Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Raymond Macherot, geboren op 11 november 1924 in het Belgische Verviers, was een grootmeester in de stripwereld.
Na zijn opleiding aan de Koninklijke Academie voor Schone Kunsten in Luik begon hij zijn carrière met het illustreren van reclames en korte verhalen voor tijdschriften als Le Moustique en Spirou.
Maar zijn echte doorbraak kwam in 1953, toen hij voor het legendarische stripblad Kuifje ging werken.
In 1954 schiep Macherot zijn onsterfelijke held: Chlorophyl, een dappere muis die in een prachtige dierenwereld leeft.
Deze reeks was revolutionair. Niet alleen door de realistische tekenstijl, maar ook door de sterke verhalen met een duidelijke boodschap, vaak over ecologische thema’s.
Denk maar aan klassiekers als Chlorophyl tegen de zwarte ratten, een verhaal over een totalitaire rattenmaatschappij.
In 1965 verraste Macherot de stripwereld opnieuw, ditmaal in het weekblad Spirou, met Snoesje (in het Frans Sibylline).
Deze reeks draaide om een avontuurlijke muizenvrouw en haar verloofde Taboem, en was een stuk humoristischer dan Chlorophyl.
Samen streden ze tegen de sluwe rat Anathème.
Naast deze twee iconische reeksen, waagde hij zich ook aan Kolonel Clifton, een Britse geheim agent, en creëerde hij de luie kat Pantoffel en de ondeugende jonge muis Mouche.
Hij was een meester in het tekenen van dieren, waarbij hij menselijke trekjes gaf zonder het karikaturale te benaderen.
Eind jaren 70 keerde hij terug naar Kuifje, en in de jaren 80 en ’90 richtte hij zich steeds meer op het schrijven van romans, voornamelijk thrillers met, jawel, een ecologische ondertoon.
Titels als Le loup a faim en La mort dans les yeux tonen zijn blijvende passie voor de natuur.
Macherot was getrouwd met Arlette Piérard, en samen kregen ze drie kinderen.
Hij stond bekend als een bescheiden en gereserveerd man, die zijn werk en zijn liefde voor de natuur voor zich liet spreken.
Hij trok zich terug op het eiland Corsica, waar hij bleef tekenen en schrijven tot aan zijn dood.
Op 26 september 2008 overleed Raymond Macherot op 83-jarige leeftijd in Vencimont, een natuurlijke dood.
Hij liet een indrukwekkend oeuvre na, bekroond met prestigieuze prijzen zoals de Prix Saint-Michel en de Grand Prix du festival d’Angoulême.
Zijn invloed op de klare lijn was onmiskenbaar, en zijn geboortestad Verviers eerde hem met een prachtige stripmuur.
Zijn impact was zo groot, dat Vencimont, waar hij overleed, werd omgedoopt naar “Vencimont-sur-Chlorophylle” met een straatnaam ter nagedachtenis.
Gaston groeide op in een welgesteld brouwersgezin in Zulte. Hij was geen briljante student, maar blonk wel uit in sport.
Zijn specialiteit was verspringen.
Hij werd viermaal Belgisch kampioen en hield van 1905 tot 1919 het Belgisch record in handen.
Hij behaalde ook twee medailles op de Belgische kampioenschappen atletiek in het kogelstoten.
Martens schreef vooral volkse toneelstukken met humoristische en sentimentele elementen.
Enkele van zijn werken zijn:
“De Heirweg” (1924, “Het Dorp der Mirakelen” (1932), “En waar de ster bleef stille staan” (1933), “De Mannen van Goed Gewil” (1936) en “Paradijsvogels” (1934, zijn succesvolste stuk)
Het verhaalt de lotgevallen van de bewoners van Leydonck-Waterland, een fictief dorpje aan de Leie in de tweede helft van de jaren twintig van de twintigste eeuw.
Het werd vertaald in verschillende talen en opgevoerd in binnen- en buitenland.
In 1946 werd het verfilmd in Frankrijk als “Les Gueux au Paradis” met Raimu en Fernandel in de hoofdrollen.
Martens won voor “Paradijsvogels” de Staatsprijs voor Toneelliteratuur.
In 1911 trouwde Gaston Martens met Germaine De Buck. Ze kregen samen één dochter, Godelieve.
In 1937 verhuisde Martens naar Frankrijk, waar hij een perzikplantage begon.
Tijdens zijn verblijf in Frankrijk vertaalde hij zijn stukken in het Frans.
Na de Tweede Wereldoorlog keerde Martens terug naar België. Hij bleef schrijven, maar zijn latere werk was minder succesvol dan zijn vroegere stukken.
Gaston Martens overleed in 1967 in Deinze en is begraven in Deurle.
Haile Selassies vader was gouverneur van de provincie Harar.
Hij was een de adellijke personen met de titel ‘Ras’ (hertog).
Hiervan is de naam van de rastafaribeweging afgeleid.
Selassie wordt dan ook door de Rastafaribeweging gezien als de reïncarnatie van Jezus, hoewel hij zelf Ethiopisch-orthodox was.
Via zijn huwelijk in 1911 met Wayzaro Menen, dochter van keizer Menelik II, kwam Tafari in de keizerlijke familie.
In 1917 werd hij uitgeroepen tot troonopvolger van keizerin Zauditu en als regent ging hij namens haar Abessinië besturen.
Het onafhankelijke Abessinië was in Afrika een bijzonderheid. West-Europese landen hadden het continent in hun kolonisatiedrang onderling verdeeld.
De Ethiopische dynastie, die volgens de overlevering al sinds de 10e eeuw v.Chr. bestond en voort zou komen uit de Bijbelse koning Salomo en de koningin van Sheba, was het gelukt om de onafhankelijkheid van Ethiopië te waarborgen.
In 1918 overleefde hij de Spaanse griep.
In 1924 bracht hij een officieel bezoek aan Italië, Vaticaanstad en diverse andere Europese landen.
In Frankrijk, Zweden en het Verenigd Koninkrijk werd hij met grote eer ontvangen.
Toen hij op 2 november 1930 tot keizer van Ethiopië werd gekroond, kreeg hij de naam Haile Selassie, die staat voor Heilige Drievuldigheid, of Macht van de Drievuldigheid.
Deze situatie veranderde toen de Italiaanse dictator Mussolini in 1935 besloot vanuit Italiaans-Eritrea, een Italiaanse kolonie, Ethiopië binnen te vallen: de Tweede Italiaans-Ethiopische Oorlog.
Haile Selassie vluchtte naar het Verenigd Koninkrijk en probeerde steun te krijgen voor de vrijheidsstrijd.
Hij deed dit onder meer in 1936 tijdens zijn voordracht bij de Volkenbond, mede omtrent het gebruik van mosterdgas door Italië in Ethiopië.
Deze inspanningen bleken vergeefs, tot Italië zich aan de zijde van Duitsland in de Tweede Wereldoorlog mengde.
In 1941 verjoeg een troepenmacht met Britse en Belgische militairen en Ethiopische vrijheidsstrijders de Italiaanse troepen.
Haile Selassie kwam weer op de troon.
Haile Selassie legde op 27 augustus 1942 de wettelijke basis voor de afschaffing van de slavernij, die Italië in zijn land had ingevoerd, en voerde strenge straffen in voor slavenhandel, inclusief de doodstraf.
Hij moderniseerde zijn land met onder meer een nieuw belastingstelsel en een democratische grondwet.
Mede door zijn toedoen werd Ethiopië een stichtend lid van de Verenigde Naties.
Haile Selassie was in de internationale diplomatie een man met gezag en aanzien.
Hij had veel invloed binnen de Organisatie van Afrikaanse Eenheid, met zetel te Addis Abeba en bracht staatsbezoeken aan de Verenigde Staten en diverse Europese landen, waaronder Nederland in 1954 en België in juli 1959.
De keizer was een ridder in de Orde van de Kousenband en, om Ethiopië te eren voor het moedige verzet tegen Mussolini’s troepen, ridder Grootkruis in de Militaire Willems-Orde.
In 1951 werd de voormalige Italiaanse kolonie Eritrea, door middel van een beslissing van de Verenigde Naties, verbonden met Ethiopië in een federatie, waarbij Haile Selassie koning van Eritrea werd.
In de jaren vijftig groeide Haile Selassie uit tot een voorbeeld voor veel Afrikanen, die ook het koloniale juk wilden afschudden. Het viel hem echter niet mee binnenlands de rust te bewaren.
Ethiopië bestond uit vele religieuze groeperingen en Haile Selassie probeerde met een verdeel-en-heerspolitiek de onderlinge vrede te bewaren.
In 1962 annexeerde Selassie Eritrea, nadat het in de jaren vijftig een grote autonomie had gehad.
Een gewapend conflict barstte hierop los, dat 32 jaar zou duren en voornamelijk escaleerde onder de militaire junta, na het afzetten van Haile Selassie.
In 1963 zat hij de oprichtingsvergadering van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid voor, die haar zetel kreeg in Addis Abeba.
Later dat jaar (in oktober) sprak hij de Verenigde Naties toe.
De Jamaicaanse zanger Bob Marley gebruikte een deel van deze speech als tekst voor het lied War.
Begin jaren zeventig stortte de economie in en na een periode van lange droogte greep de hongersnood om zich heen.
In 1974 voerden militairen een staatsgreep uit en namen Haile Selassie gevangen.
Hij werd opgevolgd door luitenant-generaal Aman Andom.
Op 23 november 1974 kwam Aman Andom onder verdachte omstandigheden om het leven.
Aman Andomj zou bij zijn arrestatie niet mee hebben gewerkt en gedood zijn.
Op dezelfde dag werden 59 anderen, waaronder generaals, twee ex-premiers, topambtenaren, aristocraten en leden van de keizerlijke familie geëxecuteerd.
Toen hij in augustus 1975 overleed, officieel aan de complicaties van een operatie, vermoedden velen moord, er werd vooral beweerd dat de oude ex-monarch was verstikt of gewurgd.
Het communistisch regime verhinderde elk onafhankelijk onderzoek naar de doodsoorzaak.
Pas in 1992, na de val van het Dergue-regime, werd zijn stoffelijk overschot teruggevonden.
Van de Ethiopisch-Orthodoxe Kerk kreeg hij in november 2000 een keizerlijke begrafenis in de kathedraal van Addis Abeba.
Bob Marley kreeg in 1977 een ring van Haile Selassie en schreef in 1973 of 1974 het lied Iron Lion Zion voor hem.
Dit werd echter pas in 1992, na Marleys dood, uitgebracht. (Diverse bronnen, Ons Volk 31 mei 1924, De Post 26 november 1972 en Wikipedia)
René-Emmanuel Baton, ook bekend als Rhené-Baton werd geboren op 5 september 1879 in Courseulles-sur-Mer, Normandië, en stierf op 23 september 1940 in Le Mans.
Rhené-Baton studeerde piano aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs en muziektheorie bij André Gedalge.
Hij begon zijn carrière als chef de chant bij de Opéra-Comique in 1907.
Hij was vervolgens muzikaal directeur van verschillende orkestrale groepen, waaronder de Society of Saint Cecilia in Bordeaux en Angers Société populaire (1910-1912).
Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Rhené-Baton chef-dirigent van de Koninklijke Nederlandse Opera (1916-1918) in Amsterdam en dirigeerde ook de zomerconcerten van het Residentie Orkest in het Scheveningse Kurhaus (1914-1919).
In 1918 gaf Serge Sandberg hem de leiding over de Concerts Pasdeloup in Parijs.
De dirigent bekleedde deze functie tot 1932 en bleef daarna aan het orkest verbonden.
Hij heeft grote verdiensten gehad in de zogenoemde democratisering van de muziek in de concertzalen, omdat hij aan het begin van een concert voor de uitgevoerde werken een inleiding gaf en ervoor zorgde dat er goedkopere plaatsen waren.
Als componist schreef Rhené-Baton stukken voor orkest, kamermuziek en een groot aantal pianowerken.
Veel van zijn composities drukken zijn liefde voor de regio Bretagne uit, waar hij op 19-jarige leeftijd naar terugkeerde.
Hij had ook nauwe relaties met componisten van de Bretonse culturele renaissance, zoals Guy Ropartz, Paul Le Flem, Paul Ladmirault en Louis Aubert.
Albert Josse Louis Mechelynck was de zoon van de voorzitter van het hof van beroep in Gent, Louis Mechelynck, en van Pauline Delehaye, een dochter van de Gentse burgemeester Josse Delehaye.
Albert studeerde aan het Atheneum aan de Ottogracht en aan de Gentse universiteit, waar hij in 1876 doctor in de rechten werd.
In 1879 schreef hij zich in aan de Gentse balie, waar hij naam maakte.
In 1880 trouwde hij met Anne Pauline Barbanson, uit de gelijknamige invloedrijke Brusselse familie.
In 1879 werd Mechelynck lid van het dagelijks bestuur van de Association libérale, constitutionelle et démocratique de l’arrondissement de Gand-Eeclo of arrondissementsfederatie.
In 1884 werd hij verkozen tot provincieraadslid voor Oost-Vlaanderen.
Tijdens zijn twintigjarig lidmaatschap ontwikkelde hij een politiek netwerk dat de liberale tenoren uit zijn tijd, maar ook gematigde oppositiefiguren bereikte.
In 1904 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger en bleef dit mandaat bekleden tot aan zijn dood.
Van 1919 tot 1924 was hij ondervoorzitter van de Kamer.
Mechelynck was lid van de Gentse vrijmetselaarsloge Septentrion, waarvan hij van 1891 tot 1895 de Achtbare Meester was.
Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Mechelynck zich in Gent verdienstelijk als leider van het Gentse comité binnen het Nationaal Comité voor Hulp en Voedselvoorziening (Comité national de secours et d’alimentation), dat tot het einde van de oorlog actief was.
Hij was ook een actief lid van het Comité voor Vaderlandslievende Acties dat het morele verzet tegen de bezetter stimuleerde.
Als advocaat verleende hij juridische bijstand aan beklaagden van verzetsdaden die voor de Duitse rechtbanken moesten verschijnen.
Hij kwam te overlijden op 9 maart in zijn woning, gelegen in de Brabantdam 56, vroeger nr 51 (foto 1 en 2 van zijn woning, en het huis bestaat nog steeds en is nu een winkel)
Moederke Eyer, geboren als Maria Theresia Eyer-Gorsen, was getrouwd met douanier Adriaan Eyer en had zeven kinderen.
Toen ze 100 jaar werd, kwam koning Albert I haar persoonlijk feliciteren en werd er een optocht gehouden ter ere van haar verjaardag.
Op 17 februari 1924, toen ze 105 jaar werd, kreeg ze opnieuw hoog bezoek: prins Leopold, de latere koning Leopold III, kwam haar het ereteken van Leopold II overhandigen.
Ter gelegenheid van deze feestelijke dag werden er postkaarten gemaakt met een portret van moederke Eyer.
Helaas werd haar naam verkeerd gespeld als Eijer.
Moederke Eyer stierf enkele maanden later en werd begraven op het kerkhof van Lillo.
Ze was toen 105 jaar en zeven maanden oud en daarmee de oudste persoon die ooit op het kerkhof van Lillo werd begraven.
Voor de kerk van Lillo-Kruisweg stond vroeger een standbeeld dat vaak werd aangezien voor een afbeelding van moederke Eyer.
Het standbeeld, gemaakt door beeldhouwer Rik Sauter, stelt echter een rouwende moeder voor die wacht op haar vermiste zoon.
Het model voor dit beeld was de schoonmoeder van Rik Sauter: Anna Isabella Jacobs – Wijns, beter bekend als Lou van ’t Licht.
Het standbeeld is later verplaatst naar de kerk van Lillo-Fort.
Het Kasteel van Gaasbeek werd oorspronkelijk gebouwd als een verdedigingsburcht rond 1240 door Godfried van Leuven, om het hertogdom Brabant te beschermen tegen het graafschap Henegouwen.
Doorheen de eeuwen werd het kasteel verschillende keren verwoest en heropgebouwd, en kwam het in handen van verschillende adellijke families, zoals de Hornes, de Egmonts en de Arconati Visconti’s.
De bekendste eigenaar was graaf Lamoraal van Egmont, die het kasteel kocht in 1565, maar drie jaar later onthoofd werd op bevel van de Spaanse koning.
In de 17de en 18de eeuw werd het kasteel omgevormd tot een luxueus zomerverblijf, met flamboyante parkgebouwen zoals de gloriëtte.
De laatste markiezin, Marie Peyrat, gaf het kasteel zijn huidige romantische uitzicht, geïnspireerd door de middeleeuwen.
Gisteren nog vandaag
Zij schonk het domein in 1921 aan de Belgische Staat.
Op 11 februari 1924 werd in aanwezigheid van de ministers Pierre Nolf (Kunsten en Wetenschappen) en Fulgence Masson (Justitie) het kasteel, dat al sinds de 13e eeuw bestaat, officieel ingehuldigd als een cultureel erfgoed (zie foto 3).
Het museum toont de rijke geschiedenis van het kasteel, dat verschillende eigenaars en verbouwingen heeft gekend, en de kunstcollectie die er door de eeuwen heen is verzameld.
Bezoekers kunnen genieten van schilderijen, meubels, wandtapijten, porselein en andere voorwerpen die getuigen van de levensstijl en smaak van de vroegere bewoners.
Sinds 1980 is het kasteel een museum van de Vlaamse Gemeenschap.