Het is vandaag al 40 jaar geleden dat de Franse schrijver en dichter Jean Genet is overleden.

Het bewogen leven van de in Parijs geboren Jean Genet vormde een onuitputtelijke bron voor zijn literaire werk.

Omdat hij een ongewenst kind was, liet zijn moeder hem achter bij het Burgerlijk Armenbestuur, waarna hij via een weeshuis bij een timmermansgezin in de Morvan terechtkwam.

Hoewel veel pleegkinderen destijds vooral als goedkope arbeidskrachten werden gezien, trof Genet het met een liefdevolle pleegmoeder.

Hij was een rustige jongen die veel las en goed leerde, maar toch begon hij vanaf zijn tiende te stelen.

Toen hij op die jonge leeftijd voor het eerst in de cel belandde, besloot hij de rol van dief volledig te omarmen, simpelweg omdat de maatschappij hem dit stempel al had opgeplakt.

Na de dood van zijn pleegmoeder en een mislukte opleiding volgde een grimmige periode van weglopen en tuchthuizen.

Vooral zijn tijd in het beruchte opvoedingsgesticht Mettray, een harde mannenwereld vol perverse machtsverhoudingen, liet diepe sporen na.

In tegenstelling tot veel anderen voelde Genet zich daar juist thuis. Eenmaal vrij gaf hij zich over aan een zwerfbestaan vol criminaliteit en prostitutie, en na een korte periode in het vreemdelingenlegioen belandde hij opnieuw regelmatig achter de tralies.

Tijdens een van deze opsluitingen aan het begin van de Tweede Wereldoorlog begon hij met schrijven.

Na een lang gedicht over een ter dood veroordeelde moordenaar voltooide hij zijn debuutroman Onze Lieve Vrouw van de Bloemen. In dit boek neemt de hoofdpersoon de lezer mee op een hallucinante reis door de wereld van pooiers en verschoppelingen.

Het werk was destijds schokkend en zijn tijd ver vooruit. Terwijl Nederland pas in de jaren zestig via Gerard Reve kennismaakte met vergelijkbare homo-erotische thema’s, werd Genet in Frankrijk direct opgemerkt door grootheden als André Gide en Jean-Paul Sartre.

Toen Genet in 1948 een levenslange gevangenisstraf riskeerde, kwamen invloedrijke vrienden zoals Picasso en Cocteau voor hem in actie.

Dankzij een gratieverzoek aan de president kwam hij vrij, waarna hij zich volledig op zijn kunst kon storten.

Hij maakte naam als avant-gardistisch toneelschrijver met stukken als De Meiden en regisseerde de provocerende film Un Chant d’Amour.

Met zijn werk probeerde hij de façade van de burgerlijke samenleving te doorbreken en de eenzaamheid van de mens te tonen.

In zijn latere jaren bleef Genet een controversieel figuur door zijn steun aan radicale politieke groeperingen zoals de Black Panthers en de RAF.

Hij leidde een rusteloos leven, reisde veel en liet uiteindelijk een huis bouwen in Marokko.

Jean Genet overleed op 75-jarige leeftijd in een Parijse hotelkamer en vond zijn laatste rustplaats in het Marokkaanse Larache.

Zijn artistieke erfenis leeft nog altijd voort, wat onder meer blijkt uit de diverse opera’s die in de eenentwintigste eeuw op zijn oeuvre werden gebaseerd.

35 jaar geleden, Johan Op de Beeck over bekend zijn in Vlaanderen.

Als zoon van Ward Op de Beeck, voormalig journalist bij de BRT-nieuwsdienst, was de weg naar de media voor Johan Op de Beeck een logische stap.

Na zijn studies communicatiewetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel startte hij in 1980 zijn carrière als journalist bij de BRT, waar hij uitgroeide tot een bekend gezicht als presentator van Het Journaal.

In 1990 verliet hij de openbare omroep om zijn eigen mediabedrijf op te richten.

Zijn ondernemerschap leidde hem in 1993 naar de functie van eerste hoofdredacteur bij TV Limburg.

Zijn carrière kreeg een internationaal vervolg toen hij vanaf 1996 de redactie van de nieuwszender Euronews in Lyon leidde.

Later was hij ook actief bij het European Journalism Centre in Maastricht.

Zijn expertise in de mediawereld bleek opnieuw in 1999, toen hij meehielp aan de oprichting van Kanaal Z, waar hij in 2002 hoofdredacteur en directeur informatie werd.

Tussen 2003 en 2005 keerde hij terug naar de VRT als netmanager van Canvas en Ketnet. Nadien bekleedde hij de functies van gedelegeerd bestuurder bij Videohouse en secretaris-generaal van RTD, de beroepsvereniging van Belgische kabelmaatschappijen.

Naast zijn managementfuncties bleef Op de Beeck ook creatief actief. Hij maakte tv-documentaires zoals “Masters of the Game”, “Undercover”, “Raveel”, “Atlantik Wall” en “Jodentransport XX”.

Bovendien was hij het gezicht van praat- en debatprogramma’s, waaronder “Eerlijk Gezegd” op TV1 en “Zeven op Z”.

De voorbije jaren heeft hij zich succesvol toegelegd op het schrijven van historische werken. Hij is de auteur van vijf bestsellers over het napoleontische tijdperk, waaronder “Napoleons nachtmerrie” (2012), “Waterloo” (2013) en de tweedelige biografie “Napoleon” (2014).

Ook zijn boek “Het verlies van België” (2015), over het ontstaan van het land, werd een groot succes.

Later volgden nog werken over de vrije meningsuiting (2017) en Lodewijk XIV (2018). Recent verscheen zijn nieuwste boek, getiteld “De aanslag op Napoleon”

Vandaag is het ook al tien jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Jos Vandeloo (geboren als Josephus Albertus Vandeloo) is overleden.

Jos Vandeloo zette zijn eerste stappen als schrijver met tientallen verhalen en reportages voor tijdschriften en kranten zoals De Zweep, Ons Volk en Het Belang van Limburg.

Zijn officiële debuut volgde in 1953 met de kortverhalenbundel “Mensen strijden elke dag”.

De echte doorbraak bij het grote publiek kwam er eind jaren vijftig en begin jaren zestig, met de verhalenbundel “De muur” en de romans “Het vijand” en “Het gevaar”.

Vooral “Het gevaar” uit 1960, een roman waarin hij waarschuwde voor de risico’s van nucleaire energie, groeide uit tot zijn bekendste werk.

Het boek was decennialang verplichte kost op middelbare scholen. Vandeloo zelf had daar gemengde gevoelens bij. “Dat ik in de lijst met gehaatste boeken sta, kan ik begrijpen,” zei hij hierover in 2004. “Mensen die niet graag lezen, willen graag kiezen wat ze lezen.

Als je op de lijst met verplichte literatuur staat, kan dat veel weerstand oproepen. Ik zou zelf ook liever de vrije keuze hebben.”

Vandeloo was echter een veelzijdig auteur. Naast romans en kortverhalen schreef hij ook gelauwerde poëzie, toneelstukken en scenario’s voor de Vlaamse en Nederlandse televisie.

De rode draad door zijn oeuvre is een weinig optimistische levensvisie, waarin de mens het onderspit delft tegen de gevaren van een moderniserende maatschappij, zoals angst en eenzaamheid.

Collega-schrijver Walter van den Broeck, die jarenlang samen met Vandeloo bij uitgeverij Manteau zat, herinnerde hem als “een heel aimabele man die vol verhalen zat.

Volgens Van den Broeck was Vandeloo “een van de eerste auteurs die de moderniteit en de gevaren ervan heeft toegelaten in de Vlaamse letteren.”

Het werk van Vandeloo werd bekroond met diverse literaire prijzen en vertaald in meerdere Europese talen, waaronder het Russisch.

Een leuke blijk van waardering kwam van striptekenaar Marc Sleen, een fan van Vandeloo, die in de Nero-strips regelmatig boeken van de auteur in Nero’s boekenkast tekende.

Jos Vandeloo werd negentig jaar oud.

Vandaag 170 jaar geleden, de geboorte van de Gentse dichter Georges Rodenbach.

De Gentse dichter Georges Rodenbach werd 170 jaar geleden, op 16 juli 1855, geboren. Hij stamde uit een Duitse familie; zijn vader, Constantin-Ferdinand Rodenbach, was verificateur van maten en gewichten in Gent en trouwde met de Doornikse Rosalie Gall.

Georges bracht zijn jeugd door in Gent, waar zijn familie kort na zijn geboorte neerstreek. Veel van zijn jonge jaren speelden zich af in hun ouderlijke huis aan de Frère-Orbanlaan 9, vlak bij het Klein Begijnhof.

Hoewel er in 1948 een gedenkplaat werd aangebracht, zijn zowel het huis als de plaat inmiddels verdwenen.

Hij was een briljante leerling aan het Sint-Barbaracollege, waar hij Emile Verhaeren ontmoette en een levenslange vriendschap met hem sloot.

Rodenbach studeerde rechten in Gent en Parijs, waarna hij assistent werd van de bekende strafpleiter Edmond Picard.

Daar kreeg hij de bijnaam ‘L’avocat-cravate’ vanwege zijn opvallende uiterlijk.

Zijn neef, Albrecht Rodenbach, zou later beroemd worden als Vlaams studentenleider.

In 1877 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Le Foyer et les Champs.

De positieve Franse reacties leidden tot zijn eerste bezoek aan Parijs.

Hij kwam in contact met de ‘cercle des Hydropathes’ en sloot er vriendschappen met figuren als Catulle Mendès en Maurice Barrès. Hij besloot zijn advocatencarrière op te geven en zich volledig op de literatuur te richten.

Hij schreef voor La Flandre libérale en het eerste nummer van La Jeune Belgique, en publiceerde La Mer élégante.

In 1886 brak hij door in zowel België als Frankrijk met La Jeunesse blanche, gedichten over Vlaamse begijnhoven en de verlaten, regenachtige straten van stervende provinciestadjes.

Hij probeerde via lezingen ook het pessimisme van Arthur Schopenhauer, dat zijn werk zou beïnvloeden, te promoten.

Vanaf 1888 verhuisde hij definitief naar Parijs en werkte als correspondent voor het Journal de Bruxelles.

Uiteindelijk won de literaire roep het, en Rodenbach koos resoluut voor een schrijversbestaan. In 1888 trok hij definitief naar Parijs, waar hij als eerste Fransschrijvende Vlaming de stad veroverde met zijn symbolistische werken.

Zijn bekendste werk, de roman Bruges-la-morte, verscheen in 1892. Het werd eerst als feuilleton in Le Figaro gepubliceerd en later als boek uitgebracht door Flammarion.

Dit werk, gezien als het hoogtepunt van het symbolisme, was direct een groot succes. Fernand Khnopff illustreerde de voorkant.

Hoewel Rodenbach nooit in Brugge woonde (de geboorteplaats van zijn vader), kon de stad daardoor voor hem gemakkelijk legendarische vormen aannemen.

Zoals Rilke schreef, transformeerde Rodenbach de stad in Bruges-la-morte tot een innerlijk landschap, door voortdurend een analogie te leggen tussen de stad en de overleden vrouw die in het hoofd van de hoofdpersoon voortleeft.

In Parijs was hij een graag geziene gast en werd hij vrienden met onder anderen Alphonse Daudet, Edmond de Goncourt, en symbolisten als Villiers de l’Isle-Adam en Stéphane Mallarmé. Ook Rodin behoorde tot zijn vrienden.

Hij trouwde met Anna-Maria Urbain en in 1894 werd zijn toneelstuk Le Voile als eerste van een Belgische schrijver opgevoerd door de Comédie-Française.

Twee jaar later, in 1896, verscheen Les Vies encloses, een dichtbundel geïnspireerd op het occultisme en de Duitse romantiek.

Ondanks een slepende ziekte verscheen nog een meesterwerk, eveneens gesitueerd in Brugge: Le Carillonneur (1897).

Dit werk beschrijft realistisch de debatten tussen voorstanders van de haven van Zeebrugge en verdedigers van Brugge als kunststad voor de elite.

Een jaar later, op 25 december 1898, stierf Rodenbach op 43-jarige leeftijd aan typhlitis.

Zijn begrafenis vond plaats in Parijs, waar hij werd bijgezet op Père Lachaise.

Het grafmonument toont de dichter die met een roos in de hand uit het graf stapt, met daaronder de inscriptie: “Seigneur, donnez-moi donc cet espoir de revivre / Dans la mélancholique éternité du livre.”

In 1899 kreeg George Minne de opdracht voor een herdenkingsmonument voor Rodenbach.

Het marmeren kunstwerk was niet welkom in zijn geboorteplaats Doornik of in Brugge.

Uiteindelijk vond het een vaste plek op de dries van het oude Sint-Elisabethbegijnhof in Gent, waar het op 19 juli 1903 werd ingehuldigd.

In 1993 werd een ideeënwedstrijd georganiseerd voor een “beeld in de stad”, waarvan het winnende ontwerp van Klaas van de Sompel in 1997 werd onthuld.

In 2020 was het monument opnieuw dringend toe aan restauratie, want de tekst is nauwelijks leesbaar en de platen van de sokkel komen los.

Helaas is deze treurende dame het enige tastbare dat nog naar Georges Rodenbach in Gent verwijst, want zijn straat moest hij afstaan aan Edmond Boonen.

Gelukkig bracht David Bowie in 2013 in “Dancing out in space” nog hulde aan de zwijgende stilte van de Gentse schrijver met de zin “Silent as Georges Rodenbach.”

Het is vandaag ook al 78 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Felix Timmermans is overleden.

Hij was een van Vlaanderens meest vertaalde en productieve auteurs.

Hij schreef ook onder het pseudoniem Polleke van Mher en een enkele keer als Stelijn Koldijs.

Polleke van Mher was afgeleid van zijn voornaam (Leopoldus) en Mher was een afkorting van de naam van zijn vader (Gommaire).

Hij was autodidact en schreef toneelstukken, romans met een historisch karakter, novellen, religieus getinte werken en gedichten.

Naast schrijver was Timmermans ook schilder en tekenaar.

Hij illustreerde zijn eigen boeken alsook sommige boeken van zijn collega en vriend Ernest Claes.

Hij was ook zelf de boekbandontwerper van de meeste van zijn boeken.

Hij werd drie keer genomineerd voor een Nobelprijs.

Op 12 oktober 1912 trouwde hij met Marieke Janssens.

Ze hadden drie dochters: Cecilia, ook bekend als Lia (1920), Clara (1922) en Tonet (1926) en een zoon Gommaar (1930).

Deze kinderen werden ook actief in de kunstwereld.

Ze illustreerden onder andere werken van hun vader en schreven diverse biografieën over hem.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog schreef hij zijn bekendste werk, Pallieter, dat in 1916 werd uitgegeven.

Het wordt door velen als zijn meesterwerk gezien.

In 1921 werd het in het Duits vertaald en uitgegeven.

In de jaren 1930 schreef de Italiaans-Oostenrijkse componist Carlo Ferdinando Scholta op basis van het boek een operapartituur, getiteld ‘Pallieter’.

Het boek Pallieter werd in 2016, 100 jaar na de originele uitgave, opnieuw uitgegeven.

Felix Timmermans was een activist.

Na de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij naar Nederland om een veroordeling te ontlopen.

Hij keerde begin 1920 ongehinderd terug

In 1922 kreeg hij de Staatsprijs voor Literatuur.

In 1936 werd zijn vijftigste verjaardag zowel in Vlaanderen, Nederland als Duitsland met veel aandacht gevierd.

Tijdens de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog was Timmermans redacteur van het Vlaams-nationalistische Volk.

In 1942 ontving hij in Antwerpen van de Hamburgse universiteit de Rembrandtprijs.

Als Vlaams-nationalist en in Duitsland bekende schrijver was hij een graag geziene figuur bij Duitse officieren tijdens de Duitse bezetting.

Na de bevrijding van Lier op 4 september 1944 werd hij beschuldigd van culturele collaboratie en werd bijgevolg onder huisarrest geplaatst.

De aanklacht werd geseponeerd op 22 december 1946.

De reacties hierop uit de literaire wereld waren uiteenlopend.

Als luidste klonk de stem van Toussaint van Boelaere.

De criticus, die aanvankelijk een grote fan was van Timmermans, viel hem af omwille van zijn verdenking van culturele collaboratie.

Op 6 augustus 1944 werd Timmermans getroffen door een hartinfarct.

Hij stierf in Lier op 24 januari 1947.

De begrafenisdienst vond plaats in de Sint-Gummaruskerk, waar hij ook was gedoopt.

Timmermans werd begraven op het kerkhof Kloosterheide te Lier.

Als aanwezigen op zijn begrafenis vermelden kranten onder andere Lode Baekelmans, Gerard Walschap, Maurice Gilliams, Antoon Thiry, Lode Monteyne en Willem Elsschot.

Stijn Streuvels, genoemd als een “intieme vriend” van Timmermans, werd ook verwacht, maar werd thuis gehouden door een zware verkoudheid.

Op 8 november 1997 had in Lier de wereldpremière plaats van “Pallieter” de musical, geschreven door Willy Van Couwenberghe.

In 1998 kreeg deze musical de cultuurprijs van de Stad Lier uit handen van minister Marleen Vanderpoorten.

In 1997, bij de herdenking van de 50e verjaardag van het overlijden van Felix Timmermans, werd in Lier een bronzen buste onthuld (beeldhouwster Anne-Marie Volders) op het Felix Timmermansplein.

In 2014 werd hij ook officieel ereburger van zijn thuisstad Lier.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 24 december 1971)

Vanaf deze week, 90 jaar geleden, verscheen de roman Dientje Goris van de Vlaamse schrijver en dichter Jozef Simons voor het eerste en dit als een wekelijkse feuilleton in het tijdschrift De Stad.

Het boek vertelt het verhaal van Dientje, een jonge vrouw die als dienstmeid gaat werken bij een rijke familie in Antwerpen.

Ze maakt er kennis met de harde realiteit van het stadsleven, de sociale ongelijkheid en de verleidingen van de moderne tijd.

Ze wordt verliefd op een chauffeur, maar die bedriegt haar met een andere vrouw.

Dientje keert terug naar haar geboortedorp, waar ze trouwt met een boerenzoon.

Ze vindt echter geen geluk in haar huwelijk en voelt zich vervreemd van haar omgeving.

Jozef Simons werd geboren op 21 mei 1888 in Oelegem.

Hij volgde een opleiding in handelswetenschappen en werd huisleraar bij de graaf de Brouchoven de Bergeyck.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als soldaat en tolk voor het Britse leger.

Hij schreef over zijn oorlogservaringen in zijn bekendste werk Eer Vlaanderen vergaat (1927), een getuigenis van de Frontbeweging.

Hij schreef ook reisverhalen, verhalen over de Kempen, novellen, romans en gedichten.

Hij schreef ook liedteksten voor componisten als Lodewijk De Vocht, Flor Peeters en Armand Preud’homme.

Hij vertaalde ook werken uit het Engels, Spaans, Duits en Nederduits.

Na de oorlog werkte hij als redacteur voor de Boerenbond en later als uitgever bij N.V J. van Mierlo-Proost in Turnhout.

Hij was ook actief in de Vlaamse Beweging, de katholieke zuil en in het sociaal-culturele leven van de Kempen en was voorzitter van de Vereniging van Kempische Schrijvers.

Hij stierf op 20 januari 1948 in Turnhout.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies een eeuw geleden dat het toneelstuk Mama’s kind van Willem Putman in première ging in Tienen (16 januari 1924).

Willem Putman was een Vlaamse schrijver en toneelauteur, geboren in Waregem op 7 juni 1900.

Zijn vader, Palmer Putman, was een actief lid van de rederijkerskring “Kunst en Eendracht” en stimuleerde de artistieke interesse van zijn zoon.

Na zijn vroegtijdige dood in 1910 nam zijn moeder, Elvira Callens, de boekhandel en het toneelfonds over.

Willem Putman kon verder studeren aan het Sint-Amanduscollege in Kortrijk, waar hij in contact kwam met de werken van Albrecht Rodenbach.

Hij raakte geïnspireerd door diens idealisme en flamingantisme, en begon zelf toneelstukken te schrijven onder het pseudoniem W. Hegeling, ontleend aan Rodenbachs versdrama Gudrun.

Zijn eerste succes behaalt hij in 1920 met Het oordeel van Olga.

Het stuk was een felle aanklacht tegen het Belgische gerecht, dat na de oorlog hard optrad tegen Vlaamse activisten, maar de oorlogsprofiteurs ongestraft liet.

Het stuk werd op verschillende plaatsen verboden wegens beledigend voor het leger en de geallieerden.

In 1921 kreeg Putman meer erkenning met zijn stuk Het Stille Huis, dat werd opgevoerd in de Koninklijke Vlaamse Schouwburg.

Putman werkte toen als ambtenaar bij het Ministerie van Justitie, maar bleef actief schrijven.

Van 1926 tot 1944 was hij inspecteur van de openbare bibliotheken in West-Vlaanderen.

Vóór mei 1940 lieert hij zich nog niet openlijk tot een politieke strekking, maar twee maanden daarna zou de in de tussenoorlogse jaren geradicaliseerde Vlaams-nationalist Willem Putman uitgroeien tot een overtuigde collaborateur.

Het VNV-dagblad Volk en Staat meldt dat Putman stichter-voorzitter is geworden van een ‘Kortrijkse Kunstenaarskamer’.

De opzet van dergelijke Kunstenaarskamers was het Vlaamse cultuurleven beetje bij beetje in nationaal-socialistische richting te sturen.

Tevens werkt hij mee aan de Brüsseler Zeitung.

In de winter van 1941-1942 werd het toneelstuk Mama’s kind in Hamburg opgevoerd, als onderdeel van de Niederdeutsch-Flämische Bühnenwoche, een culturele uitwisseling tussen Vlaanderen en Duitsland tijdens de Tweede Wereldoorlog.

Dit leidde natuurlijk onvermijdelijk tot vervolging na de Bevrijding, op beschuldiging van culturele collaboratie.

Hij werd veroordeeld tot vier jaar cel en levenslange ontzetting uit zijn burgerrechten.

Dit betekende niet alleen dat hij zijn betrekking kwijt was maar ook dat hij niet meer kon publiceren.

In de nazomer van 1946 werd hij vervroegd vrijgelaten.

Hij had zich ondertussen in de gevangenis aan het schrijven gezet.

Putman had een groot gezin, namelijk zes kinderen en moest schrijven om rond te komen.

Hij gebruikte de schuilnaam Jean du Parc, maar iedereen wist wie hij was.

Hij werd niet lastiggevallen door de rechters.

Hij schreef tien romans bij een uitgever in Antwerpen.

Mevrouw Pilatus en Christine Lafontaine waren erg populair.

Hij schreef ook nog toneelstukken en schreef over de oorlog, de repressie, de liefde, de kinderen, het berouw, het verraad, het gemis, de naïviteit, de passie en de berusting.

Zijn boeken waren niet zo goed geschreven, maar wel spannend en boeiend.

Veel mensen lazen ze dan ook graag.

In 1952 maakte hij een openluchtspel voor een feest in Kortrijk.

Hij bleef veel schrijven, tot hij in 1954 plotseling ziek werd en stierf.

Zijn zoon Luc Putman (1927-2002) was ambassadeur in Marocco, Kinshasa, Moskou en Dublin (Ons Land 26 januari 1924)

Kan een afbeelding zijn van 5 mensen en de tekst 'VLAAMSCHE GEBEURTENISSEN Opvoering van Thienen veel Mama's Kind,, van Willem Putman, te Thienen richtingen. sommige gezegden... eens tuurt eigen aarh mo dedigt ra verhouding, Betsy DE DRIE VROUWENROLLEN Tante, Joh. Dons. HARE VERTOLKERS: Een jarige dame, Greta DE DRIE HEERENROLLEN EN HARE VERTOLKERS krioelt bovendien Ditg'

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Voor de aanvang van het toneelstuk was er een speciale ontvangst georganiseerd voor de schrijver Willem Putman en de andere vooraanstaande gasten.

Daar sprak burgemeester en parlementslid De Jaegher hen toe met een welkomstwoord.

Gisteren nog vandaag

Vandaag is het precies 180 jaar geleden dat Charles Dickens zijn beroemde boek A Christmas Carol publiceerde.

Dit verhaal over de gierige Ebenezer Scrooge, die op kerstavond bezoek krijgt van drie geesten die hem zijn verleden, heden en toekomst laten zien, werd meteen een bestseller.

Binnen een week waren alle 6000 exemplaren van de eerste druk uitverkocht. Het boek was rijkelijk voorzien van illustraties door John Leech.

A Christmas Carol verscheen in een tijd waarin de traditionele kerstviering aan het verdwijnen was, en nieuwe gebruiken zoals kerstkaarten populair werden.

Dickens gaf met zijn boek een nieuwe impuls aan de kerstsfeer, en benadrukte de waarden van naastenliefde, vergeving en mededogen.

Hij liet ook zijn kritiek zien op de sociale misstanden en de armoede in het Victoriaanse Engeland, die hij in veel van zijn andere werken ook aan de kaak stelde.

Dickens maakte van zijn kerstverhalen een jaarlijkse traditie, en schreef tussen 1844 en 1848 nog vier andere verhalen met een kerstthema: The Chimes, The Cricket on the Hearth, The Battle of Life en The Haunted Man and The Ghost’s Bargain.

Vandaag is het precies 90 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Paul Snoek werd geboren.

Hij behoorde tot de groep van de Vijfenvijftigers, een experimentele dichtersbeweging die vooral uit Vlamingen bestond en die verbonden was met het tijdschrift Gard Sivik.

Andere bekende namen uit deze groep waren Gust Gils en Hugues C. Pernath.

Zij publiceerden allemaal voor 1955 en vormden een tegenreactie op de Nederlandse Vijftigers, zoals Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Jan Elburg, Remco Campert, Simon Vinkenoog, Hans Andreus en Hugo Claus.

Paul Snoek wilde trouwens niet geassocieerd worden met de Nederlandse Vijftigers.

Het werk van Paul Snoek is niet gemakkelijk in een bepaalde stroming of categorie onder te brengen.

Hij begon als een romantische dichter, maar ontwikkelde zich tot een meer agressieve en cynische schrijver.

Aan het einde van zijn leven was hij een berustende, pessimistische dichter, in overeenstemming met zijn manisch-depressieve stemmingen.

Paul Snoek was ook actief als schilder en exposeerde zijn werken. Het KaZ in Oostende heeft een aantal schilderijen van hem in bezit, waaronder “Little Venus” en “Angry Jupiter”.

In 1975 ging hij een nieuwe relatie aan.

Hij verliet vrouw en kinderen en verhuisde naar Oostende.

De scheiding met zijn vrouw werd uitgesproken in 1976 en hij hertrouwde in 1977.

Hij verhuisde opnieuw, eerst naar Loppem en dan naar Varsenare.

In zijn laatste jaren leed hij aan manisch-depressieve buien en sprak hij tegen zijn vrienden regelmatig over de dood.

Hij stierf in een auto-ongeluk op 19 oktober 1981, in Egem en werd begraven in Varsenare.

Vandaag is het precies 100 jaar geleden dat de Nederlandse schrijver Gerard Reve is geboren.

Hij wordt beschouwd als een van de belangrijkste naoorlogse auteurs van Nederland, die bekend stond om zijn controversiële en provocerende stijl.

Hij schreef romans, gedichten, brieven en essays over thema’s als religie, seksualiteit, dood en liefde.

Hij trouwde in 1948 met de dichteres Hanny Michaelis.

Toen hij besloot om uit te komen voor zijn homo zijn, eindigde het huwelijk in 1959.

Maar ze bleven wel vrienden tot aan zijn dood.

In 1975 trouwde hij met Joop Schafthuizen.

Gerard Reve leed aan depressie, alcoholisme en de ziekte van Alzheimer.

Hij overleed in Zulte op 8 april 2006, op 82-jarige leeftijd.

Vandaag is het precies 90 jaar geleden dat in Gent een gedenkplaat werd ingehuldigd voor de Vlaamse schrijver en dichter Lambrecht Lambrechts, die op 13 augustus 1932 overleed.

Hij was een van de voortrekkers van de Vlaamse Beweging en een veelzijdig kunstenaar, die zowel proza, poëzie als muziek schreef.

Na zijn dood werd zijn lichaam overgebracht naar zijn geboortedorp Hoeselt, waar hij een ereplaats kreeg op de gemeentelijke begraafplaats.

Zijn grafmonument werd ontworpen door de beeldhouwer Jules Vits. Bij de plechtigheid waren onder meer zijn weduwe Maria Vanden Doorne en de gouverneur van Oost-Vlaanderen Hubert Verwilghen aanwezig.

Lambrecht Lambrechts, die het pseudoniem Lambrecht Renier gebruikte, was de zoon van Willem-Hendrik Lambrechts en Rosalia Somers.

Zijn vader was hoofdonderwijzer in Hoeselt, waardoor hij de bijnaam “Lemmen van de Meester” kreeg.

Hij volgde de lagere school in zijn geboortedorp en kreeg daar ook zijn eerste muzieklessen van de koster van Werm.

Daarna studeerde hij aan het Koninklijk Atheneum van Tongeren, waar hij bevriend raakte met Camille Huysmans en Jef Cuvelier.

In 1884 ging hij naar de normaalschool in Brugge, waar hij in 1887 afstudeerde als regent Nederlands en Engels.

Omdat hij geen werk vond, schreef hij zich in aan het Koninklijk Conservatorium van Luik, waar hij zang studeerde.

In 1889 werd hij aangesteld als leraar aan de Rijksnormaalschool in Ronse, waar hij tot 1901 bleef.

Op 25 augustus 1894 huwde hij in Ronse met de pianiste Maria Vanden Doorne, met wie hij meer dan 100 zangavonden verzorgde in heel Vlaanderen.

In 1901 verhuisde hij naar Lier, waar hij leraar werd aan de normaalschool.

Van 1905 tot 1918 gaf hij les aan de normaalschool in Gent.

Hij woonde toen in de Kunstlaan nr. 51 in Gent, waar zijn vrienden (onder wie Emiel Hullebroeck) in 1933 een gedenkplaat lieten aanbrengen.

In 1912 werd hij benoemd tot ridder in de Leopoldsorde.

In 1919 werd hij (omwille van zijn “flamingantisch non-conformisme”) overgeplaatst naar de normaalschool in ‘s-Gravenbrakel.

Zijn laatste overplaatsing (naar Blankenberge) gebeurde in 1921, waar hij les gaf tot in 1925 (hij was toen 60 jaar).

Van 1923 tot 1926 gaf hij ook les aan het Handels- en Taalinstituut van Jan Baptist Wannyn in de Savaanstraat in Gent.

In 1922 publiceerde hij zijn autobiografie “Mijn leven”, waarin hij zijn strijd voor de Vlaamse zaak en zijn artistieke loopbaan beschreef.

Hij schreef ook talrijke romans, verhalen, gedichten en liederen, die getuigen van zijn liefde voor zijn geboortestreek en zijn volk.

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels gehuldigd voor goede koopwaar op de markt (De Post 23 december 1962)

Hij werd geboren als derde kind van Kamiel Lateur (1841-1897) en Marie-Louise Gezelle (1834-1909), een jongere zus van priester-dichter Guido Gezelle.
Vader Lateur was kleermaker en een zwijgzaam man, in tegenstelling tot zijn vrouw die graag en boeiend sprak en ver­telde.
Nadat Stijn Streuvels school had gelopen bij de zusters in de plaatselijke nonnenschool, stuurden zijn ouders hem in 1883 naar het St.-Jan-Berchmanspensionaat in Avelgem, waar zijn letterkundige begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam.
Van 1886 tot 1887 leerde hij de bakkersstiel in Avelgem, Kortrijk en Heule.
In mei 1887 namen Streuvels ouders in Avelgem de bakkerij van zijn ongehuwde broer Lateur over en ver­huisde heel het gezin naar deze gemeente aan de Schelde.
Van 1887 tot 1905, op de 20 maanden na (1889-1891) die hij in Brugge doorbracht om zich in het bakkersvak te bekwamen, bleef Streuvels in Avelgem bakken en schrijven.
Zijn eerste schetsen en gedichten verschenen in 1895 in De Jonge Vlaming en in Vlaamsch en Vrij.
De volgende jaren namen ook de voornaamste tijdschriften, zoals Van Nu en Straks, bijdragen op van zijn hand. In 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel Lenteleven.
Veertig jaar lang publiceerde Streuvels ieder jaar minstens één werk.
Onder de meest bekende bevinden zich De vlaschaard (1907), Het leven en de dood in de ast (1926), De teleurgang van de Waterhoek (1927) en Alma met de vlassen haren (1931).
Op 19 september 1905 huwde hij met Alida Staelens (1879-1975) en ging hij in Ingooigem in zijn pasgebouwde huis Het Lijsternest wonen, waar hij voortaan van zijn pen zou leven.
Zij kregen vier kinderen. Dichteres Jo Gisekin is een kleindochter van Streuvels.
In zijn laatste periode hield hij zich voornamelijk bezig met het schrijven van memoires.
Hij heeft ruim 60 jaar in het Lijsternest gewoond en overleed er op 15 augustus 1969.
Op zijn begrafenis op 21 augustus, met de wijtewagen waren er zowat 7000 mensen aanwezig. (Diverse bronnen en Wikipedia)

50 jaar geleden, te gast bij de Vlaamse dichter en schrijver Bert Peleman (De Post oktober 1972)

Bert Peleman, zoon van een kruidenier, volbracht zijn humaniora in het Klein Seminarie van Hoogstraten, waar zijn leraars Ast Fonteyne en Remi Lens bij hem de belangstelling voor toneel en kunst opwekten.

Hij vervolgde met anderhalf jaar politieke en sociale wetenschappen in Leuven, maar onderbrak die studie tijdens het tweede jaar.

Hij had zich vooral onledig gehouden met het oprichten van een studentencabaret, waarmee hij optrad, onder meer voor de radio.

In die tijd raakte hij, onder de invloed van Jef Van Bilsen, in de ban van Joris Van Severen en werd lid van het Verdinaso.

Beroepshalve werd hij redacteur voor de cultuurbladzijde van De Courant en in 1939 werd hij medewerker bij het Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR).

In 1939 werd hij gemobiliseerd als luitenant in het Belgisch leger.

Hij publiceerde een boekje, Wij, soldaten, met fervente lofbetuigingen aan het adres van het koningshuis.

Krijgsgevangen na de Achttiendaagse Veldtocht werd hij tot in juli 1940 in Beieren opgesloten.

Na zijn terugkeer werd hij lid van de Eenheidsbeweging-VNV.

Hij werd hoofdreferent voor kunst en cultuur bij de door de bezetter gecontroleerde Radio Brussel en werd ondervoorzitter van de Duitsgezinde Brabantse kunstfederatie.

In 1942 verliet hij de radio om de leiding te nemen van het departement Stijl en Vorming van de Dietsche Militie – Zwarte Brigade.

Als gevolg hiervan liep hij vaak in het uniform van de Zwarte Brigade rond en reisde hij naar het Oostfront, waar zijn broer soldaat was.

Hij schreef ook de Mars van het Vlaams Legioen, getoonzet door Karel De Brabander, met onder meer het volgende vers:

Wij volgen het vaandel der leeuwen

door sikkel en hamer onteerd

Ons horen de komende eeuwen

Te wapen voor outer en heerd.

Wegens meningsverschillen verliet hij einde 1943 de Zwarte Brigade en werd tot aan het einde van de bezetting hoofdredacteur van het geïllustreerd weekblad De illustratie, een zusterblad van het collaborerende Volk en Staat.

Na de bevrijding werd Peleman gearresteerd op beschuldiging van collaboratie met de vijand en in 1946 werd hij ter dood veroordeeld wegens hoogverraad en tevens van medeplichtigheid aan de plundering van de woning van de burgemeester van Sint-Kwintens-Lennik.

Na zijn verblijf in het Hechteniskamp Lokeren, werd in maart 1947 de straf in beroep bevestigd, maar in april 1948 omgezet tot levenslange hechtenis.

Einde 1950 kwam hij vervroegd vrij, onder meer dankzij de inspanningen van verschillende letterkundigen, in de eerste plaats de Leuvense professoren Albert Westerlinck en Willy Peremans.

Hij hield zich voortaan afzijdig van actieve politiek en legde zich toe op de promotie van het toerisme in Vlaanderen, meer bepaald in de Brabantse Scheldestreek.

Hij stichtte hiervoor verenigingen, zoals Mercatoria (1955) en Scaldiana (1957). In 1969 was hij de initiatiefnemer voor het Schelde-eiland in Rupelmonde.

Hij werd de eerste directeur van de uitgeverij Mercatorfonds (1965-1966) en artistiek directeur bij de uitgeverij Buschmann (1966-1978).

Hij leidde er de reeks publicaties onder de naam Flandria Illustrata.

Hij werd ook lid en voorzitter van de Antwerpse Uilenspiegelgezellen (vanaf 1966) en van de internationale kunstenaarskring De 7 rond Tijl (vanaf 1977).

In 1986 kwam hij nog in het nieuws omdat de hem toegekende benoeming tot ridder in de Orde van Leopold II werd ingetrokken, na protest van verzetsstrijders en Waalse socialisten.

In 1937 kreeg Peleman de poëzieprijs van de provincie Antwerpen voor zijn dichtbundel Variante voor harp.

Hierin wordt het volkse leven van de boeren verheerlijkt. Het leven van de boeren en vissers in de Scheldestreek zijn vaak een thema in zijn werk.

De Schelde was een heel belangrijke inspiratiebron voor Peleman.

Zo zei hij in een interview: Voor mij is de Schelde eerder een bovenaardse dan geografische stroom geworden. Ze is voor mij uitgegroeid tot een slagader, een symbool van ebbe en vloed.

Vanaf 1938 schreef hij ook verzen voor Dietsche Warande en Belfort en publiceerde ook in het meer personalistische tijdschrift Vormen.

Zijn latere werk werd door zijn ervaringen tijdens en na de Tweede Wereldoorlog soberder en somberder.

Hij haalde veel inspiratie bij de figuren van Reinaert de Vos en Tijl Uilenspiegel, die hij beschouwde als uitdrukkingen van de Vlaamse vrijheidsgeest.(Diverse bronnen, Wikipedia en de Post van 8 oktober 1972)