
90 jaar geleden, de film By Candlelight (Bij Kaarslicht te zien in de Vlaamse bioscoop (De Stad, december 1934).

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek

Henry Van de Velde doceerde van 1926 tot 1936 Bouwkunst en Toegepaste Kunsten aan de Gentse Universiteit.
In 1933 (hij was toen zeventig) werd hem gevraagd een nieuwe universitaire bibliotheek te ontwerpen.
In dezelfde opdracht zaten ook de nieuwe gebouwen voor de instituten van Kunstgeschiedenis, Dierkunde en Farmacie.

De bouwplaats was het voormalige De Vreesebeluik of de Cité Ouvrière op de Blandijnberg, het hoogste punt van de stad.
Van de Velde opteerde voor een toren als baken van de wetenschap; een vierde toren die zich kon meten met de drie torens waar Gent om bekendstaat: die van de Sint-Niklaaskerk, de Sint-Baafskathedraal en het Belfort.
Het ontwerp was omstreden en er kwam zelfs een alternatief plan met een langwerpig gebouw van de tekentafel van architect Armand Cerulus, maar Van de Veldes ontwerp haalde het uiteindelijk toch.
In 1935 waren de definitieve plannen klaar.
Het werd een toren van 64 meter hoog, met 20 verdiepingen, 4 kelderverdiepingen en een belvedère als uitkijkplatform.
Als symbool voor de moderniteit koos Van de Velde een constructie uit beton, waarvan de sokkel bekleed is met arduin.

Gisteren nog vandaag
Het grondplan kreeg de vorm van een Grieks kruis, om de verbinding tussen hemel en aarde en de vermenging van tijd en ruimte te symboliseren.
De bouwwerken startten in 1936 en in 1939 waren de ruwbouw en een deel van de afwerking klaar.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de toren ingenomen door de Duitsers als uitkijkpost.
Toen ze de oorlog dreigden te verliezen, bliezen ze het schutgeweer op dat op het dak stond.
Hierdoor bleef het dak, maar ook de vloer eronder lang beschadigd.
Het aanpalende gebouw voor het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde werd afgewerkt, maar de afdelingen voor Dierkunde en Farmacie kwamen er niet.
In de jaren 1950 werden op die plaats de nieuwe gebouwen voor de Faculteit voor Letteren en Wijsbegeerte opgetrokken door Eugène Delatte, maar in een andere stijl en met andere materialen dan Van de Velde voorzien had.

Na de Tweede Wereldoorlog werd Van de Velde beschuldigd van collaboratie.
Tot een proces kwam het nooit, maar Van de Velde ging wel in vrijwillige ballingschap; hij trok zich terug in het Zwitserse Oberägeri, waar hij zijn memoires schreef, die in 1962 postuum zouden verschijnen onder de titel Die Geschichte meines Lebens.
Van de Velde overleed in 1957 op 94-jarige leeftijd te Zürich en werd begraven in Tervuren, bij Brussel.
Op 16 september 2005 besliste de Raad van Bestuur van de Universiteit Gent om 30 miljoen euro te investeren in de restauratie van de Boekentoren.
De vijf ontwerpteams, aan wie de Universiteit vroeg om hun ruimtelijke visie uit te werken, bestond uit drie Belgische en twee internationale teams.
De keuze viel op het Gentse architectenbureau Robbrecht en Daem dat zich laat omringen door een multidisciplinair ontwerpteam.
Op 1 maart 2012 vingen de werken aan met het bouwen van een spectaculair ondergronds depot in de binnentuin.
Het zal drie verdiepingen tellen en 45 km materiaal kunnen herbergen dat in de beste klimatologische omstandigheden bewaard zal worden.
Vandaag is het gebouw al van 2022 terug toegankelijk en in gebruik (Diverse bronnen, De Stad, 28 december 1934, Jill Dhondt, RUG, Wikipedia en Duo Nous (Violiste Christy Collet en celliste Liesbet Engelen)

Gisteren nog vandaag




De regie was in handen van de Britse regisseur James Whale, die we ook kennen van de films “Frankenstein” (1931) en “Bride of Frankenstein” (1935).
De film wordt beschouwd als een mijlpaal in het gebruik van special effects (die voor die tijd revolutionair waren), de spannende sfeer en het sterke acteerwerk van de hoofdrolspelers.
De hoofdrollen waren voor Claude Rains als Dr. Jack Griffin / The Invisible Man.
Dit was trouwens zijn eerste grote filmrol in Hollywood, en hij werd vooral bekend om zijn stem, aangezien zijn gezicht pas aan het einde van de film te zien is en Gloria Stuart als Flora Cranley, de verloofde van Dr. Kemp.
Stuart beleefde later een comeback in de film “Titanic” (1997) en haar laatste rol speelde ze in 2004, in de film Land of Plenty.
Ze overleed in 2010 op 100-jarige leeftijd aan de gevolgen van longkanker.
De film werd geprezen om zijn special effects (die voor die tijd revolutionair waren), de spannende sfeer en het sterke acteerwerk van Rains en mag dan ook gezien worden als een klassieker.
De film is gebaseerd op de sciencefictionroman van H.G. Wells uit 1897, en het thema van onzichtbaarheid is sindsdien talloze keren gebruikt in films, zoals onder meer:
The Invisible Man Returns” (1940), “The Invisible Woman” (1940) en “Abbott and Costello Meet the Invisible Man” (1951).
Er zijn ook remakes en films die losjes gebaseerd zijn op het originele verhaal, zoals “Hollow Man” (2000) met Kevin Bacon en “The Invisible Man” (2020) met Elisabeth Moss.
Deze laatste film geeft een moderne draai aan het concept en focust op thema’s als huiselijk geweld en gaslighting.


Jef Tamboer, wiens echte naam Lionel Bauwens was, werd geboren op 15 december 1892 in Eeklo.
Zijn vader, Alfons Bauwens, was ook een straatzanger. Lionel begon al op jonge leeftijd te werken in een weverij, maar zijn passie lag bij muziek.

Op 16-jarige leeftijd begon hij al liedjes te zingen op de markt.
Tamboer was een meester in het entertainen van het publiek op markten en kermissen.
Hij zong, speelde accordeon, vertelde moppen en verkocht zijn liedjesteksten.
Hij bewerkte bestaande melodieën en schreef er zijn eigen, vaak humoristische en soms pikante teksten op.

Zijn liedjes gingen over alledaagse gebeurtenissen, liefdesverhalen, lokale schandalen en nieuwsfeiten.
Hij schuwde de controverse niet en stak de draak met politici, de kerk en andere autoriteiten.

Tamboer was dan ook enorm populair en hij trok grote menigten aan en verkocht duizenden liedjesteksten.
Zijn optredens waren dan ook een echt volksfeest.
Hij kwam vijftig jaar geleden, te overlijden op 10 mei 1974.

Dit beluik was gelegen tussen de Rozierstraat (ook nog Rogierstraat) en de Blandinusstraat (sedert 1942 : Blandijnberg).
In 1848 gaf het stadsbestuur aan aannemer Lieven De Vreese de toelating een beluik te .bouwen.
De plannen voor deze “cité ouvrière” werden ontworpen door architect Leclerc-Restiaux. De voorgevel (kant Blandijnberg) werd in 1851 opgetrokken.
Enkele jaren na de bouw, schreef J. J. Steyaert in zijn “Volledige beschrijvingvan Gent 1857″ het volgende: ”Sederdang had men vele plannen gemaekt om gemakkelyke, gezonde en goedkoope wooningen aen werkliedèn te bezorgen; dit heeft men hier verwezentlykc.
Enige oude gebouwen langs het St Pietersplein werden weggebroken, en op dien grond en op den aenpalenden hof, verscheidene ryenhuizen gebouwd, welke omtrent honderd zeer· geschikte wooningen uitmaken, en ten volle aen het menschlievend doel beantwoorden.
Deze huizen staen er langs eenen cour of ruime open binnenplaets, alwaer sommige bewooners vóór het huis een klein hoveken hebben aengelegd. Langs het plein ziet men den prachtigen voorgevel van de twee toegangen naer dit beluik; dezelve zijn in den vorm van twee arkaden of zegebogen met beelden versierd ! hetwelk van op het plein gezien, een fraai gezigt te meer oplevert:”
In het ”Verslag over het onderzoek gedaan ten jare 1904″ omtrent de beluiken binnen de Stad Gent, vernemen wij dat er in het De Vreesebeluik 67 huizen waren bewoond door 62 gezinnen waaronder 29 zonder kinderen. Totaal inwoners : 176. Kant Rozier waren er 24 huizen bewoond door 22 gezinnen met een totaal van 83 inwoners.
De zeer ongezonde Bataviawijk gelegen ten noorden van de “cité ouvrière” verdween in 1883 voor het bouwen van het Instituut der Wetenschappen tussen de Rozier en de nieuwer Plateaustraat (vroeger Laurierstraat en Kaleitje) Het De Vreesebeluik werd afgebroken- einde 1935/begin 1936- voor het bouwen van de nieuwe Universiteitsbibliotheek- met boekentoren naar de plannen van Henry Van de Velde. Op de hoek Rozier en St Hubertusstraat verrees het Hoger Instituut voor Kunstgeschiedenis en Oudheidkunde. Jaren later werden de gebouwen van de Faculteit van de Letteren en Wijsbegeerte opgetrokken aan de Blandijnberg.
Het stadsbestuur en de rijke burgerij bekostigen nieuwe prestigieuze gebouwen in het stadscentrum zoals de Aula, de opera, het justitiepaleis en talloze burgerhuizen.
De arbeidersbeluiken in het stadscentrum passen niet in hun burgerlijke plaatje en worden weggemoffeld achter nieuwe gevels. Zo krijgt de architect Charles Leclerc-Restiaux de opdracht de open ruimte aan de Sint-Pietersabdij aan te pakken.
Hij tekent een homogene compositie van burgergevels die de arbeiderskrotten maskeren.
Grenzend aan het plein, op de plaats waar vandaag de Boekentoren de faculteit Letteren en Wijsbegeerte staan, neemt Lieven De Vreese het initiatief om in 1848 een ‘modelwerkmanscité’ te bouwen.
Naar de inzichten van politicus en professor Adolphe Burggraeve, die het huisvestingsprobleem net als Mareska en Heyman vanuit het gezondheidsperspectief benadert, verrijst de ‘Cité Ouvrière of ‘De Vreesebeluik’ met bredere steegjes en comfortabelere huisjes dan zijn beruchte buur Batavia. Binnen in het beluik bevinden zich bovendien een bakkerij, kruidenierszaak, slagerij, herberg en grasplein.
Aan weerszijden van het beluik en uitgevend op het Sint-Pietersplein dienen twee triomfbogen als ingang.
Als de cholera-epidemieën van de jaren 1850 aan het De Vreesebeluik voorbij gaan, ziet men daarin het bewijs van het nut en succes van dit type beluik.
Maar het stadsbestuur is niet enthousiast: het zou de andere arbeiders maar attent maken op hun eigen miserabele woonomstandigheden (De Stad 11 mei 1934 en dank aan Gent Geprent en Stad Gent)

Het boek vertelt het verhaal van Dientje, een jonge vrouw die als dienstmeid gaat werken bij een rijke familie in Antwerpen.
Ze maakt er kennis met de harde realiteit van het stadsleven, de sociale ongelijkheid en de verleidingen van de moderne tijd.
Ze wordt verliefd op een chauffeur, maar die bedriegt haar met een andere vrouw.
Dientje keert terug naar haar geboortedorp, waar ze trouwt met een boerenzoon.
Ze vindt echter geen geluk in haar huwelijk en voelt zich vervreemd van haar omgeving.
Jozef Simons werd geboren op 21 mei 1888 in Oelegem.
Hij volgde een opleiding in handelswetenschappen en werd huisleraar bij de graaf de Brouchoven de Bergeyck.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij als soldaat en tolk voor het Britse leger.
Hij schreef over zijn oorlogservaringen in zijn bekendste werk Eer Vlaanderen vergaat (1927), een getuigenis van de Frontbeweging.
Hij schreef ook reisverhalen, verhalen over de Kempen, novellen, romans en gedichten.
Hij schreef ook liedteksten voor componisten als Lodewijk De Vocht, Flor Peeters en Armand Preud’homme.
Hij vertaalde ook werken uit het Engels, Spaans, Duits en Nederduits.
Na de oorlog werkte hij als redacteur voor de Boerenbond en later als uitgever bij N.V J. van Mierlo-Proost in Turnhout.
Hij was ook actief in de Vlaamse Beweging, de katholieke zuil en in het sociaal-culturele leven van de Kempen en was voorzitter van de Vereniging van Kempische Schrijvers.
Hij stierf op 20 januari 1948 in Turnhout.

Gisteren nog vandaag





Het kasteel is ontworpen door de architect Joseph Schadde en werd in 1890 voltooid in opdracht van Paul Van Tieghem.
Paul Van Tieghem was de erfgenaam van de heerlijkheid Schaubroeck, een oud leen dat zich uitstrekte over de parochies Mariakerke, Drongen en Wondelgem.
De geschiedenis van deze familie gaat terug tot de 14de eeuw, toen ze eigenaar werden van het goed van Coolman dat later het kasteel Van Tieghem de ten Berghe zou worden.
In de loop der eeuwen kwam de heerlijkheid Schaubroeck in handen van verschillende adellijke geslachten, zoals de Triest, de Borluut en de Van der Noodt.
In 1889 liet Paul Van Tieghem het oude kasteel afbreken en een nieuw neogotisch kasteel bouwen dat hij Les Muguets noemde.
Hij woonde er tot 1917, waarna het kasteel door de Duitsers bezet werd en later aan diverse huurders verhuurd werd.
Het gebied van de heerlijkheid Schaubroeck werd grotendeels verkaveld in de 20ste eeuw.
Na de Tweede Wereldoorlog raakte het kasteel verwaarloosd en onbewoond, totdat het in 1963 werd aangekocht door de gemeente Mariakerke.
Het kasteel werd gerestaureerd en deed vanaf 1967 dienst als het gemeentehuis van Mariakerke.
Na de fusie met Gent in 1977 werd het kasteel een dienstencentrum voor de deelgemeente.
Het kasteel is sinds 1997 beschermd als monument en is een voorbeeld van de neogotische stijl.
Onder neogotiek wordt een 19e-eeuwse stroming in de bouwkunst verstaan die zich geheel heeft laten inspireren door de middeleeuwse gotiek.
Het kasteel heeft een rechthoekige plattegrond met een polygonaal (Polygonaal wil zeggen “naar vele richtingen verlopend” en het woord bestaat uit het Griekse poly (veel) en de toevoeging “gonaal”, die afkomstig is van het Griekse gonia (hoek) hoektorentje op de noordoostelijke hoek.
De voor- en achtergevel worden gemarkeerd door een breed middenrisaliet met een opengewerkte puntgevel.
Het kasteel is opgetrokken uit rode baksteen met verwerking van arduin en heeft een schilddak met leien.
Het interieur is aangepast aan de neogotische stijl en bevat onder meer stucversiering, schouwmantels en wapenschilden (foto februari 1934)


