60 jaar geleden, op bezoek bij IPEM in Gent.

Op 1 januari 1963 ziet het Instituut voor Psychoakoestiek en Elektronische Muziek officieel het levenslicht, een samenwerking tussen de Gentse Rijksuniversiteit en de BRT die 23 jaar zal duren.

Corneel Mertens, programmadirecteur van de Belgische Radio- en televisieomroep (BRT), en professor Hubert A. Vuylsteke (1904-1964) van het Laboratorium voor Toegepaste Zwakstroom zijn de initiatiefnemers van het IPEM.

Gisteren nog vandaag

Zij droomden van de oprichting van een elektronische studio waar met behulp van nieuwe elektronische middelen radiofonisch effecten geproduceerd kunnen worden.

Voor de ontwikkeling van nieuwe apparatuur komt de jarenlange ervaring van het technisch personeel van het laboratorium van prof. ir. Vuylsteke van pas.

Gisteren nog vandaag

De heren zien in een elektronische studio ook een prestigeproject: een Belgische elektronische studio moet kunnen concurreren met andere studio’s voor elektronische muziek in Parijs, Keulen en Milaan.

Zo een elektronische studio komt er dus in het nieuw opgerichte IPEM.

Gisteren nog vandaag

In de naam weerklinken de twee pijlers van het nieuwe instituut: wetenschappelijk onderzoek en artistieke praktijk.

Doelstelling van de initiatiefnemers is een vruchtbare kruisbestuiving tussen beide tot stand te brengen.

In de studio kunnen nieuwe muziekstukken worden gecomponeerd en in het laboratorium kan geëxperimenteerd worden met instrumentenbouw en geluidsproductie.

Na de plotse dood van professor Vuylsteke in 1966 wordt musicoloog Jan Broeckx directeur van het IPEM en verhuist het instituut van de faculteit Ingenieurswetenschappen naar de faculteit Letteren en Wijsbegeerte.

Het vindt aanvankelijk onderdak in het Technicum en verhuist in 1966 naar een herenhuis op de Muinkkaai.

Gisteren nog vandaag

De eerste 25 jaar van zijn bestaan zal het IPEM onder impuls van directeur Jan Broeckx en artistieke directeuren en componisten Louis De Meester, Karel Goeyvaerts en Lucien Goethals uitgroeien tot een soort productiestudio met een heel eigen sonoriteit.

Vernieuwende componisten van over de hele wereld zullen er muziek maken.

In 1986 eindigt de samenwerking tussen de UGent en de BRT en gaat het IPEM onder leiding van professoren Herman Sabbe en Marc Leman verder als wetenschappelijk topinstituut.

Het IPEM trekt naar de Rozier en huist sinds 2013 in het Technicum.

Gisteren nog vandaag

De band tussen muziek en maatschappij blijft er centraal staan. (Diverse bronnen, RUG, Foto’s 1964: Foto 2, 4 Louis de Meester, Foto 3 Louis de Meester en Lucien Goethals in het midden)

Vandaag 100 jaar geleden, begrafenis van de Gentse Liberale politieker Albert Mechelynck (11 maart 1924)

Albert Josse Louis Mechelynck was de zoon van de voorzitter van het hof van beroep in Gent, Louis Mechelynck, en van Pauline Delehaye, een dochter van de Gentse burgemeester Josse Delehaye.

Albert studeerde aan het Atheneum aan de Ottogracht en aan de Gentse universiteit, waar hij in 1876 doctor in de rechten werd.

In 1879 schreef hij zich in aan de Gentse balie, waar hij naam maakte.

In 1880 trouwde hij met Anne Pauline Barbanson, uit de gelijknamige invloedrijke Brusselse familie.

In 1879 werd Mechelynck lid van het dagelijks bestuur van de Association libérale, constitutionelle et démocratique de l’arrondissement de Gand-Eeclo of arrondissementsfederatie.

In 1884 werd hij verkozen tot provincieraadslid voor Oost-Vlaanderen.

Tijdens zijn twintigjarig lidmaatschap ontwikkelde hij een politiek netwerk dat de liberale tenoren uit zijn tijd, maar ook gematigde oppositiefiguren bereikte.

In 1904 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger en bleef dit mandaat bekleden tot aan zijn dood.

Van 1919 tot 1924 was hij ondervoorzitter van de Kamer.

Mechelynck was lid van de Gentse vrijmetselaarsloge Septentrion, waarvan hij van 1891 tot 1895 de Achtbare Meester was.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Mechelynck zich in Gent verdienstelijk als leider van het Gentse comité binnen het Nationaal Comité voor Hulp en Voedselvoorziening (Comité national de secours et d’alimentation), dat tot het einde van de oorlog actief was.

Hij was ook een actief lid van het Comité voor Vaderlandslievende Acties dat het morele verzet tegen de bezetter stimuleerde.

Als advocaat verleende hij juridische bijstand aan beklaagden van verzetsdaden die voor de Duitse rechtbanken moesten verschijnen.

Hij kwam te overlijden op 9 maart in zijn woning, gelegen in de Brabantdam 56, vroeger nr 51 (foto 1 en 2 van zijn woning, en het huis bestaat nog steeds en is nu een winkel)

Vandaag is het al drie jaar geleden dat de Gentse politieker Francis Van den Eynde is overleden.

Ik leerde Francis in de jaren negentig van de vorige eeuw kennen, als een warm en tedere man.

De eerste ontmoeting zal ik nooit vergeten, het was in de ochtend toen hij zijn gevel aan het opkuisen was.

Want voor de zoveelste keer was zijn gevel terug beklad met hakenkruisen en scheldwoorden.

De waardige manier hoe hij daarmee omging, was het begin van een wederzijdse waardering voor elkaar.

Ondanks verschillende achtergronden, leerde ik via Francis een andere kant kennen over Vlaanderen en vooral dat hij een warm hart had voor alle mensen. Dus zeker niet de racist, zoals sommige hem durfde te noemen.

Later werden we dan ook vrienden, zoals we dat noemen in Fb termen.

Zijn liefde voor folkmuziek en Ierland kwam vaak aan bod tijdens onze gesprekken.

Van den Eynde zetelde twintig jaar lang in de Kamer en het Vlaams Parlement, maar was bovenal het boegbeeld van Vlaams Blok en later Vlaams Belang in Gent.

Daar zetelde hij tussen 1988 en 2012 in de gemeenteraad.

Van den Eynde doorliep een parcours dat vrij klassiek is voor oudere VB’ers: hij startte zijn carrière bij de Volksunie en stapte na het Egmontpact uit de partij om onder leiding van Karel Dillen het Vlaams Blok te helpen uitbouwen.

Hij was ook actief bij radicale bewegingen als Were Di en Voorpost.

Het bezorgde hem een parlementaire carrière van twintig jaar, en even – tussen 1999 en 2001 – was hij ook ondervoorzitter van de Kamer. Toen echter bleek dat hij aanwezig was geweest op een bijeenkomst van het Sint-Maartenfonds – een organisatie van voormalige Oostfrontstrijders en ex-nazi’s – moest hij die functie neerleggen.

Het was dezelfde vergadering die Johan Sauwens (toen VU, later CD&V) bijwoonde, en waardoor hij moest opstappen als Vlaams minister.

Ook het einde van Van den Eyndes carrière bij Vlaams Belang was tumultueus.

Hij koos de kant van voormalig partijvoorzitter Frank Van Hecke en Marie-Rose Morel in hun pogingen om de partij een minder radicale koers te laten varen.

En dat zorgde voor spanningen met partijvoorzitter Bruno Valkeniers en Filip Dewinter.

Ook in Gent waren er problemen: samen met vier andere gemeenteraadsleden scheurde Van den Eynde zich af van de moederpartij om de Belfortgroep op te starten.

Uiteindelijk schorste het partijbestuur hem in, en in 2011 werd hij uit de partij gezet.

Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 riep hij op om voor de N-VA te stemmen.

40 jaar geleden, de Gentse groep The Machines in de Joepie.

In 1980 brachten The Machines twee singles uit, waarvan er één (The Hustle) op het verzamelalbum Get Sprouts beland was, een door Marcel Vanthilt gemaakte compilatie van Belgische popnummers die door de bank ASLK verspreid werd.

The Machines was een van de vele newwavebands die begin jaren 80 in België als paddenstoelen uit de grond schoten en de naam Belpop meekregen.

De groep verwierf verdere bekendheid door deel te nemen aan de tweede editie van Humo’s Rock Rally in 1980.

In deze editie deden ook Red Zebra, The Employees, The Singles (met Ben Crabbé) en De Brassers mee. The Machines wonnen uiteindelijk de wedstrijd.

De grote doorbraak bij het publiek kwam er eind 1981 met de single ‘Don’t Be Cruel’, een meer gepolijst lied dan hun eerste twee singles.

Het debuutalbum ‘A World of Machines’ uit 1982, waarvan de hoes verzorgd werd door Hergés rechterhand Bob De Moor, werd een groot succes.

‘Yellow Lights’ en het fel door Yesterday van The Beatles beïnvloede ‘(I See) the Lies in Your Eyes’ werden radiohits in Vlaanderen.

In 1983 volgde het album ‘Dots & Dashes’. Met een modernere sound scoorden The Machines opnieuw.

‘Local Radio DJ’ leverde de groep opnieuw een radiohit op.

Daarna volgden enkele disputen met platenmaatschappij EMI. In 1984 trok deze zich terug uit de Belpopmarkt, zodat heel wat bands hun contract verloren.

The Machines zouden nog een handvol singles en het album Jungle! (1989) uitbrengen bij een kleiner platenlabel, maar het grote succes bleef uit.

Ten slotte ging de band uit elkaar: Paul Despiegelaere legde zich toe op productiewerk en Joris Angenon richtte eerst met Alain Tant (Luna Twist) het duo Onygo op, en ging daarna verder met The Dinky Toys.

In 2006 werd het nummer Take Me Away nog gebruikt op de soundtrack van de film Windkracht 10: Koksijde Rescue.

Op 7 september 2013 overleed Paul Despiegelaere na een lange ziekte. (Diverse bronnen, Joepie 12 februari 1984 en Bruno Massaer)

Geschiedenis van het Kasteel van Tieghem de ten Berghe in Mariakerke en haar bouwheer.

Het kasteel is ontworpen door de architect Joseph Schadde en werd in 1890 voltooid in opdracht van Paul Van Tieghem.

Paul Van Tieghem was de erfgenaam van de heerlijkheid Schaubroeck, een oud leen dat zich uitstrekte over de parochies Mariakerke, Drongen en Wondelgem.

De geschiedenis van deze familie gaat terug tot de 14de eeuw, toen ze eigenaar werden van het goed van Coolman dat later het kasteel Van Tieghem de ten Berghe zou worden.

In de loop der eeuwen kwam de heerlijkheid Schaubroeck in handen van verschillende adellijke geslachten, zoals de Triest, de Borluut en de Van der Noodt.

In 1889 liet Paul Van Tieghem het oude kasteel afbreken en een nieuw neogotisch kasteel bouwen dat hij Les Muguets noemde.

Hij woonde er tot 1917, waarna het kasteel door de Duitsers bezet werd en later aan diverse huurders verhuurd werd.

Het gebied van de heerlijkheid Schaubroeck werd grotendeels verkaveld in de 20ste eeuw.

Na de Tweede Wereldoorlog raakte het kasteel verwaarloosd en onbewoond, totdat het in 1963 werd aangekocht door de gemeente Mariakerke.

Het kasteel werd gerestaureerd en deed vanaf 1967 dienst als het gemeentehuis van Mariakerke.

Na de fusie met Gent in 1977 werd het kasteel een dienstencentrum voor de deelgemeente.

Het kasteel is sinds 1997 beschermd als monument en is een voorbeeld van de neogotische stijl.

Onder neogotiek wordt een 19e-eeuwse stroming in de bouwkunst verstaan die zich geheel heeft laten inspireren door de middeleeuwse gotiek.

Het kasteel heeft een rechthoekige plattegrond met een polygonaal (Polygonaal wil zeggen “naar vele richtingen verlopend” en het woord bestaat uit het Griekse poly (veel) en de toevoeging “gonaal”, die afkomstig is van het Griekse gonia (hoek) hoektorentje op de noordoostelijke hoek.

De voor- en achtergevel worden gemarkeerd door een breed middenrisaliet met een opengewerkte puntgevel.

Het kasteel is opgetrokken uit rode baksteen met verwerking van arduin en heeft een schilddak met leien.

Het interieur is aangepast aan de neogotische stijl en bevat onder meer stucversiering, schouwmantels en wapenschilden (foto februari 1934)

Het Groot Begijnhof van Sint-Amandsberg, Gent, in oude postkaarten.

Het begijnhof ontstond in de 19e eeuw als een nieuwe vestiging voor de begijnen van het Oude begijnhof Sint Elisabeth, die moesten wijken voor de stadsuitbreiding en de militaire bezetting.

Het nieuwe begijnhof werd gebouwd op een ruim domein van 6,11 hectare en in neogotische stijl, met een kerk, een infirmerie, een school, een bakkerij en een kaasmakerij.

Het begijnhof bood onderdak aan meer dan duizend begijnen, die zich inzetten voor de zorg en het onderwijs van de arme bevolking.

Het begijnhof bleef bewoond tot 2005, toen de laatste begijn overleed.

Sindsdien wordt het begijnhof gerestaureerd en herbestemd als woon- en werkplek voor kunstenaars, studenten en gezinnen (postkaarten uit de verzameling van Claude Faseur)

Geschiedenis van de schandpaal in Vlaanderen en de overgebleven schandpalen in de schandpaal van St Amands, Van Viersel, Merksem, Gestel en Gent.

Een schandpaal was een houten of stenen paal die in de middeleeuwen en later werd gebruikt om misdadigers of overtreders aan het publiek te tonen.

Ze werden meestal geplaatst op een centrale plaats in een stad of dorp, zoals een marktplein of een kerkhof.

De schandpaal diende als een vorm van straf en afschrikking, maar ook als een vernedering en een schending van de eer.

In Gent stond er een schandpaal op de groentemarkt, vlakbij het café Galgenhuis.

Dit café dankt zijn naam aan het feit dat het vroeger een gerechtshuis was waar ter dood veroordeelden hun laatste glas konden drinken.

Het café heeft nog steeds een galg in zijn uithangbord.

De schandpaal op de groentemarkt werd in 1772 afgebroken, maar er is nog een replica te zien in het STAM, het stadsmuseum van Gent.

In Vlaanderen zijn er verschillende oude schandpalen bewaard gebleven, die getuigen van de lokale geschiedenis en cultuur.

Een van de bekendste is de schandpaal van Sint-Amands, die dateert uit de 16e eeuw en versierd is met het wapenschild van de familie Lalaing, de toenmalige heren van Sint-Amands.

De schandpaal staat nog steeds op zijn oorspronkelijke plaats aan de Scheldekaai, waar hij vroeger diende om misdadigers aan de schepen te tonen.

Een andere oude schandpaal is die van Viersel, een deelgemeente van Zandhoven.

Deze schandpaal werd in 1771 opgericht door graaf Karel van Ursel, de heer van Viersel, en is versierd met zijn wapenschild en dat van zijn vrouw.

De schandpaal staat nu in het park van het kasteel van Viersel, dat nog steeds eigendom is van de familie van Ursel.

De schandpaal van Merksem is een van de oudste schandpalen van Vlaanderen.

Hij werd in 1393 opgericht door hertog Jan zonder Vrees, de heer van Merksem, en is gemaakt van arduinsteen.

De schandpaal heeft een achthoekige vorm en is voorzien van vier ijzeren ringen waaraan kettingen werden bevestigd.

De schandpaal staat nu op het Burgemeester Jozef Nolfplein, vlakbij de Sint-Bartholomeuskerk.

De schandpaal van Gestel is een bijzondere schandpaal, omdat hij niet alleen diende om mensen te straffen, maar ook om dieren te keuren.

Hij werd in 1756 opgericht door graaf Jan Baptist d’Ursel, de heer van Gestel, en is gemaakt van blauwe hardsteen.

De schandpaal heeft een ronde vorm en is voorzien van een ijzeren haak waaraan een weegschaal werd gehangen.

De schandpaal staat nu op het dorpsplein van Gestel, een deelgemeente van Berlaar.

De meeste schandpalen werden afgeschaft na de Franse Revolutie, toen ze werden beschouwd als symbolen van feodale onderdrukking en onrechtvaardigheid.

Sommige schandpalen werden vernield of verplaatst, andere werden bewaard als historische monumenten of kunstwerken.

De oude schandpalen in Vlaanderen zijn dus niet alleen overblijfselen uit het verleden, maar ook getuigen van het heden.

De schandpaal was een strafinstrument dat gebruikt werd om misdadigers publiekelijk te vernederen.

In Vlaanderen werden schandpalen opgericht vanaf de 13e eeuw, vooral in steden en dorpen met een eigen rechtspraak.

De schandpaal bestond meestal uit een stenen of houten zuil met een ijzeren ring of ketting waaraan de veroordeelde werd vastgebonden.

De schandpaal stond vaak op een centrale plaats, zoals een marktplein of een kerkhof, zodat iedereen de schande kon zien.

De misdadigers moesten soms ook een bord dragen met hun misdaad erop geschreven, of werden bekogeld met rotte eieren, stenen of vuilnis.

De schandpaal werd afgeschaft in de 18e eeuw, toen de Verlichting nieuwe ideeën over strafrecht bracht.

Veel schandpalen werden vernield of verwijderd, maar sommige zijn nog steeds te zien in Vlaanderen.

Een van de oudste en best bewaarde schandpalen staat in Sint-Amands, een gemeente aan de Schelde.

Deze schandpaal dateert uit 1525 en heeft een fraai versierde sokkel met het wapenschild van de heerlijkheid Sint-Amands.

Andere voorbeelden van overgebleven schandpalen zijn die van Viersel, een dorp in de provincie Antwerpen, die uit 1619 dateert en een leeuwenkop als bekroning heeft; die van Merksem, een district van Antwerpen, die uit 1624 dateert en een adelaar als bekroning heeft; en die van Gestel, een gehucht in de gemeente Berlaar, die uit 1773 dateert en een zonnewijzer als bekroning heeft. (Ons Volk 7 januari 1934)

Gisteren nog vandaag

150 jaar geleden, Gentse geschiedenis over de rol van de penshuisjes, die in de zestiende eeuw tegen het Groot Vleeshuis werden gebouwd.

Hier werd vlees verkocht dat nog net eetbaar was, maar niet meer voldeed aan de strenge kwaliteitsnormen voor de rijkere consument.

Dit was dus vooral bedoeld voor de armere bevolking, die zich geen vers vlees kon veroorloven.

De pensmarkt, zoals deze plek later werd genoemd, was een belangrijke bron van inkomsten voor de stad.

Er werd niet alleen pens verhandeld, maar ook andere soorten vlees en gevogelte, zoals kalfs-, lam-, os- en rundvlees.

Vanaf 1664 kon men daar ook kalkoenen, kippen en ganzen kopen.

De pensmarkt was een levendige en kleurrijke plaats, waar de klanten konden kiezen uit een verscheidenheid aan producten naar hun smaak en eetlust (foto van 1874 en afkomstig uit het Stadsarchief)