arme wijk bij de dokken, waar misdaad aan de orde van de dag was, maar waar ook mensen met een ijzeren karakter zoals bokser John Conteh opgroeiden.

Waar iedereen bij Liverpool meteen aan The Beatles dacht, wilde The Real Thing laten zien hoe het er daar werkelijk aan toe ging.

De groep had daarnaast enorm veel te danken aan de mensen om hen heen.

Via een tv-spotje voor producer Jeff Wayne leerden ze zanger David Essex kennen.

Essex was ontzettend eerlijk tegen hen, hielp hen bij het componeren en leerde hen hoe ze persoonlijke liedjes moesten schrijven die echt geworteld waren in hun eigen achtergrond.

Ook het optreden in hun voorprogramma voor duizenden uitzinnige tieners in de Londense Earl’s Court was een onvergetelijke ervaring geweest.

Een andere sleutelfiguur was hun manager Tony Hall, een absolute autoriteit op het gebied van zwarte muziek in Engeland, die hen voortdurend op het juiste spoor hield.

In hun beginjaren traden ze namelijk vooral op in de clubs van Noord-Engeland, waar ze aan het verwachtingspatroon van vier ‘leuke zwarte kerels’ voldeden: ze zongen Amerikaanse nummers, maakten strakke danspasjes en praatten op aandringen van hun vorige manager zelfs met een Amerikaans accent.

In de zomer van 1976 lieten ze die ingestudeerde rol voorgoed achter zich om eindelijk hun eigen verhaal te vertellen.

Na het succes van You To Me Are Everything scoorde de band nog diverse andere hits, waaronder ‘Can’t Get By Without You’ en het doordringende disco-epos ‘Can You Feel The Force?’

Tien jaar later, in 1986, beleefde hun bekendste klassieker een tweede jeugd. Een remix onder de titel The Decade Remix bracht de plaat opnieuw hoog in de hitlijsten, met een top 5-notering in het Verenigd Koninkrijk.

You To Me Are Everything is door de decennia heen uitgegroeid tot een tijdloze pop- en soulklassieker die nog steeds frequent op de radio te horen is en door tal van andere artiesten, zoals Frankie Valli, werd gecoverd.

In de jaren 80 stak het fenomeen van de remixes de kop op in de charts

Heel wat grote hits uit de 60s en 70s keerden dat decennium terug in de hitlijsten, o.a. ‘December 1963 (Oh What A Night)’, ‘Heaven Must Be Missing An Angel’, ‘Downtown’, ‘Black Betty’ en ‘Eve Of The War’.

De allereerste single die in een nieuwe versie opnieuw een hit werd, was ‘You To Me Are Everything’ van de Engelse soulgroep The Real Thing.

In de lente van 1986 werd dit voor de tweede keer een grote Europese hit. In de UK stond het nummer zelfs 2 keer in de top 5.

Het origineel voerde in juli 1976 gedurende 3 weken de Britse top 40 aan. In Nederland stond The Real Thing ermee op n°4 en op n°8 in Ultratop. ‘You To Me Are Everything’ werd nooit een groot succes in de VS.

Dit was te wijten aan het feit dat er verschillende coverversies van werden opgenomen.

Hiervan stonden er drie tegelijkertijd in de Billboard Hot 100, die elkaar stuk voor stuk verhinderden om erboven uit te steken.

Het al in 1970 opgerichte The Real Thing was in de jaren ’70 de meest succesvolle zwarte act.

Ze kwamen in het vizier van EMI door een sterke live-act bestaande uit progressieve versies van Amerikaanse hits. Ondanks positieve kritieken werden de eerste singles geen succes.

De kentering komt er wanneer ze de steun krijgen van idool David Essex en een contract krijgen bij Pye Records.

Na talrijke personeelswissels is de 8ste single ‘You To Me Are Everything’ eindelijk een schot in de roos. ‘Can’t Get By Without You’ en ‘You’ll Never Know What You’re Missing’ (in 2002 nog gesampled door Thomas Bangalter van Daft Punk) zijn daarna nog grote Britse hits, maar daarna sputtert de hitmachine een aantal jaren.

In 1979 slaan ze terug met het space disco-nummer ‘Can You Feel The Force?’.

In 1982 werken ze opnieuw samen met David Essex als diens backingband.

Vier jaar later worden de oude hits dus heropgevist. The Real Thing draait nog steeds mee in het oldiescircuit.

Ze zijn intussen wel herleid tot een duo bestaande uit de oorspronkelijke leden Chris Amoo en Dave Smith.

De andere helft is reeds gestorven.

Chris’ broer Eddie overleed op 23 februari 2018 op 74-jarige leeftijd.

Ray Lake is in 2000 al op 54-jarige leeftijd overleden na een leven van drank- en drugverslavingen.

Ken Gold, de voornaamste songwriter en producer van de band, schreef ook hits bij elkaar voor Billy Ocean, Tight Fit, The Jodelles en Delegation.

Het verhaal van The Real Thing werd in 2019 opgetekend in de docu Everything – The Real Thing Story (met dank aan Denis Michiels)

Het is vandaag precies veertig jaar geleden dat Willem Ruis is overleden.

Hij begon zijn omroepcarrière bij de radio, waar hij twaalf jaar lang het sportprogramma Langs de Lijn presenteerde.

Daarnaast was hij een tijdje verbonden aan het actualiteitenprogramma Dingen van de Dag en maakte hij talloze radio-interviews met bekende Nederlanders.

Tot zijn meest spraakmakende werk behoorden de gesprekken met Godfried Bomans en Jan Wolkers voor de serie Alleen op een eiland.

In de zomer van 1971 fungeerde hij hierin als contactpersoon tijdens hun eenzame verblijf op het eiland Rottumerplaat.

In 1978 bracht hij de single uit ‘Laat Me Effe Drukken’. Het zou bij deze enige single blijven en helaas niet terug te vinden zijn op YouTube.

Vanaf 1981 werkte Ruis op freelancebasis voor de televisie.

Datzelfde jaar maakte hij de veelbesproken overstap van zijn vorige werkgever, waar hij destijds al vijf seizoenen de Willem Ruis Show had gepresenteerd.

Bij zijn nieuwe omroep nam hij tot 1984 de presentatie van de bekende Lotto-shows op zich.

In de winter van dat jaar startte hij met de Sterrenshow, een project dat hij zelf omschreef als het grootste avontuur uit zijn loopbaan.

Dit programma werd live uitgezonden vanuit een Italiaanse circustent op wisselende locaties in het land.

Vanwege geldgebrek moest dit kostbare project uiteindelijk worden stopgezet.

Tussen alle presentatiebedrijven door maakte Ruis in 1982 trouwens ook nog zijn debuut als acteur in de speelfilm Het Beest.

Naast deze grote projecten stond Willem Ruis bekend om zijn ongekende energie, waarmee hij de harten van miljoenen kijkers veroverde.

Zijn bijnaam luidde dan ook de Kiss Master, omdat hij erom bekendstond kandidaten in zijn shows enthousiast te kussen en te omhelzen bij een overwinning.

Naast de grote Lotto-shows boekte hij ook enorme successen met de razend populaire spelshow Vijf tegen Vijf, die hij van 1982 tot vlak voor zijn dood presenteerde.

Ruis was een perfectionist die alles gaf voor zijn werk, wat hem destijds de bestbetaalde presentator van Nederland maakte.

Zijn plotselinge overlijden in 1986 aan een hartaanval tijdens een vakantie in het Spaanse Dénia schokte heel televisiekijkend Nederland en Vlaanderen en bracht een vroegtijdig einde aan de loopbaan van een van de grootste showmasters die het land gekend heeft.

Veertig jaar geleden verscheen het album Inside Story van Grace Jones.

Ze produceerde dit album zelf, waarbij ze werd bijgestaan door Nile Rodgers.

Een van de nummers op deze plaat is ‘Victor Should Have Been a Jazz Musician’, een compositie van Grace Jones en Bruce Woolley.

De carrière van Woolley is indrukwekkend; hij is mede-auteur van de hit Video Killed The Radio Star van The Buggles en schreef daarnaast nummers voor artiesten als Dollar, Shirley Bassey, Divine, Cliff Richard, Tori Amos, Tom Jones, Cher en Bebel Gilberto.

De samenwerking tussen Bruce en Grace begon overigens al eerder, toen zij samenwerkten aan haar album Slave to the Rhythm uit 1985.

In maart 1987 werd de single ‘Victor Should Have Been a Jazz Musician’ uitgebracht in Vlaanderen en Nederland.

Hoewel dit voor velen haar beste nummer is, bleef het grote succes in de hitlijsten uit.

De single bereikte de BRT Top 30 niet en stond in de Nationale Top 50 slechts één week op de veertigste plaats.

In de Nederlandse Top 40 kwam het nummer niet verder dan de vijfendertigste positie.

Patrick de Radiguès: een leven vol snelheid en avontuur viert vandaag zijn 70ste verjaardag

Patrick de Radiguès de Chennevière, geboren op 25 juli 1956 in Leuven, is een Belgische voormalige sportman die naam maakte in zowel de motorsport als de zeilsport.

Hij is een afstammeling van de adellijke familie de Radiguès.

Zijn sportieve carrière begon in de racerij, waar hij deelnam aan auto- en motorraces, waaronder de prestigieuze 24 uur van Le Mans.

Een van zijn grote successen was het winnen van de Bol d’Or in 1984 en het behalen van de tweede plaats in het wereldkampioenschap motoruithoudingsraces in datzelfde jaar.

Op 36-jarige leeftijd maakte hij de overstap naar de zeilsport, waarbij hij zich met name richtte op solo- en shorthanded offshorezeilen.

In deze hoedanigheid nam hij deel aan diverse grote wedstrijden, zoals de Transat Jacques Vabre (waarin hij derde werd) en de Transat Québec-Saint-Malo.

Hij nam ook deel aan de zware Vendée Globe-race.

Tijdens de editie van 2000 raakte hij betrokken bij een ernstig ongeval waarbij hij bewusteloos raakte en zijn boot op de kust spoelde, een incident dat hij gelukkig overleefde.

Patrick is de broer van Didier de Radiguès, die eveneens een bekende figuur is in de Belgische motorsportwereld.

Patrick is momenteel woonachtig in Monaco.

Wat betreft de geschiedenis van de familie de Radiguès, het is een oud adellijk geslacht waarvan de wortels in Frankrijk liggen, met name in de regio rond Chennevière.

De familie vestigde zich in de loop der eeuwen in de Zuidelijke Nederlanden en het huidige België.

Het geslacht staat bekend om zijn bijdragen aan zowel het militaire, bestuurlijke als maatschappelijke leven in de regio.

De adellijke status van de familie werd in België officieel erkend en bevestigd, waarbij verschillende leden door de jaren heen belangrijke posities bekleedden.

De familie voert een wapenschild en houdt vast aan de tradities die horen bij hun adellijke afkomst, waarbij de naam de Radiguès de Chennevière de historische band met hun oorspronkelijke Franse domeinen in ere houdt.

Boule d’Or Star Racing vond plaats op het circuit van Zolder, waar Patrick de Radigués toen deelnam.

Door strengere wetgeving rond tabaksreclame en het verdwijnen van het merk, hield de rechtstreekse sponsoring van koersen en raceteams onder die naam aan het einde van de jaren 80 op te bestaan.

40 jaar geleden, Anita Heilker, ik ben in vertrouwde handen

Zes jaar lang was Anita Heilker (geboren als Antoinetta Johanna Margaretha Blanker) de opvallende zangeres van The Dolly Dots.

Met haar debuutsingle “You’ve got me keyed up” liet ze in 1986 horen dat ze ook buiten de groep kan schitteren.

In een openhartig gesprek met Veronica destijds, vertelt Anita over haar afscheid van de Dolly Dots, haar nieuwe uitdagingen, haar privéleven en haar plannen voor de toekomst.

Eind vorig jaar, in 1985, stond Anita nog één keer met de Dolly Dots op het podium.

Daarna was het definitief afgelopen.

Ze zong onder andere “She’s a liar” en “Doowahdidday” en nam emotioneel afscheid van het publiek. “Ooit hoopte ik toch weer een keer met de groep te zingen,” geeft ze toe, “maar diep vanbinnen wist ik dat het moment was gekomen om solo verder te gaan.”

De echte reden voor haar vertrek was haar dochter Robin.

Anita koos er bewust voor om haar zangcarrière tijdelijk op een lager pitje te zetten. “Uit liefde voor Robin gaf ik de Dolly Dots op,” vertelt ze openhartig.

Ze wilde geen afwezige moeder zijn en koos ervoor om meer tijd met haar kind door te brengen.

“Ik kon het niet opbrengen om mijn kindje avond na avond alleen te laten,” bekende ze toen.

“Mijn vroegere collega’s en ik zijn nog steeds goede vriendinnen.

Daarom haal ik behoorlijk van de roddels als ze uit de Dolly Dots zijn gezet.

Ik ben volledig uit vrije wil opgestapt. Enkel uit liefde voor mijn baby gaf ik mijn zangcarrière op!”

Het management van de groep had gehoopt dat Anita na drie maanden weer zou terugkeren, maar Anita hield voet bij stuk.

Er kwam geen groots afscheidsconcert. “Anita’s ex-collega’s hebben geen tijd voor een afscheidsconcert,” legt ze uit. De planning liet het simpelweg niet toe.

Anita werkte hard aan haar solodebuut. Ze trainde haar stem, werkte aan haar uiterlijk en zocht de beste mensen om mee samen te werken.

Haar eerste single “You’ve got me keyed up” is een fris, dansbaar nummer dat direct laat horen dat Anita ook als soloartieste een sterke stem heeft.

Ze werkte voor dit project opnieuw samen met vertrouwde krachten uit de Dolly Dots-periode, zoals producer Peter van Asten en tekstschrijvers Richard de Bois en Richard Curiale.

“Ik ben in vertrouwde handen,” zegt Anita lachend. “Dat geeft me een veilig gevoel.

Tegelijkertijd werk ik ook met nieuwe mensen en dat maakt het extra spannend.”

Momenteel is Anita druk bezig met de voorbereidingen van haar nieuwe elpee.

Daarnaast heeft ze onlangs een nieuw huis betrokken met haar man Ton.

“Eindelijk is ze dan toch met haar man en manager Ton uit het verre Spijkenisse in het Gooi komen wonen,” vertelt ze.

Anita en Ton beginnen daar een nieuw leven.

Het huis is nog niet helemaal klaar, maar ze is er erg blij mee. “Ja, nu is het wel gelukt,” zegt ze. “We wonen nu op een plek die ideaal is, dat moet je zien.”

Vooral de kinderkamer had toen veel aandacht gekregen.

Anita is dolgelukkig dat de kinderkamer nu helemaal is ingericht.

Samen met Ton heeft ze de kamer sfeervol en praktisch gemaakt, klaar voor dochter Robin.

Ze geniet van de rustige momenten thuis en heeft een ideale manier gevonden om werk en moederschap te combineren.

“Ik moest wel eventjes slikken toen ik mijn vijf collega’s van Barbados zag vertrekken,” bekent ze, verwijzend naar de laatste Dolly Dots-opnames.

In 1984 trouwden Anita en Ton Blanker in het geheim.

Het was een bijzondere dag die ze lange tijd voor zichzelf hielden. “Niemand wist ervan,” vertelt Anita.

De bruiloft vond plaats in besloten kring en Anita droeg een prachtige witte bruidsjurk.

Het koppel koos voor een intieme ceremonie, omdat ze de druk van de publiciteit wilden vermijden.

Anita benadrukte toen dat Robin altijd op de eerste plaats komt.

Alles wat ik doe, doe ik met haar in mijn achterhoofd.

Gelukkig heb ik goede opvang, zodat ik mijn werk als zangeres en mijn rol als moeder goed kan combineren.

Anita keek toen met vol vertrouwen naar de toekomst.

Al was ze wel toen realistisch over de muziekwereld, maar ze was vooral ontzettend gemotiveerd.

“Ik heb er enorm veel zin in. Dit is wat ik wil. Ik voel me klaar voor dit nieuwe hoofdstuk.”

Hoewel ze in 1984 met veel media-aandacht met Ton Blanker trouwde, liep het huwelijk begin jaren 90 op de klippen.

Samen kregen zij in 1985 één dochter, Robin. De breuk volgde na een turbulente periode.

Ton Blanker kwam na zijn actieve voetbalcarrière negatief in het nieuws en werd in de jaren negentig veroordeeld tot een gevangenisstraf wegens wapen- en drugshandel.

De inmiddels 65-jarige Ton Blanker werd in 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar vanwege wapenbezit en drugshandel.

Deze straf heeft hij destijds volledig uitgezeten.

Toen de Dolly Dots in 1988 besloten definitief te stoppen, keerde Anita eenmalig terug op het podium om tijdens het afscheidsconcert in de Amsterdamse discotheek Escape nog een aantal nummers mee te zingen.

Exact tien jaar na het stoppen van de groep kwamen de meiden in de voltallige, originele bezetting (inclusief Anita) weer bij elkaar.

Ze traden op in het televisieprogramma Laat De Leeuw van Paul de Leeuw en gaven een reeks concerten voor fabrikant Princess.

In 2007 maakte Anita haar grote comeback bij de groep tijdens De Vrienden van Amstel LIVE!.

Vanwege dit enorme succes volgden er drie uitverkochte reünieconcerten in Ahoy Rotterdam en in 2008 de Goodbye For Now-tournee.

Na het overlijden van groepslid Ria Brieffies (in 2009) dachten de overgebleven Dots nooit meer op te treden.

Toch kwamen ze in 2020 (met Anita) weer bij elkaar voor een gastoptreden bij Symphonica in Rosso.

Daarna startten ze hun officiële, grootschalige Sisters on Tour-afscheidstournee, die wegens corona doorliep tot eind 2022.

De nu 65-jarige Anita Heilker is nog steeds actief.

Op liefdesgebied is Anita single, maar ze focust zich volop op haar vriendschappen en werk.

Ze treedt nog altijd veel op met haar beste vriendin en mede-Dolly Dot Esther Oosterbeek onder de naam Just A Little Bit More.

De twee hartsvriendinnen hebben recent zelfs plannen gedeeld om samen te gaan wonen.

Gisteren nog vandaag