De geschiedenis van het ontstaan van het Justitiepaleis in Gent.

In het Staatsblad van 4 augustus 1832 verscheen een wet, dat de oprichting van een Beroepshof te Brussel, te Gent en te Luik voorzag.

Destijds bestond er in Gent een Tribunaal van Eerste Aanleg, die zittingen hield in het voormalig Jezuïetenklooster gelegen in de Volderstraat en waar er een meisjesschool gevestigd was.

In het Stadhuis van Gent werden de zittingen gehouden voor zowel het Assisenhof, de Handelsrechtbank en het Vredegerecht.

Maar een Justitiepaleis dat was er toen nog niet. Zelfs het Hof van Beroep kwam nog enkele zalen opeisen in het Stadhuis voor hun zittingen en werkzaamheden.

Daardoor stelde de Eerste Voorzitter Charles Massez voor, om een eigen Justitiehuis op te richten, op de terreinen waar het klooster en de kerk der Recoletten tot in 1798 was ingeplant en daarna werd gesloopt.

Het voorstel werd in de gemeenteraadszitting van 21 januari 1835 aangenomen.

Het bestek werd door de stedelijke bouwmeester Lodewijk Roelandt opgemaakt, die de verzekering gaf, dat de voorziene kosten de som van 820.000 Belgische fr. toen niet zouden overschrijden.

Het paleis werd gebouwd tussen 1836 en 1846, naar een ontwerp van de architect Louis Roelandt.

Het is een voorbeeld van de neoclassicistische stijl, die in die tijd populair was in Europa.

Het paleis heeft een symmetrische opbouw, met een centrale koepel en twee vleugels.

De voorgevel is versierd met zuilen, beelden en reliëfs die verwijzen naar de rechtspraak en de rechtsgeleerdheid.

Het Justitiepaleis was niet het eerste gerechtsgebouw in Gent.

Al in de middeleeuwen was er een schepenhuis, waar de schepenen of rechters zetelden.

Dit gebouw stond op de hoek van de Botermarkt en de Hoogpoort, maar werd afgebroken in 1782.

In de Franse tijd werd het Hof van Beroep gevestigd in het voormalige bisschoppelijk paleis aan de Reep.

Dit gebouw voldeed echter niet aan de eisen van de moderne rechtspraak, en daarom werd besloten om een nieuw paleis te bouwen op een ruimere locatie.

De keuze viel op het terrein van het Sint-Elisabethbegijnhof, dat in 1824 door de staat was onteigend.

Het begijnhof was een religieuze gemeenschap van vrouwen die zich wijdden aan gebed en liefdadigheid.

Het bestond al sinds de 13e eeuw en had een eigen kerk, kapel, ziekenhuis en kloostergebouwen.

Het begijnhof werd echter gezien als een symbool van het ancien régime, en moest plaatsmaken voor het nieuwe Justitiepaleis.

De bouw van het paleis verliep niet zonder problemen.

Er was veel kritiek op het ontwerp, dat te pompeus en te duur werd gevonden.

Er waren ook technische moeilijkheden, zoals de instabiliteit van de grond en de verzakking van de koepel.

Bovendien brak er in 1842 een grote brand uit in het paleis, die veel schade aanrichtte.

Het duurde uiteindelijk tien jaar voordat het paleis voltooid was.

Het Justitiepaleis heeft sindsdien verschillende functies gehad.

Het was eerst het Hof van Beroep, daarna het Hof van Assisen, en nu het Hof van Beroep voor Oost- en West-Vlaanderen.

Het paleis heeft ook verschillende restauraties ondergaan, om het aan te passen aan de veranderende noden en normen.

Zo werd er in 1970 een nieuwe vleugel toegevoegd aan de achterzijde, waar nu de correctionele rechtbank zetelt.

Het Justitiepaleis in Gent is meer dan een gerechtsgebouw. Het is ook een monument dat getuigt van de geschiedenis en de cultuur van de stad.

Het is een plek waar recht wordt gesproken, maar ook waar kunst wordt bewonderd.

Het paleis herbergt namelijk een rijke collectie schilderijen, beelden, meubels en archieven, die de evolutie van de rechtspraak en de rechtsgeleerdheid illustreren.

Het paleis is ook regelmatig open voor het publiek, bijvoorbeeld tijdens erfgoeddagen of tentoonstellingen.

Vandaag is het Allerzielen, een dag waarop we de mensen gedenken die ons zijn voorgegaan.

Een van de bekendste begraafplaatsen in Vlaanderen is het Campo Santo in Sint-Amandsberg, een deelgemeente van Gent.

Deze begraafplaats is vernoemd naar het gelijknamige kerkhof in Rome en is de laatste rustplaats van vele bekende figuren uit de katholieke, culturele en financiële wereld.

Maar ook enkele vrijzinnigen hebben hier hun graf gevonden.

Het Campo Santo ligt op een heuvel waar volgens de overlevering de heilige Amandus in de zevende eeuw het evangelie verkondigde.

Gisteren nog vandaag

Op de top staat de Sint-Amanduskapel, een barok bouwwerk uit 1720.

Rondom de kapel staan oude bomen die getuigen zijn van de geschiedenis van deze plek.

De eerste persoon die hier werd begraven was Marie de Hemptinne, een rijke dame die veel geld schonk aan goede doelen.

Gisteren nog vandaag

Zij stierf in 1847 en liet haar landgoed na aan de kerk.

Sindsdien zijn er meer dan 130 grafmonumenten opgericht, die beschermd zijn als cultureel erfgoed.

Onder de beroemdheden die hier liggen, zijn er veel schrijvers, schilders en componisten.

Gisteren nog vandaag

Zo vinden we hier onder andere de graven van Cyriel Buysse, Maurice Maeterlinck, Gustave Van de Woestyne, Jules De Bruycker en Arthur Verhaegen.

Ook de Gentse acteur Cyriel Van Gent, die eigenlijk Cyriel Verbrugghen heette, ligt hier begraven.

Ook mijn papa heeft hier zijn laatste rustplaats gevonden. (Foto’s met dank aan Beeldbank Stad Gent en Claude Faseur)

Gisteren nog vandaag

45 jaar geleden, de Gentse actrice Magda Cnudde speelt in de Jespersfilm de rol van Ondine Van Aelst, alias Rosanne Van Laere.

De film, Mijn vriend, is gebaseerd op het waargebeurde verhaal van het proces Jespers dat in de jaren zeventig veel ophef veroorzaakte in België.

Magda Cnudde vertolkt de rol van Ondine met veel overtuiging en nuance.

Mijn mama en mijn plus vader waren toen ook te zien als figuranten in deze film.

De film, geregisseerd door Fons Rademakers, kwam in première op 5 april 1979.

De film was geen kassucces.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

De Gentse actrice Magda Cnudde, leerde ik kennen toen ik werkte in het Ntg waar ze deel uitmaakte van het gezelschap bij het Nederlands Toneel Gent.

Magda Cnudde is een gerenommeerde Gentse actrice die zowel op het toneel als op het scherm schitterde.

Ze werkte samen met prestigieuze gezelschappen zoals NTGent en het Raamtheater, waar ze het podium deelde met grote namen als Bob Snijers, Steven De Lelie en Anneleen Cooreman.

Ze vertolkte uiteenlopende rollen in Het oneindige verhaal, de musical Peter Pan, Chocoladetongen en Spaans stuk.

Tijdens de Gentse Feesten van 2005 kroop ze in de huid van Flavie in De Paradijsvogels.

Ze maakte ook indruk op het witte doek in films als Mijn vriend en Pauline & Paulette. Ze had een rol in Confituur, de tweede film van Lieven Debrauwer.

Daarnaast was ze te zien in de BRT-jeugdserie Tim.

Ze was ook te gast op televisie in Heterdaad (mevrouw De Roover), Café Majestic (Rosalie), Alexander (Irene), Flikken (moeder van Kevin), Hallo België (Renée), De Kotmadam (Bernadette), Verschoten & Zoon (mevrouw Moreels), Aspe (Simonne Van Der Veken), Happy Singles (Martha) en Thuis (Hilde Camps).

Ze speelde een vaste rol in de VTM-serie Spoed als baliebediende/verpleegster Bea Goossens (2004-2008) en als Trudie, de “huismoeder” in Het Huis Anubis (2006-2009).

Van 2010 tot 2011 was ze te volgen in de VTM-soap Familie.

Van 2012 tot 2015 speelde ze mee in de jeugdserie Rox.

45 jaar geleden, was er een artikel over de betwisting van een erfenis van de vierde en laatste markies Emmanuel Ferdinand de Bette van Lede, toen bijna al 200 jaar overleden.

De markies had geen wettige nakomelingen en liet zijn fortuin na aan verre verwanten.

In zijn testament stond echter een clausule die de mogelijkheid bood om de erfenis te betwisten als er personen waren die konden aantonen dat ze nauwer verwant waren, bijvoorbeeld als kinderen van de markies.

Voor 1978 hadden al verschillende mensen geprobeerd om de erfenis op te eisen, maar ze werden allemaal afgewezen wegens gebrek aan bewijs.

De rechtszaken duurden jaren en kostten veel geld en moeite.

Uiteindelijk zal ook de zaak in 1978 geseponeerd worden. Maar wie was die van oorsprong Gentse familie?

Het Gentse adellijke Huis Bette was een invloedrijke familie die sinds de 13e eeuw een belangrijke rol speelde in de politieke en economische geschiedenis van Vlaanderen.

De familie bezat verschillende heerlijkheden, waaronder Lede dat in 1438 door Filips de Goede werd verheven tot baronie.

De laatste telg, Emmanuel Ferdinand werd te Madrid geboren en er gedoopt in de Iglesia de San Martin in oktober 1724.

Nog geen jaar later, in februari 1725, overleed zijn vader.

Het markizaatkasteel werd in 1749 door hem heropgebouwd in een oase van bomen en groen en vijvers.

Het waterslot van weleer werd nu een stoer uitziend rechthoekig gebouw, waarvan het middendeel vooral opvalt door de rondbooggalerij met balustrade, de 4 Dorische zuilen en het driehoekig leeuwenfronton.

Hij was baljuw van Aalst en Grote van Spanje 1ste klas (Rico Hombre) (= behoorde tot de Kroonraad en mocht – als “1ste klas” – de koning spreken en aanhoren met bedekt hoofd!), werd in 1749 benoemd tot Maréchal de France en sloot zich in 1789 aan bij de opstand tegen Jozef II.

Emmanuel, de laatste markies van Lede, genoot op zijn minst gezegd van een frivool leventje en overleed hier op het kasteel, kinderloos, op 6 juli 1792 en daarmee zijn al problemen rond zijn erfenis begonnen.

Hij zou een huwelijk “met de linkerhand” (met iemand huwen van lagere komaf werd vroeger zo omschreven) gehad hebben met een zekere Rosalie-Estienette du Tarte (°29/8/1740 te St.-Bonnet-de-Vieille-Vigne, Frankrijk) in 1762 te Amsterdam.

Zij was actrice in de Muntschouwburg te Brussel, stad waar zij ook woonde.

Zij stierf op 13 september 1788.

De laatste telg van het Huis Bette, Ferdinand, overleed in 1792 zonder nakomelingen.

Hij liet een aanzienlijk vermogen na, dat verdeeld werd onder zijn neven en nichten.

Beiden werden te Lede begraven, en zowel zij als Emmanuel werd gezien hun liederlijke levenswandel buiten de kerk begraven.

Volgens het erfrecht in het Land van Aalst, ging de erfenis voor 1/3 naar moederskant en 2/3 naar vaderskant, zijnde naar een verre erfgenaam van de Grutere, nl. Jean Charles baron de Joigny de Pamele.

Hoe bepalend de markiezen waren in onze geschiedenis wordt gerelativeerd door de Amerikaanse historicus David Nicholas, een internationale autoriteit op het gebied van Europa in de middeleeuwen en Vlaanderen in het bijzonder.

In zijn boek “Vlaanderen in de middeleeuwen” schrijft hij: “Rond die tijd was de benaming niet meer dan een persoonlijke onderscheiding geworden die als een gunst werd toegekend.”

Een voorvader van de gevierde Emmanuel, Jean François de Bette (1667-1725) verkocht zich als huurling aan de Spaanse koning die de postkoloniale honger van het land tot in Marokko vastlegde.

Hij kreeg een straat in de nu nog steeds Spaanse enclave Ceuta.

45 jaar geleden, leuke video van het Free Jazz festival in Gent, in 1978.

Ondanks de kritische geluiden die zowel bij traditionele(re) muzikanten als bij de pers te horen waren over het controversiële karakter van freejazz, werd het genre toen druk beoefend in het Gentse.

Locaties waar het onder meer een dankbaar publiek vond, waren café Trefpunt, kleinkunsttheater Op Zolder en de Hotsy Totsy Club.

Ook in de auditoria van de universiteit en in studentenrestaurant De Brug werden vaak freejazzconcerten georganiseerd op initiatief van de Universitaire Jazzclub. (Patrick De Groote)

Vandaag 100 jaar geleden, de openingsplechtigheid van het academiejaar op 16 oktober 1923, sprak Jean-François Heymans (Hij verkoos de naam Jan Frans Heymans) de rectorale rede uit in het Nederlands.

Zijn toespraak werd door de Franstalige staf van de universiteit ernstig verstoord.

Halverwege zijn toespraak ging geleidelijk het elektrisch licht uit, volgens Elaut door sabotage vanuit de stadscentrale, zodat men zich een half uur lang met kaarslicht moest behelpen.

De voorgaande rector had uit protest tegen de gedeeltelijke vernederlandsing van de universiteit ontslag genomen, en als oudste hoogleraar van de medische faculteit was Heymans rector geworden.

In augustus 1924, op het 23e Vlaams Natuur- en Geneeskundig Congres te Aalst, verklaarde hij in een toespraak dat de toenmalige door minister Nolf tot stand gebrachte tweetaligheid van de Gentse universiteit (bekend als de “Nolfbarak”) “schoenlapperswerk” was.

En meteen na het einde van zijn rectoraat uitte hij op 7 november van dat jaar in een interview met De Standaard de vaste overtuiging dat het hogeschoolprobleem enkel door een algehele vervlaamsing van deze universiteit kon worden opgelost; ook verklaarde hij daarbij dat hij pas tijdens zijn rectoraat echt Vlaamsgezind was geworden omdat hij toen had kunnen vaststellen hoezeer alles wat Vlaams was werd tegengewerkt.

Jan Frans Heymans was een zoon van bescheiden landbouwers uit het Pajottenland, die nog in een lemen huisje woonden.

Door de opmerkzaamheid van een plaatselijke onderwijzer en tussenkomst van de pastoor kon hij met een studiebeurs verder studeren.

Heymans deed zijn humaniora aan het kleinseminarie in Hoogstraten en ging nadien geneeskunde studeren aan de Katholieke Universiteit Leuven te Leuven.

Heymans was in 1885 ook de medeoprichter van de Brabantse Gilde, de koepel van regionale katholieke studentenclubs uit Vlaams-Brabant in Leuven.

Dankzij beurzen en de morele steun van professor Carnoy trok Heymans eerst naar Parijs om verder te studeren, nadien naar Berlijn, daar werd hij vier jaar assistent van professor Raymond Dubois.

Jan Frans Heymans werd in 1892 te Gent de pas opgerichte leerstoel in de farmacodynamiek aangeboden, een onderdeel van de farmacologie of de kennis der geneesmiddelen, anders gezegd het experimenteel onderzoek naar geneesmiddelen.

Het opsporen van de werkingswijze van een geneesmiddel, gewoonlijk eerst bij de dieren, en ook de therapeutische werking van het geneesmiddel, dus de genezende kracht die het bezit.

Het is dus een onderzoek dat direct bij de fysiologie aansluit.

Het instituut werd later naar hem genoemd en werd nadien geleid door zijn zoon Corneel Heymans.

Voor dit werk behaalde zijn zoon in 1938 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde met als officiële vermelding: “Voor het aantonen hoe de bloeddruk en het zuurstofgehalte van het bloed door het lichaam worden gemeten en hoe dit wordt overgedragen naar de hersenen”.

Ondertussen was vader Jan Frans Heymans overleden, maar iedere wetenschapper is ervan overtuigd dat hij mede aan de basis lag van het succes van zijn zoon.

De Prijs Jan-Frans Heymans is een vijfjaarlijkse prijs die sinds 1942 toegekend wordt aan een doctor in de geneeskunde, voor een oorspronkelijke verhandeling, in het Nederlands, Engels of het Frans, die moet handelen over experimentele of klinische farmacologische wetenschappen.

De prijs bedraagt tegenwoordig 2.500 euro.

Vandaag is het al 70 jaar geleden dat de Gentse Mathilde Pede is overleden.

Ze was een naaister en zangeres en een van de 27 Belgen aan boord van het schip Titanic dat op 15 april 1912 zonk. Ze was gehuwd met Leopold Weisz.

Het was de Belgische journalist Dirk Musschoot die haar echte naam ontdekte gezien ze oorspronkelijk op de passagierslijst genoteerd was als Mathilde Weisz.

Mathilde Pede was uit Gent afkomstig, meer bepaald uit het intussen verdwenen De Vreese Werkmanskwartier bij de Sint-Pietersabdij.

Ze was een tijdlang meid in het toenmalige Grand Palais Valentino dicht bij het toenmalige station Gent-Zuid.

Toen ze 21 was ging ze studeren aan de Bromsgrove Guild of Applied Art in Engeland waar ze Leopold Weisz ontmoette, een Hongaars-Joodse beeldhouwer die in Montreal werkte.

Het Bromsgrove Guild of Applied Art was een vereniging van moderne kunstenaars, actief van 1898 tot 1966 en de leden maakten kunstwerken voor onder meer de Lusitania.

Mathilde Pede woonde een tijdlang in Bromsgrove, een plaats in het district Bromsgrove, op 21 km van Birmingham.

Ze huwden en hij haalde haar later op in Engeland.

Ze besloten naar Canada te emigreren, zeer tegen de zin van haar ouders. Oorspronkelijk zouden ze op een ander schip in eerste klasse de oceaan oversteken, maar door een kolenstaking boekten ze een ticket op de Titanic (nummer 228414, £ 26).

Op de avond van de tragedie zong Mathilde Pede een hymne in de eetzaal van de tweedeklassepassagiers. Dhr. Pain en Douglas Norman begeleidden haar terwijl ze The Last Rose of Summer zong.

Leopold Weisz verdronk en zij overleefde de ramp, samen met zes andere Belgen. Ze ontscheepte van de Carpathia op 18 april 1912 in New York.

De autoriteiten besloten Mathilde Weisz terug naar België te deporteren gezien men haar beschouwde als onvermogend.

Toen het lijk van haar man werd geborgen met goud ter waarde van 15.000 dollar in zijn kledij veranderde haar situatie en ze bleef in Montreal. In 1914 huwde ze de zakenpartner van haar overleden man.

Na de Eerste Wereldoorlog kreeg ze van koning Albert de medaille van koningin Elisabeth opgespeld omdat ze $ 57.000 aan steun had verzameld voor Belgische liefdadigheidswerken.

Mathilde Pede bracht de rest van haar leven in Canada door.

Ze werd begraven op het kerkhof Notre-Dame des Neiges te Montreal. In Gentbrugge werd een straat naar haar genoemd.

Gisteren nog vandaag