
60 jaar geleden, te gast bij de Brugse kunstschilder Rik Slabbinck

60 jaar geleden, te gast bij de Brugse kunstschilder Rik Slabbinck

60 jaar geleden, te gast bij de Brugse kunstschilder Rik Slabbinck

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek




















Op 8 juni 1903 geboren in Brussel en haar echte naam is Marguerite Cleenewerck de Crayencour; van dat laatste is haar pseudoniem (Yourcenar) een anagram.
De auteur, dochter van een Belgische moeder van Belgische adel (Fernande de Cartier de Marchienne, lid van de familie De Cartier, en een Franse burgerlijke vader uit de Nord (Frans-Vlaanderen) (Michel Cleenewerck de Crayencour), werd vrij jong wees.
Haar moeder overleed kort na haar geboorte en haar vader voedde haar op buiten het reguliere schoolsysteem.
Hij leerde haar moderne talen en Latijn.
Zij bewonderde haar vader om zijn zin voor avontuur, zijn weetgierigheid en zijn non-conformisme. De beste vriendin van haar moeder, de auteur Jeanne de Vietinghoff, werd een tweede moeder en groot voorbeeld voor Marguerite.
De schrijfster in spe bracht haar vakanties door op de Zwarteberg bij Belle, vlak bij de grens van Frans- Vlaanderen en West-Vlaanderen.
Volgens eigen zeggen keek zij graag naar de wereld door een Vlaamse bril.
In een interview uit 1986 met Jozef Deleu zei ze in dit verband: Hoewel ik Française ben en de Franse taal mij van kindsbeen af vertrouwd is en het instrument van mijn schrijverschap is, kan ik mij mezelf niet voorstellen zonder Vlaanderen, zonder de streek waar ik voor het eerst in mijn bestaan werd geconfronteerd met de zuiverheid en de kracht van de grote dingen: het water, de lucht en de aarde.
Ze debuteerde als schrijfster met Alexis ou le traité du vain combat in 1929, het jaar dat zij haar vader verloor.
Na haar roman Mémoires d’Hadrien (1951), die haar wereldberoemd maakte, werd zij in 1970 lid van de Belgische Académie royale de langue et de littérature française.
In 1980 werd zij als eerste vrouw opgenomen in de Académie française te Parijs.
In 1983 kreeg ze de Erasmusprijs.Haar vroege romans analyseerden de homoseksuele liefdes van haar vader. Zelf was ze aangetrokken door vrouwen en vestigde zich in 1937 in de Verenigde Staten van Amerika, waar ze tot 1979 met haar vriendin Grace Frick op Mount Desert Island woonde en waar ze in 1987 overleed.
Als eerbetoon werd in Brugge een straat (zijstraat Brugse Steenweg) naar Marguerite Yourcenar vernoemd.(Diverse bronnen, Nicole Verschoore, Wikipedia en foto 1, 2 en 3 met kapitein Jean-Marie Guillou van het schip Mermoz, waar ze verbleef tijdens haar reis en foto 4 Marguerite Yourcenar toen ze 5 jaar was)











In juni 1936 lag de omgeving van Brugge vol met een enorme weelde aan natuurschoon.
Hoewel elke stad een groene rand heeft waar mensen graag naartoe trekken voor wat frisse lucht, kozen de Bruggelingen in die tijd liever voor de kust.
Ze trokken met de fiets, te voet of met de trein naar zee, terwijl de directe regio juist vol lag met uitgestrekte parken, bossen en historische kastelen die elke bezoeker zouden kunnen betoveren.
Toch was al die pracht voor de gewone burger destijds een verboden paradijs.
Deze schitterende tuinen en vijvers waren het exclusieve bezit van een handvol adellijke families en rijkaards.
Zij waakten er streng over dat hun privédomeinen afgesloten bleven voor het publiek.
Wie de binnenwegen of statige dreven opzocht, stuitte overal op bordjes die de toegang verboden.
Het leek wel of de eigenaren hun rijkdom en de schilderachtige omgeving bewust wilden verbergen voor de buitenwereld.
Zelfs op de verborgen plekken hingen destijds borden die de weinige bezoekers verplichtten om te zwijgen, en die het gesticuleren of lasteren verboden.
De enige plek waar gewone mensen soms werden toegelaten, waren de heilgrotten op de domeinen.
Daar mochten de arbeiders in alle stilte bidden en hun zorgen uiten, zolang ze zich maar aan de strikte regels hielden.
De natuur trok zich overigens weinig aan van die menselijke regels; de vogels en bosdieren lieten zich niet de mond snoeren en de pauwen van het kasteel schreeuwden luidkeels hun eigen boodschap.
Het was in die periode een fundamentele vraag waarom al deze schoonheid slechts voor een enkeling bestemd was.
De jachtwachters traden destijds hard op tegen iedereen die het waagde een voet op de verboden wegen te zetten.
Voor de jongere generatie van toen was die bijna feodale mentaliteit onbegrijpelijk.
Zij vonden dat het belang van de gemeenschap zwaarder moest wegen dan dat van het individu en dat iedereen recht had om te genieten van de verheffende schoonheid van de natuur.
Onder andere het sprookjesachtige kasteel van Sint-Michiels en de indrukwekkende buitengoederen in Sint-Andries waren sprekende voorbeelden van deze verborgen rijkdommen.
