Vandaag 70 jaar geleden, opening van de nieuwe fabriek van General Motors in het Antwerps havengebied.

Het bedrijf werd in 1924 opgericht als General Motors Continental en was de tweede fabriek van General Motors buiten Noord-Amerika, na General Motors International A/S dat een jaar eerder in Denemarken operationeel werd.

GM Continental was gehuisvest waar vroeger de Sint-Michielsabdij en het marinearsenaal zich bevonden.

De eerste bediende van GM Continental werd aangeworven op 1 januari 1925, de eerste arbeider op 5 februari 1925.

Op 2 april datzelfde jaar werd de eerste CKD- Chevrolet geproduceerd.

Er werden 20 tot 25 exemplaren per dag gebouwd en op het einde van het eerste jaar waren 2040 Chevrolets geproduceerd.

Een sterke groei verplichtte GM Continental te verhuizen naar een grotere locatie.

Dat werd de voormalige velodroom.

De vorige locatie bleef in gebruik voor de productie van carrosserieën voor bedrijfsvoertuigen en als opslagplaats.

In 1929 was ook deze nieuwe locatie te klein geworden. In november dat jaar verhuisde het bedrijf naar een nieuwe assemblagefabriek in de haven.

Ook de verkoop en dienstverlening, die voorheen over Antwerpen verspreid waren, kwamen naar deze locatie.

De Grote Depressie, die het jaar daarop wereldwijd toesloeg en de jaren 1930 teisterde, zorgde ervoor dat de vergrote capaciteit jarenlang onbenut bleef.

Omwille van de slechte economische toestand werden de Franse en Duitse afdelingen van GM in 1932 gefuseerd met de Belgische.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd de fabriek in de haven verwoest bij geallieerde bombardementen op de haven.

Na de oorlog begint GM een hersteldienst voor Amerikaanse legervoertuigen en een magazijn voor auto- en elektro-onderdelen.

In 1947 werd grond gekocht voor een nieuwe fabriek.

Begin 1948 werden opnieuw Chevrolets gebouwd in de oude.

Dat jaar werden bijna 5000 stuks gemaakt.

In 1953 was de nieuwe fabriek aan de Noorderlaan – de latere Fabriek 1 – klaar.

Vervolgens worden er Amerikaanse CKD’s en later ook Bedford-vrachtwagens, Opels en Vauxhalls geassembleerd (GM nam Opel volledig over in 1931).

In 1965 beslist GM een nieuwe fabriek te bouwen waarvoor Antwerpen gekozen werd.

Deze Fabriek 2 kwam in het noorden van de haven, op ongeveer 10 kilometer van Fabriek 1.

In 1967 werd Fabriek 2 operationeel en op 2 juli 1968 werd er reeds de 100.000ste auto gebouwd.

In 1970 draait de fabriek op volle capaciteit en komt er een tweede werkshift.

Op 22 maart 1971 bouwde Fabriek 2 de 500.000ste auto.

In 1973 werken er voor het eerst arbeidsters in de fabriek, maar het jaar erop moet de fabriek twee maanden dicht door de dalende verkoop die het gevolg was van de oliecrisis.

Op 24 mei 1973 rolde nog de miljoenste wagen van de band.

In de tweede helft van de jaren 1970 wakkert de autoverkoop opnieuw aan, wat grotendeels te danken was aan de nieuwe Manta en Ascona – en neemt de productie weer toe.

In 1978 begint een grote modernisering. Gedurende 8 jaar zal zo’n 22 miljard frank geïnvesteerd worden.

In 1979 werd ook in Fabriek 1, die sinds 1977 enkel nog Opels bouwde, een tweede shift ingesteld.

In 1981 kreeg Fabriek 1 een nieuwe verfspuiterij en werd Fabriek 2 uitgebreid om ook onderdelen te gaan maken.

Die laatste kreeg in 1984 ook een gerobotiseerde lijn voor het lassen van koetswerken.

In de tweede helft van de jaren 1980 krijgt ook Fabriek 2 een verfspuiterij die 6,2 miljard frank kostte.

In 1987 bereikte de productie een record van 393 724 Opels en Vauxhalls.

In augustus 1988 wordt de productie van Fabriek 1 overgeheveld naar Fabriek 2.

Een nieuw ploegensysteem zorgt voor een rendementsstijging van 43,5% waardoor één fabriek het werk van de twee aankon.

Fabriek 1 bleef verder dienstdoen voor onderdelenopslag en administratie.

In 1991 werd 4,6 miljard frank in Fabriek 2 gestoken voor de nieuwe Opel Astra en Opel Vectra, gevolgd door nogmaals 5,9 miljard frank in 1993-4.

Op 1 november 1994 wijzigt het bedrijf van naam en heet vanaf dan Opel Belgium.

Ook wordt Fabriek 1 verkocht en verhuist de sociale zetel naar Fabriek 2.

Fabriek 1 doet tegenwoordig (2007) dienst als parkeergarage voor cinemacomplex Metropolis.

De afdeling Verkoop ten slotte verhuisde naar Kontich.

Nog in 1994 begon een nieuw investeringsprogramma van 25 miljard frank voor allerlei moderniseringen en uitbreidingen.

In 1997 ging tien miljard frank naar de nieuwe Astra.

In 2002 werd de perserij fors uitgebreid, een investering van 51,4 miljoen euro.

Midden 2003 rolt de 12 miljoenste auto van de band.

In januari 2004 begon de productie van de nieuwe Astra waarvan de vijfdeurs en de stationwagen in Antwerpen werden gebouwd.

Op 1 november van dat jaar werd de bedrijfsnaam opnieuw veranderd, deze keer in General Motors Belgium.

Die wijziging paste in de nieuwe bedrijfsstructuur van GM en wijst op de wereldwijde krachtenbundeling binnen de autoreus.

In 2005 kreeg de fabriek ook de Astra GTC toegewezen.

In 2007 begon men die Astra ook onder het Amerikaanse merk Saturn te bouwen voor de Noord-Amerikaanse markt.

Nog in 2007 werd bekendgemaakt dat het bedrijf geherstructureerd wordt en de productie nagenoeg zal halveren.

Hierdoor zouden 2200 van de 4700 banen verdwijnen.

Ook zal de nieuwe generatie van de Astra niet in Antwerpen gebouwd worden.

In de plaats zouden een kleine SUV voor Opel en Chevrolet komen, en mogelijk nog een derde model.

In juni 2009 gaan er geruchten dat de gehele fabriek in Antwerpen wordt gesloten.

Dit in verband met een overname van Opel door Magna.

De overname door Magna gaat uiteindelijk niet door, maar GM neemt op 20 januari 2010 zelf het besluit de vestiging in Antwerpen in 2010 te sluiten.

Uiteindelijk rolde op woensdag 15 december 2010 de laatste auto van de band en twee dagen later, op 17 december 2010, ging de fabriek definitief dicht.(Diverse bronnen, Wikipedia en Ons Volk januari 1952)

Gisteren nog vandaag

Deze maand 75 jaar geleden, op reis via de stoomboot koningin Astrid op de Kongo rivier tijdens de lente van 1948.

De Kongo rivier is een van de belangrijkste rivieren in Afrika en de wereld. Het is de op een na langste rivier in Afrika, na de Nijl, en de op een na grootste rivier ter wereld qua waterafvoer, na de Amazone.

Gisteren nog vandaag

De Kongo rivier stroomt door tien landen, maar het belangrijkste voor de rivier is Congo, het land dat zijn naam ontleent aan de rivier.

De Kongo rivier heeft een grote invloed gehad op de geschiedenis, cultuur, economie en ecologie van Congo en zijn bevolking.

De rivier was een belangrijke route voor de handel en de verspreiding van ideeën en religies in het prekoloniale tijdperk.

De rivier was ook een bron van conflicten en uitbuiting tijdens de koloniale periode, toen Europese mogendheden probeerden de rijke natuurlijke hulpbronnen van het gebied te controleren en te plunderen.

De rivier was ook een symbool van verzet en onafhankelijkheid voor de Congolezen, die vochten tegen het kolonialisme en het autoritarisme.

De Kongo rivier blijft een essentiële rol spelen in het heden en de toekomst van Congo en zijn mensen.

De rivier biedt water, voedsel, energie, transport en recreatie voor miljoenen mensen die langs zijn oevers wonen.

De rivier is ook een hotspot van biodiversiteit, met duizenden soorten planten en dieren die nergens anders ter wereld voorkomen.

De rivier is ook een bron van uitdagingen en kansen voor duurzame ontwikkeling, aangezien Congo wordt geconfronteerd met problemen zoals armoede, conflicten, corruptie, klimaatverandering en milieubescherming.

75 jaar geleden, op reis via de stoomboot koningin Astrid op de Kongo rivier tijdens de lente van 1948.

Deze stoomboot was een van de eerste passagiersschepen op de Kongo rivier, dat in 1934 werd gedoopt als koningin Astrid, ter ere van de toenmalige koningin van België.

Het schip had een lengte van 45 meter en een breedte van 8 meter. Het kon 150 passagiers en 200 ton vracht vervoeren.

Het schip speelde een belangrijke rol in de koloniale geschiedenis van Congo, want het bracht handel, missie en bestuur naar de binnenlanden.

Het schip was in dienst tot 1960, toen Congo onafhankelijk werd.

Daarna werd het schip verlaten en verroestte het langzaam aan de oever van de rivier.

75 jaar geleden, reclame voor het plakboek Folkore geschreven door Henri Liebrecht en met 125 gekleurde getekende prenten van Côte D’Or (oktober 1948)

Henri Liebrecht was een Belgische schrijver en historicus, die vooral bekend is om zijn werk over de Franstalige literatuur en het theater in België.

Hij werd geboren in Pera (Istanboel) op 29 juli 1884, waar zijn vader als ingenieur werkte, en verloor zijn moeder op jonge leeftijd.

Hij studeerde aan het Atheneum van Brussel en begon al vroeg met het schrijven van poëzie, onder invloed van Valère Gille.

Hij publiceerde verschillende dichtbundels, zoals Les Fleurs de soie (1905) en Les Jours tendres (1908), maar richtte zich later meer op het toneel.

Hij schreef een aantal komedies in verzen, die doen denken aan de Italiaanse, Molièrese en Marivauxse tradities, zoals L’École des valets (1905), L’Effrénée (1906) en Les Fourberies amoureuses (1912).

Hij schreef ook twee romans, Le Masque tombe (1907) en Un cœur blessé (1911), die zich afspelen in de theaterwereld.

Hij was hoofdredacteur van Le Soir Illustré voordat hij de leiding kreeg over de literaire afdeling van de krant Le Soir.

Na de Eerste Wereldoorlog legde hij zich toe op de geschiedenis van de Franstalige literatuur en het theater in België.

Hij publiceerde onder meer Histoire de la littérature belge d’expression française (1909), Histoire du théâtre français à Bruxelles au XVIIe et au XVIIIe siècle (1923) en Histoire illustrée de la littérature belge de langue française, des origines à 1930 (1931), in samenwerking met Georges Rency.

Deze werken werden bekroond door de Académie française en de Académie royale de Belgique.

Liebrecht was ook de oprichter van het Comité de la Gravure originale belge in 1923, samen met de graveur Émile-Henry Tielemans, en de secretaris-generaal van het Musée du Livre.

Hij was professor aan de Académie royale des Beaux-Arts in Brussel en lid van de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique, waar hij van 1945 tot 1955 de negentiende zetel bezette.

Hij overleed in Brussel op 27 september 1955.

Zijn belangrijkste bijdrage aan de Belgische cultuur was zijn studie van het folkloristische element in de literatuur, die hij uitwerkte in twee boeken: Folklore, tome I: Le Folklore dans la littérature belge d’expression française (1948) en Folklore, tome II: Le Folklore dans le théâtre belge d’expression française (1950).

Hierin toonde hij aan hoe de Belgische schrijvers zich lieten inspireren door de lokale tradities, legenden, sprookjes en humor.

Natuurlijk heb ik zowel het eerste, ls het tweede deel in mijn verzameling.

Blog Gisteren nog vandaag

Blog Gisteren nog vandaag

Blog: Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Oude molens in Vlaanderen (foto’s september 1923)

Foto 1: Kloostermolen in Elsegem, was gelegen op de site van het verdwenen omgracht en ommuurd kloostercomplex.

De geschiedenis van de voormalige augustijnerpriorij van Onze-Lieve-Vrouw Ten Walle gaat terug tot 1417, toen Bernard van Brakel een leen genaamd “Wippelgem” verwierf dat een oude nederzetting uit de vroege middeleeuwen was.

Hij stichtte er een klooster en een kerk, waar Arnold Buederic in 1418 een scriptorium oprichtte.

Het kloostercomplex werd verwoest door brand in 1577-1586, maar later hersteld en uitgebreid in de late 17de eeuw.

Het klooster stond toen bekend als “Kloosterhoeve” en verzorgde de parochiale diensten.

In 1782 werd het klooster opgeheven onder Jozef II.

Het omvatte toen een kerk, twee huizen, een priorskwartier, twee eetzalen, gastenverblijven, een keuken, een brouwerij, knechtenkamers, schuren, een hoeve, een windmolen en visvijvers.

Alles werd verkocht en gesloopt, en de grachten werden gedempt.

Met uitzondering van een deel van de gekelderde kloosterhoeve, aangrenzende stallen en de molen.

Deze houten korenwindmolen op een terp werd gebouwd in 1457 en aangepast en herbouwd in 1479.

De molen met de naam Kloostermolen is in 1940 afgebroken.

Foto 2: De molen van Scillie, kan niets terug vinden over deze molen.

Foto 3: Molen Den Osse gelegen in Bevere bij Oudenaarde en was toen eigendom van Remi Van Lerberge. De molen is gesloopt in 1965. (Deze gegevens van deze molen gekregen van Annie Rousseau, waarvoor mijn dank)

Oude molens in Vlaanderen (foto’s september 1923)

Foto 1: Molen Van Malderen, zou volgens mijn gegevens van 1190 moeten zijn, huidige bronnen spreken van de eerste helft van de 14e eeuw en ontleent zijn huidige naam aan de plaats waar ze staat, de “Malderse Heide”.

In de loop van de geschiedenis is de molen meermaals geheel of gedeeltelijk vernield en opnieuw opgericht.

Deze molen bestaat nog, maar wegens technische gebreken aan de molenconstructie is de molen niet toegankelijk voor publiek.

Foto 2: Molen Ter Hengst aan de Ommegangstraat in Nukerke. Molen Ter Hengst staat op een van de hoogste punten in de Vlaamse Ardennen en is van heel ver in de omgeving te zien.

Al eeuwenlang staat er een molen, eerst in hout, nadien in steen. De huidige molenkuip werd rond 1830 gebouwd en bleef malen tot na de Tweede Wereldoorlog. Na het stopzetten van de maalactiviteiten begon het verval vlug in te treden.

In de jaren 60 werd de molen beschermd erfgoed. De toenmalige eigenaars, de familie Vandekerkhove gaven aan het molenhuis een nieuwe bestemming en jarenlang stond die bekend als de horecazaak The Ranch.

Een eerste restauratie volgde in de jaren zeventig. Na een tweede renovatie door molenbouwer-restaurateur Peter Thomas werd de molen opnieuw weer maalvaardig.

Foto 3: Molen Hondzocht in Tubize is gebouwd in 1775. De molen, die dateert uit het eind van de 18e eeuw, bleef in gebruik tot het jaar 1979, toen de laatste molenaar stierf.

SIndsdien raakte de beschermde molen steeds meer in verval. Men zou in 2019 beginnen met de werken, maar men is pas begonnen met de werken in 2022. Op termijn komen in de molen een museum en een belevingscentrum rond oude molentechnieken.

Foto 4: Molen van den Berg Peteghem, zou één van de oudste molens moeten zijn die toen nog bestonden. Volgens mijn gegevens van 1092. Was gelegen in Eksaarde en is afgebroken in 1932.

75 jaar geleden, sfeerfoto’s van de inwijding van de basiliek van Orval.

In 1070 vestigden zich Italiaanse monniken in het graafschap Chiny in België. De bouw van een kerk en een klein dorpje was kort daarvoor begonnen. Tien jaar later hervormden de oorspronkelijke monniken hun gemeenschap naar de regel van de kartuizers.

In 1132 kwamen de kartuizers om verschillende redenen in problemen. Graaf Albert van Chiny vroeg aan Bernardus van Clairvaux om de stichting over te nemen. Deze stuurde zeven monniken, afkomstig van de abdij van Trois-Fontaines. De reeds aanwezige kanunniken vervoegden de nieuwkomers in de orde van de cisterciënzers.

Rond 1252 werd het klooster vernield door een brand. De heropbouw nam ongeveer 100 jaar in beslag.

Tijdens de 15e en de 16e eeuw vonden verscheidene oorlogen tussen Frankrijk en naburige regio’s plaats (Bourgondië, Spanje), wat voor Orval gevolgen had.

In 1637 werd de abdij verwoest, maar ze werd terug opgebouwd.

In 1793 werd de abdij definitief verwoest door de Franse revolutionaire troepen.

De site werd verkocht als nationaal goed en diende een eeuw lang als steengroeve.

In 1926 schonken de toenmalige eigenaars de site aan de nieuwe vzw l’abbaye de Notre Dame d’Orval, met de bedoeling er een nieuw trappistenklooster op te richten als dochterafdeling van La Grande Trappe.

De eerste monniken waren echter niet afkomstig van La Grande Trappe, maar van de Abdij van Sept-Fons.

Zij keerden terug naar Europa van een mislukte poging tot kloosterstichting in Brazilië.

Gedurende 22 jaar, van 1926 tot 1948, werd een geheel nieuwe abdij opgebouwd naar ontwerp van architect Henri Vaes.

Dit was vooral het werk van de Gentenaar dom Albert-Marie Van der Cruyssen, die in 1936 de eerste abt werd.

Om de grote bouwwerken te kunnen bekostigen werden verschillende inzamelingsactiviteiten opgezet.

Er werden bijvoorbeeld speciale postzegels met toeslag uitgegeven.

De kaasmakerij (1931) en de brouwerij (1932) werden opgericht om de nodige financiële middelen te genereren, en stelden vanaf het begin leken te werk.

Na het einde van de bouwwerken werden deze inkomsten gebruikt voor sociale en liefdadige doeleinden.

Aan de abdij van Orval is de legende verbonden van gravin Mathilde van Toscane.

Deze zou omstreeks 1076 gerust hebben bij de bron in het dal. Terwijl zij met haar handen door het water gleed, verloor ze haar ring (niet trouwring!), en ze smeekte en bad tot God om hulp.

Na haar gebeden keerde ze terug naar de bron. Een forel kwam boven met haar ring in de bek. Daarop riep ze uit: “Dit is werkelijk een gouden dal!” (Latijn: aurea vallis, vandaar Orval).

Uit dankbaarheid besloot ze op deze gezegende plaats een klooster te stichten.

De bron heet tegenwoordig de Mathildebron. De plaatselijke traditie wil dat elk jong meisje dat een geldstuk in de bron werpt binnen het jaar zal trouwen. Ondanks dat het geen trouwring betrof die ze in de bron verloor.

De forel met de ring in de bek staat afgebeeld op het etiket van de flesjes, de glazen en reclamepanelen van het Orval-Trappistenbier.

De abdij bestaat uit vier gedeelten: het eigenlijke klooster dat grenst aan de centraal gelegen basiliek en dat alleen voor monniken toegankelijk is; de brouwerij die grotendeels draait met extern personeel; de binnenplaats met het gastenverblijf, en het gedeelte dat toegankelijk is voor toeristen zoals de ruïnes van de oude kerk, de fontein, de kruidentuin, de filmzaal en de abdijwinkel.

Achter de abdijgebouwen liggen grote vijvers, landbouw- en tuingronden en een bos.

Vanwege zijn uitzonderlijke schoonheid en bijzondere architectuur wordt het klooster van Orval ook wel het ‘Versailles onder de kloosters’ genoemd. (diverse bronnen en Wikipedia, Foto’s Le Soir 16 september 1948)