De Berg van Barmhartigheid, 400 jaar Gentse geschiedenis, nu te koop

De Berg van Barmhartigheid, een openbaar pandjeshuis, werd gesticht door de aartshertogen Albrecht en Isabella.

Het idee kwam uit Italië, waar de monti di pietà armen een lening gaven tegen een lage interest, tegen een pand. Een pandjeshuis, ook wel een lommerd genoemd, leende alleen geld uit tegen een onderpand.

Je bracht iets binnen, kleren, huisraad, juwelen of een ander voorwerp, en kreeg daar een som geld voor.

Lostte je de lening niet op tijd af, dan mocht het pand verkocht worden.

Voor 1622 moest wie in Gent geld wou lenen bij private geldschieters zijn.

Men noemde ze pussemiers of woekeraars.

Er waren twee groepen: Joodse leners, meestal kleine sommen op korte termijn, en Lombarden uit Italië, meestal grotere sommen op langere termijn.

Van die naam komt het woord lommerd, voor een bank van lening.

De rente was veel hoger dan later bij de Berg. Rond 1500 liep die volgens lokale geschiedschrijving op tot 130 procent.

In 1575 had de overheid die kunnen drukken tot 32,5 procent, maar ook dat bleef hoog, en controle was moeilijk.

De Berg moest die private handel dan ook verdringen.

De man die dat naar de Zuidelijke Nederlanden bracht, was Wenceslas Cobergher, ook Wensel Coebergher genoemd.

Hij werd rond 1557 in Antwerpen geboren en stierf in 1634 in Brussel.

Hij was schilder, graveur, architect en ingenieur. Zijn opleiding kreeg hij in het atelier van Maerten de Vos, en daarna in Parijs, Rome en Napels, waar hij van 1583 tot 1604 verbleef.

Daar leerde hij de Italiaanse barok kennen, en ook de Bergen van Barmhartigheid.

Vanaf 1605 was hij schilder, architect en ingenieur van de landvoogden.

In 1618 werd hij hofarchitect. Bekende ontwerpen van hem zijn de basiliek van Scherpenheuvel en de Sint-Augustinuskerk in Antwerpen.

In opdracht van Albrecht en Isabella richtte hij Bergen van Barmhartigheid op in onder meer Brussel, Antwerpen, Mechelen, Kortrijk, Namen en Gent.

In Gent kocht hij de woning Dondersteen van Adriaen Triest, advocaat bij de Raad van Vlaanderen.

Dat gebouw werd in 1620 gesloopt. In 1621 was de nieuwe bouw klaar, in de Abrahamstraat.

Stilistisch is het de eerste barokke constructie in Gent.

De gevel herinnert aan een Italiaans palazzo. In de volksmond bleef de naam Dondersteen hangen.

In Gent liepen de kosten op tot 125.000 florijnen. Wat dat vandaag zou zijn, hangt af van hoe je rekent.

Als we kijken naar de gewone koopkracht, dat wil zeggen wat je met dat geld in de winkel kon kopen, dan is het ruwweg 2 tot 3 miljoen euro.

Een stuiver rond 1625 had ongeveer de koopkracht van 80 eurocent, en de florijn of gulden telde 20 stuivers.

Kijk je naar lonen, dan weegt het zwaarder. Een geschoolde arbeider verdiende toen zo’n 15 stuivers per dag.

Die 125.000 florijnen vertegenwoordigen dus ruim 160.000 werkdagen, wat vandaag de dag eerder neerkomt op 30 tot 50 miljoen euro aan bouwkosten.

Boven de toegangsdeur werden de inscriptie Mons Pietatis en de passiewerktuigen geplaatst.

Tegen de gevel staat nog het wapenschild van bisschop Triest.

De instelling ging op 29 november 1622 open voor het publiek. Men leende er op pand tegen een lage interest.

Bisschop Triest schonk haar 90.000 gulden.

In dezelfde verhouding is dat ruim 1,5 miljoen euro aan koopkracht, of zo’n 25 tot 35 miljoen als je naar lonen kijkt.

Daarmee kon vanaf 1641 een gratiskas worden geopend, zodat armen ook zonder interest konden lenen.

Ook die kas werkte op pand. Wie niets had om in pand te geven, kon er niet lenen.

Op een grote steen in de gevel staat het nog te lezen: “Hier leent men den armen oock sonder interest.”

Binnen het gebouw verwezen de zware ijzeren deuren, de stevige rekken en de brandvrije gewelven naar de oorspronkelijke functie van het complex.

De oorspronkelijke Berg liep tot de Franse Revolutie. Toen was de activiteit al aan het slabakken.

De directeur zette ze nog een tijd op eigen houtje voort. In 1820 begon het Bureel van Weldadigheid een voorloper van het OCMW, opnieuw met een Openbare Kas van Lening in dat gebouw.

Die kas sloot in 1929. Ze werd meegesleurd in de beurscrash van dat jaar.

Van sluiting was al eerder sprake, omdat de Berg de concurrentie met de banken niet meer aankon.

Wie een kleine lening nodig had, kon intussen elders terecht.

In België bleef lenen op pand wel bestaan. Brussel heeft nog altijd een Berg van Barmhartigheid, de enige instelling die dat hier nog wettelijk mag doen.

In 1930 kwam het Gentse gebouw dan ook vrij.

De archieven van de stad Gent zaten toen nog in het stadhuis en kampten al lang met plaatsgebrek.

In 1930-1931 werden ze overgebracht naar de lokalen van de Berg.

Ook de rekken waarop vroeger de panden lagen, kwamen goed van pas. Het stadsarchief opende er in 1932.

Over die verhuis van 1930-1931 schreef journalist Staf Hapke dat het geen klein karwei was.

Er waren namelijk meer dan veertig grote verhuiswagens nodig voor papieren, boeken, charters en de rest. In het gebouw zaten de stukken ook veiliger, vooral bij brand.

Onder de documenten die toen meekwamen, zat het oudste en merkwaardigste document: een charter uit 1178, een oorkonde met de scheidsrechterlijke uitspraak van de aartsbisschop van Keulen.

Het is in het Latijn opgesteld en gaat over het geschil tussen de burgers van Keulen en die van Gent.

Daardoor werd de vrije doorvaart op de Rijn erkend.

Het oudste boek met de stadsrekeningen dateert van 1314 en bevat de rekeningen over de jaren 1314-15 tot 1325-26.

Ook het muntenkabinet, met de munten van de stad en van Vlaanderen door de eeuwen heen, kreeg toen een plaats in de Berg.

Wie in 1931 de oude archieven wou inkijken, alles tot aan de Franse Revolutie, kon dat gewoon doen.

Voor de nieuwere stukken, vanaf de Franse Revolutie, had je een bijzondere toelating nodig.

Het stadsarchief bleef in de Berg tot 2005.

Toen verhuisde het, samen met de stadsarcheologie, naar De Zwarte Doos in de Dulle-Grietlaan 12 in Gentbrugge, in de gerestaureerde gebouwen van de vroegere Puntfabriek (Arbed).

In 2017 smolt het stadsarchief samen met het OCMW-archief tot Archief Gent.

Dat OCMW-archief zat sinds 2006 aan de Neermeerskaai.

Sinds 3 december 2018 zit de hele dienst in De Zwarte Doos. Het gebouw aan de Neermeerskaai bleef een depot, niet meer open voor het publiek.

De Berg zelf staat intussen leeg en is te koop.

De stad zette het gebouw begin oktober 2026 in de verkoop, instelprijs 2 miljoen euro.

Men verkoopt het pand als een uitzonderlijke herontwikkelingskans op een toplocatie in het hart van Gent, nabij het Gravensteen, met een totale oppervlakte van ongeveer 3.250 vierkante meter.

De toekomstige eigenaar heeft wel heel wat opties voor een nieuwe invulling: appartementen, kantoren, een klein hotel, andere horeca, handelszaken, ateliers, buurtgerichte voorzieningen of zorgfuncties zoals een praktijkruimte of een crèche.

Meer dan de helft van de kantoren mag bijvoorbeeld niet volgens de stedenbouwkundige regels, en alleen appartementen zouden een te grote impact hebben op de indeling van het beschermde monument.

Het gebouw heeft al drie jaar geen verwarming, soms valt de stroom uit, de lift werkt niet meer en de traphal is gestut met schoren.

Kortom, de gebouwen zijn in slechte staat en hebben nood aan diepgaande restauratie- en renovatiewerken.

Momenteel worden verschillende ruimtes nog gebruikt door onder meer kunstenaars, een tangoschool, en Luk De Bruyker, die er kostuums stockeert van zijn voorstellingen.

Dus voelen sommigen van jullie om dit pand te kopen, dan kunt u zich wenden tot Sogent, het vastgoedbedrijf van de stad