Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Albijn Van den Abeele (1835-1918) was een veelzijdig man die zich zowel als schrijver, politicus en kunstschilder liet gelden.
Hij wordt beschouwd als de stamvader van de Latemse school, een groep kunstenaars die zich in de late 19e en vroege 20e eeuw in Sint-Martens-Latem vestigden en zich lieten inspireren door de natuur en het landleven.
Van den Abeele was zelf geboren en getogen in Sint-Martens-Latem, waar hij ook burgemeester, schepen en gemeentesecretaris was.
Hij schreef verschillende dorpsromans en een geschiedenis van zijn geboorteplaats.
Pas op veertigjarige leeftijd begon hij te schilderen, vooral bosgezichten en landschappen in een fijnzinnig kleurenpalet.
Zijn huis in de Latemstraat was een ontmoetingsplaats voor andere kunstenaars, zoals Xavier de Cock, Emile Claus, George Minne, Valerius de Saedeleer en de broers Gustave en Karel van de Woestyne.
Hij oefende een grote invloed uit op de eerste generatie van de Latemse school, die zich kenmerkte door een realistische en romantische stijl.
Van den Abeele overleed op 16 november 1918 en werd begraven op het kerkhof van Sint-Martens-Latem, waar ook zijn vriend George Minne rust (Ons Land 12 januari 1924).
Rodenbach werd geboren in Doornik op 16 juli 1855, maar verhuisde op jonge leeftijd naar Gent, waar hij opgroeide in een welgestelde familie.
Hij studeerde rechten aan de universiteit van Gent en werd advocaat, maar zijn ware passie lag bij de literatuur.
Hij schreef gedichten, romans, toneelstukken en essays, waarin hij vaak de melancholie en het verval van de moderne stad uitdrukte.
Zijn bekendste boek is Bruges-la-Morte (1892), een roman over de obsessie van een weduwnaar voor zijn overleden vrouw en de stad Brugge.
Rodenbach trouwde in 1887 met Anna-Maria de Schaetzen, met wie hij twee kinderen kreeg.
Hij verhuisde naar Parijs, waar hij actief was in de literaire kringen en bevriend raakte met onder andere Emile Verhaeren en Stéphane Mallarmé.
Hij overleed op 25 december 1898 aan een longontsteking, op 43-jarige leeftijd en werd begraven op het kerkhof van Père-Lachaise, waar zijn grafmonument nog steeds te bewonderen is.
In Gent is er een straat naar hem genoemd, de Georges Rodenbachstraat en een gedenkplaat aan zijn geboortehuis in de Veldstraat.
De Gentse kunstenaar Geo Vindevogel ontwierp het bronzen gedenkplaat om de gebeurtenis te herdenken.
De plechtigheid vond plaats in de Orbanlaan nummer 9, in Gent, waar Rodenbach zijn jeugd doorbracht.
Onder de aanwezigen waren zijn zus Marie, die gehuwd was met de schilder Georges Le Brun, zijn zoon Constantin en zijn neef Andre, die ook dichter was.
Andre Rodenbach was de halfbroer van de Gentse dichteres Eliane (Ely) Rodenbach.
Hij groeide op in Lokeren, en toen hij 14 jaar was verhuisde het gezin naar Gent. Daar woonde ze in 1915 in de Meerstraat.
In 1919 trokken ze naar de Blankenbergestraat, in 1921 naar de Pelikaanstraat en in 1928 naar de Vrijheidslaan.
Hij was een gepassioneerde dichter, die poëzie beschouwde als een middel om de menselijke geest te verheffen boven het materialisme.
Hij had een grote bewondering voor Frankrijk en zijn cultuur, vooral voor de streek van de Midi.
Hij betreurde de achteruitgang van het Frans in Vlaanderen, die hij toeschreef aan de taalwetten en het verdwijnen van het Frans uit het onderwijs.
Hij voelde zich geroepen om de Franse cultuur levend te houden in België, vooral onder de toen 75000 Franssprekende Vlamingen ( gedenkplaat onthuld op 19 december 1948).
De arrangementen zijn geschreven door componist William Loose. Helaas ook al overleden op 22 februari in 1991.
Deze lp is uitgebracht door Realistic, één van de merken van RadioShack.
Een van de quadrafonische systemen die Realistic ontwikkelde, was Quatravox, dat vier kanalen synthetiseerde uit stereo-opnamen.
Het maakte gebruik van Hafler-circuits om de geluiden te isoleren die 180 ° uit fase waren met de hoofdmicrofoons, zoals de galm van de studio of het applaus van het publiek.
Deze geluiden werden vervolgens naar de achterste luidsprekers gestuurd, waardoor een ruimtelijk effect ontstond dat meer scheiding bood dan gewoon stereogeluid.
Quatravox was echter geen echt discreet quadrafonisch systeem, omdat het de geluiden niet onafhankelijk kon manipuleren of positioneren.
Meer dan 35 jaar geleden, heb ik gewerkt als manager in een Tandy winkel in de Vlaanderenstraat, in Gent.
De keten had twee grote takken, namelijk de Amerikaanse en Canadese divisie.
De winkels in Amerika RadioShack en zijn daar opgericht in 1921.
De Tandy winkels in Europa, werden beheerd door de Canadese tak van het bedrijf.
Dit 217de album van de legendarische stripreeks van Marc Sleen is een historisch document dat een plaats verdient in elke boekenkast.
Zilveren tranen markeert het einde van een tijdperk, een tijdperk van bijna zestig jaar waarin Marc Sleen met zijn unieke stijl van humor en satire en zijn onvoorwaardelijke liefde voor Nero, een scherp en geestig portret tekende van de menselijke samenleving door de decennia heen.
Marc Sleen werd geboren als Marcel Honoree Nestor Neels in Gentbrugge op 30 december 1922.
Hij groeide op in een welgestelde familie, maar maakte ook veel moeilijke momenten mee in zijn jeugd.
Marc volgde een opleiding tot tekenaar aan het Sint-Lucasinstituut in Gent.
In 1944 ging hij aan de slag bij de krant De Standaard als politiek tekenaar.
Hij begon al snel te experimenteren met het medium van het stripverhaal.
Zijn eerste strip was de gagstrip De avonturen van Neus.
Maar Sleens grootste succes was natuurlijk De avonturen van Nero en co.
Toen Sleen in 1947 met de reeks begon in De Nieuwe Gids, was het hoofdpersonage Van Zwam.
Nero dook al op in het eerste verhaal, het geheim van Matsuoka, maar speelde slechts een bijrol.
Na acht verhalen nam Nero de hoofdrol over van Van Zwam en sindsdien maakte Sleen meer dan 200 Nero-verhalen.
In 1998 werd Marc Sleen door koning Albert II tot baron benoemd en een jaar later tot ridder geslagen.
Marc Sleen, de ‘tedere terrorist’ zoals sommige van zijn vrienden hem liefkozend noemden, laat een indrukwekkend oeuvre na, waarin we jaar na jaar zowel de nationale als de internationale actualiteit konden volgen aan de hand van de onvergetelijke avonturen van de kleurrijke Nero-familie.
Op 13 juli 2008 stierf Marc Sleens echtgenote Magdalena Paelinck op 87-jarige leeftijd.
Op 6 november 2016 overleed Marc Sleen zelf op 93-jarige leeftijd.
Zij was de dochter van François Verhelle en Caroline Van Den Bussche, en werd geboren als Agnes Margarita Verhelle.
In 1823 richtte ze in Gent de congregatie op die zich toelegde op het christelijk onderwijs voor meisjes, vooral voor de armen en de verwaarloosden.
De congregatie is nu bekend als Religieuzen van het Christelijk Onderwijs.
Zuster Agathe Verhelle en haar medezusters hebben op verschillende plaatsen in Gent en daarbuiten hun sporen nagelaten.
In 1823 vestigden ze zich in de oude gebouwen van de abdij van Doornzele nabij de H. Kerstkerk, waar ze een school en een weeshuis oprichtten.
In 1827 openden ze een internaat en een externaat in Vrasene, waar ze gratis onderwijs en opvang boden aan peuters, kleuters en jonge meisjes.
In 1921 verlieten ze Vrasene en werd hun werk voortgezet door de zusters Franciscanen.
Ook in Antwerpen en Brazilië hebben de Dames van het Christelijk Onderwijs hun stempel gedrukt op het onderwijslandschap.
In Antwerpen staat de school bekend als Instituut Dames van het Christelijk Onderwijs of De Dames, en heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1842.
De school heeft ook moeilijke tijden gekend, zoals toen een V-bom in 1944 een groot deel van het gebouw verwoestte en negen slachtoffers eiste.
In Brazilië vierde de school Colègio Damas in 2016 haar 120-jarig bestaan, en eert nog steeds de stichteres Agathe Verhelle voor haar visie en inzet voor het christelijk onderwijs.
Agathe Verhelle ligt samen met heel wat medezusters begraven op begraafplaats Campo Santo in Sint-Amandsberg.
Ze was een veelzijdige en kritische auteur, die zowel poëzie, proza als essays schreef. Ze was ook een voorvechtster van de vrouwenemancipatie en de Vlaamse Beweging.
Virginie Loveling werd geboren in Nevele, als dochter van een Duitse vader en een Vlaamse moeder.
Haar vader pleegde zelfmoord toen ze nog een kind was, waardoor ze opgroeide in armoede.
Ze leerde verschillende talen en ontwikkelde een grote liefde voor literatuur.
Samen met haar zus Rosalie begon ze gedichten te publiceren onder het pseudoniem Loveling.
Na de dood van haar zus in 1875 legde Virginie zich toe op het schrijven van verhalen en romans, die getuigden van een scherp observatievermogen en een realistische stijl.
Ze nam geen blad voor de mond en hekelde de invloed van de katholieke kerk, de verfransing van de elite en de achterstelling van de vrouw.
Haar werken waren vaak controversieel en werden soms gecensureerd of verboden.
Virginie Loveling reisde veel en maakte kennis met andere culturen en schrijvers.
Ze schreef ook over haar reiservaringen in boeiende verslagen.
Ze was bevriend met haar neef Cyriel Buysse, met wie ze samen een roman schreef: Levensleer, een humoristische roman over de verfranste Gentse bourgeoisie.
Ze was ook actief in verschillende verenigingen die opkwamen voor de rechten van de vrouw en de Vlaming.
Virginie Loveling stierf op 1 december 1923 in Gent en werd begraven op de Westerbegraafplaats te Gent.
In 1890 besloten twee broers een Café Metropole te openen om hun bier te verkopen.
Het werd een succes en de familie Wielemans-Ceuppens kocht de aanpalende bank om het hotel te laten bouwen door de Franse architect Alban Chambon.
In het hotel kan men bij het binnenkomen aan de receptie nog de balie van de bank herkennen.
Naast deze authentieke delen werd het vooral modern luxueus met als eerste hotel elektrische verlichting en centrale verwarming.
Er werd gewerkt met luxueuze materialen als marmer en mahoniehout.
Naast de architectuur werd het ook bekend als de plaats waar de eerste Solvayconferenties (de solvayraad is een internationale conferentie voor natuurkundigen, voor het eerst georganiseerd door Ernest Solvay op 29 oktober 1911 en tegenwoordig door de door hem opgerichte organisatie, het Internationaal Instituut voor Fysica en Chemie plaats hadden).
In 1949 maakte de barman Gustave Tops een nieuwe cocktail voor de VS-ambassadeur Perle Mesta, namelijk Black Russian.
In tientallen producties figureert het hotel als locatie, onder meer in de film Mortelle randonnée (1982) en in de clip Nue van Clara Luciani (2018).
In de roman Soumission van Michel Houellebecq is het sluiten van de hotelbar voor de hoofdpersoon reden om zich te bekeren tot de islam.
Hij ziet er de ondergang van de westerse beschaving in.
Het hotel, dat nog in familiebezit was, werd in 2020 failliet verklaard.
Wanbeheer, de aanleg van een voetgangerszone, de aanslagen in Brussel en uiteindelijk de Coronacrisis lagen aan de basis.
In december 2022 werd het hotel overgenomen door het investeringsfonds Lone Star Fund met het oog op uitbating door Centaurus Hospitality Management.
De inboedel werd in het voorjaar van 2023 geveild.
Het hotel zal in het laatste kwartaal van 2025 de deuren heropenen, na een grondige renovatie. (Diverse bronnen, Wikipedia en reclame van november 1973)
Hij was een van de voortrekkers van de Vlaamse Beweging en een veelzijdig kunstenaar, die zowel proza, poëzie als muziek schreef.
Na zijn dood werd zijn lichaam overgebracht naar zijn geboortedorp Hoeselt, waar hij een ereplaats kreeg op de gemeentelijke begraafplaats.
Zijn grafmonument werd ontworpen door de beeldhouwer Jules Vits. Bij de plechtigheid waren onder meer zijn weduwe Maria Vanden Doorne en de gouverneur van Oost-Vlaanderen Hubert Verwilghen aanwezig.
Lambrecht Lambrechts, die het pseudoniem Lambrecht Renier gebruikte, was de zoon van Willem-Hendrik Lambrechts en Rosalia Somers.
Zijn vader was hoofdonderwijzer in Hoeselt, waardoor hij de bijnaam “Lemmen van de Meester” kreeg.
Hij volgde de lagere school in zijn geboortedorp en kreeg daar ook zijn eerste muzieklessen van de koster van Werm.
Daarna studeerde hij aan het Koninklijk Atheneum van Tongeren, waar hij bevriend raakte met Camille Huysmans en Jef Cuvelier.
In 1884 ging hij naar de normaalschool in Brugge, waar hij in 1887 afstudeerde als regent Nederlands en Engels.
Omdat hij geen werk vond, schreef hij zich in aan het Koninklijk Conservatorium van Luik, waar hij zang studeerde.
In 1889 werd hij aangesteld als leraar aan de Rijksnormaalschool in Ronse, waar hij tot 1901 bleef.
Op 25 augustus 1894 huwde hij in Ronse met de pianiste Maria Vanden Doorne, met wie hij meer dan 100 zangavonden verzorgde in heel Vlaanderen.
In 1901 verhuisde hij naar Lier, waar hij leraar werd aan de normaalschool.
Van 1905 tot 1918 gaf hij les aan de normaalschool in Gent.
Hij woonde toen in de Kunstlaan nr. 51 in Gent, waar zijn vrienden (onder wie Emiel Hullebroeck) in 1933 een gedenkplaat lieten aanbrengen.
In 1912 werd hij benoemd tot ridder in de Leopoldsorde.
In 1919 werd hij (omwille van zijn “flamingantisch non-conformisme”) overgeplaatst naar de normaalschool in ‘s-Gravenbrakel.
Zijn laatste overplaatsing (naar Blankenberge) gebeurde in 1921, waar hij les gaf tot in 1925 (hij was toen 60 jaar).
Van 1923 tot 1926 gaf hij ook les aan het Handels- en Taalinstituut van Jan Baptist Wannyn in de Savaanstraat in Gent.
In 1922 publiceerde hij zijn autobiografie “Mijn leven”, waarin hij zijn strijd voor de Vlaamse zaak en zijn artistieke loopbaan beschreef.
Hij schreef ook talrijke romans, verhalen, gedichten en liederen, die getuigen van zijn liefde voor zijn geboortestreek en zijn volk.
The Machines was een Belgische newwaveband die in de vroege jaren 80 furore maakte met hun catchy popnummers.
De band ontstond in Gent, waar zanger/gitarist Paul Despiegelaere de leiding nam. Hij schreef de meeste songs en zorgde voor een herkenbare sound.
De band deed mee aan Humo’s Rock Rally in 1980, een prestigieuze muziekwedstrijd die veel talent voortbracht.
The Machines wonnen de finale, waar ze het opnamen tegen onder andere Red Zebra, The Employees, The Singles en De Brassers.
Dit leverde hen een platencontract op bij EMI, een van de grootste labels van die tijd.
Hun eerste album, ‘A World of Machines’, verscheen in 1982 en was meteen een schot in de roos.
Het album bevatte hits als ‘Don’t Be Cruel’, ‘Yellow Lights’ en ‘(I See) the Lies in Your Eyes’, die allemaal hoog scoorden in de Vlaamse hitlijsten.
De platenhoes werd ontworpen door Bob De Moor, een bekende striptekenaar die samenwerkte met Hergé, de geestelijke vader van Kuifje.
Het tweede album, ‘Dots & Dashes’, kwam uit in 1983 en borduurde voort op het succes van het eerste.
Met een meer eigentijdse productie en nummers als ‘Local Radio DJ’ en ‘Frozen Faces’ wist de band opnieuw het publiek te bekoren.
De band toerde intensief door België en Nederland en speelde ook in Frankrijk en Duitsland.
Helaas kwam er in 1984 een abrupt einde aan de samenwerking met EMI, die besloot om zich terug te trekken uit de Belpopmarkt.
Veel Belgische bands verloren hun contract en moesten op zoek naar een ander label.
The Machines vonden onderdak bij Antler Records, een kleiner en onafhankelijker label dat zich specialiseerde in new wave en alternatieve muziek.
Bij Antler brachten The Machines nog een paar singles uit, zoals ‘The Lion Sleeps Tonight’ en ‘Money in My Wallet’, maar het succes van de vorige albums bleef uit.
In 1989 verscheen hun laatste album, ‘Jungle!’, dat een meer experimentele kant van de band liet horen.
Het album kreeg weinig aandacht en werd slecht ontvangen door de pers en het publiek.
Na ‘Jungle!’ besloten The Machines om ermee te stoppen. Paul Despiegelaere ging verder als producer en werkte samen met artiesten als Soulsister, Clouseau en Raymond van het Groenewoud.
Joris Angenon richtte samen met Alain Tant (Luna Twist) het duo Onygo op, dat later evolueerde naar The Dinky Toys, een succesvolle popgroep in de jaren 90.
In 2006 kreeg The Machines nog een eerbetoon toen hun nummer ‘Take Me Away’ gebruikt werd in de film Windkracht 10: Koksijde Rescue, een actiethriller over reddingswerkers op zee.
In 2013 overleed Paul Despiegelaere na een lange strijd tegen kanker. Hij werd 54 jaar oud.
The Machines wordt beschouwd als een van de pioniers van de Belpop, een term die gebruikt wordt om de rijke en diverse muziekscene in België aan te duiden.
Het Nieuw Circus in Gent heeft een lange en boeiende geschiedenis.
Het gebouw dateert van 1895 en was oorspronkelijk bedoeld als een multifunctionele zaal voor circus, theater, concerten en bals.
Het was ontworpen door architect Emile De Weerdt (1858-1938) in een eclectische stijl met neobarokke elementen.
Het had een ronde piste met een diameter van 13 meter en een capaciteit van 2500 personen.
In 1920 werd het Nieuw Circus getroffen door een zware brand die het interieur volledig verwoestte.
Alleen de buitenmuren bleven overeind. Drie jaar later begon de wederopbouw onder leiding van architect Oscar Ledoux (1866-1935).
Hij maakte van het Nieuw Circus een modern en luxueus gebouw met tal van technische innovaties, zoals geluidsbeheersing, brandwerende elementen, centrale verwarming, bijzondere licht- en geluidsinstallaties en elektriciteit.
De zaal kon nu 3400 personen ontvangen en werd beschouwd als het mooiste circus van Europa.
Het Nieuw Circus trok vele grote internationale circussen en wereldberoemde artiesten aan.
Na 1924 werden er heel wat spectaculaire acts opgevoerd, zoals het ‘Circus onder water’ van het Duitse Circus Busch in 1933, waarvoor de piste werd gevuld met 500 000 liter water.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte het circusgebouw in verval. De laatste voorstelling werd gespeeld door Circus De Jonghe in 1944.
In 1947 werd het gebouw omgevormd tot een garage door de nieuwe eigenaar Mahy.
Deze sloot in 1978 en het gebouw werd een opslag- en restauratieplaats voor oldtimers.
In 2005 kocht het stadsontwikkelingsbedrijf Sogent het gebouw met het oog op renovatie en integratie in een volledig vernieuwd stadsdeel De Krook.
De renovatiewerken zijn ondertussen afgerond.
Binnenkort zal het gebouw de nieuwe hotspot van Gent worden.