
70 jaar geleden, reclame voor Pontiac Uurwerken met voetballer Jef Mermans

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek



Gisteren nog vandaag

Gisteren nog Vandaag

Gisteren nog vandaag
In juni 1936 lag de omgeving van Brugge vol met een enorme weelde aan natuurschoon.
Hoewel elke stad een groene rand heeft waar mensen graag naartoe trekken voor wat frisse lucht, kozen de Bruggelingen in die tijd liever voor de kust.
Ze trokken met de fiets, te voet of met de trein naar zee, terwijl de directe regio juist vol lag met uitgestrekte parken, bossen en historische kastelen die elke bezoeker zouden kunnen betoveren.
Toch was al die pracht voor de gewone burger destijds een verboden paradijs.
Deze schitterende tuinen en vijvers waren het exclusieve bezit van een handvol adellijke families en rijkaards.
Zij waakten er streng over dat hun privédomeinen afgesloten bleven voor het publiek.
Wie de binnenwegen of statige dreven opzocht, stuitte overal op bordjes die de toegang verboden.
Het leek wel of de eigenaren hun rijkdom en de schilderachtige omgeving bewust wilden verbergen voor de buitenwereld.
Zelfs op de verborgen plekken hingen destijds borden die de weinige bezoekers verplichtten om te zwijgen, en die het gesticuleren of lasteren verboden.
De enige plek waar gewone mensen soms werden toegelaten, waren de heilgrotten op de domeinen.
Daar mochten de arbeiders in alle stilte bidden en hun zorgen uiten, zolang ze zich maar aan de strikte regels hielden.
De natuur trok zich overigens weinig aan van die menselijke regels; de vogels en bosdieren lieten zich niet de mond snoeren en de pauwen van het kasteel schreeuwden luidkeels hun eigen boodschap.
Het was in die periode een fundamentele vraag waarom al deze schoonheid slechts voor een enkeling bestemd was.
De jachtwachters traden destijds hard op tegen iedereen die het waagde een voet op de verboden wegen te zetten.
Voor de jongere generatie van toen was die bijna feodale mentaliteit onbegrijpelijk.
Zij vonden dat het belang van de gemeenschap zwaarder moest wegen dan dat van het individu en dat iedereen recht had om te genieten van de verheffende schoonheid van de natuur.
Onder andere het sprookjesachtige kasteel van Sint-Michiels en de indrukwekkende buitengoederen in Sint-Andries waren sprekende voorbeelden van deze verborgen rijkdommen.


Gisteren nog vandaag
Toen Esther de Boer-van Rijk in 1937 overleed, rouwde heel Nederland. De kranten kopten ‘Nederlands populairste actrice is dood’ en duizenden mensen stonden langs de route van haar begrafenisstoet.
Haar populariteit was ongekend: ze was een icoon wiens beeltenis op talloze artikelen verscheen en wiens levensechte acteerwerk het publiek diep raakte. Recensenten bejubelden haar naturel met de woorden: ‘Men vergat dat ze speelde’.
Haar roem was een wereld van verschil met haar jeugd in een arm, joods-orthodox gezin in Rotterdam.
Na de vroege dood van haar vader werkte ze in het naaiatelier van haar moeder, maar droomde van het toneel.
Ze leerde haar eerste rollen met de tekst op schoot en vocht zich via het amateurtoneel een weg naar een professioneel contract.
Na haar huwelijk met musicus Henri de Boer en hun verhuizing naar Amsterdam, sloeg het noodlot toe.
Haar man raakte verlamd, waardoor Esther de rest van haar leven de enige kostwinner van het gezin zou zijn. Juist in deze zware periode vond ze haar artistieke thuis bij schrijver Herman Heijermans.
Ze werd de ultieme vertolkster van zijn realistische vrouwenrollen, met als absoluut hoogtepunt de rol van vissersweduwe Kniertje in Op hoop van zegen.
Meer dan 1200 keer speelde ze deze rol, zo levensecht dat haar tranen, zoals ze zelf zei, altijd echt waren.
Ondanks haar status werd haar carrière getekend door financiële tegenslag. Gezelschappen gingen failliet, maar de weduwe De Boer-van Rijk was onvermoeibaar.
Gedwongen door geldzorgen richtte ze haar eigen gezelschappen op en toerde tot op hoge leeftijd door het land met de successtukken van Heijermans.
Pas na een operatie besloot de actrice, die ook bekendstond om haar liefdadigheid en trotse joodse identiteit, te stoppen.
Ze overleed kort daarna in 1937 op 84-jarige leeftijd.


Sacha (koosnaampje voor Alexander) was de zoon van een uit Rusland geëmigreerde scheikundige.
Na de Tweede Wereldoorlog kwam hij in contact met de Parijse variant van de jazz, voornamelijk de jazzgitaar met onder meer Django Reinhardt en Ray Ventura, overigens een oom van hem.
Als jonge jazzgitarist trad hij onder meer op in Algerije, toen nog Frans gebied.
Een tijdlang speelde hij als begeleider van Juliette Greco.
Hij had nog meer succes als zanger, en werd onder meer beïnvloed door Henri Salvador.
Zijn eerste gezongen succes werd het nummer Scoubidou. Distel coverde veel Engelstalige nummers, doch werk van hem werd ook gecoverd.
Zo werd zijn La Belle vie vertaald voor Frank Sinatra, die er met The good life een hit mee scoorde.
Er bestaan wereldwijd 250 versies van.
Op zijn negentiende trok hij naar New York waar hij zijn Engelse taalkennis verbeterde en in het wereldje van componisten en producers terechtkwam.
Hij zou een korte relatie gehad hebben met Brigitte Bardot, maar trouwde in 1963 met Francine Bréaud (ski-kampioene), bij wie hij twee zonen had.
Vanaf de beginjaren ’60 trad hij op in televisieshows.
Na een auto-ongeval in 1985 stopte bijna zijn carrière, omdat hij aansprakelijk werd gesteld voor de geleden schade van zijn passagier, de actrice Chantal Nobel.
Samen met Henri Salvador is hij een van de weinige Franse muzikanten die in de Dictionaire du jazz vermeld staan.










Tijdens de Wereldtentoonstelling in Gent op 1 juni 1913 versloeg hij “Bombardier” Billy Wells en was daardoor de eerste zwaargewicht kampioen van Europa.
Op diezelfde dag is in Gent ook officieel de International Boxing Union opgericht.
In de Eerste Wereldoorlog was hij een beroemde piloot en kreeg na de oorlog daarvoor twee medailles namelijk de Croix de Guerre en de Médaille militaire
Na het stoppen met boxen, ging hij aan de slag als Vaudeville zanger in Groot-Brittannië en Amerika.
Hij was ook te zien in zes films en hij schreef zelfs een roman.
In 1935 opende hij in Parijs een chique bar, Chez Georges Carpentier.
Dit bleef hij doen tot aan zijn dood in 1975.
Hij werd verkozen tot de International Boxing Hall of Fame in 1991 en de Parijse Sports Arena Halle Georges Carpentier is naar hem vernoemd.(Diverse bronnen, Wikipedia en Ons Volk van maart 1920)

Ook koning Albert was aanwezig op deze ceremonie aan de voet van het kapotgeschoten Stadhuis, op de hoek van de Langestraat en de Oostendestraat waar zich nu het Vredegerecht bevindt.
De Franse president schonk toen aan de stad het Frans Oorlogskruis.
Dit is een militaire onderscheiding die uitgereikt wordt aan Franse soldaten, onder andere voor moed op het slagveld.
De Franse overheid zorgde ervoor dat ook door oorlogsgeweld verwoeste steden en gemeenten aanspraak konden maken op de medaille.Nieuwpoort kreeg het Croix de Guerre omwille van zijn uitzonderlijke bijdrage tijdens de Eerste Wereldoorlog.
Tijdens de vier jaar dat er in onze contreien strijd werd geleverd, lag de stad bijna pal op de frontlijn. Het resultaat was een gestage, maar complete vernietiging. Nieuwpoort kreeg de status van martelaarsstad.
Met de toekenning van het Oorlogskruis betuigde de Franse overheid ook eer aan al wie betrokken was bij de onderwaterzetting van de IJzervlakte, gerealiseerd vanuit het Nieuwpoortse sluizencomplex De Ganzepoot.







Hugo bezocht Gent voor het eerst in 1837.
In een brief die hij op 24 augustus 1837 vanuit Oudenaarde richtte aan zijn vrouw, schreef hij over dit bezoek : “Ik heb het Groot Kanon van Gent gezien, ik maak je hier een kleine schets…”.
Later werkte hij de bekende schets uit tot een minder correcteweergave van de werkelijkheid.
In dezelfde brief beschrijft hij Gent, gezien vanop de toren van de Sint-Baafs kathedraal.
In zijn Laus Gandae citeert Victor Fris uit deze brief.
In detail tekent Hugo een stad die vandaag grotendeels veranderd is. Zo inspireren de vier historische waters (Schelde, Leie, Lieve en Moer die in Hugo’s tijd nog van kapitaal belang schenen) de schrijver tot de bekende boutadedat “Gent een Venetië van het noorden was”
Minder bekend is Hugo’s Gentse “doortocht ” in december 1851, na de staatsgreep van de Franse prins-president Louis-Napoleon (de latere Napoleon III). Hugo – die met luide stem maar zonder succes de republiek verdedigde – vreesde, opgepakt te worden door de politie.
Vermomd in een werkmanspak en onder een valse naam (met een reispas van typograaf Jacques-Firmin Lanvin) vluchtte hij naar Brussel, via Gent.
Pas na de nederlaag van Frankrijk (en van keizer Napoleon III) in de Frans-Duitse oorlog (1870-1871) kon Hugo naar Parijs terugkeren.
Hij werd er triomfantelijk ontvangen. (Geert Vandamme en Nicole Verschoore)




Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Gerard Slegers oorlogsvrijwilliger bij de Brigade Piron.
Omdat Slegers geen lid was van de Kommunistische Partij van België, werd hij na de oorlog niet erkend als gewapend weerstander.
Na de oorlog bleef hij nog tot in 1947 onderofficier in het Belgische leger en daarna werkte hij enkele jaren in een katoenfabriek.
Getrouwd met Rosa Suls, werd Slegers in 1951 werkleider in de koolmijnen van Winterslag.
Hij werd een bekend vakbondsleider vanaf 1969.
De mijnwerkers eisten toen een loonopslag van vijftien procent, als gevolg van een loonstudie die in opdracht van gouverneur Louis Roppe was uitgevoerd.
Na onderhandelingen met de directie van de Kempense Steenkolenmijnen gingen de vakbonden akkoord met een opslag van 4,5 procent.
Dit was niet naar de zin van Slegers, die de mijnwerkers meesleepte in een hardnekkige staking van vijf weken en uitmondde op een loonopslag die schommelde tussen de 25 en de 28 procent.
Gerard Slegers werd hierdoor beroemd in zijn streek.
Reeds in de jaren 1960 werd hij politiek actief bij de Volksunie.
In 1971 was hij kandidaat op de VU-lijst voor de wetgevende verkiezingen.
Hij werd niet verkozen, maar, gesteund door zijn 21.000 voorkeurstemmen, werd hij als provinciaal senator voor Limburg lid van de Senaat.
Hij vervulde dit mandaat tot in 1974.
In de periode december 1971-maart 1974 had hij als gevolg van het toen bestaande dubbelmandaat ook zitting in de Cultuurraad voor de Nederlandse Cultuurgemeenschap, die op 7 december 1971 werd geïnstalleerd en de verre voorloper is van het Vlaams Parlement.
Binnen de VU propageerde hij het onafhankelijke syndicalisme.
Hij was verder eerste voorzitter van het Permanent Komitee van het Kempens Bekken en van 1970 tot 1976 gemeenteraadslid van Genk.
Hij werkte tot aan zijn pensioen in de dienst waarin onder meer het reddingswezen van de Kempische Steenkoolmijnen was ondergebracht.
In 1977 verliet Slegers de VU uit protest tegen het Egmontpact.Vervolgens was hij medestichter van de Vlaams Nationale Partij, waarvan hij de ondervoorzitter werd.
Hij nam deel aan de onderhandelingen met de Vlaamse Volkspartij, waaruit in 1979 het Vlaams Blok ontstond.
Slegers werd lid van de partijraad van het VB.
Nadat hij kritiek had geuit op de koers van de partij, hij vond dat het Vlaams Blok te veel de klemtoon legde op de migrantenproblematiek en te weinig aandacht had voor de Vlaams-nationalistische eisen, werd hij in 1989 met enkele medestanders uit de partij gezet.
Vervolgens was Slegers medestichter van het Nationalistisch Verbond – Nederlandse Volksbeweging, een volksnationalistische en Groot-Nederlandse drukkingsgroep. (Diverse bronnen en Wikipedia)


