Betsy Drake: van Broadway en Hollywood tot de scheepsramp met de Andrea Doria

Het minste wat men van de jeugd van Betsy Drake kon zeggen, was dat deze bijzonder bewogen en afwisselend was geweest.

Enkele jaren voordien had niemand durven voorspellen dat er voor haar een schitterende filmcarrière was weggelegd.

Toch werd dat voor haar de volle werkelijkheid. Ze raakte destijds algemeen bekend, vooral nadat het publiek haar talenten als komedieactrice leerde waarderen.

Ze was amusant, gevat, speels en ondeugend.

Al die kwaliteiten kwamen mooi naar voren in de charmante film ‘Een Prettige Baby’, de Nederlandstalige titel voor ‘Every Girl Should Be Married’.

Haar vader, Carlos Corey Drake, was een schrijver die afstamde van een welgestelde familie uit Chicago, bekend van de befaamde Drake en Blackstone hotels.

Haar grootvader Tracy Drake was immers de oprichter van het befaamde Drake Hotel in Chicago.

Carlos Corey Drake koos echter voor het avontuurlijke schrijversleven en vestigde zich in de jaren twintig in Parijs, waar hij zich onderdompelde in het bruisende literaire milieu rond Montmartre.

Hij schreef korte verhalen en reisverhalen en liet zich later vooral opmerken met zijn autobiografische boek ‘Mr. Aladdin’, uitgebracht in 1947.

Daarin beschreef hij met veel humor zijn kleurrijke belevenissen, ondernemingen en het flamboyante Amerikaanse kunstenaarsleven in het Parijs van de ‘roaring twenties’.

In die Franse hoofdstad zag dochter Betsy in september 1923 het levenslicht.

Nadat het familiekapitaal door de beurskrach van 1929 volledig verloren was gegaan, keerde het gezin terug naar de Verenigde Staten.

Haar opvoeding kon men moeilijk vlekkeloos noemen, vooral omdat het gezin voortdurend verhuisde.

Ze bracht haar jeugd door in Chicago, Westport in Connecticut, Washington D.C., Virginia, North Carolina en New York City.

Doordat ze zo vaak van woonplaats veranderden, bezocht ze maar liefst twaalf verschillende scholen alvorens ze zich aansloot bij een toneelschool in Maryland.

Later verhuisde ze naar New York City om een carrière als actrice op te bouwen. Om haar opleiding te bekostigen en rond te komen, werkte ze tijdelijk als fotomodel en liep ze modeshows.

Toen ze dramaturg Horton Foote ontmoette, kreeg ze werk als assistente en vaste invaller in een toneelstuk en sloot ze zich aan bij de Actors’ Equity Association.

Ze liet ook de kans niet voorbijgaan om zich aan te sluiten bij een toneelgezelschap dat naar Broadway trok om er het stuk ‘Only the Heart’ op te voeren, waar ze begon als assistente.

Hoewel de opvoering op een tegenvaller uitliep, kreeg Betsy de smaak van het podium definitief te pakken.

Op aandringen van haar agent tekende ze via producent Hal B. Wallis een contract in Hollywood.

De filmstad beviel haar echter helemaal niet en ze liet zichzelf zelfs ontoerekeningsvatbaar verklaren om onder het wurgcontract uit te komen.

Ze keerde terug naar New York City en werd vervolgens door Elia Kazan gecast voor een toneelstuk in Londen.

Bovendien behoorde ze tot de medeoprichters van Kazans befaamde Actors Studio

In 1947 ontmoette ze in Londen de filmberoemdheden Merle Oberon en Cary Grant.

Met die laatste keerden ze gezamenlijk per schip terug naar de Verenigde Staten en de twee kregen een relatie.

Op aandringen van Grant werd ze gecast voor de romantische komedie ‘Every Girl Should Be Married’ uit 1948, waarin ze meteen de hoofdrol vertolkte.

Het koppel trouwde tijdens kerstmis in 1949, waarna Betsy Drake volledig werd opgenomen in het Hollywoodse leven.

In 1952 verscheen ze opnieuw tegenover haar echtgenoot in de film ‘Room for One More’.

In juli 1956 beleefde Betsy Drake een dramatisch avontuur op zee toen ze aan boord was van het Italiaanse passagiersschip SS Andrea Doria.

Zij was een van de 1134 passagiers en 572 bemanningsleden. Als bijzondere lading vervoerde het schip ook een futuristische conceptauto, de Chrysler Norseman, gebouwd door het Italiaanse carrosseriebedrijf Ghia.

Een wat kleiner passagiersschip, de Stockholm, dat 160 meter lang is en een bruto tonnenmaat van 12.165 ton heeft, boorde zich in dichte mist aan stuurboordzijde in de Andrea Doria terwijl het onderweg was van New York naar Göteborg.

Bij de aanvaring verloren 46 passagiers het leven.

De Stockholm was zwaar beschadigd, maar liep geen gevaar om te zinken.

Omdat de SS Andrea Doria direct een slagzij van meer dan twintig graden maakte, was de helft van de eigen reddingsboten onbruikbaar.

Betsy Drake bracht daarom ruim twee uur biddend door, terwijl ze zich vasthield aan een paal op het hooggelegen deel van het dek.

Uiteindelijk werd ze door de bemanning naar een van de wel beschikbare reddingsboten geleid.

Haar reddingsboot bracht haar naar de SS Île de France, een Frans luxeschip dat te hulp was geschoten en de meeste overlevenden aan boord nam.

Aan boord van de Île de France kwam ze uiteindelijk veilig, maar blootsvoets en enkel in haar jurk, aan in New York.

Het Italiaanse schip zonk in de vroege ochtend van 26 juli, elf uur na de aanvaring, en ligt nog steeds zeventig meter diep op de oceaanbodem.

Het unieke prototype van de Chrysler Norseman verdween mee in de golven en werd nooit in productie genomen.

Betsy Drake overleefde de ramp, maar verloor bij het zinken van het schip al haar juwelen ter waarde van tweehonderdduizend dollar.

Toen Cary Grant een affaire begon met actrice Sophia Loren tijdens de opnamen van de film ‘Houseboat’ in 1958, liep het huwelijk op de klippen en gingen Drake en Grant uit elkaar.

De scheiding werd definitief uitgesproken in 1962.

Na nog enkele rollen te hebben gespeeld, besloot Betsy Drake definitief te stoppen met acteren om zich te richten op een carrière als auteur.

Daarnaast schoolde ze zich om en ging ze aan de slag als psychotherapeut in Los Angeles, nadat ze een Master of Education had behaald aan Harvard University.

Betsy Drake bracht haar laatste levensjaren door in Londen, waar ze op 92-jarige leeftijd in haar eigen woning overleed.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 15 Jaar Geleden Overleden: Cliff Robertson, acteur en onbuigzame held

Met zijn karakteristieke kaaklijn, indringende blik en een stem die autoriteit uitstraalde, was Cliff Robertson decennialang een vaste waarde in Hollywood.

Hij was niet zomaar een filmster; Robertson was een veelzijdige Oscarwinnaar, een gepassioneerd piloot, en bovenal een man van onberispelijke principes.

De in Californië geboren acteur Clifford Parker Robertson had een interessante carrière achter de rug, die zich later ook tot de televisie uitstrekte.

In 1955 maakte hij zijn debuut naast William Holden in Picnic, waarmee hij in eerste instantie werd weggezet als de voordeligere variant van diezelfde Hollywoodster.

Door hetzelfde cynische ondertoontje dat Holden bezat, koos men Cliff voor de rol van dwarsligger in de oorlogsfilm ‘The Naked and the Dead’ van Raoul Walsh.

Regisseur Samuel Fuller kon hem goed gebruiken voor de gefrustreerde jongeman die zijn vermoorde vader wilde wreken bij de maffia in ‘Underworld USA’, maar er zelf uiteindelijk onderdoor gaat.

Kortom, Cliff Robertson was een keurige versie van de ‘angry young man’, maar miste het grote acteertalent van Marlon Brando of Montgomery Clift.

Maar hij was zeer goed bruikbaar als leading man van de goedkope oorlogsfilms.

Hij had dan ook een zeer Amerikaans uiterlijk.

Naarmate zijn populariteit bij het grote publiek langzaam steeg, viel hij op bij niemand minder dan president John F. Kennedy.

Die koos Robertson in 1963 persoonlijk uit voor de hoofdrol in de oorlogsfilm PT 109.

Die was namelijk gebaseerd op een autobiografie van John F. Kennedy, waarin hij beschreef hoe hij in oorlogstijd uren in het water had gelegen en een paar mannen had weten te redden.

Een prachtig verhaal dat perfect paste bij het heldenimago van de jonge president en dat door de president van de filmmaatschappij Warner Bros, Jack Warner, onder supervisie werd genomen voor verfilming.

De film verschilde tenslotte niet veel van al die andere oorlogsfilms, maar had als extra verkoopargument dat het om de president ging.

En Cliff Robertson leek wel wat op Kennedy, zoals hij er in 1963 uitzag, maar hij leek totaal niet op de jonge Kennedy van tijdens de oorlogsjaren, waar niemand zich toen om bekommerde.

PT 109 heeft veel goed gedaan voor de filmcarrière van Cliff Robertson.

Hij bleef de meest perfecte soldaat voor andere oorlogsfilms: ‘Too Late the Hero’, ‘The Devil’s Brigade’ (weer met William Holden) en ‘Up From The Beach’.

Hij kreeg daardoor ook andere soorten rollen aangeboden en was vanaf dat moment geregeld te zien in kwaliteitsfilms.

Dit succes bood hem de kans om zijn droomproject te verwezenlijken, waarin hij pas echt kon laten zien wat hij als acteur in huis had.

Het absolute hoogtepunt van zijn acteercarrière volgde dan ook in 1968 met de film ‘Charly’.

Robertson vocht namelijk jarenlang om het verhaal over een vrij kinderlijke man neer te zetten, die na een experimentele operatie superintelligent wordt, en daarna weer in de oude staat terugvalt.

Het was een aparte film, die tegen sciencefiction aanleunt, met een boeiende rol van Robertson, die ervoor vocht om daarmee hoog te scoren bij de Oscaruitreiking.

Zijn meeslepende, emotionele optreden werd dan ook beloond met de Academy Award voor Beste Mannelijke Hoofdrol.

De tweede ambitie was het zelf regisseren van films en ook dat lukte, hoewel met minder succes.

Naarmate Robertson wat ouder werd en er nieuwe sterren kwamen, verdween hij enigszins naar het tweede plan, maar ook daar wist hij nog op te vallen.

Hij was een gladde C.I.A.-man die op zijn beurt Robert Redford weer niet vertrouwt in ‘Three Days of the Condor’.

Hij herhaalde zo’n rol van onbetrouwbaar overheidstype in Brainstorm.

Toch staat Robertson in Hollywood niet alleen bekend om zijn acteerwerk, maar ook om zijn ongekende integriteit.

Zijn carrière kreeg onterecht een geduchte knauw toen hij in 1977 (bij toeval) een fraude ontmaskerde van het hoofd van Columbia Pictures, David Begelman.

Hij ontdekte dat de studiobaas zijn handtekening had vervalst om geld te verduisteren.

Waar velen hun mond hielden uit angst voor hun carrière, stapte Robertson naar de politie.

Het schandaal schudde de filmindustrie op haar grondvesten.

Dit werd hem door de machtige studiobonzen rond Begelman niet in dank afgenomen en hij werd jarenlang door studio’s op een zwarte lijst gezet.

Hij weigerde echter spijt te hebben en koos resoluut voor zijn principes boven roem, iets wat hem uiteindelijk het diepe respect van de hele industrie opleverde.

Hij wist toch terug te komen via de series Falcon Crest, Key to Rebecca en wat nieuwe films.

Voor een jongere generatie blijft hij voor altijd de ultieme belichaming van Uncle Ben in Sam Raimi’s Spider-Man (2002).

Met de iconische uitspraak “With great power comes great responsibility” gaf hij het emotionele fundament aan een van de succesvolste filmfranchises ooit.

Wanneer hij niet op de set stond, vond je Robertson hoog boven de wolken als fanatiek vlieger met een indrukwekkende verzameling vintage vliegtuigen.

Toen hij in 2011 op 88-jarige leeftijd overleed, liet hij een erfenis achter van meer dan zestig jaar topprestaties.

Cliff Robertson bewees dat een echte held niet alleen rollen speelt, maar er ook naar leeft.

Achter die standvastige Hollywoodcarrière schuilde een minstens zo boeiend privéleven vol opmerkelijke weetjes.

Robertson groeide op in Californië. Nadat zijn ouders scheidden en zijn moeder kort daarna overleed, werd hij voornamelijk opgevoed door zijn grootmoeder.

Van een glamourleven in Hollywood wilde hij nooit veel weten.

Hij weigerde steevast om naar Los Angeles te verhuizen en bleef tot zijn overlijden aan de Amerikaanse oostkust wonen, ver weg van de filmstudio’s.

In zijn liefdesleven was Robertson tweemaal getrouwd met bekende vrouwen.

Zijn eerste huwelijk was met actrice Cynthia Stone, de ex-vrouw van acteur Jack Lemmon.

Later trouwde hij met actrice Dina Merrill, de dochter van de steenrijke zakenvrouw Marjorie Merriweather Post.

Samen met Merrill behoorde hij tot de absolute elite van de Amerikaanse bovenklasse.

Hun huwelijk hield uiteindelijk maar liefst 22 jaar stand.

Robertson kreeg uit elk van zijn twee huwelijken een dochter.

Zijn passie voor vliegen was bovendien véél meer dan zomaar een hobby.

Hij begon al op zijn dertiende met vlieglessen via een slimme ruil: hij maakte de hangars schoon in ruil voor vliegtijd.

In de loop der jaren bouwde hij een indrukwekkende privécollectie op, waaronder een authentieke Britse Supermarine Spitfire uit de Tweede Wereldoorlog.

Die liefde voor de luchtvaart zette hij ook in voor goede doelen.

Zo hielp hij in de jaren zeventig bij het organiseren van hulpvluchten naar Nigeria en Ethiopië om hongersnood te bestrijden, en stond hij aan de wieg van het Young Eagles-programma om jongeren enthousiast te maken voor de luchtvaart.

Zijn vliegpassie leidde in 2001 zelfs tot een wel heel bijzonder historisch moment.

Op de ochtend van 11 september vloog Robertson in zijn privé-vliegtuigje direct boven Manhattan, net op het moment dat het eerste vliegtuig de World Trade Center-toren raakte.

De luchtverkeersleiding sommeerde hem meteen om zijn toestel aan de grond te zetten.

Daarnaast was hij een fervent tennis- en skiliefhebber en een verdienstelijk auteur.

Cliff Robertson bleef tot op het allerlaatste moment trouw aan zichzelf: hij overleed in de staat New York op exact één dag na zijn 88ste verjaardag.

Een eeuw geleden, op 16 december 1923, vond er een grote betoging plaats in Brugge van duivenliefhebbers die protesteerden tegen de belastingplannen van de regering.

De duivenmelkers voelden zich geviseerd door de regering, die hen wilde belasten voor hun hobby.

De regering had al eerder een poging gedaan om een taks van 10 procent te heffen op de inleggelden voor duivenwedstrijden en een belasting van één frank per verkochte pootring.

Dit stuitte op hevig verzet van de duivenliefhebbers, die ook een belangrijke kiesgroep vormden.

In 1921 werd het voorstel dan ook verworpen in het parlement.

Maar in 1923 kwam de regering met een nieuw voorstel dat gekoppeld werd aan de bescherming van de militaire duiven.

Wie duiven wilde houden, moest voortaan de toestemming hebben van de burgemeester en aangesloten zijn bij een erkende duivenmaatschappij.

Bovendien moesten de duiven geregistreerd worden bij de Koninklijke Belgische Duivenbond (KDBD).

De duivenliefhebbers lieten dit niet zomaar gebeuren en organiseerden een massale betoging in Brugge, waar meer dan 15000 mensen op afkwamen.

Ze eisten de afschaffing van de belastingen en de vrijheid om duiven te houden zonder inmenging van de overheid.

De duif heeft een lange en rijke geschiedenis.

Al in de Bijbel zien we de duif als symbool van vrede en hoop.

Later werd de duif gebruikt als een snelle en betrouwbare manier om berichten te versturen.

Veel oude beschavingen maakten gebruik van deze dienst.

Ook in oorlogstijd bewezen de duiven hun nut en moed.

Maar na de Tweede Wereldoorlog raakte de postduif in onbruik.

Sindsdien heeft het Belgische leger geen duiven meer in dienst.

Vandaag is het precies honderd jaar geleden dat de beroemde operazangeres Maria Callas werd geboren.

Haar echte naam was Maria Anna Sofia Cecilia Kalogeropoulos en ze kwam ter wereld in New York, als dochter van arme Griekse immigranten.

Haar ouders scheidden toen ze jong was en ze had een moeizame relatie met haar moeder, die haar streng en ambitieus opvoedde.

In 1937 verhuisde ze met haar moeder terug naar Griekenland, waar ze haar eerste zangopleiding kreeg in Athene.

Ze maakte haar debuut in 1941 en bouwde al snel een internationale carrière op, met optredens in de belangrijkste operahuizen van Europa en Amerika.

Haar stem, die zowel dramatisch als lyrisch was, stelde haar in staat om een breed repertoire te zingen, van belcanto tot verismo.

Ze stond ook bekend om haar acteertalent en haar interpretatie van complexe personages.

Ze trouwde in 1949 met de rijke industrieel Giovanni Battista Meneghini, die haar manager werd, maar scheidde van hem in 1959 na een affaire met de Griekse scheepsmagnaat Aristoteles Onassis.

Deze relatie duurde tot 1968, toen Onassis haar verliet voor Jacqueline Kennedy, de weduwe van de Amerikaanse president.

Callas had geen kinderen, hoewel er geruchten waren dat ze een miskraam had gehad of een kind had afgestaan.

Ze stierf op 16 september 1977 in Parijs, op 53-jarige leeftijd, aan een hartaanval.

Op haar begrafenis waren tienduizenden mensen naar Parijs gekomen

De dienst werd gehouden in de Grieks-orthodoxe kerk aan de Rue Georges Bizet in Parijs.

Daarna werd haar lichaam gecremeerd en werd haar as in het columbarium geplaatst op de Parijse begraafplaats Père Lachaise.

Daar werd op dezelfde dag haar as gestolen en gelukkig twee dagen later teruggevonden.

In 1979, conform haar eigen wens, werd de as uitgestrooid voor het eiland Skorpios in de Ionische Zee.

Vandaag is het precies een eeuw geleden dat Virginie Loveling, een van de grootste Vlaamse schrijfsters, overleed in Gent.

Ze was een veelzijdige en kritische auteur, die zowel poëzie, proza als essays schreef. Ze was ook een voorvechtster van de vrouwenemancipatie en de Vlaamse Beweging.

Virginie Loveling werd geboren in Nevele, als dochter van een Duitse vader en een Vlaamse moeder.

Haar vader pleegde zelfmoord toen ze nog een kind was, waardoor ze opgroeide in armoede.

Ze leerde verschillende talen en ontwikkelde een grote liefde voor literatuur.

Samen met haar zus Rosalie begon ze gedichten te publiceren onder het pseudoniem Loveling.

Na de dood van haar zus in 1875 legde Virginie zich toe op het schrijven van verhalen en romans, die getuigden van een scherp observatievermogen en een realistische stijl.

Ze nam geen blad voor de mond en hekelde de invloed van de katholieke kerk, de verfransing van de elite en de achterstelling van de vrouw.

Haar werken waren vaak controversieel en werden soms gecensureerd of verboden.

Virginie Loveling reisde veel en maakte kennis met andere culturen en schrijvers.

Ze schreef ook over haar reiservaringen in boeiende verslagen.

Ze was bevriend met haar neef Cyriel Buysse, met wie ze samen een roman schreef: Levensleer, een humoristische roman over de verfranste Gentse bourgeoisie.

Ze was ook actief in verschillende verenigingen die opkwamen voor de rechten van de vrouw en de Vlaming.

Virginie Loveling stierf op 1 december 1923 in Gent en werd begraven op de Westerbegraafplaats te Gent.

100 jaar geleden, te gast bij kunstschilder Gaston Joseph Wallaert (Ons Land november 1923).

Gaston Joseph Wallaert werd geboren in Brussel in 1889.

Reeds vroeg voelde hij zich geroepen om schilder te worden.

In 1906 volgde hij opleiding aan de Brusselse Academie voor Schone Kunsten.

Aanvankelijk schilderde hij grote composities die dramatisch romantisch geladen zijn.

Wallaert trouwde in Hasselt met Maria Brauns (Hasselt 1894-1975).

Hij woonde aan de Kuringersteenweg 223 en daar in Limburg ontdekte hij het weidse landschap.

Zijn werken werden daardoor kleurrijker.

Met de steun van het ministerie van Cultuur maakte hij in 1923 een reis van acht maanden doorheen het klassieke Italië.

Die reis heeft een kentering in zijn kunst gebracht.

Wallaert was op de eerste plaats een schilder en etser, maar hij liet zich ook als schrijver gelden.

Hij was lid van de Vereniging van Limburgse Schrijvers en van de P.E.N. te Brussel.

Hij schreef bijdragen in De Standaard, De Zweep, Nieuw Limburg.

Van zijn hand zijn: Linneke, verzen en houtsneden (1939), Bij Memlinc op bezoek (1939), Dien ongewone winternacht (1944, kerstverhaal), Schoon Limburg, 14 etsen en droge naalden in geleid door M. Rutten (1952) en Eeuwig Italië(1953, relaas van verblijf in dat land).

Vandaag 100 jaar geleden, sfeerfoto’s viering 11 november

Vandaag is het 11 november, de dag waarop we de wapenstilstand van de Eerste Wereldoorlog herdenken.

Op deze dag in 1918, om 11 uur ’s ochtends, zwegen de kanonnen na vier jaar van bloedige strijd.

Meer dan 9 miljoen soldaten en 7 miljoen burgers lieten het leven in deze oorlog, die de wereld voorgoed veranderde.

De wapenstilstand betekende het einde van de gevechten, maar niet van de gevolgen.

De vrede werd pas officieel gesloten met het Verdrag van Versailles in 1919, dat de basis legde voor een nieuwe wereldorde, maar ook voor nieuwe conflicten.

Oude molens in Vlaanderen (foto’s september 1923)

Foto 1: Kloostermolen in Elsegem, was gelegen op de site van het verdwenen omgracht en ommuurd kloostercomplex.

De geschiedenis van de voormalige augustijnerpriorij van Onze-Lieve-Vrouw Ten Walle gaat terug tot 1417, toen Bernard van Brakel een leen genaamd “Wippelgem” verwierf dat een oude nederzetting uit de vroege middeleeuwen was.

Hij stichtte er een klooster en een kerk, waar Arnold Buederic in 1418 een scriptorium oprichtte.

Het kloostercomplex werd verwoest door brand in 1577-1586, maar later hersteld en uitgebreid in de late 17de eeuw.

Het klooster stond toen bekend als “Kloosterhoeve” en verzorgde de parochiale diensten.

In 1782 werd het klooster opgeheven onder Jozef II.

Het omvatte toen een kerk, twee huizen, een priorskwartier, twee eetzalen, gastenverblijven, een keuken, een brouwerij, knechtenkamers, schuren, een hoeve, een windmolen en visvijvers.

Alles werd verkocht en gesloopt, en de grachten werden gedempt.

Met uitzondering van een deel van de gekelderde kloosterhoeve, aangrenzende stallen en de molen.

Deze houten korenwindmolen op een terp werd gebouwd in 1457 en aangepast en herbouwd in 1479.

De molen met de naam Kloostermolen is in 1940 afgebroken.

Foto 2: De molen van Scillie, kan niets terug vinden over deze molen.

Foto 3: Molen Den Osse gelegen in Bevere bij Oudenaarde en was toen eigendom van Remi Van Lerberge. De molen is gesloopt in 1965. (Deze gegevens van deze molen gekregen van Annie Rousseau, waarvoor mijn dank)

Oude molens in Vlaanderen (foto’s september 1923)

Foto 1: Molen Van Malderen, zou volgens mijn gegevens van 1190 moeten zijn, huidige bronnen spreken van de eerste helft van de 14e eeuw en ontleent zijn huidige naam aan de plaats waar ze staat, de “Malderse Heide”.

In de loop van de geschiedenis is de molen meermaals geheel of gedeeltelijk vernield en opnieuw opgericht.

Deze molen bestaat nog, maar wegens technische gebreken aan de molenconstructie is de molen niet toegankelijk voor publiek.

Foto 2: Molen Ter Hengst aan de Ommegangstraat in Nukerke. Molen Ter Hengst staat op een van de hoogste punten in de Vlaamse Ardennen en is van heel ver in de omgeving te zien.

Al eeuwenlang staat er een molen, eerst in hout, nadien in steen. De huidige molenkuip werd rond 1830 gebouwd en bleef malen tot na de Tweede Wereldoorlog. Na het stopzetten van de maalactiviteiten begon het verval vlug in te treden.

In de jaren 60 werd de molen beschermd erfgoed. De toenmalige eigenaars, de familie Vandekerkhove gaven aan het molenhuis een nieuwe bestemming en jarenlang stond die bekend als de horecazaak The Ranch.

Een eerste restauratie volgde in de jaren zeventig. Na een tweede renovatie door molenbouwer-restaurateur Peter Thomas werd de molen opnieuw weer maalvaardig.

Foto 3: Molen Hondzocht in Tubize is gebouwd in 1775. De molen, die dateert uit het eind van de 18e eeuw, bleef in gebruik tot het jaar 1979, toen de laatste molenaar stierf.

SIndsdien raakte de beschermde molen steeds meer in verval. Men zou in 2019 beginnen met de werken, maar men is pas begonnen met de werken in 2022. Op termijn komen in de molen een museum en een belevingscentrum rond oude molentechnieken.

Foto 4: Molen van den Berg Peteghem, zou één van de oudste molens moeten zijn die toen nog bestonden. Volgens mijn gegevens van 1092. Was gelegen in Eksaarde en is afgebroken in 1932.

Vandaag is het 75 jaar geleden dat de Oostenrijkse schrijver Felix Salten is overleden.

Zijn bekendste werk is Bambi, Eine Lebensgeschichte aus dem Walde, dat hij schreef in 1923.

Het werd vertaald in het Engels in 1928 en werd een boek-van-de-maand-clubhit.

In 1933 verkocht hij de filmrechten voor 1000 dollar aan de Amerikaanse filmregisseur Sidney Franklin, die deze later overdroeg aan The Walt Disney Company.

In 1939 schreef Salten een vervolg: Bambis Kinder: Eine Familie im Walde.

Hoewel Bambi bedoeld was als een waarschuwing voor “terug-naar-de-natuur”-aanhangers die in zijn ogen de natuur te veel idealiseerden, werd het tot Saltens verdriet door de Disney-studio’s “geïnfantiliseerd” tot een kinderverhaal.

Met dit filmscript verscheen in 1942 de succesvolle animatiefilm Bambi.

Salten is hoogstwaarschijnlijk ook de auteur van de satirische, maatschappijkritische, erotische roman Josefine Mutzenbacher, die Geschichte einer Wienerischen Dirne von ihr selbst erzählt, de fictieve autobiografie van een Weense prostituee, die anoniem verscheen in 1906.

Verondersteld werd dat Salten en Arthur Schnitzler het boek samen geschreven hadden, maar Schnitzler ontkende zijn aandeel categorisch.

Salten heeft zijn auteurschap nooit bevestigd of ontkend, maar het half-pornografische verhaal Die Gedenktafel der Prinzessin Anna (ook wel Die Bekentnisse einer Prinzessin), dat in 1902 onder zijn eigen naam verscheen, is te beschouwen als een voorstudie voor Josefine Mutzenbacher.

Ook in andere werken, waaronder de beide Bambi-boeken, nam hij beeldende verwijzingen naar seksuele handelingen op, die Disney’s scenaristen Perce Pearce en Larry Morey niet overnamen voor hun film.

Leven in Oostenrijk in de jaren dertig werd levensgevaarlijk voor een prominente jood.

In 1933 ontbrak hij nog op de “lijst van schadelijke en ongewenst geschriften” van de nazi’s van Adolf Hitler, maar in 1935 werd hij daar wel op geplaatst.

In 1939 ontvluchtte hij zijn land, toen Oostenrijk een deel was geworden van Duitsland.

Salten kreeg een Amerikaans visum aangeboden door de Amerikaanse consul “uit persoonlijk respect voor Bambi”.

Maar Salten wees dit aanbod af en koos voor Zwitserland, waar zijn dochter Anna woonde.

Hij verhuisde naar Zürich waar hij woonde tot zijn dood.

Felix Salten was een enthousiast jager, maar hij zag zichzelf niet als een ‘schieter’.

De plezierjacht van de Oostenrijkse adel was hem een gruwel.

Wel kwam hij er ruiterlijk voor uit dat hij in zijn leven zeker zo’n 200 ‘Bambi’s’ had omgelegd

Hij was getrouwd met de actrice Ottilie Metzl.

Zij hadden een zoon Paul en een dochter Anna-Katherina, die werk van haar vader geïllustreerd heeft.

Van al zijn werk worden in onze tijd alleen nog Bambi en Josefine Mutzenbacher herdrukt.

Felix Salten
Felix Salten