Ze bezocht Antwerpen, Brussel, Leuven, Oostende en De Panne ter promotie van haar nieuwe film, ‘Ja, so ein Mädchen mit sechzehn’




Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Ze bezocht Antwerpen, Brussel, Leuven, Oostende en De Panne ter promotie van haar nieuwe film, ‘Ja, so ein Mädchen mit sechzehn’




Via een groep oude nazi’s kwam Kujau in contact met de Hamburgse journalist Gerd Heidemann.
Het lukte hem om Heidemann 62 vervalste delen van de dagboeken van Hitler te verkopen aan het blad ‘Stern’.
De publicatie veroorzaakte een enorme sensatie.
De dagboeken suggereerden onder andere dat Hitler niet op de hoogte was geweest van de Kristallnacht, wat in de Bondsrepubliek lange tijd het publieke debat domineerde.
In totaal verdiende Kujau 9,3 miljoen Duitse mark met zijn vervalsingen.
De fraude kwam aan het licht op 5 mei 1983.
In juli 1985 werd Kujau veroordeeld tot vier en een half jaar gevangenisstraf, maar hij werd na drie jaar vrijgelaten vanwege kanker aan het strottenhoofd.
Na zijn vrijlating maakte Kujau gebruik van zijn bekendheid om een publieke figuur te worden.
Na de mysterieuze dood van Uwe Barschel in 1988 trad hij op als expert in vervalsingen in een reportage van ‘Spiegel TV’.
In 1992 was de vervalsingszaak van de Hitler-dagboeken het onderwerp van de film ‘Schtonk!’.
Samen met de Rock & Roll Junkies bracht Kujau in 1995 een album uit, getiteld ‘Rebellen der Kunst’.
In de politiek was hij minder succesvol: in 1994 stond hij op de lijst van de Autofahrer- und Bürgerinteressenpartei Deutschlands en in 1996 stelde hij zich kandidaat voor het burgemeesterschap van Stuttgart, maar kreeg slechts 901 stemmen.
In zijn laatste levensjaren werkte Kujau in zijn schildersatelier en hield hij tentoonstellingen in Pegnitz.
Hij overleed op 12 september 2000, op 62-jarige leeftijd.




Het concept was uniek, want het combineerde een self-service restaurant met een afhaalbalie en een koffieshop.
Het doel? Beter zijn dan de concurrent, Lunch Garden van de Sarma-Nopri groep.
Begin jaren zeventig werd Mister G.B. omgedoopt tot Resto G.B., terwijl de concurrentie ook niet stilstond.

Sarma-Nopri was overgenomen door de Amerikaanse warenhuisketen J.C. Penney, die fors investeerde in hypermarkten.
Bij elk van die hypermarkten werd een Lunch Garden restaurant gebouwd, wat het succes van die keten verder stimuleerde.
Uiteindelijk begon het marktaandeel van Sarma echter te dalen en in 1987 verkochten de Amerikanen de keten aan de GIB Group, die was ontstaan uit de fusie van de voormalige concurrenten.

Omdat de Lunch Garden-restaurants zo succesvol waren, besloot de GIB Group in 1996 om Resto G.B. en Lunch Garden samen te voegen onder de naam Lunch Garden.
Daarna wisselde het bedrijf verschillende keren van eigenaar.
In 2002 werd het gekocht door de investeringsgroep Carestel, die het twee jaar later alweer aan privé-investeerders verkocht.
In 2009 kwam het in handen van het Amsterdamse investeringsfonds H2.
In 2012 begon Lunch Garden een samenwerking met Total om wegrestaurants te openen.

In 2015 terug een nieuwe overname toen H2 het bedrijf verkocht aan het Brits-Nederlandse private equity fonds Bregal Freshtream.
De verplichte sluitingen tijdens de coronapandemie in 2020 brachten Lunch Garden echter in ernstige financiële problemen.
Op 20 januari 2025 vroeg de keten het faillissement aan, maar maakte slechts twee dagen later een doorstart.
Het Antwerpse investeringsfonds CIM Capital nam het bedrijf gedeeltelijk over, waardoor 41 van de 62 restaurants open konden blijven en 430 van de ongeveer 800 medewerkers hun baan behielden(foto’s van 13 september 1970)



Op het scherm verschijnt een aftandse garage in Los Angeles, gerund door een knorrige oude man. Zijn leven wordt volledig overhoop gehaald door een jonge, optimistische Latino met een onweerstaanbare glimlach.
De sitcom, die in Amerika in 1974 was gestart, draaide volledig om de chemie tussen de twee hoofdrolspelers.

Enerzijds was er Ed Brown (Jack Albertson, overleden op 25 november 1981), de verbitterde garagehouder die in alles een probleem zag.
Anderzijds was er Chico Rodriguez, gespeeld door de piepjonge en razend populaire Freddie Prinze.
Hij was de frisse wind die door de stoffige garage en het leven van Ed waaide.
Hun gekibbel en de langzaam groeiende vader-zoonrelatie vormden het hart van de show.
Tel daar de onvergetelijke begintune, ingezongen door de legendarische José Feliciano, bij op, en je had dé reden waarom miljoenen kijkers, ook in Vlaanderen, aan de buis gekluisterd zaten.
De ster van de show was zonder twijfel Freddie Prinze. Geboren als zoon van een Hongaarse vader en een Porto-Ricaanse moeder, groeide hij op in een ‘getto’ in New York.
Zoals Joepie het treffend omschreef, ontwikkelde hij daar een “onverbeterlijke drang naar zelfbescherming”, die hij omzette in een scherp gevoel voor humor.
Na wat optredens in kleine clubs belandde hij in de legendarische “Tonight Show”.
Die ene avond veranderde alles: een producent zag hem en bood hem de rol van zijn leven aan. Op zijn twintigste was Freddie Prinze een wereldster.
Maar het succesverhaal kende een tragische afloop. Amper anderhalf jaar nadat het lovende artikel in Joepie verscheen, in januari 1977, maakte Prinze op 22-jarige leeftijd een einde aan zijn leven.
De makers probeerden de serie nog te redden door een nieuw personage te introduceren, maar de ziel was eruit.
Zonder de charismatische Chico was de magie verdwenen. Na een vierde seizoen stopte dan ook de reeks.

Na de verkiezingen werd de regering-Martens VI gevormd, bestaande uit dezelfde partijen. als de vorige regering.

Een opmerkelijke figuur uit die tijd was Guy Verhofstadt, die sinds 1982 voorzitter van de PVV was.
Hij werd toen voor het eerst verkozen tot volksvertegenwoordiger.
Ondanks dat de PVV de enige regeringspartij was die achteruitging, kon Verhofstadt toch zijn stempel drukken op het regeerakkoord en werd hij vicepremier in de regering-Martens VI.

De regering-Martens VI viel na twee jaar, officieel over de kwestie Voeren, hoewel het wantrouwen van de vakbonden tegenover Verhofstadt ook een belangrijke rol speelde.

Stan Ockers was in de jaren vijftig een van de meest geliefde wielrenners die Vlaanderen ooit gekend heeft.
Met zijn bijnaam ‘le rusé’, de listige, was hij geliefd om zijn slimme manier van koersen.
Zijn talent was immens: hij eindigde twee keer als tweede in de Ronde van Frankrijk, in 1950 en 1952, en toonde zijn explosiviteit door in 1955 en 1956 de groene trui te winnen.
Het jaar 1955 was zijn absolute meesterwerk.
Hij won de Waalse Pijl, domineerde Luik-Bastenaken-Luik en kroonde zich in het Italiaanse Frascati tot wereldkampioen.
Ockers leek op de top van zijn kunnen, maar op die hoogte sloeg het noodlot genadeloos toe.
Op 29 september 1956 kwam hij zwaar ten val op de piste van het Antwerpse Sportpaleis. Twee dagen later, op 1 oktober, bezweek hij aan zijn verwondingen.
Zijn dood veroorzaakte een schokgolf van nationale rouw in België.
Een van de vele jonge bewonderaars die diep geraakt waren, was de toen 11-jarige Eddy Merckx.
De herinnering aan de gevallen held bleef levend.
Al in 1957 werd er een monument voor hem opgericht op de Côte des Forges, en ook decennia later wordt hij geëerd met een gedenkplaat in Borgerhout.
Zelfs in de cultuur leeft hij voort, zoals in het lied ‘Stanneke’ van Hugo Matthysen, wat bewijst dat de listige Flandrien nooit echt vergeten is.



De Britse actrice had een indrukwekkende carrière die begon op het toneel en haar tot ver buiten de theaterwereld bekend maakte.
Na haar opleiding begon Rigg in 1959 met veel succes te acteren bij de Royal Shakespeare Company.

Om haar inkomen aan te vullen, nam ze gastrollen aan in televisieseries.
Tijdens een van deze optredens werd ze opgemerkt door de producers van ‘The Avengers’, die haar in 1965 de rol van geheimagente Emma Peel aanboden na het vertrek van Honor Blackman.
Ze was niet de eerste keuze; Elizabeth Shepherd was al gecast, maar werd na anderhalve aflevering vervangen door Rigg.
Hoewel haar rol in de serie haar professioneel en esthetisch voldeed, was haar loon laag.
Na 12 afleveringen ontdekte ze dat ze minder verdiende dan de cameraman.
Rigg werd twee keer genomineerd voor een Emmy (1967 en 1968), maar verloor beide keren van Barbara Bain.
Na ‘The Avengers’ richtte Rigg zich op een filmcarrière.

Ze vertolkte de rol van Tracy de Vicenzo in ‘On Her Majesty’s Secret Service’ (1969), de enige vrouw die ooit met James Bond trouwde, en bracht een vitaliteit in de film die zelden werd geëvenaard door andere Bond-girls.
Ondanks het feit dat ze vaak beter was dan de films waarin ze speelde, zijn er naast ‘The Assassination Bureau’ (1969) nog twee ondergewaardeerde films op haar palmares: ‘The Hospital’ (1971) en ‘Theatre of Blood’ (1973).
In 1970 keerde ze terug naar het theater in de productie ‘Abelard and Heloise’.
Een korte naaktscène veroorzaakte veel opschudding, aangezien Rigg de eerste Engelse actrice was die naakt op het podium verscheen.
In haar leven ontving ze talloze onderscheidingen, waaronder eredocoraten, de titel Dame Commander of the British Empire (DBE), een Tony voor haar rol in ‘Medea’, een Emmy voor ‘Rebecca’ en een Lifetime Achievement Award.
In haar latere carrière speelde ze de rol van Olenna Tyrell in ‘Game of Thrones’



