Postkaarten uit mijn eigen verzameling





Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Postkaarten uit mijn eigen verzameling





In 1931 vond de eerste publieke demonstratie van de werking van televisie plaats.
Pas vanaf 31 oktober 1953 begon het toenmalig Nationaal Instituut voor de Radio-omroep (NIR) vanuit het Flageygebouw in Brussel haar eerste regelmatige televisie-uitzendingen te verzorgen.
Omroepster Paula Sémer was de eerste Vlaming die op televisie te zien was.
Ze presenteerde en acteerde tijdens die eerste tv-avond in het tv-drama “Drie dozijn rode rozen.”
Vlaanderen telde toen slechts één televisiezender, zond in zwart-wit uit en in 625 lijnen.

Alle uitzendingen gingen live en vonden plaats in een verbouwde radiostudio, waar personeel en rekwisieten in die pioniersjaren nog op elkaar gepakt stonden.
Terwijl in de ene helft toneel gespeeld werd, moest men in de andere hoek alles gereed brengen voor het Journaal.
Veel uitzendingen waren vrij primitief omdat bij gebrek aan voldoende televisiemakers met ervaring er voornamelijk radiomakers werden ingeschakeld.
Op dat moment waren er in heel België amper 15.000 ontvangsttoestellen. Het zendbereik was ook beperkt.

Naar aanleiding van de Wereldtentoonstelling van 1958 werden er op voorhand enkele relais-zenders gebouwd zodat men beter over het ganse land kon uitzenden. Het evenement spoorde ook veel Belgen aan om een eigen televisietoestel te kopen.
In 1958 werd kijkgeld ingevoerd, de tv-loze maandag afgeschaft en werd de omroep losgemaakt uit het ministerie van PTT en Verkeer en onder Cultuur ondergebracht.
Via de nieuwe omroepwet veranderde het NIR op 18 mei 1960 haar naam in de BRT (Belgische Radio en Televisie).

De pioniersdagen van kleurentelevisie zijn voer voor kwissers. Wie weet bijvoorbeeld nog dat de toenmalige minister van Cultuur Frans Van Mechelen de nieuwe revolutie aankondigde?
Hij droeg een donkerblauw pak, en een wijnrood strikje, en zijn toespraak op 1 januari 1971 werd door het nieuwe medium bepaald bibberend op het scherm gebracht. Waarna het traditionele nieuwjaarsmenu volgde: nieuwjaarsconcert vanuit Wenen, en het schansspringen uit Garmisch-Partenkirchen.
Hooguit vijfhonderd landgenoten hadden op dat moment al een kleurentelevisie. Niet zo vreemd als men bedenkt dat die toen bijna drie keer zoveel kostte als een zwart-wit toestel. Je moest niet minder dan duizend euro overhebben voor een beetje kleur in de huiskamer. Dat zou nu overeenkomen met zowat vierduizend euro als je rekening houdt met de inflatie.
Er was ook een andere reden. De prijs van een zwart-wittoestel lag in die tijd in Vlaanderen hoger dan in de ons omringende landen.
Dat was het gevolg van de ,,lijnenslag”. Frankrijk wilde 819 lijnen voor zijn televisie, terwijl alle andere landen bij de aanbevolen 625 lijnen bleven. Het tweeslachtig beleid van België resulteerde in toestellen die beide normen aankonden. Veel mensen die een fortuin neergeteld hadden voor een duurdere zwart-wittelevisie, schaften zich niet meteen weer een nieuw, nog duurder toestel aan.

Maar het ging snel. Drie jaar later was de volledige programmering van de BRT al in kleur. En, zegt Jan Cuypers, directeur operationele diensten bij de VRT, “de kleurentelevisie heeft in korte tijd veel succes gehad. Daar werd echt wel voor gespaard. Het was niet alleen maar voor de rijken.”
In 1983, toen een kleurentelevisie nog altijd 32.000 frank kostte, hadden ongeveer twee miljoen Belgen een kleurentelevisie, tegenover een miljoen zwart-witkijkers.
De hele omschakeling betekende voor de openbare omroep een kleine revolutie.
Al in 1967 begon de BRT met de voorbereidingen. Eind 1968 startten de eerste cursussen voor het BRT-personeel: die moesten de overgang van zwart-wit naar kleur glad laten verlopen. Jan Ceuleers, toentertijd werkzaam bij de nieuwsdienst, heeft die overgang van dichtbij meegemaakt. ,,Het hele proces is binnen de BRT geleidelijk verlopen.
Er werd zelfs een tijdelijke studio ingericht om experimenten uit te voeren, voordat we in kleur gingen uitzenden.”
Jan Cuypers: ,,De introductie van kleur viel samen met de ingebruikname van het Omroepcentrum in Brussel. Voor die tijd zat iedereen verspreid over Brussel, en plots kwam alles samen. Vanaf toen is het personeel ook opgeleid om te denken en programma’s te maken volgens de nieuwe kleurenterminologie.
Je moest bijvoorbeeld rekening houden met moeilijke kleuren als wit en paars. Bij het Journaal werd geen wit papier gebruikt en witte boorden werden, als ik me niet vergis, in thee gedompeld om de kleur wit te vermijden.”
Ondanks alle goede voorbereidingen kreeg ook de BRT-problemen met de bekende kinderziektes.
Dertig jaar geleden was het niet uitzonderlijk om schreeuwende kleurencombinaties en glanzende decors te zien, of een stel voetballers zonder benen. ,,De apparatuur was in die tijd nog niet zo stabiel en vooral zeer temperatuurgevoelig”, zegt Jan Cuypers. ,,Camera’s stonden dag en nacht aan en vergden veel onderhoud. Om de kleuren goed te houden, moesten ze twee, drie keer per dag afgesteld worden.”
Het had ook grote consequenties voor de make-up. Vroeger mochten de sterren zelf bepalen of ze geschminkt wilden worden, maar met de opkomst van kleur werd dat een verplichting. Wie dat vertikte, kwam met een bleekgroen gezicht op het scherm.
Overigens moesten ook de eerste schminksters bijgeschoold worden. De oorspronkelijke Duitse schmink werd algauw vervangen door Italiaanse producten.
Op 27 januari 1991 veranderde de zender haar naam in de BRTN (Belgische Radio en Televisie Nederlands). Sinds 1 januari 1998 heet de omroep de VRT (Vlaamse Radio- en Televisieomroeporganisatie).
Vanaf 1973 begon de BRT voor het eerst met een tweede zender te experimenteren, die vanaf 26 april 1977 definitief een volwaardig tv-kanaal werd onder de naam BRTN TV2.
Op 27 januari 1991 werd deze zender in TV2 omgedoopt, terwijl BRTN 1 voortaan TV1 heette.
Op 1 december 1997 werd dit tweede net opgesplitst in twee verschillende programmablokken voor verschillende doelgroepen: de kinderzender Ketnet, die vanaf 7 uur ’s ochtends tot 7 uur ’s avonds uitzond, en de volwassenenzender Canvas die haar uitzendingen pas na 19 uur ’s avonds begon.
Sinds 1 januari 2005 heet TV1 Eén. Het profiel van het eerste televisiekanaal van de openbare omroep (thans “Eén”) mikt op amusementsprogramma’s voor het hele gezin. Ketnet is voor de jeugd bestemd en Canvas richt zich op de meerwaardezoekers.
Op 1 mei 2012 werden Canvas en Ketnet gesplitst van elkaar, ze hebben nu allebei een eigen kanaal. Canvas zendt op het huidige kanaal uit vanaf 14 uur.
Ketnet, dat vanaf 14 mei 2012 naar een gloednieuw kanaal, OP12, verhuisde. (diverse bronnen en Wikipedia)

De piano is ontstaan uit de klavecimbel, een snaarinstrument dat met toetsen werd bespeeld.
De klavecimbel had echter een beperking: de toonsterkte kon niet worden gevarieerd door harder of zachter op de toetsen te drukken.
Daarom bedacht de Italiaanse instrumentenbouwer Bartolomeo Cristofori rond 1700 een nieuw mechanisme waarbij hamertjes de snaren aansloegen in plaats van ze te tokkelen.
Zo kon de speler meer expressie aan zijn spel geven. Hij noemde zijn uitvinding pianoforte, wat zacht en sterk betekent.
De piano werd in de loop van de 18e en 19e eeuw steeds verder verbeterd en verfijnd.
Een bijzondere gebeurtenis in de geschiedenis van de piano was de voorstelling van de piano met pedalen op de wereldtentoonstelling in Wenen in 1873.
Het eerste pedaal was het rechterpedaal dat de dempers van alle snaren optilde en zo een langere nagalm creëerde.
Het tweede pedaal was het linkerpedaal dat de hamers dichter bij de snaren bracht en zo een zachter geluid produceerde.
Sommige piano’s kregen later ook een derde pedaal, dat verschillende functies kon hebben, zoals het dempen van alleen de bastonen of het activeren van een repetitiemechaniek.
De piano werd al snel een populair instrument bij componisten, musici en het publiek.
De piano was geschikt voor zowel solo- als ensemblestukken, voor zowel klassieke als populaire muziek.
De piano speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van muzikale genres zoals de sonate, het concerto, de symfonie, de opera, de liedkunst en de jazz.
De piano was ook een statussymbool voor de hogere klassen en een onderdeel van de muzikale opvoeding.

Paul Painlevé geboren op 5 december 1863 in Parijs, stamt af van een familie die zich in verschillende ambachten heeft onderscheiden.
Aan de kant van zijn vader waren zijn voorouders wijnmakers uit Eure-et-Loir, terwijl aan de kant van zijn moeder zijn voorouders steenhouwers waren uit Meaux.
Zijn grootvader van vaderskant verhuisde naar Parijs, waar hij als typograaf werkte.
Hij ging met pensioen op negenenvijftigjarige leeftijd en keerde terug naar zijn geboortedorp, waar hij twintig jaar later overleed.
Zijn vader volgde het voorbeeld van zijn grootvader en zijn oom en werd een lithografisch ontwerper in de grafische industrie in Parijs.
In het begin van de jaren zeventig richtte hij een drukinktfabriek op in Malakoff.
Paul Painlevé groeide op in een redelijk welvarende, progressieve en goed opgeleide middenklasse familie.
Hij studeerde aan de École Normale Supérieure, waar hij later ook hoogleraar werd.
Hij was een expert op het gebied van differentiaalvergelijkingen en hemelmechanica, en leverde belangrijke bijdragen aan de theorie van de singulariteiten en de stabiliteit van vloeistofstromen.
In 1900 werd hij verkozen tot lid van de Academie van Wetenschappen.
Hij bestudeerde de beweging van vloeistoffen en hun toepassing op het ontwerp van vliegtuigen.
In 1903 publiceerde hij een formule die aantoonde dat een vleugel een opwaartse kracht kan genereren door de luchtstroom om zich heen te veranderen.
In 1908 maakte hij een historische vlucht en was hij de eerste passagier van de gebroeders Wright, die de eerste gemotoriseerde vlucht hadden uitgevoerd in 1903.
Hij bleef geïnteresseerd in de theorie van de luchtvaart en in 1927 formuleerde hij een wiskundig model voor de beweging van een vlak in een perfecte vloeistof, dat wil zeggen een vloeistof zonder viscositeit of wrijving.
Zijn werk legde de basis voor latere ontwikkelingen in de aerodynamica en de stromingsleer.
Hij was niet alleen een invloedrijke figuur in de Franse wetenschap, maar hij was ook actief in de politiek, zo was hij twee keer premier (in 1917 en 1925) en bekleedde hij verschillende ministerposten.
Hij speelde ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van de militaire luchtvaart in Frankrijk.
In 1910 overtuigde hij het parlement om geld vrij te maken voor de aanschaf van vliegtuigen.
Hij was rapporteur en later voorzitter van de commissie voor marinezaken, lid van de Hoge Raad voor Militaire Luchtvaart en van de Technische Commissie voor Spoorwegoperaties.
Hij zette zich in om de nationale verdediging te versterken.
Hij was een voorstander van de internationale samenwerking en de wetenschappelijke vooruitgang, en richtte onder andere het Institut d’Histoire des Sciences et des Techniques op.
Painlevé was getrouwd met Marguerite Petit de Villeneuve
Zij hadden samen een zoon, Jean Painlevé, die een beroemde regisseur en bioloog werd.
Jean Painlevé maakte meer dan tweehonderd films over het leven in de zee, waarin hij wetenschap en kunst combineerde. Hij was ook een pionier op het gebied van de microcinematografie en de onderwaterfotografie.
Paul Painlevé stierf op 29 oktober 1933 in Parijs, op 69-jarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag
De markies had geen wettige nakomelingen en liet zijn fortuin na aan verre verwanten.
In zijn testament stond echter een clausule die de mogelijkheid bood om de erfenis te betwisten als er personen waren die konden aantonen dat ze nauwer verwant waren, bijvoorbeeld als kinderen van de markies.
Voor 1978 hadden al verschillende mensen geprobeerd om de erfenis op te eisen, maar ze werden allemaal afgewezen wegens gebrek aan bewijs.
De rechtszaken duurden jaren en kostten veel geld en moeite.
Uiteindelijk zal ook de zaak in 1978 geseponeerd worden. Maar wie was die van oorsprong Gentse familie?
Het Gentse adellijke Huis Bette was een invloedrijke familie die sinds de 13e eeuw een belangrijke rol speelde in de politieke en economische geschiedenis van Vlaanderen.
De familie bezat verschillende heerlijkheden, waaronder Lede dat in 1438 door Filips de Goede werd verheven tot baronie.
De laatste telg, Emmanuel Ferdinand werd te Madrid geboren en er gedoopt in de Iglesia de San Martin in oktober 1724.
Nog geen jaar later, in februari 1725, overleed zijn vader.
Het markizaatkasteel werd in 1749 door hem heropgebouwd in een oase van bomen en groen en vijvers.
Het waterslot van weleer werd nu een stoer uitziend rechthoekig gebouw, waarvan het middendeel vooral opvalt door de rondbooggalerij met balustrade, de 4 Dorische zuilen en het driehoekig leeuwenfronton.
Hij was baljuw van Aalst en Grote van Spanje 1ste klas (Rico Hombre) (= behoorde tot de Kroonraad en mocht – als “1ste klas” – de koning spreken en aanhoren met bedekt hoofd!), werd in 1749 benoemd tot Maréchal de France en sloot zich in 1789 aan bij de opstand tegen Jozef II.
Emmanuel, de laatste markies van Lede, genoot op zijn minst gezegd van een frivool leventje en overleed hier op het kasteel, kinderloos, op 6 juli 1792 en daarmee zijn al problemen rond zijn erfenis begonnen.
Hij zou een huwelijk “met de linkerhand” (met iemand huwen van lagere komaf werd vroeger zo omschreven) gehad hebben met een zekere Rosalie-Estienette du Tarte (°29/8/1740 te St.-Bonnet-de-Vieille-Vigne, Frankrijk) in 1762 te Amsterdam.
Zij was actrice in de Muntschouwburg te Brussel, stad waar zij ook woonde.
Zij stierf op 13 september 1788.
De laatste telg van het Huis Bette, Ferdinand, overleed in 1792 zonder nakomelingen.
Hij liet een aanzienlijk vermogen na, dat verdeeld werd onder zijn neven en nichten.
Beiden werden te Lede begraven, en zowel zij als Emmanuel werd gezien hun liederlijke levenswandel buiten de kerk begraven.
Volgens het erfrecht in het Land van Aalst, ging de erfenis voor 1/3 naar moederskant en 2/3 naar vaderskant, zijnde naar een verre erfgenaam van de Grutere, nl. Jean Charles baron de Joigny de Pamele.
Hoe bepalend de markiezen waren in onze geschiedenis wordt gerelativeerd door de Amerikaanse historicus David Nicholas, een internationale autoriteit op het gebied van Europa in de middeleeuwen en Vlaanderen in het bijzonder.
In zijn boek “Vlaanderen in de middeleeuwen” schrijft hij: “Rond die tijd was de benaming niet meer dan een persoonlijke onderscheiding geworden die als een gunst werd toegekend.”
Een voorvader van de gevierde Emmanuel, Jean François de Bette (1667-1725) verkocht zich als huurling aan de Spaanse koning die de postkoloniale honger van het land tot in Marokko vastlegde.
Hij kreeg een straat in de nu nog steeds Spaanse enclave Ceuta.

De geschiedenis van de uno troepen in Congo in de jaren 60 is een verhaal van interventie, conflict en tragedie.
De uno troepen werden naar Congo gestuurd na de onafhankelijkheid van België in 1960, om de orde te herstellen en de eenheid van het land te bewaren.
Maar al snel raakten ze betrokken bij een complexe burgeroorlog, waarbij verschillende facties streden om de macht en de controle over de rijke grondstoffen van Congo.
Een van de belangrijkste figuren in deze strijd was Patrice Lumumba, de eerste democratisch verkozen premier van Congo.
Hij was een nationalistische leider die opkwam voor de rechten en belangen van de Congolese bevolking.
Hij werd echter tegengewerkt door zowel binnenlandse als buitenlandse krachten, die hem beschouwden als een bedreiging voor hun belangen.
Lumumba werd afgezet door een staatsgreep onder leiding van Joseph-Désiré Mobutu, met steun van België en de Verenigde Staten.
Hij werd vervolgens gevangengenomen en vermoord in januari 1961, onder verdachte omstandigheden.
De moord op Lumumba veroorzaakte een internationale crisis en leidde tot een escalatie van het geweld in Congo.
Verschillende provincies, waaronder Katanga en Zuid-Kasaï, verklaarden zich onafhankelijk van de centrale regering in Leopoldstad (nu Kinshasa).
De uno troepen probeerden deze afscheidingen te verhinderen en te onderdrukken, maar stuitten op hevig verzet van de Katangese gendarmes, die gesteund werden door Belgische huurlingen en mijnbedrijven.
De uno troepen werden ook beschuldigd van partijdigheid en schendingen van de mensenrechten.
De uno missie in Congo duurde vier jaar, van 1960 tot 1964, en kostte het leven aan meer dan 250 uno soldaten en duizenden Congolezen.
Het was de grootste en duurste uno operatie tot dan toe, maar slaagde er niet in om een duurzame vrede en stabiliteit te brengen in Congo.
Het land bleef geteisterd worden door politieke instabiliteit, economische achteruitgang en sociale onrechtvaardigheid.
De uno troepen trokken zich terug uit Congo in juni 1964, nadat ze erin geslaagd waren om de territoriale integriteit van het land te herstellen, maar zonder een echte oplossing te bieden voor de dieperliggende problemen. (Panorama 29 oktober 1963)

Gisteren nog vandaag

Gister nog vandaag
Johannes Paulus II was als paus betrekkelijk jong, 58, toen hij verkozen werd.
Zijn pontificaat werd het op twee na langste in de geschiedenis (na dat van Petrus en Pius IX).
Bij zijn aantreden was hij in een goede lichamelijke conditie en was een actieve sporter.
Hij wandelde, zwom en skiede. Na de eerste aanslag op zijn leven ging zijn gezondheid achteruit.
In 1989 schreef hij een brief waarin hij aangaf dat hij zou aftreden als zich bij hem een ongeneeslijke ziekte of een andere vergaande verslechtering van zijn gezondheid had gemanifesteerd die hem het werken onmogelijk zou maken.
In dat voorkomende geval zou hij het overlaten aan de deken van het College van Kardinalen, de Romeinse Curie en aan de vicaris van Rome wanneer zijn ontslag geaccepteerd zou worden.

In 1992 werd er bij Johannes Paulus II een tumor verwijderd.
In 1993 had hij een schouderoperatie, een jaar later brak hij een dijbeen en op hoge leeftijd, in 1996, kreeg hij een blindedarmontsteking en moest zijn blindedarm verwijderd worden.
In 2001 werd door een arts onthuld dat de paus aan de ziekte van Parkinson leed, wat in 2003 door het Vaticaan bevestigd werd.
Johannes Paulus II kreeg steeds meer moeite met zijn motoriek en spreken in het openbaar ging hem steeds slechter af.
Johannes Paulus II begon door deze toenemende lichamelijke problemen een steeds fragielere indruk te geven bij openbare optredens.
In 2005 kreeg hij zware ademhalingsproblemen, waardoor hij op 24 februari een tracheotomie moest ondergaan.
Op 31 maart 2005 kreeg de paus “zeer hoge koorts die door een urinebuisinfectie werd veroorzaakt”, maar de paus werd op zijn uitdrukkelijk verzoek niet naar het ziekenhuis gebracht, waarschijnlijk overeenkomstig zijn wens in het Vaticaan te sterven als zijn tijd gekomen was.
Later die dag meldden bronnen in het Vaticaan dat de paus de laatste sacramenten had ontvangen.
Op 1 april verslechterde zijn toestand en kreeg hij orgaanuitval.
De paus werd gevoed door middel van een neussonde.
In een officieel communiqué werd gesproken van een “ernstige, maar stabiele toestand”. Rapporten uit het Vaticaan vroeg in de ochtend berichtten dat de paus een hartaanval had gekregen, maar bij kennis was gebleven.
Op 2 april om ongeveer half één in de ochtend bevestigde het Vaticaan dat de paus de laatste sacramenten had ontvangen.
De daaropvolgende ochtend was er om 11.30 uur een persconferentie waarin de woordvoerder van het Vaticaan, Joaquín Navarro-Valls, meldde dat de paus steeds minder bij bewustzijn was.
Navarro-Valls vertelde dat de paus de woorden “Ik denk aan jullie” had uitgesproken, volgens hem waarschijnlijk refererend aan de jongeren die op het Sint-Pietersplein verzameld waren.

Dezelfde dag schreef de paus een afscheidsbriefje aan zijn naaste Poolse medewerkers (drie nonnen en twee secretarissen) met de tekst: “Ik ben gelukkig, laten jullie ook gelukkig zijn.”
Uiteindelijk overleed paus Johannes Paulus II in zijn privéappartement op 2 april om 21.37 uur op de leeftijd van 84 jaar aan de gevolgen van een scepsis en bijbehorende infecties, waardoor zijn nieren en andere vitale organen, waaronder uiteindelijk zijn hart, het lieten afweten.
In zijn laatste bericht, aan de jongeren op het Sint-Pietersplein, zei hij: “Ik kwam voor u, nu bent u naar mij gekomen. Ik dank u.”
Volgens de officiële lezing van het Vaticaan waren zijn laatste woorden, uitgesproken in het Pools: “Laat mij gaan naar het huis van de Vader”.
Zes uur later kwam na 26 jaar, vijf maanden en zestien dagen een eind aan zijn pontificaat.
Op 1 mei 2011 werd hij door zijn opvolger, paus Benedictus XVI, zalig verklaard.
Op 27 april 2014 werd hij door paus Franciscus heilig verklaard.
De kerk gedenkt hem op 22 oktober, de dag waarop hij in 1978 als paus werd geïntroniseerd. (Diverse bronnen en Wikipedia, Foto 3 bezoek aan Ieper 17 mei 1985).

Zijn toespraak werd door de Franstalige staf van de universiteit ernstig verstoord.
Halverwege zijn toespraak ging geleidelijk het elektrisch licht uit, volgens Elaut door sabotage vanuit de stadscentrale, zodat men zich een half uur lang met kaarslicht moest behelpen.
De voorgaande rector had uit protest tegen de gedeeltelijke vernederlandsing van de universiteit ontslag genomen, en als oudste hoogleraar van de medische faculteit was Heymans rector geworden.
In augustus 1924, op het 23e Vlaams Natuur- en Geneeskundig Congres te Aalst, verklaarde hij in een toespraak dat de toenmalige door minister Nolf tot stand gebrachte tweetaligheid van de Gentse universiteit (bekend als de “Nolfbarak”) “schoenlapperswerk” was.
En meteen na het einde van zijn rectoraat uitte hij op 7 november van dat jaar in een interview met De Standaard de vaste overtuiging dat het hogeschoolprobleem enkel door een algehele vervlaamsing van deze universiteit kon worden opgelost; ook verklaarde hij daarbij dat hij pas tijdens zijn rectoraat echt Vlaamsgezind was geworden omdat hij toen had kunnen vaststellen hoezeer alles wat Vlaams was werd tegengewerkt.
Jan Frans Heymans was een zoon van bescheiden landbouwers uit het Pajottenland, die nog in een lemen huisje woonden.
Door de opmerkzaamheid van een plaatselijke onderwijzer en tussenkomst van de pastoor kon hij met een studiebeurs verder studeren.
Heymans deed zijn humaniora aan het kleinseminarie in Hoogstraten en ging nadien geneeskunde studeren aan de Katholieke Universiteit Leuven te Leuven.
Heymans was in 1885 ook de medeoprichter van de Brabantse Gilde, de koepel van regionale katholieke studentenclubs uit Vlaams-Brabant in Leuven.
Dankzij beurzen en de morele steun van professor Carnoy trok Heymans eerst naar Parijs om verder te studeren, nadien naar Berlijn, daar werd hij vier jaar assistent van professor Raymond Dubois.
Jan Frans Heymans werd in 1892 te Gent de pas opgerichte leerstoel in de farmacodynamiek aangeboden, een onderdeel van de farmacologie of de kennis der geneesmiddelen, anders gezegd het experimenteel onderzoek naar geneesmiddelen.
Het opsporen van de werkingswijze van een geneesmiddel, gewoonlijk eerst bij de dieren, en ook de therapeutische werking van het geneesmiddel, dus de genezende kracht die het bezit.
Het is dus een onderzoek dat direct bij de fysiologie aansluit.
Het instituut werd later naar hem genoemd en werd nadien geleid door zijn zoon Corneel Heymans.
Voor dit werk behaalde zijn zoon in 1938 de Nobelprijs voor de Fysiologie of Geneeskunde met als officiële vermelding: “Voor het aantonen hoe de bloeddruk en het zuurstofgehalte van het bloed door het lichaam worden gemeten en hoe dit wordt overgedragen naar de hersenen”.
Ondertussen was vader Jan Frans Heymans overleden, maar iedere wetenschapper is ervan overtuigd dat hij mede aan de basis lag van het succes van zijn zoon.
De Prijs Jan-Frans Heymans is een vijfjaarlijkse prijs die sinds 1942 toegekend wordt aan een doctor in de geneeskunde, voor een oorspronkelijke verhandeling, in het Nederlands, Engels of het Frans, die moet handelen over experimentele of klinische farmacologische wetenschappen.
De prijs bedraagt tegenwoordig 2.500 euro.

De gemeente Leupegem waar ik woon, heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot de middeleeuwen.
Een van de meest opvallende gebouwen in Leupegem is het Schipperskerje.
Dit gebouw was jarenlang een mysterie. Zo zijn er op de dag van vandaag twee versies.
Volgens de recentste bevindingen zou het Schipperskerkje helemaal geen kerk zijn, maar een kalkschuur.
Vanaf de 17de eeuw werd hier kalk opgeslagen die vanuit de streek rond Doornik werd aangevoerd voor de bemesting van de akkers en de bouwnijverheid.
De zware steunberen aan de zijkanten van het gebouw moesten de zijwaartse druk van de opgeslagen kalk opvangen.
In 1722, het jaartal dat in de gevel verankerd zit, werd het gebouw gebruikt door Daniel Blommaert en J. Lestienne, twee kalkhandelaars uit het Doornikse.
De tweede versie is dat voor de rechttrekking van de Schelde stond je hier op de oever van de stroom en dus gingen de inwoners van deelgemeente Leupegem ervan uit dat het een schipperskerkje was geweest.
De oorsprong van dit kerkje gaat zeker tot de 11e eeuw terug.
Deze werd een aantal malen verwoest en later herbouwd in renaissancestijl op oude grondvesten.
Na een brand werd de kerk herbouwd door de schippersgilde en ontstond er een driebeukig gotisch kerkje.
Het schipperskerje is gewijd aan Onze-Lieve-Vrouw van de Zeven Smarten en staat symbool voor de verbondenheid van de Leupegemse bevolking met de Schelde.
Vanaf 1645 in het bezit van het armenbestuur van Leupegem (heden Openbaar Centrum voor Maatschappelijk Welzijn).
In 1669 werd de kerk gebruikt als hospitaal voor het Franse leger.
Hoewel de kerk nadien nog werd verfraaid, zoals in 1713 toen de zoldering met Lodewijk XIV-versieringen werd bepleisterd.
Besloot men toch om de kerk te sluiten en in 1792 werd de laatste mis opgedragen.
Daarna werd de kerk gebruikt als opslagplaats.
In 1830 werd de kerk verkocht om met het geld een nieuwe Sint-Amanduskerk te bouwen, ook werd toen de toren gesloopt.
In het kerkschip werden woningen gebouwd.
Ook later werd er hieraan nog meerdere malen verbouwd.
In de jaren veertig van de vorige eeuw had het de functie van een kolenmagazijn en in de jaren vijftig als stapelhuis.
Het gebouw is al tientallen jaren in verval.
Het OCMW van Oudenaarde heeft beslist in 2009 om het beschermde schipperskerkje in Leupegem te restaureren.
Op 17 augustus 2020 kwam het terug in de gemeenteraad en neemt het college kennis van de brief van de Vlaams minister van Onroerend Erfgoed in verband met de restauratie van het Schipperskerkje in Leupegem.
Tot vandaag is het gebouw nog steeds niets meer dan een reünie en hebben we nog altijd geen weet wanneer de werken gaan gebeuren.

Bericht opnieuw plannen
Nu plaatsen
De afdamming van de Krekerak en het Shoe voor de haven van Antwerpen is een grootschalig infrastructuurproject dat tot doel heeft de toegankelijkheid en de capaciteit van de haven te verbeteren.

Het project omvat de aanleg van een nieuwe sluis tussen de Schelde en het Kanaaldok, de afsluiting van de Krekerak en het Shoe met dammen, en de aanpassing van de vaarwegen in het Schelde-Rijnkanaal.

Het project zal naar verwachting in 2030 voltooid zijn en zal de haven van Antwerpen in staat stellen om grotere schepen te ontvangen en meer goederen te verwerken.


De afdamming van de Krekerak en het Shoe voor de haven van Antwerpen was een groot waterbouwkundig project dat in 1963 begon en in 1976 voltooid werd.

Het doel van het project was om de getijdenwerking op de Schelde te verminderen en zo de scheepvaart naar Antwerpen te vergemakkelijken.

Door de afdamming ontstonden twee grote zoetwaterbekkens, het Volkerak en het Zoommeer, die als buffer dienen voor de waterhuishouding in Zuidwest-Nederland.

Het project had ook grote gevolgen voor de natuur, de landbouw en de recreatie in het gebied.






Over deze priester kan ik niets meer terugvinden, maar wel over zijn prachtige kerk Saint-Firmin de Rochehaut in de Belgische provincie Luxemburg.
De kerk dateert uit de 18e eeuw en is gewijd aan de heilige Firminus, een bisschop van Amiens die in de 4e eeuw leefde.
De kerk is vooral bekend om zijn muurschilderingen, die het leven van Christus en de heiligen voorstellen.
De muurschilderingen zijn gemaakt door de lokale kunstenaar Albert Raty in de jaren 1930 en 1940.
Raty was een gepassioneerde kunstenaar die zich liet inspireren door de natuur en de landschappen van de Ardennen.
Hij werkte meer dan tien jaar aan dit project dat een hoogtepunt vormt in zijn carrière.
De muurschilderingen zijn prachtig en getuigen van zijn meesterschap in het gebruik van kleuren, licht en schaduw.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Het Brouwershuis herbergt een rijke collectie kunst en meubelen die getuigen van de welvaart en de smaak van de brouwers.

Zo zijn er schilderijen van Rubens, Van Dyck, Jordaens en Teniers te bewonderen, naast wandtapijten, porselein, zilverwerk en houtsnijwerk.


Het Brouwershuis in Antwerpen is een historisch gebouw dat dateert uit de 16e eeuw.
Het was oorspronkelijk de zetel van de gilde van de brouwers, die een belangrijke rol speelden in de economische en sociale ontwikkeling van de stad.

Het gebouw is een voorbeeld van de Brabantse renaissancestijl, met een rijk versierde gevel en een imposante trapgevel.

Het interieur bevat onder meer een grote zaal met een houten zoldering, een schouw met albasten reliëfs en een collectie schilderijen en wandtapijten.

Het Brouwershuis is sinds 1938 een beschermd monument en is nu in gebruik als museum en evenementenlocatie.
