
60 jaar geleden, reclame voor het automodel met Perkins dieselmotor van het merk Volga (augustus – september 1962)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek





Romina Power is de oudste dochter van de Amerikaanse acteurs Tyrone Power en Linda Christian.
Nadat het huwelijk van haar ouders spaak was gelopen, verhuisde Romina met haar moeder en haar zus Taryn naar Europa, waar ze voornamelijk in Spanje en Italië woonden.
Alhoewel Romina op school zat in Engeland, speelde ze op 14-jarige leeftijd al mee in de film Menage Italian Style.
Op de filmset van de film Pensando a te in 1968, leerde ze haar toekomstige man Al Bano kennen.
Ze speelde de hoofdrol in 1969 in de film Marquis de Sade: Justine.
Romina Power en Al Bano trouwde in 1970 en datzelfde jaar namen ze nog Storia di due innamorati op.
Ze vertegenwoordigden Italië op het Eurovisiesongfestival 1976 met het lied We’ll live it all again dat deels in het Engels en deels in het Italiaans (Noi lo rivivremo di nuovo) gezongen werd, ze behaalden een zevende plaats.
Het liedje behaalde als T’aimer encore une fois een notering in de Franse hitparade.
In 1981 namen ze de bekende hit Sharazan op en een jaar later namen ze deel aan het San Remo Festival met het lied Felicita, waar ze tweede mee werden, het is een van hun bekendste liedjes.
In 1984 won ze San Remo wel, met Ci sarà.
In 1985 stonden ze wederom op het songfestival met Magic Oh Magic, ook nu werden ze zevende.
Met Nostalgia canaglia werden ze 4de op het San Remo Festival van 1987, daar haalden ze later ook nog eens een derde plaats met Cara terra mia.
Ze zouden zo’n 30 jaar samen zingen en waren erg populair in Italië en Duitsland.
In 1999 ging het koppel uit elkaar, ze hadden vier kinderen; zoon Yari en drie dochters Ylenia (die sinds 1994 vermist is), Christel en Romina Jr.
Na de scheiding kreeg hij twee kinderen met Loredana Lecciso.

Hij was de zoon van apotheker Armand Cooremans en Emma Dons.
Cooremans promoveerde tot doctor in de rechten en werd licentiaat in de economische en de financiële wetenschappen aan de ULB.
Hij werd beroepshalve advocaat en hoogleraar aan de ULB en was ook vrijmetselaar.

Van 1928 tot 1934 was hij privésecretaris van minister van Buitenlandse Zaken Louis Hymans, waarna hij in 1940 enkele maanden secretaris was van minister van Justitie Paul-Emile Janson.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij de nationale chef van de dienst Inlichtingen voor de Belgische Regering in Londen, waarmee hij in feite deel uitmaakte van het Verzet.
Hij werd politiek actief voor de Liberale Partij en vervolgens de PVV-PLP.

Voor deze partij werd hij in 1933 verkozen tot gemeenteraadslid van Brussel, waar hij van 1945 tot 1956 schepen en van 1957 tot 1975 burgemeester was.
In 1976 verliet hij de Brusselse gemeenteraad.

Als burgemeester van Brussel was hij de voorzitter van Expo 58.
Bovendien zetelde hij van 1944 tot 1946 en van 1949 tot 1960 voor het arrondissement Brussel in de Kamer van volksvertegenwoordigers.
Hij kwam te overlijden op 22 februari 1985 (Diverse bronnen, Wikipedia en foto’s augustus 1962)





In 1961 begeleidde Chessens echtgenoot Bob Finkbine een groep middelbare scholieren op een Europese tournee, waar hij een vrij verkrijgbare kalmerende middelen kocht en de rest mee naar huis nam.
Chessen nam 36 van de pillen in de vroege stadia van haar vijfde zwangerschap, niet wetende dat ze thalidomide bevatten, dat misvormingen bij de foetus kan veroorzaken.
Het is bekend onder merknamen zoals Softenon (Nederland en België), Contergan (Duitsland), Distaval, Neurosedyn, Isomin, Kedavon, Telergan en Sedalis.
Haar arts adviseerde haar een therapeutische abortus te ondergaan, het enige type dat destijds in Arizona was toegestaan.
Om het gevaar van thalidomide bekend te maken, nam Chessen contact op met de Republiek Arizona.
Hoewel haar anonimiteit verzekerd was, werd haar identiteit niet geheim gehouden.
De media identificeerden haar als “Mrs. Robert L. Finkbine” en “Sherri Finkbine”, hoewel ze die naam persoonlijk niet gebruikte.

Na de publicatie van het verhaal van Chessen in de krant.
Vroeg het ziekenhuis en zijn personeel de verzekering dat het niet zou worden vervolgd.
Toen een dergelijke verzekering niet kwam, werd de geplande abortus geannuleerd.
Toen haar arts om een gerechtelijk bevel vroeg om door te gaan met de abortus, werden zij en haar man publieke figuren.
Ze kregen brieven en telefoontjes en een paar brieven bevatten zelfs doodsbedreigingen.
Daardoor werd zelfs de FBI ingeschakeld om haar te beschermen.
Ze verloor ook haar baan als gastvrouw Miss Sherri, haar rol in de kindershow Romper Room van de plaatselijke tv in Phoenix.
Ook haar verzoek tot abortus werd afgewezen door rechter Yale McFate, die vond dat hij niet de bevoegdheid had om een beslissing over de zaak te nemen.
Chessen probeerde naar Japan te gaan om een abortus te laten plegen, maar kreeg van de Japanse consul geen visum.

Zij en haar echtgenoot vlogen toen naar Zweden, waar zij een succesvolle en wettelijke abortus verkreeg, wat terug een kleine controverse veroorzaakte in haar thuisland.
De Koninklijke Zweedse Medische Raad keurde het verzoek positief om abortus te mogen doen op 17 augustus 1962.
De operatie werd de volgende dag uitgevoerd.
De Zweedse verloskundige die de abortus uitvoerde, vertelde Chessen dat de foetus geen benen en slechts één arm had en het niet zou hebben overleefd.
De controverse werd in 1992 de basis voor een voor tv gemaakte film, A Private Matter, met Sissy Spacek in de hoofdrol.
Bijna 10.000 kinderen waren inmiddels geboren met een aandoening ten gevolge van de medicatie, de helft daarvan in West-Duitsland, het middel was daar zonder recept verkrijgbaar.
Opvallend is dat de Verenigde Staten gespaard bleven.
De FDA, de beoordelende instantie, liet thalidomide nooit op de Amerikaanse markt toe, op aandringen van dokter Frances Oldham Kelsey.(Diverse bronnen, Wikipedia en Paris Match 28 augustus 1962)

Ze was de tweede vrouw van Mohammed Reza Pahlavi, de laatste sjah van Iran.
Gedurende het huwelijk werd ze beter bekend onder de naam ‘koningin Soraya’.
De titel shahbanu (keizerin) werd toen nog niet in Iran gebruikt.
Op achttienjarige leeftijd werd Soraya middels een foto aan het keizerlijk hof geïntroduceerd door Forough Zafar Bakhtiari, een van haar familieleden.
Niet lang daarna, op 12 februari 1951, trouwde ze in Teheran met de sjah.
Haar trouwjurk (van Christian Dior) werd na haar dood in Parijs geveild voor 1,2 miljoen dollar.

Beiden wilden eigenlijk niet scheiden, maar op 6 april 1958 scheidde ze alsnog van de sjah, omdat het huwelijk kinderloos bleef en de sjah per se een mannelijke nazaat als zijn opvolger wilde.
De sjah kondigde huilend de echtscheiding aan bij het Iraanse volk, in een toespraak die werd uitgezonden op radio en televisie.
De echtscheiding, die breed werd uitgemeten in de internationale pers, inspireerde tot het Franse lied Je Veux Pleurer Comme Soraya. (Ik wil huilen als Soraya).
De tekst is van de hand van de Antwerpse schrijfster Françoise Mallet-Joris en de muziek van Marie-Paule Belle.
Toen de echtscheiding officieel werd, kreeg Soraya de titel van prinses.
Haar officiële aanspreektitel was Hare keizerlijke hoogheid prinses Soraya van Iran.

Ze vertrok naar Frankrijk en begon een carrière als filmster.
In november 1960 verhuisde ze tijdelijk naar Hollywood om verder te werken aan een carrière als filmster. Wat echter niet lukte.
In 1964 bracht Soraya haar memoires uit, voor het eerst in het Engels uitgegeven onder de titel Princess Soraya. Autobiography of Her Imperial Highness.
In 1991 bracht ze het tweede deel daarvan uit, deze keer geschreven in samenwerking met Louis Valentin.
Het oorspronkelijk in het Frans uitgegeven Le Palais des Solitude en in het Nederlands uitgegeven als Paleis van eenzaamheid werd een internationale bestseller.
Soraya stierf op 26 oktober 2001 op 69-jarige leeftijd en werd begraven in München (Duitsland).
Een week na de dood van Soraya overleed ook haar broer Bijan, die na haar dood had gezegd: ‘Nu heb ik niemand meer om mee te praten’. (Diverse bronnen, Wikipedia en foto’s Paris Match augustus 1962)

Deze naam is eigenlijk een pseudoniem voor Roger Thienpondt.
Thienpondt was een Gentse dichter en toneel auteur geboren in 1926.
Hij werd geboren in de Korianderstraat.
Na zijn middelbare studies aan de handelsafdeling van de Nijverheidsschool in Gent werd hij in 1946 opsteller bij de Nationale Bank van België.
In 1965 kwam hij in dienst van het Nederlands Toneel Gent (NTG), eerst als secretaris, in 1967 als chef administratie en in 1973 als verantwoordelijke voor de public relations.
In 1979 werd hij dramaturg bij Theater Arena en in 1985 werkte hij bij de musicalafdeling van het Koninklijk Ballet van Vlaanderen.
Vanaf 1986 was hij freelance dramaturg en vertaler.
Hij schreef onder andere de succesvolle gedichtenbundel Orfeus achterna in 1949.
Voor dit werk kreeg hij de prijs voor letterkunde van de Stad Gent. Naast dichter was hij actief in het Vlaamse toneel.
Dankzij het Gentse productiehuis Cinébel, opgericht in 1958
Kon Berkenman die een grote passie had voor film.
Aan de slag gaan en dit leidde tot enkele filmprojecten, waar Want allen hebben gezondigd een voorbeeld van is.
Berkenman werkte voor deze film voor de tweede keer samen met de dramaturg Raymond Cogen.
In deze film speelde onder meer Jef Demedts, Hilde Uytterlinden, Suzanne Juchtmans en Raf Reymen.
Hun eerste langspeelfilm was Prelude tot de dageraad, een romantische film die werd uitgebracht in 1959.
Met hun tweede film wouden Berkenman en Cogen de onzin van de oorlog aanklagen.
Hoewel het thema van de Jodenvervolging het uitgangspunt is van het verhaal, zei Cogen dat dit thema slechts de achtergrond is van een klassiek noodlotsverhaal.
Het doel van beide filmmakers was met andere woorden niet een film te maken over de Jodenvervolging in België, maar dit thema was het best geschikt als achtergrond voor wat ze wel wouden vertellen.
De structuur van de film Want allen hebben gezondigd bestaat uit flashbacks van een Joodse vertelster, die tussen de stukken door mijmert over Wereldoorlog II.
Het voornaamste motief in de film is de schuldvraag, die al beantwoord wordt in de titel: Want allen hebben gezondigd. Berkenman en Cogen tonen aan de kijker een meer complexe schuldvraag dan wat ze gewoon zijn uit andere films.
Waar tot dan toe alles zwart-wit werd voorgesteld, een patriottisch volk tegenover een agressieve bezetter, is er in deze film veel meer aandacht voor de grijswaarden.
Zo is de ‘zwarte’ Von Lehndorf helemaal niet zo overtuigend als ‘vijand’, is de notaris ‘schuldig’ omdat hij ver gaat in zijn accommodatie en is de verzetsheld helemaal niet heroïsch wanneer hij totaal overbodig een medemens vermoordt.
De periodisering van de film is moeilijk te bepalen. Aangezien de jodenvervolging aan bod komt, kunnen we stellen dat het na 1942 is, aangezien dan pas de vervolgingen in België op gang kwamen.
In Want allen hebben gezondigd zien we een heel andere beeldvorming van de Duitsers en het verzet dan in de films van de Franstalige filmmakers. In de plaats van een verheerlijking van het verzet, zien we een nuancering van hun vermeende heldhaftigheid.
Ook de mythe dat de Duitse bezetters allemaal onmenselijke nazi’s waren, wordt in deze film ontkracht.
Op het eerste zicht is deze film een aanklacht tegen de oorlog en het racisme tegenover de Joden.
Maar als we de film plaatsen in de Belgische maatschappelijke context van een gespleten oorlogsherinnering, krijgt de film nog een tweede betekenis.
De film roept namelijk impliciet op om de harde beschuldigingen tegenover collaboratie her te bekijken.
Zo kan Von Lehndorf vergeleken worden met een collaborateur: hij staat weliswaar aan de Duitse kant, maar gaat daarom nog niet akkoord met de nationaal-socialistische theorieën.
De notaris kan op zijn beurt gezien worden als een symbool voor de accommodatiepolitiek van de Belgische elite en ook hen treft schuld.
De moord op Von Lehndorff ten slotte kan gelezen worden als symbool voor de wraakacties van het verzet op collaborateurs of de onrechtvaardige repressie.
Waarom in deze film collaboratie en repressie, thema’s die toch nog steeds actueel waren in Vlaanderen, niet expliciet voorkomen, kan verklaard worden door het feit dat er op deze zaken nog steeds een taboe rustte.
De tijd was nog niet rijp voor een film over dit thema. De vraag is echter of Vlaanderen er nu al klaar voor is in 2022.
In 1990 werd hem voor zijn oeuvre als dichter en toneelauteur en voor de belangrijke rol die hij speelde in de promotie van het theater de Frans Roggenprijs toegekend. (Ons Land 19 november 1960, scriptie Voor vorst, voor waarheid of voor kijkcijfers, Beeldvorming van Wereldoorlog II in de Belgische film van Maaike Van Melckebeke en Dirk de Wulf.)



