Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Als kleinzoon van graaf Charles d’Ursel, die gouverneur van West-Vlaanderen was, groeide hij op binnen de invloedrijke en eeuwenoude adellijke familie d’Ursel.
Naast zijn adellijke titel verwierf graaf Philippe ook bekendheid als alpineskiër en vertegenwoordigde hij België op de Olympische Winterspelen van 1948 in St. Moritz.
Samen met zijn echtgenote, Marie Roche de la Rigodière, kreeg hij vier kinderen: de zonen Etienne, Nicolas en Christophe d’Ursel, en een dochter, Valentine Marie Anne, die helaas is overleden.
Graaf Philippe was zijn leven lang de bewoner van het Kasteeldomein Gruuthuse en overleed in 2017 op 96-jarige leeftijd in Oostkamp.
Het Kasteeldomein Gruuthuse in Oostkamp heeft een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de familie d’Ursel.
De site dankt zijn naam aan de bekendste 15e-eeuwse eigenaar, Lodewijk van Gruuthuse.
Begin 17e eeuw kwam het domein in het bezit van de familie d’Ursel.
Het huidige kasteel in Vlaamse neorenaissancestijl werd in 1888 gebouwd in opdracht van graaf Charles d’Ursel.
In 1981 verwoestte een brand de bovenverdieping en daarna als plat dak werd hersteld.
Na het overlijden van graaf Philippe is de continuïteit op het domein verzekerd.
Vandaag de dag wordt het kasteel bewoond door zijn zoon, graaf Etienne d’Ursel, die er met zijn gezin de lange familietraditie voortzet.
De rijke geschiedenis van het domein is in 2019 uitgebreid gedocumenteerd in het boek ‘Het kasteel d’Ursel in Oostkamp: adellijke residentie aan de Rivierbeek’.
Dit werk beschrijft de volledige historiek, van de vroegste bewoning in het beekdal tot de actuele toestand van het beschermde domein.
Het kasteel en het omliggende landgoed zijn privébezit en niet publiek toegankelijk
Samuel De Vriendt, telg van een oud en roemrijk kunstenaarsgeslacht, was de tweede zoon van de grote meester Juliaan De Vriendt en een neef van de bekende kunstschilder Albert De Vriendt.
Zijn grootvader was een vooraanstaande decorateur in Gent, terwijl zijn broer Stefaan als beeldhouwer en decorateur carrière maakte in Amerika.
Zijn moeder, een telg van een Brusselse bankiersfamilie, was diep geïnteresseerd in kunst en letteren.
De aristocratische uitstraling van zijn moeder en de diepe artistieke gevoeligheid van zijn vader kwamen samen in Samuel.
Zijn werken weerspiegelen zijn diepe christelijke overtuiging.
In september 1920 organiseerde hij samen met Frans Daels de eerste IJzerbedevaart naar het graf van zijn vriend Joe English in Steenkerke.
Gisteren nog vandaag
Hij was voorzitter van het Comité voor de Bedevaarten naar de Graven van de IJzer totdat Daels hem opvolgde.
Later werd De Vriendt voorzitter van de Vlaamse Oudstrijders (VOS).
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd hij in 1941 schepen van Schone Kunsten en later burgemeester ad interim van de stad Brugge.
Het is grotendeels aan zijn onderhandelingen met de Duitse bevelvoerende officier in september 1944 te danken dat Brugge zonder verwoestende gevechten werd ontruimd en de kunstschatten van de stad ongeschonden bleven.
Gisteren nog vandaag
Hoewel hij ook mensen hielp onderduiken voor de bezetter, werd hij na de bevrijding veroordeeld tot twee jaar cel wegens collaboratie.
Rond 1950 vestigde De Vriendt zich opnieuw in het ouderlijk huis in Schaarbeek.
Hij legde zich daar vooral toe op gekleurde tekeningen van typische Brusselse straathoekjes en kerkinterieurs.
Gisteren nog vandaag
Daarnaast schreef hij diverse artikelen, voornamelijk over zijn herinneringen aan de oorlog van 1914-1918, voor het tijdschrift ‘De Vlaamsche Oudstrijder’.
De Gentse dichter Georges Rodenbach werd 170 jaar geleden, op 16 juli 1855, geboren. Hij stamde uit een Duitse familie; zijn vader, Constantin-Ferdinand Rodenbach, was verificateur van maten en gewichten in Gent en trouwde met de Doornikse Rosalie Gall.
Georges bracht zijn jeugd door in Gent, waar zijn familie kort na zijn geboorte neerstreek. Veel van zijn jonge jaren speelden zich af in hun ouderlijke huis aan de Frère-Orbanlaan 9, vlak bij het Klein Begijnhof.
Hoewel er in 1948 een gedenkplaat werd aangebracht, zijn zowel het huis als de plaat inmiddels verdwenen.
Hij was een briljante leerling aan het Sint-Barbaracollege, waar hij Emile Verhaeren ontmoette en een levenslange vriendschap met hem sloot.
Rodenbach studeerde rechten in Gent en Parijs, waarna hij assistent werd van de bekende strafpleiter Edmond Picard.
Daar kreeg hij de bijnaam ‘L’avocat-cravate’ vanwege zijn opvallende uiterlijk.
Zijn neef, Albrecht Rodenbach, zou later beroemd worden als Vlaams studentenleider.
In 1877 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Le Foyer et les Champs.
De positieve Franse reacties leidden tot zijn eerste bezoek aan Parijs.
Hij kwam in contact met de ‘cercle des Hydropathes’ en sloot er vriendschappen met figuren als Catulle Mendès en Maurice Barrès. Hij besloot zijn advocatencarrière op te geven en zich volledig op de literatuur te richten.
Hij schreef voor La Flandre libérale en het eerste nummer van La Jeune Belgique, en publiceerde La Mer élégante.
In 1886 brak hij door in zowel België als Frankrijk met La Jeunesse blanche, gedichten over Vlaamse begijnhoven en de verlaten, regenachtige straten van stervende provinciestadjes.
Hij probeerde via lezingen ook het pessimisme van Arthur Schopenhauer, dat zijn werk zou beïnvloeden, te promoten.
Vanaf 1888 verhuisde hij definitief naar Parijs en werkte als correspondent voor het Journal de Bruxelles.
Uiteindelijk won de literaire roep het, en Rodenbach koos resoluut voor een schrijversbestaan. In 1888 trok hij definitief naar Parijs, waar hij als eerste Fransschrijvende Vlaming de stad veroverde met zijn symbolistische werken.
Zijn bekendste werk, de roman Bruges-la-morte, verscheen in 1892. Het werd eerst als feuilleton in Le Figaro gepubliceerd en later als boek uitgebracht door Flammarion.
Dit werk, gezien als het hoogtepunt van het symbolisme, was direct een groot succes. Fernand Khnopff illustreerde de voorkant.
Hoewel Rodenbach nooit in Brugge woonde (de geboorteplaats van zijn vader), kon de stad daardoor voor hem gemakkelijk legendarische vormen aannemen.
Zoals Rilke schreef, transformeerde Rodenbach de stad in Bruges-la-morte tot een innerlijk landschap, door voortdurend een analogie te leggen tussen de stad en de overleden vrouw die in het hoofd van de hoofdpersoon voortleeft.
In Parijs was hij een graag geziene gast en werd hij vrienden met onder anderen Alphonse Daudet, Edmond de Goncourt, en symbolisten als Villiers de l’Isle-Adam en Stéphane Mallarmé. Ook Rodin behoorde tot zijn vrienden.
Hij trouwde met Anna-Maria Urbain en in 1894 werd zijn toneelstuk Le Voile als eerste van een Belgische schrijver opgevoerd door de Comédie-Française.
Twee jaar later, in 1896, verscheen Les Vies encloses, een dichtbundel geïnspireerd op het occultisme en de Duitse romantiek.
Ondanks een slepende ziekte verscheen nog een meesterwerk, eveneens gesitueerd in Brugge: Le Carillonneur (1897).
Dit werk beschrijft realistisch de debatten tussen voorstanders van de haven van Zeebrugge en verdedigers van Brugge als kunststad voor de elite.
Een jaar later, op 25 december 1898, stierf Rodenbach op 43-jarige leeftijd aan typhlitis.
Zijn begrafenis vond plaats in Parijs, waar hij werd bijgezet op Père Lachaise.
Het grafmonument toont de dichter die met een roos in de hand uit het graf stapt, met daaronder de inscriptie: “Seigneur, donnez-moi donc cet espoir de revivre / Dans la mélancholique éternité du livre.”
In 1899 kreeg George Minne de opdracht voor een herdenkingsmonument voor Rodenbach.
Het marmeren kunstwerk was niet welkom in zijn geboorteplaats Doornik of in Brugge.
Uiteindelijk vond het een vaste plek op de dries van het oude Sint-Elisabethbegijnhof in Gent, waar het op 19 juli 1903 werd ingehuldigd.
In 1993 werd een ideeënwedstrijd georganiseerd voor een “beeld in de stad”, waarvan het winnende ontwerp van Klaas van de Sompel in 1997 werd onthuld.
In 2020 was het monument opnieuw dringend toe aan restauratie, want de tekst is nauwelijks leesbaar en de platen van de sokkel komen los.
Helaas is deze treurende dame het enige tastbare dat nog naar Georges Rodenbach in Gent verwijst, want zijn straat moest hij afstaan aan Edmond Boonen.
Gelukkig bracht David Bowie in 2013 in “Dancing out in space” nog hulde aan de zwijgende stilte van de Gentse schrijver met de zin “Silent as Georges Rodenbach.”
Door verschillende oorzaken, zoals structurele schade, waterinfiltratie en corrosie, helt de toren 87 centimeter over naar de kant van de Wollestraat.
De laatste keer dat het Belfort een grondige restauratie onderging, was in de jaren 70.
Nu heeft de stad Brugge een grootschalig renovatieproject opgestart om de toren te redden van verder verval.
De werkzaamheden die in 2026 zullen starten, gaan verder dan enkel restauratie.
Het project omvat het herstellen van de funderingen, het dak, de gevels en de verlichting, maar ook het verbeteren van de toegankelijkheid en de beleving voor de bezoekers.
Er komen nieuwe ingangen aan de zijkanten, een modern onthaal op de begane grond en een betere ontsluiting van de Belforttoren.
Het Belfort werd gebouwd in de 13e eeuw (of volgens sommige bronnen al in 1140) als symbool van de stedelijke autonomie en de handel.
Het Belfort is 83 meter hoog en heeft een achthoekige bovenbouw in neogotische stijl, die werd voltooid in 1482.
Het huisvestte een schatkamer, een archief en een klokkenspel.
In het Belfort zijn tal van kunstwerken te bewonderen, zoals het beeld van Sint-Michiel op de spits, de muziekrol die de beiaard aanstuurt en het klavier waarop de beiaardier speelt.
De beiaard telt 47 klokken en wordt regelmatig bespeeld voor het publiek.
In de schatkamer zijn ook enkele historische documenten te zien, zoals de stadskeuren en het stadszegel.
Het Belfort biedt ook een prachtig uitzicht over de stad en de omgeving, voor wie de 366 trappen durft te beklimmen.
Het Belfort maakt sinds 1999 deel uit van het UNESCO-werelderfgoed, samen met andere belforten in België en Frankrijk.
In het Belfort zijn tal van kunstwerken te bewonderen, zoals het beeld van Sint-Michiel op de spits, de muziekrol die de beiaard aanstuurt en het klavier waarop de beiaardier speelt.
De beiaard telt 47 klokken en wordt regelmatig bespeeld voor het publiek. In de schatkamer zijn ook enkele historische documenten te zien, zoals de stadskeuren en het stadszegel.
Het Belfort biedt ook een prachtig uitzicht over de stad en de omgeving, voor wie de 366 trappen durft te beklimmen (Diverse bronnen en De Post van 7 februari 1954)
De duivenmelkers voelden zich geviseerd door de regering, die hen wilde belasten voor hun hobby.
De regering had al eerder een poging gedaan om een taks van 10 procent te heffen op de inleggelden voor duivenwedstrijden en een belasting van één frank per verkochte pootring.
Dit stuitte op hevig verzet van de duivenliefhebbers, die ook een belangrijke kiesgroep vormden.
In 1921 werd het voorstel dan ook verworpen in het parlement.
Maar in 1923 kwam de regering met een nieuw voorstel dat gekoppeld werd aan de bescherming van de militaire duiven.
Wie duiven wilde houden, moest voortaan de toestemming hebben van de burgemeester en aangesloten zijn bij een erkende duivenmaatschappij.
Bovendien moesten de duiven geregistreerd worden bij de Koninklijke Belgische Duivenbond (KDBD).
De duivenliefhebbers lieten dit niet zomaar gebeuren en organiseerden een massale betoging in Brugge, waar meer dan 15000 mensen op afkwamen.
Ze eisten de afschaffing van de belastingen en de vrijheid om duiven te houden zonder inmenging van de overheid.
De duif heeft een lange en rijke geschiedenis.
Al in de Bijbel zien we de duif als symbool van vrede en hoop.
Later werd de duif gebruikt als een snelle en betrouwbare manier om berichten te versturen.
Veel oude beschavingen maakten gebruik van deze dienst.
Ook in oorlogstijd bewezen de duiven hun nut en moed.
Maar na de Tweede Wereldoorlog raakte de postduif in onbruik.
Sindsdien heeft het Belgische leger geen duiven meer in dienst.
Zij was de dochter van François Verhelle en Caroline Van Den Bussche, en werd geboren als Agnes Margarita Verhelle.
In 1823 richtte ze in Gent de congregatie op die zich toelegde op het christelijk onderwijs voor meisjes, vooral voor de armen en de verwaarloosden.
De congregatie is nu bekend als Religieuzen van het Christelijk Onderwijs.
Zuster Agathe Verhelle en haar medezusters hebben op verschillende plaatsen in Gent en daarbuiten hun sporen nagelaten.
In 1823 vestigden ze zich in de oude gebouwen van de abdij van Doornzele nabij de H. Kerstkerk, waar ze een school en een weeshuis oprichtten.
In 1827 openden ze een internaat en een externaat in Vrasene, waar ze gratis onderwijs en opvang boden aan peuters, kleuters en jonge meisjes.
In 1921 verlieten ze Vrasene en werd hun werk voortgezet door de zusters Franciscanen.
Ook in Antwerpen en Brazilië hebben de Dames van het Christelijk Onderwijs hun stempel gedrukt op het onderwijslandschap.
In Antwerpen staat de school bekend als Instituut Dames van het Christelijk Onderwijs of De Dames, en heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1842.
De school heeft ook moeilijke tijden gekend, zoals toen een V-bom in 1944 een groot deel van het gebouw verwoestte en negen slachtoffers eiste.
In Brazilië vierde de school Colègio Damas in 2016 haar 120-jarig bestaan, en eert nog steeds de stichteres Agathe Verhelle voor haar visie en inzet voor het christelijk onderwijs.
Agathe Verhelle ligt samen met heel wat medezusters begraven op begraafplaats Campo Santo in Sint-Amandsberg.
Juliaan Vandepitte was de zoon van een spoorwegchef aan het station van Lissewege in Zuienkerke.
Hij volgde een opleiding “radio-elektriciteit” aan de Stedelijke Nijverheidsschool in Brugge.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog meldde hij zich aan als vrijwilliger tegen de zin van zijn vader, met de bedoeling telegrafist te worden.
Nadat hij gewond raakte tijdens een aanval werd hij effectief radio-instructeur in militaire dienst.
Na de oorlog werd hij spoorwegbediende in het station Rabot in Gent, België.
Hij bleef zich echter met radio bezighouden.
In 1923 richtte hij het tijdschrift “Radio voor Vlaamse radioamateurs en luisterclubs”op en ijverde voor de stichting van een Vlaamse Radio Bond, hierbij geholpen door zijn broer, Robert Vandepitte.
Zij experimenteerden al voor 1927 met reguliere radio-uitzendingen in Vichte, België.
De zender heette eerst Radio Kortrijk (KVRO).
Uit dit privé-initiatief zou in 1934 de West-Vlaamse Radio Omroep groeien.
Juliaan, overleden in 1928, zou dit niet meer meemaken.
Zijn broer, Robert Vandepitte zou na Juliaan’s dood zijn werk verder zetten.
Juliaan’s jongere broer, Karel, was medestichter van de Gentse Middenstandsradio en werd in 1934 directeur van Radio Kortrijk (inmiddels de West-Vlaamse Radio Omroep genoemd.)
Op 4 november 2010 schonk Juliaan’s dochter Maria haar vaders’ privé-archieven aan het In Flanders Fields Museum.
In Brugge is het Juliaan Vandepitteplein naar hem genoemd. Er is ook een gedenksteen te zijner ere terug te vinden.
De stoet zag het licht in 1907 als evenement bij de opening van de haven van Zeebrugge. Het scenario was opgemaakt door rijksarchivaris Albert van Zuylen van Nyevelt. De stoet werd naderhand niet meer herhaald.
In 1958 werd dit evenement opnieuw leven ingeblazen, naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling van 1958.
Het ging om een heel ander scenario dan voor de stoet van 1907.
De hoofdbedenker was historicus Antoon Viaene. De stoet kreeg een opvallende stijl door de rijke en heraldisch verantwoorde uitdrukking die Arno Brys eraan gaf.
Sindsdien wordt de stoet vijfjaarlijks georganiseerd.
Op 19 en 20 augustus 2017 lokte de dertiende editie van dit tweedaagse evenement in totaal 75.000 bezoekers naar Brugge.
Zowel organisator Brugge Plus als de stad Brugge waren erg tevreden over deze nieuwe, ingekorte versie.
Niet iedereen in Brugge deelde die mening.
Er kwam onder meer kritiek op de, volgens sommigen, politiek-correcte verwijdering van enkele taferelen die verwijzen naar de kruistochten.
Ook de kledij, in sommige groepen vernieuwd, kon volgens critici de vergelijking met die ontworpen door Arno Brys niet doorstaan.
De stoet wordt verzorgd door ongeveer 2000 figuranten, 6 stadsreuzen, dromedarissen, schapen, veel paarden en 12 praalwagens.
Vandaag 60 jaar geleden, eerste voorstelling van het Heilig Bloed spel in Brugge (30 juli 1962)Vandaag 60 jaar geleden, eerste voorstelling van het Heilig Bloed spel in Brugge (30 juli 1962)Vandaag 60 jaar geleden, eerste voorstelling van het Heilig Bloed spel in Brugge (30 juli 1962)
Roland Verhavert geeft ons zijn openhartig oordeel over de Tv (De Post 1 juli 1962)Roland Verhavert geeft ons zijn openhartig oordeel over de Tv (De Post 1 juli 1962)Roland Verhavert geeft ons zijn openhartig oordeel over de Tv (De Post 1 juli 1962)