
R.I.P, de Nederlandse zanger en acteur Gerard Cox (85) is vandaag overleden.

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek





In 1970 was het Japanse Osaka de gastheer van de dertigste Wereldtentoonstelling, ook bekend als Expo ’70.
Het was een historische gebeurtenis, want het was de allereerste keer dat dit evenement in Azië plaatsvond.
De tentoonstelling, die van 15 maart tot 13 september duurde, werd gehouden in de voorstad Suita en trok een verbazingwekkend aantal van ruim 64 miljoen bezoekers.
Daarmee was het een van de grootste en drukstbezochte beurzen ooit.

Het immense terrein van 330 hectare was ontworpen door de gerenommeerde Japanse architect Kenzo Tange, en had als thema “Vooruitgang en harmonie voor de mensheid”.
Het meest bekende bouwwerk was de ‘Toren van de Zon’, ontworpen door de Japanse kunstenaar Taro Okamoto.
Ook België en Nederland waren vertegenwoordigd op de Expo.

Het Belgische paviljoen werd ontworpen door architecten Jules Wabbes en Jacques Wirtz. Voor Wirtz betekende het ontwerp van de paviljoentuin zijn grote doorbraak.
Daarnaast werden er drie bronzen beelden tentoongesteld van de Belgische kunstenaar Hubert Minnebo.
Het Nederlandse paviljoen was het werk van de architecten Carel Weeber en Jaap Bakema, met een interieurontwerp van Total Design, onder leiding van Wim Crouwel. Verder leverden Peter Struycken en cineast Jan Vrijman bijdragen aan het paviljoen.



De film, die op 13 september 1986 in wereldpremière ging op het Filmfestival van Toronto, is de verfilming van het boek ‘Uit het raam springen moet als nutteloos worden beschouwd’ van Fernand Auwera.
Het scenario werd bewerkt door Auwera en Stijn Coninx, die ook als regieassistent aan de film meewerkte.

In de hoofdrollen spelen Herbert Flack, Mark Verstraete en Maya van den Broecke, terwijl de muziek werd gecreëerd door Dirk Brossé.
Daarnaast spelen ook Jef Cassiers, Ingrid De Vos, Vic Moeremans, Bob Van Der Veken, Cyriel Van Gent en zangeres Emly Starr mee, en had zelfs Robbe De Hert een kleine rol als portier.

In het verhaal worden in het luxueuze rusthuis Sempa Vivex kosten noch moeite gespaard om de bemiddelde bewoners te vermaken. Wanneer een gepensioneerde politicus zich wil laten opnemen en zijn kleindochter de bemiddeling verzorgt, lijkt dit de perfecte gelegenheid voor het rusthuis om een dreigende sluiting af te wenden.
Directeur Axel Woestewey ziet in de kleindochter bovendien een nieuwe vrouw om te verleiden.

De filmtrailer veroorzaakte in 1986 een kleine rel, omdat deze uitsluitend de nadruk legde op de seksscènes uit de film.





Dankzij gemeenschappelijke kennis Coenraed de Waele had ik het genoegen hem nog te leren kennen.
Ik nodigde hem niet veel later uit om zijn dichtbundel ‘Gekke gedachten, stille gepeinzen’ voor te stellen in de Hotsy Totsy, een aanbod dat hij met zichtbaar plezier aanvaardde.
Een mooi moment om terug te blikken op het leven van deze Gentse stem van het volk.

Prosper De Smet werd geboren in de Roggestraat als zoon van een dokwerker en een naaister.
Zijn jeugd werd getekend door een vroege tegenslag: toen zijn vader in 1928 overleed, werd de amper negenjarige Prosper in het Stedelijk Weeshuis geplaatst, in de volksmond bekend als het beruchte “Kuldershuis”.
Pas vier jaar later, nadat zijn moeder hertrouwde, kon hij terugkeren naar de vertrouwde Roggestraat.
Hoewel er in het gezin De Smet, buiten de krant Vooruit, nauwelijks werd gelezen, ontdekte de jonge Prosper al snel zijn passie.
Rond zijn veertiende opende de wereld van de literatuur zich voor hem, met Multatuli als grote held.
Hij volgde een opleiding tot letterzetter en schoolde zichzelf via avondonderwijs bij in talen.
Zijn liefde voor het geschreven woord vond hij in de krant, waar hij de rubrieken van Raymond Herreman verslond.

Na zijn legerdienst en mobilisatie tijdens de Tweede Wereldoorlog, vond hij in 1945 werk als drukker-letterzetter, eerst bij firma Collier en vanaf 1948 bij het dagblad Vooruit.
Daar groeide hij door tot lay-outverantwoordelijke en zou hij blijven tot aan zijn pensioen in 1980, ook na de overgang naar De Morgen.
Maar het was zijn pen die hem onsterfelijk zou maken in Gent en daarbuiten.
Naast zijn dagtaak ontpopte hij zich tot een veelzijdig schrijver voor de krant.
Onder het pseudoniem PDS schreef hij boekbesprekingen, als Polke Pluim leverde hij humoristische sportbijdragen, maar zijn bekendste alter ego werd P. Pluim.
Dertig jaar lang schreef hij onder die naam een dagelijks cursiefje waarin hij het leven van de gewone man schetste, vaak optimistisch met een vleugje weemoed en milde maatschappijkritiek.
Ook na de overgang naar De Morgen bleef hij schrijven, tot hij in 2001 na bijna vijftig jaar definitief stopte.
Zijn talent bleef niet beperkt tot de krant. Tussen 1955 en 1990 publiceerde De Smet acht romans, een toneelstuk, verhalen- en dichtbundels.

Zijn werk werd meermaals bekroond, onder meer met de Letterkundige Prijs van de Stad Gent en de Visser Neerlandiaprijs.
Zijn debuutroman ‘De ontploffing’ (1957) werd door De Groene Amsterdammer zelfs uitgeroepen tot boek van de maand.
Zijn persoonlijke leven kende, net als zijn professionele, een stabiel verloop.
Na zijn huwelijk in 1946 en enkele verhuizingen binnen Gent, streek hij in 1960 neer in de Bosuilstraat in Wondelgem.
Daar zou hij tot aan zijn dood blijven wonen, als een scherpe observator van het leven dat hij zo treffend wist te vangen in zijn verhalen en cursiefjes.

De plaat wordt nog steeds geprezen als een absoluut hoogtepunt in de discografie van Bowie.
De kracht schuilt in een perfecte mix van elementen: de sterke productie die Bowie samen met Tony Visconti verzorgde, de kenmerkende zang van de meester zelf, en de innovatieve, grensverleggende gitaarpartijen van Robert Fripp.
Alle nummers op het album zijn geschreven door David Bowie en het bracht legendarische hitsingles voort zoals “Ashes to Ashes” en “Fashion”.
Het visuele aspect werd, zoals altijd bij Bowie, niet vergeten, met de beroemde albumhoes ontworpen door Bowie en Brian Duffy.
Voor de uitvoering kon hij rekenen op een ijzersterke band, met onder meer Andy Clark op synthesizer, Carlos Alomar op gitaar en de solide ritmesectie van bassist George Murray en drummer Dennis Davis. De achtergrondzang werd verzorgd door Chris Porter en Lynn Maitland.

