Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Deze regering, Theunis IV, een coalitie van Katholieken en Liberalen, voerde een impopulair economisch herstelbeleid, dat gekenmerkt werd door deflatiemaatregelen, en werd geconfronteerd met sociale onrust en hevige oppositie van de socialistische BWP-POB.
Ondanks het deflatiebeleid bleef de Belgische economische toestand verslechteren.
De regering viel dan ook op 25 maart 1935.
De opvolgende regering-Van Zeeland I (25 maart 1935 – 13 juni 1936) was een coalitie van de Katholieke Unie (80 zetels), de BWP (72 zetels) en de Liberale Partij (24 zetels).
Op 30 maart 1935, kort na haar aantreden, devalueerde deze regering de Belgische frank met 28%.
De regering bleef in functie tot aan de verkiezingen van 24 mei 1936, waarbij de drie grote partijen veel zetels verloren ten voordele van kleinere extremere partijen en met name Rex.
Toch werd de regering opgevolgd door een regering-Van Zeeland II.
Albert Josse Louis Mechelynck was de zoon van de voorzitter van het hof van beroep in Gent, Louis Mechelynck, en van Pauline Delehaye, een dochter van de Gentse burgemeester Josse Delehaye.
Albert studeerde aan het Atheneum aan de Ottogracht en aan de Gentse universiteit, waar hij in 1876 doctor in de rechten werd.
In 1879 schreef hij zich in aan de Gentse balie, waar hij naam maakte.
In 1880 trouwde hij met Anne Pauline Barbanson, uit de gelijknamige invloedrijke Brusselse familie.
In 1879 werd Mechelynck lid van het dagelijks bestuur van de Association libérale, constitutionelle et démocratique de l’arrondissement de Gand-Eeclo of arrondissementsfederatie.
In 1884 werd hij verkozen tot provincieraadslid voor Oost-Vlaanderen.
Tijdens zijn twintigjarig lidmaatschap ontwikkelde hij een politiek netwerk dat de liberale tenoren uit zijn tijd, maar ook gematigde oppositiefiguren bereikte.
In 1904 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger en bleef dit mandaat bekleden tot aan zijn dood.
Van 1919 tot 1924 was hij ondervoorzitter van de Kamer.
Mechelynck was lid van de Gentse vrijmetselaarsloge Septentrion, waarvan hij van 1891 tot 1895 de Achtbare Meester was.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Mechelynck zich in Gent verdienstelijk als leider van het Gentse comité binnen het Nationaal Comité voor Hulp en Voedselvoorziening (Comité national de secours et d’alimentation), dat tot het einde van de oorlog actief was.
Hij was ook een actief lid van het Comité voor Vaderlandslievende Acties dat het morele verzet tegen de bezetter stimuleerde.
Als advocaat verleende hij juridische bijstand aan beklaagden van verzetsdaden die voor de Duitse rechtbanken moesten verschijnen.
Hij kwam te overlijden op 9 maart in zijn woning, gelegen in de Brabantdam 56, vroeger nr 51 (foto 1 en 2 van zijn woning, en het huis bestaat nog steeds en is nu een winkel)
Ik leerde Francis in de jaren negentig van de vorige eeuw kennen, als een warm en tedere man.
De eerste ontmoeting zal ik nooit vergeten, het was in de ochtend toen hij zijn gevel aan het opkuisen was.
Want voor de zoveelste keer was zijn gevel terug beklad met hakenkruisen en scheldwoorden.
De waardige manier hoe hij daarmee omging, was het begin van een wederzijdse waardering voor elkaar.
Ondanks verschillende achtergronden, leerde ik via Francis een andere kant kennen over Vlaanderen en vooral dat hij een warm hart had voor alle mensen. Dus zeker niet de racist, zoals sommige hem durfde te noemen.
Later werden we dan ook vrienden, zoals we dat noemen in Fb termen.
Zijn liefde voor folkmuziek en Ierland kwam vaak aan bod tijdens onze gesprekken.
Van den Eynde zetelde twintig jaar lang in de Kamer en het Vlaams Parlement, maar was bovenal het boegbeeld van Vlaams Blok en later Vlaams Belang in Gent.
Daar zetelde hij tussen 1988 en 2012 in de gemeenteraad.
Van den Eynde doorliep een parcours dat vrij klassiek is voor oudere VB’ers: hij startte zijn carrière bij de Volksunie en stapte na het Egmontpact uit de partij om onder leiding van Karel Dillen het Vlaams Blok te helpen uitbouwen.
Hij was ook actief bij radicale bewegingen als Were Di en Voorpost.
Het bezorgde hem een parlementaire carrière van twintig jaar, en even – tussen 1999 en 2001 – was hij ook ondervoorzitter van de Kamer. Toen echter bleek dat hij aanwezig was geweest op een bijeenkomst van het Sint-Maartenfonds – een organisatie van voormalige Oostfrontstrijders en ex-nazi’s – moest hij die functie neerleggen.
Het was dezelfde vergadering die Johan Sauwens (toen VU, later CD&V) bijwoonde, en waardoor hij moest opstappen als Vlaams minister.
Ook het einde van Van den Eyndes carrière bij Vlaams Belang was tumultueus.
Hij koos de kant van voormalig partijvoorzitter Frank Van Hecke en Marie-Rose Morel in hun pogingen om de partij een minder radicale koers te laten varen.
En dat zorgde voor spanningen met partijvoorzitter Bruno Valkeniers en Filip Dewinter.
Ook in Gent waren er problemen: samen met vier andere gemeenteraadsleden scheurde Van den Eynde zich af van de moederpartij om de Belfortgroep op te starten.
Uiteindelijk schorste het partijbestuur hem in, en in 2011 werd hij uit de partij gezet.
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2012 riep hij op om voor de N-VA te stemmen.
Blancke Karel was een Vlaamse priester en schrijver die zich inzette voor de Vlaamse beweging.
Hij studeerde aan het Klein Seminarie van Roeselare, waar hij Hugo Verriest als leraar had en Zeger Maelfait als medeleerling.
Hij was actief in de letterkundige kring en als voorzitter moedigde hij de leerlingen aan om deel te nemen aan de Vlaamse strijd.
Hij ging verder studeren aan het Grootseminarie in Brugge, waar hij bevriend raakte met Amaat Vyncke.
Hij werd kapelaan en werkte mee aan verschillende Vlaamse tijdschriften, zoals De Almanak voor de leerende jeugd van Vlaanderen, De Vlaamsche Vlagge en Rond den Heerd.
Hij was ook een van de stichters van de volksalmanak ’t Manneke uit de Mane.
In De Vlaamsche Vlagge schreef hij vooral over godsdienstige en zedelijke onderwerpen, maar ook over de Vlaamse strijd.
Hij riep de lezers op om de Vlaamse taal te beminnen, het ‘vreemde juk’ af te schudden en zich in te spannen om een sterk en katholiek Vlaanderen op te bouwen.
In 1925 verbrak hij echter zijn banden met De Vlaamsche Vlagge, nadat de bisschoppen het Vlaams-nationalisme hadden veroordeeld.
Hij vond dat het blad moest stoppen of zijn propaganda moest staken.
De meeste redacteurs waren het niet met hem eens en hij verliet de redactie om problemen met zijn bisschop te vermijden.
Als pastoor in verschillende gemeenten, waaronder Kortemark vanaf 1908, was hij betrokken bij het sociaal-culturele leven en ijverde hij voor de vervlaamsing van het openbaar leven.
Hij was ook een van de leiders van de katholieke partij in Kortemark.
Van der Lubbe werd geboren in 1909 in Leiden, als zoon van een metselaar.
Hij verloor zijn vader op jonge leeftijd en moest al vroeg gaan werken om zijn moeder en broers te ondersteunen.
Hij raakte betrokken bij de socialistische beweging en werd lid van de Communistische Partij van Nederland.
Hij nam deel aan stakingen en demonstraties en raakte gewond bij een confrontatie met de politie.
Hij verloor ook zijn linkeroog bij een ongeluk op het werk.
In 1931 reisde hij naar Duitsland, waar hij getuige was van de opkomst van het nazisme en de vervolging van de communisten en andere tegenstanders.
Hij sloot zich aan bij verschillende antifascistische groepen en nam deel aan illegale acties.
Hij werd meerdere keren gearresteerd en mishandeld door de nazi’s.
Hij raakte gefrustreerd door het gebrek aan effectieve weerstand tegen Hitler en besloot om een individuele daad van protest te plegen.
Op 27 februari 1933 sloop hij het Rijksdaggebouw binnen en stak verschillende gordijnen in brand.
Hij werd snel overmeesterd door de bewakers en bekende zijn daad.
Hij beweerde dat hij alleen had gehandeld, uit haat tegen het nazisme.
De nazi’s grepen echter de kans om een groot complot te fabriceren en beschuldigden de communisten, de sociaaldemocraten en andere tegenstanders van betrokkenheid bij de brand.
Ze gebruikten de brand als voorwendsel om een noodtoestand af te kondigen en duizenden mensen te arresteren, te martelen en te doden.
Van der Lubbe werd berecht voor hoogverraad, samen met vier andere verdachten: Ernst Torgler, een Duitse communistische leider, en drie Bulgaarse communisten: Georgi Dimitrov, Vasil Tanev en Blagoi Popov.
Het proces was een schijnvertoning, waarbij de nazi’s probeerden om Van der Lubbe als een marionet van de communisten af te schilderen, terwijl de andere verdachten hun onschuld volhielden en zich fel verdedigden.
Dimitrov maakte vooral indruk met zijn moedige weerwoord tegen Hitler, die persoonlijk het proces bijwoonde.
De rechtbank sprak uiteindelijk alle verdachten vrij, behalve Van der Lubbe, die schuldig werd bevonden en ter dood werd veroordeeld.
Hij werd onthoofd op 10 januari 1934, ondanks internationale protesten en verzoeken om gratie.
De doodstraf voor Marinus van der Lubbe leidde tot een opmerkelijke actie van de VARA op die dag.
De omroep liet drie minuten lang niets horen op de radio, als een stil protest tegen het vonnis.
De regering was woedend en nam wraak door de VARA een dag lang van de ether te halen.
Zijn lichaam werd gecremeerd en zijn as werd verstrooid boven de Noordzee.
Na zijn dood bleef Van der Lubbe een controversiële figuur.
Sommigen beschouwden hem als een martelaar voor de antifascistische zaak, anderen als een dwaas of een verrader die de nazi’s hielp om aan de macht te komen.
In 1967 werd hij postuum gerehabiliteerd door een West-Duitse rechtbank, die oordeelde dat zijn executie onrechtmatig was geweest.
In 2008 werd hij ook officieel vrijgesproken van alle beschuldigingen door een Duitse federale rechtbank, op grond van een wet die alle nazioorlogsmisdaden nietig verklaarde.
De duivenmelkers voelden zich geviseerd door de regering, die hen wilde belasten voor hun hobby.
De regering had al eerder een poging gedaan om een taks van 10 procent te heffen op de inleggelden voor duivenwedstrijden en een belasting van één frank per verkochte pootring.
Dit stuitte op hevig verzet van de duivenliefhebbers, die ook een belangrijke kiesgroep vormden.
In 1921 werd het voorstel dan ook verworpen in het parlement.
Maar in 1923 kwam de regering met een nieuw voorstel dat gekoppeld werd aan de bescherming van de militaire duiven.
Wie duiven wilde houden, moest voortaan de toestemming hebben van de burgemeester en aangesloten zijn bij een erkende duivenmaatschappij.
Bovendien moesten de duiven geregistreerd worden bij de Koninklijke Belgische Duivenbond (KDBD).
De duivenliefhebbers lieten dit niet zomaar gebeuren en organiseerden een massale betoging in Brugge, waar meer dan 15000 mensen op afkwamen.
Ze eisten de afschaffing van de belastingen en de vrijheid om duiven te houden zonder inmenging van de overheid.
De duif heeft een lange en rijke geschiedenis.
Al in de Bijbel zien we de duif als symbool van vrede en hoop.
Later werd de duif gebruikt als een snelle en betrouwbare manier om berichten te versturen.
Veel oude beschavingen maakten gebruik van deze dienst.
Ook in oorlogstijd bewezen de duiven hun nut en moed.
Maar na de Tweede Wereldoorlog raakte de postduif in onbruik.
Sindsdien heeft het Belgische leger geen duiven meer in dienst.
Na de Tweede Wereldoorlog keken de broers Omer en Luc Vanaudenhove aan tegen een onverkoopbare voorraad schoenen in de winkel van hun familie.
Ze besloten de schoenen per post te verkopen.
Wanneer de mensen naar het kantoor zelf kwamen om schoenen op te halen, besloten ze een nieuwe winkel te openen.
Het merk Shoe Post was meteen geboren.
Gisteren nog vandaag
De holding Euro Shoe Unie is nu uitgegroeid tot een grote distributeur met Shoe Discount, Shoes in the Box, Avance en de Nederlandse handelszaken Bristol en Van Woensel.
Behalve in de distributie van schoenen is Euro Shoe ook actief in de doe-hetzelf-branche.
De groep stapte via een franchise in de Brico-keten.
Daarnaast experimenteerde de groep ook in de textieldistributie, onder meer met de keten Mexx, en in de speelgoedsector.
Maar langzaam groeide het besef dat de familie zich moest distantiëren van het bedrijf en een professioneel management moest toelaten.
De familie werd daarbij gestimuleerd door de verliescijfers die in de jaren 1999 en 2000 werden opgetekend.
Met Kurt Moons, die vroeger aan het hoofd stond van Brantano, Santana en de Eddy Merckx Group, koos de familie voor het eerst voor een niet-familaie CEO.
Hij neemt de fakkel van Philippe Vanaudenhove over.
Toch incasseert Shoe Post zware verliezen als gevolg van de internetcrisis in de distributiesector.
In 2016 bedraagt het verlies 3 miljoen euro, in 2017 zelfs 10 miljoen.
Kurt Moons vertrekt en de familie neemt met Elise Vanaudenhove het management terug over.
20 van de 270 winkels in Nederland en België gaan dicht.
De winkelketen wordt omgevormd van Shoe Post naar Bristol en nog eens 40 winkels gaan dicht.
De verliezen in de schoenenverkoop worden mee opgevangen met de winst die de familie maakt met haat vastgoedbedrijf Vana Real Estate.
Verkoopplannen door de familiale aandeelhouders lijken nu weer even opgeborgen.
23 familieleden controleren het bedrijf via twee stichtingen.
In het coronajaar 2020 incasseerde het bedrijf een verlies van 15 miljoen euro.
Omer Vanaudenhove wordt op 3 december 1913 geboren in Diest.
Na zijn middelbare studies neemt hij de groothandel in schoenen van zijn vader over. Het wordt het begin van een succesvolle carrière als zakenman, waarin hij samen met zijn broer Albert het familiebedrijfje uitbouwt tot een bedrijf van Europees formaat.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog engageert Vanaudenhove zich in het verzet, maar wordt in januari 1944 door de Duitsers gearresteerd.
In mei 1945 wordt hij door de Russen bevrijd uit het concentratiekamp van Rathenau.
Na de oorlog begint een succesvolle politieke carrière. Omer Vanaudenhove wordt al snel burgemeester van Diest (1947-1955), senator (vanaf 1954) en minister van Openbare Werken (1955-1961).
Als minister van Openbare Werken realiseert hij onder andere de aanleg van de Brusselse kleine ring.
Ook ligt hij aan de basis van de uitbouw van ons autosnelwegennet.
In mei 1961 volgt hij Roger Motz op als voorzitter van de Liberale Partij en start met een grote vernieuwingsoperatie: de Liberale Partij wordt omgevormd tot de Partij voor Vrijheid en Vooruitgang/Parti pour la Liberté et le Progrès (PVV/PLP).
De vernieuwingsoperatie zorgt bij de verkiezingen van mei 1965 voor een stijging van het aantal liberale Kamerzetels van 20 naar 48.
In 1969 neemt hij ontslag als partijvoorzitter, maar hij blijft actief in de politiek, zowel op nationaal als op lokaal vlak.
Zo richt hij in 1975 het Studiecentrum voor Politieke Hervormingen op en is er voorzitter tot 1980.
Tijdens de periode 1976-1978 is hij nogmaals burgemeester van (het gefusioneerde) Diest, waarna hij zich om gezondheidsredenen terugtrekt uit de actieve politiek.
Omer Vanaudenhove is gehuwd met de Britse Elisabeth (Betty) Eatough.
Zij is van 1982 tot 2006 gemeenteraadslid in Diest.
Ook Pascale, hun jongste dochter is politiek actief.
Zij zetelt sinds 2006 in de gemeenteraad van Diest en is er sinds 2019 schepen.
In 1966 benoemt de koning Vanaudenhove tot minister van Staat en in 1989 wordt hij met de titel van burggraaf in de adelstand verheven.
Vivant is een politieke beweging die voortkwam uit de partij BANAAN, die in 1995 meedeed aan de verkiezingen.
Vivant had een vooral economische visie, die gebaseerd was op het boek NV België: verslag aan de aandeelhouders dat voorzitter Roland Duchâtelet in 1994 schreef.
Vivant stond ook voor individuele vrijheid en een sterke sociale zekerheid binnen een vrijemarkteconomie.
Bij de federale parlementsverkiezingen van 1999 kreeg de partij 130.701 stemmen (2,1%) voor de Kamer.
Bij de federale verkiezingen van 2003 zakte de partij, na interne problemen, naar 1,3% van de stemmen.
Bij de verkiezingen voor het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap in juni 2004 kreeg de Vivant-lijst twee zetels, die ingenomen werden door Josef Meyer en Ernst Meyer.
Voor de verkiezingen van het Vlaams Parlement sloot Vivant, mede door de kiesdrempel van 5%, een kartel met de VLD.
In maart 2006 werd Nele Lijnen senator voor de partij na coöptatie door de VLD.
Op 6 februari 2007 maakte voorzitter Roland Duchâtelet bekend dat de Nederlandstalige tak van zijn partij zou samengaan met de Open Vld.
De volgende dag zei hij dat Vivant als beweging zou blijven bestaan.
Sinds 2007 is Vivant alleen nog actief in de Duitstalige Gemeenschap, en doet het alleen nog mee aan de Europese verkiezingen en aan de verkiezingen voor het Duitstalige Parlement.
In de legislatuurperiode 2019–2024 heeft Vivant 3 verkozenen in het Duitstalig parlement.
Het Nieuw Circus in Gent heeft een lange en boeiende geschiedenis.
Het gebouw dateert van 1895 en was oorspronkelijk bedoeld als een multifunctionele zaal voor circus, theater, concerten en bals.
Het was ontworpen door architect Emile De Weerdt (1858-1938) in een eclectische stijl met neobarokke elementen.
Het had een ronde piste met een diameter van 13 meter en een capaciteit van 2500 personen.
In 1920 werd het Nieuw Circus getroffen door een zware brand die het interieur volledig verwoestte.
Alleen de buitenmuren bleven overeind. Drie jaar later begon de wederopbouw onder leiding van architect Oscar Ledoux (1866-1935).
Hij maakte van het Nieuw Circus een modern en luxueus gebouw met tal van technische innovaties, zoals geluidsbeheersing, brandwerende elementen, centrale verwarming, bijzondere licht- en geluidsinstallaties en elektriciteit.
De zaal kon nu 3400 personen ontvangen en werd beschouwd als het mooiste circus van Europa.
Het Nieuw Circus trok vele grote internationale circussen en wereldberoemde artiesten aan.
Na 1924 werden er heel wat spectaculaire acts opgevoerd, zoals het ‘Circus onder water’ van het Duitse Circus Busch in 1933, waarvoor de piste werd gevuld met 500 000 liter water.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog raakte het circusgebouw in verval. De laatste voorstelling werd gespeeld door Circus De Jonghe in 1944.
In 1947 werd het gebouw omgevormd tot een garage door de nieuwe eigenaar Mahy.
Deze sloot in 1978 en het gebouw werd een opslag- en restauratieplaats voor oldtimers.
In 2005 kocht het stadsontwikkelingsbedrijf Sogent het gebouw met het oog op renovatie en integratie in een volledig vernieuwd stadsdeel De Krook.
De renovatiewerken zijn ondertussen afgerond.
Binnenkort zal het gebouw de nieuwe hotspot van Gent worden.