Van pechvogel naar wereldsucces: het verhaal van Liverpool Express en manager Hal Carter

In september 1976 kwam het succes precies op tijd voor Liverpool Express.

De voorafgaande maanden waren bijzonder moeizaam verlopen voor de band.

Eerst begaf hun bestelbus het, vervolgens liet de zanginstallatie het afweten en daarna ging een geleende auto stuk.

Tot overmaat van ramp sneuvelde er een set gloednieuwe luidsprekers van duizend pond per stuk, destijds omgerekend ruim 1670 euro, maar door de inflatie naar de maatstaven van vandaag vergelijkbaar met een slordige zevenduizend tot achtduizend euro. Uiteindelijk gaf ook de gitaar van een van de groepsleden de geest.

Het was uitsluitend te danken aan de steun van hun manager Hal Carter en de financiële rugdekking van de platenmaatschappij dat de formatie na die rampzalige periode overeind bleef.

De groep stond namelijk op het punt de handdoek in de ring te gooien, zeker nadat ook hun debuutsingle ‘Smile My Smiler’s Smile’ al was geflopt.

Voor bassist Billy Kinsley, een goedgehumeurde blonde muzikant, was het niet de eerste keer dat hij door zwaar weer ging.

Eerder maakte hij al naam met The Merseybeats en The Merseys. Als tiener bezocht Billy geregeld The Cavern Club om The Beatles te zien optreden, waardoor hij al snel door het rockvirus werd gegrepen.

In 1963 had hij naar eigen zeggen alles in huis om er vol voor te gaan: een zelfgebouwde basgitaar, een leren outfit, een flinke afkeer van Cliff Richard en een voorliefde voor nummers zoals ‘Red River Rock’.

Samen met Tony Crane, John Banks en Aaron Williams richtte hij The Merseybeats op, die eind 1963 debuteerden met ‘It’s Love That Really Counts’ van Burt Bacharach en Hal David.

Doordat managers en zaakwaarnemers hen financieel uitbuitten, bleven uiteindelijk enkel Kinsley en Crane over om als The Merseys verder te gaan, waarmee ze scoorden met ‘Sorrow’.

Later sloot Billy zich aan bij de band rond Jackie Lomax en verrichtte hij de nodige studiowerkzaamheden voor Apple Records, het platenlabel van The Beatles, totdat zakelijk leider Allen Klein daar flink bezuinigde en er voor Kinsley amper nog werk overbleef.

Ondertussen traden Tony Coates, Roger Craig en drummer Derek Cashin op onder de naam Paper Chase.

Dit trio ontmoette Billy Kinsley tijdens een wekelijkse vriendschappelijke voetbalwedstrijd waar lokale muzikanten samenkwamen.

Die partijtjes dienden niet alleen om fit te blijven, maar boden de beroepsmuzikanten ook de gelegenheid om nieuwtjes uit te wisselen over opgeheven groepen, lopende projecten en verse platencontracten. Zodra de vier heren hun eerdere verplichtingen hadden afgerond, besloten ze een nieuwe band te vormen.

Hun manager bedacht, bij gebrek aan een beter alternatief, de groepsnaam Liverpool Express.

In de zomer van 1975 volgde hun eerste tournee en verscheen hun debuutsingle, die commercieel gezien weinig deed.

Ondanks die tegenvaller dook het viertal opnieuw de studio in om aan te tonen hoe veelzijdig ze waren als songwriters.

‘You Are My Love’ werd geschreven door Billy Kinsley en Roger Craig, die beiden lid waren van de groep.

Kinsley schreef de basis van het nummer thuis toen hij enkele dagen alleen zat en zich somber voelde.

Tijdens een volgende repetitie werkte Roger Craig het nummer samen met hem uit.

Aanvankelijk dachten ze dat het het slotakkoord van de groep zou zijn en schonken ze er verder weinig aandacht aan.

Billy overwoog dan ook geenszins om het als single uit te brengen.

De uiteindelijke release verliep echter via een bijzondere omweg.

Derek Taylor, topman bij platenmaatschappij Warner Bros., nam een bandje met opnames mee naar huis en liet het aan zijn zes kinderen horen. Twee van hen wezen ‘You Are My Love’ aan als de ideale single.

Van enige vergelijking met The Beatles of Badfinger kon bij die jonge kinderen uiteraard geen sprake zijn, aangezien ze nauwelijks hun eigen naam konden schrijven.

De keuze van de kinderen bleek een schot in de roos, want de ballade groeide in Groot-Brittannië uit tot een volwaardige hit, terwijl ook de rest van Europa in september 1976 klaargestoomd werd voor de doorbraak van de band en er ondertussen volop werd gewerkt aan een debuutalbum.

In Nederland bereikte het nummer uiteindelijk de twaalfde plaats in de Nederlandse Top 40, al bleef een notering in Vlaanderen vreemd genoeg uit, waar het nummer de BRT Top 30 niet eens wist te bereiken.

Overigens kreeg de compositie later nog een bijzonder groot compliment uit wel heel deskundige hoek: niemand minder dan Paul McCartney riep ‘You Are My Love’ ooit uit tot een van de beste songs die ooit zijn geschreven.

In hun thuisland scoorde de formatie daarna nog bescheiden hits met nummers als ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Hold Tight’.

In 1977 volgde hun laatste officiële Britse hitsingle met het nummer ‘Dreamin”, dat destijds piekte op de veertigste plaats in de Britse hitlijsten.

Opvallend is dat de groep in Zuid-Amerika, en met name in Brazilië, een gigantisch veel grotere hitstatus genoot dan in Europa.

De drie singles ‘You Are My Love’, ‘Every Man Must Have a Dream’ en ‘Dreamin” stormden daar allemaal door naar de absolute nummer één-positie.

Ze waren destijds zelfs de allereerste band die daar een grootschalige stadiontournee deed voor honderdduizenden uitzinnige fans.

Dat de band destijds kon rekenen op Hal Carter, was een geluk bij een ongeluk.

De Hal Carter Organisation was een Brits bureau voor artiesten- en muziekmanagement, opgericht in 1968 door Hal Carter, een Britse producer, manager en songwriter.

Zijn loopbaan begon op een bijzondere plek: in de piste van het Bertram Mills Circus.

Dit was een van de beroemdste en meest prestigieuze Britse circussen van de twintigste eeuw. Het circus bestond van 1920 tot 1967 en stond bekend als The Quality Show vanwege de ongekend hoge kwaliteit van de acts.

Niet veel later maakte hij de overstap naar de muziekwereld toen impresario Larry Parnes hem vroeg als roadmanager voor Marty Wilde.

In de jaren die volgden leerde Carter de fijne kneepjes van het vak door op pad te gaan met rockiconen als Eddie Cochran, Johnny Burnette, Brenda Lee, Gene Vincent en Billy Fury.

Begin jaren zestig verzorgde hij de podiumshows en tournees voor topbands als The Kinks, The Troggs en The Who, waarna hij de sprong waagde en zijn eigen bureau startte.

Toen hij zich ook op het produceren van platen richtte, volgde het succes al snel.

Na een reeks sterke producties voor Billy Fury scoorde hij met Liverpool Express, een handvol tijdloze hits in het Verenigd Koninkrijk, Europa en Zuid-Amerika.

Ook met de formatie Coast to Coast wist hij vervolgens twee keer de Britse hitlijsten te bestormen.

In 1994 stond Carter aan de wieg van de eerste Solid Gold Rock’n’Roll Show.

De concertreeks werd een enorm succes voor uitverkochte zalen en keerde in de jaren erna nog diverse keren terug op de planken. Tegen het einde van de jaren negentig drukte hij zijn stempel op grote Britse tournees zoals de Solid Silver Sixties en The Illegal Eagles.

Bovendien bracht hij in 2000 de immens populaire eerbetoonband Rumours of Fleetwood Mac op gang voor hun concerten in het Verenigd Koninkrijk.

Zijn agentschap bouwde een indrukwekkend artiestenbestand op, met namen als Slade, The New Seekers, John Leyton, Eden Kane en White Plains met zanger Tony Burrows, naast succesvolle producties zoals The Carpenters Story en Blondie Goes to Hollywood.

Carter stond bekend om zijn grote toewijding aan zijn artiesten en het publiek.

Naast zijn commerciële werk zette hij zich regelmatig in voor grootschalige liefdadigheidsevenementen, waaronder een benefietshow in Londen voor Marie Curie-verpleegkundigen en optredens voor de Variety Club in Cardiff.

Ook buiten het Verenigd Koninkrijk liet hij van zich horen, onder meer met zijn vaste betrokkenheid bij de Golden Years Show in het Antwerpse Sportpaleis en het Britse Chelmsford Festival.

De allerlaatste editie van de populaire nostalgieshow The Golden Years in het Sportpaleis (inmiddels bekend als de AFAS Dome) in Antwerpen vond plaats op zaterdag 14 december 2013.

Het was de vijfentwintigste en tevens finale editie van dit langlopende muziekfeest voor golden oldies, met optredens van onder meer Dave Edmunds, Albert Hammond, Slade, Alvin Stardust, The Sweet en The Rubettes.

Hal Carter, geboren als Harold Carter Burrows op 13 juli 1935, overleed op zijn negenenzestigste verjaardag op 13 juli 2004.

Siouxsie Sioux: van eigenzinnig punkicoon tot tijdloze muzieklegende

In 1981 belichtte Siouxsie haar grimmige kijk op de wereld met de stelling dat vrolijke toestanden geen inhoud hadden.

De zangeres met het zwarte, verwarde piekhaar was samen met The Banshees verantwoordelijk voor het destijds pas verschenen album ‘Ju-Ju’.

Voor het grote publiek leek ze bepaald niet op het vriendelijke buurmeisje.

Haar nummers gingen doorgaans over de donkere, sombere kanten van het bestaan en een lach op haar gezicht was een zeldzaamheid.

Sommigen bestempelden haar zelfs als de ‘Ijskoningin van de rock’. In werkelijkheid klopte dat afstandelijke beeld niet met wie ze was.

In een openhartig gesprek doorprikte ze dat kille imago en liet ze zien dat ze dol was op dieren, prima kon opschieten met haar moeder en tijd vrijmaakte voor goede doelen.

Aan labels had Siouxsie destijds een broertje dood.

Ze gaf toe geen flauw idee te hebben wie haar de bijnaam Ijskoningin had gegeven.

Zulke typeringen raakten volgens haar kant noch wal; ze vermoedde dat iemand vond dat die naam beter bij haar paste dan bijvoorbeeld Sneeuwwitje.

Vanaf het begin was het haar bedoeling geweest om het publiek te prikkelen met haar kleding en muziek.

Rond 1976 behoorde ze tot de pioniers van de punkbeweging.

Haar wilde zwarte kapsel werd door duizenden jongeren nagebootst, onder wie Nina Hagen.

Tegen 1981 stond ze aan het roer van een Britse topband.

Hoewel de toekomst er rooskleurig uitzag, bleef ze worstelen met onzekerheden en gaf ze ruiterlijk toe dat ze bang was voor het moment waarop ze ouder zou worden.

Die persoonlijke kant had ze lange tijd voor de buitenwereld verborgen gehouden.

Omdat haar reputatie minder belangrijk voor haar was geworden, sprak ze opener over haar privéleven.

Zo trok ze zich het lot van dieren enorm aan.

Op haar eerdere album had ze in het nummer ‘Skin’ fel uitgehaald naar de jacht op zeehondenjongen.

Toen ze nog thuis woonde, ving ze samen met haar moeder voortdurend zwerfkatten en gewonde vogels op om ze te verzorgen.

Ze koesterde sowieso veel respect voor haar moeder, ook al voldeed ze niet aan het ideaalbeeld van de keurige dochter.

Haar moeder had ooit gehoopt dat ze secretaresse zou worden, maar dat plan had ze al snel laten varen, al bleef de band tussen hen hecht.

Toentertijd woonde Siouxsie op zichzelf in een appartement.

Ze liet niet veel los over vriendschappen, maar vertelde wel dat ze regelmatig werd meegevraagd voor een avondje uit.

Het succes dat ze in die periode oogstte, veranderde weinig aan haar levensstijl of werkwijze.

Ze was vastbesloten om duistere muziek te blijven maken.

Zodra songs te braaf of oppervlakkig werden, verloren ze volgens haar elke betekenis.

Vrolijkheid om de vrolijkheid zei haar weinig, omdat zulke situaties naar haar mening zelden echte diepgang hadden.

Haar allerlaatste uitgebrachte originele nummer was ‘Love Crime’ uit 2015, dat speciaal werd opgenomen voor de finale van de tv-serie Hannibal.

Haar enige solostudioalbum, Mantaray, stamt uit 2007.

Haar meest bekende relatie was met Peter Clarke, beter bekend als Budgie, de drummer van Siouxsie and the Banshees.

Het stel trouwde in mei 1991 en vormde samen ook het muzikale duo The Creatures.

Na een relatie van 25 jaar, waarvan 15 jaar getrouwd, gingen ze in 2007 uit elkaar.

Siouxsie kreeg geen kinderen; tijdens haar huwelijk grapte ze in interviews wel eens dat haar katten haar baby’s waren.

In 1992 verhuisde ze met Budgie naar het zuidwesten van Frankrijk.

Daar woonde ze ruim 23 jaar in een afgelegen stenen landhuis in de regio Gers, nabij Toulouse.

Ze leidde er een rustig bestaan, ver weg van alle roem, en vulde haar dagen vooral met tuinieren, lezen en de zorg voor haar dieren.

In 2015 keerde ze terug naar Londen, waar ze sindsdien weer woont.

Siouxsie is altijd heel openhartig geweest over haar geaardheid.

In een interview met The Independent gaf ze aan dat ze zichzelf nooit expliciet als heteroseksueel of lesbisch heeft bestempeld.

Ze voelt zich aangetrokken tot mensen, en wanneer ze op mannen valt, hebben die volgens haar vaak wat meer feminiene eigenschappen.

Haar bekendheid zet ze af en toe in voor het goede doel.

Zo is ze een uitgesproken medestander van PETA, waarmee ze fel strijdt tegen dierproeven in de medische sector en de voedingsindustrie.

De inmiddels 69-jarige zangeres geniet van haar pensioen en houdt zich alleen nog bezig met het beheer van haar muzikale erfenis.

Er verschijnen regelmatig nog hoogwaardige vinyl-heruitgaven en geremasterde verzamelalbums van Siouxsie and the Banshees.

Ook de muziekwereld blijft haar vieren; zo bracht het gerenommeerde muziektijdschrift MOJO Magazine in juli 2026 een luxe special uit die volledig aan haar en haar band is gewijd.

Geboren als Susan Janet Ballion op 27 mei 1957 in Londen, vond ze al vroeg houvast in muziek, ondanks een lastige jeugd met een alcoholverslaafde vader.

Haar grote doorbraak volgde in 1976 met de oprichting van Siouxsie and the Banshees.

Als leadzangeres en tekstschrijver groeide ze razendsnel uit tot het boegbeeld van een hele generatie.

De band begon midden in de punkexplosie, maar ontwikkelde al gauw een volstrekt eigen, vernieuwend post-punkgeluid vol ritmische experimenten en donkere sferen.

Daarmee drukten ze een onuitwisbare stempel op de muziekgeschiedenis.

Samen met Banshees-drummer Budgie, met wie ze in 1991 trouwde, begon ze het percussieve zijproject The Creatures.

Na het uiteenvallen van de Banshees in 1996 ging ze solo verder.

Privé liep het huwelijk met Budgie in 2006 spaak en het koppel bleef kinderloos.

Haar enige soloalbum, Mantaray, kreeg lovende recensies van zowel critici als fans, al bleven de grote verkoopcijfers helaas uit.

Toch liet ze zich nooit definitief uit het veld slaan: na een radiostilte van maar liefst tien jaar maakte deze unieke koningin van de post-punk in 2023 eindelijk haar langverwachte rentree op het podium.

Het levensverhaal van Lynsey de Paul: van internationale hits tot een nieuw begin in Londen

De Britse zangeres, songwriter en pianiste Lynsey de Paul werd op 11 juni 1948 in Londen geboren als Lyndsey Monckton Rubin.

Ze studeerde aan het Hornsey College of Art en begon haar werkzame leven in de grafische vormgeving, waar ze onder meer albumhoezen ontwierp.

Haar muzikale talent bracht haar echter al snel in de muziekindustrie terecht, waar ze aanvankelijk successen boekte als componist voor andere artiesten.

Zo schreef ze onder meer de succesvolle hits ‘Storm in a Teacup’ voor The Fortunes en ‘Dancin’ (On a Saturday Night)’ voor Barry Blue.

Haar grote doorbraak als uitvoerend artiest kwam in 1972 met de single ‘Sugar me’.

Dat nummer was oorspronkelijk helemaal niet voor haarzelf bedoeld, want ze schreef het voor Peter Noone.

Die we allen kenden als de zanger van de succesvolle popgroep Herman’s Hermits.

Op aanraden van onder meer acteur Dudley Moore besloot ze het nummer toch zelf op te nemen en uit te brengen.

Het werd een internationale hit die de eerste plaats bereikte in de hitlijsten van onder meer Nederland en België.

Hiermee schreef ze geschiedenis als de eerste Britse vrouwelijke artiest die een nummer één-hit scoorde met een door haarzelf geschreven nummer.

Rond die periode werd ook haar artiestennaam bewust gekozen.

Vanwege de spanningen rond de Olympische Spelen van München in 1972 werd haar geadviseerd een minder opvallende Joodse achternaam te gebruiken.

Haar nieuwe artiestennaam stelde zij subtiel samen uit de namen van haar ouders.

Het voorvoegsel ‘de’ kwam van de meisjesnaam van haar moeder (wiens achternaam hiermee begon, of naar verluidt verwees naar de ‘de’ uit een familienaam), en ‘Paul’ was de tweede voornaam (middelnaam) van haar vader, Herbert Paul Rubin.

In de jaren daarna volgden verschillende successen in de hitparade, waaronder ‘No Honestly’ en de ballad ‘Won’t Somebody Dance with Me’.

Met die laatste plaat schreef ze opnieuw geschiedenis bij de Ivor Novello Awards door als eerste vrouw ooit deze prestigieuze Britse prijs voor songwriters te winnen.

In 1977 vertegenwoordigde ze samen met Mike Moran het Verenigd Koninkrijk op het Eurovisiesongfestival met het nummer ‘Rock Bottom’.

Het duo eindigde op de tweede plaats en scoorde goed in verschillende hitparades in diverse Europese landen.

In augustus 1981 keerde Lindsey de Paul terug naar haar Victoriaanse huis in Londen om er na het beëindigen van haar vierjarige romance met de Amerikaanse acteur James Coburn een nieuwe elpee en een Europese en Japanse tournee voor te bereiden.

Het viel haar destijds niet gemakkelijk om weer te wennen aan het vrijgezellenbestaan.

In vier jaar tijd was ze ontzettend veranderd.

Voordat ze James leerde kennen, had ze altijd vrienden over de vloer en liep ze van de ene fuif naar de andere, maar dat zei haar toen niets meer in 1981.

Ze zat het liefst gezellig thuis achter de piano om nummers te schrijven voor haar eerste elpee in jaren.

In die periode kwam ook haar single ‘Strange Changes’ uit, een nummer dat haar gemoedstoestand weergaf.

Het nummer schreef ze samen met Sue Shifrin.

Toen bekend werd dat ze zich weer in Londen ging vestigen, kreeg ze een telefoontje van haar oude platenmaatschappij met de vraag of ze een nieuw contract wilde tekenen.

Dat voorstel nam ze in dank aan, omdat ze zo snel mogelijk weer aan de slag wilde.

Wel werd er gevraagd om snel met een single te komen.

Na drie jaar muzikaal op non-actief te hebben gestaan, wilde ze weer gaan componeren.

‘Strange Changes’ beschreef haar gevoelens en haar kijk op de wereld op dat moment.

Ze vond dat achteraf een beetje jammer, niet omdat ze dingen had verteld die ze niet meende, maar omdat ze niet de indruk wilde wekken dat ze haar zelfbeklag ten gelde wilde maken.

In haar Victoriaanse huis in Noord-Londen, dat ze in 1975 voor een zacht prijsje op de kop had kunnen tikken, was een muziekkamer ingericht met twee piano’s en een enorme collectie elpees.

Een van die piano’s was trouwens een geschenk voor haar ex-vriend.

Het hele huis puilde toen trouwens uit met souvenirs aan James en haar verblijf in de Verenigde Staten.

Deze souvenirs herinnerden haar aan goede tijden, waar ze toen met groot heimwee naar terugkeek.

Ondanks de breuk kwam James altijd gedag zeggen als hij in Londen was, en zij vond dat enorm fijn van hem.

Deze vriendschap zou dan ook blijven duren tot aan zijn dood.

Er kwam ook nog ander bezoek over de vloer, zoals haar poes Sesam, die ze op dat moment haar beste vriend noemde.

Aan een nieuwe relatie was ze toen nog niet toe.

Haar single werd zo goed onthaald dat het een hit beloofde te worden, vertelde ze toen in een interview.

Bovendien kon ze rekenen op de steun van zowel de BBC als de Britse commerciële televisie.

Voordat ze naar Amerika trok, leverde ze regelmatig titelmelodieën af voor tv-series en speelfilms, waardoor ze veel goede contacten had opgebouwd.

Men wist dat ze professioneel werk afleverde en dat hielp haar om goede promotie te krijgen.

De week na het verschijnen van de single had ze al vier aanvragen voor tv-optredens op zak.

Bovendien ging de BBC haar uitspelen in twee grote shows, die in verschillende landen zouden worden uitgezonden, en dit samen onder meer met Sheena Easton.

Ondanks een opvallende hoes, de aandacht van de pers en een beperkte 12-inch promotieversie, wist de single de hitparades niet te bereiken.

Jaren later werd het nummer wel gewaardeerd door liefhebbers en verzamelaars van vroege jaren 80-pop en disco-funk.

Er kwamen zelfs verschillende remixes uit van het nummer.

Naast haar eigen zangcarrière bleef ze actief als songwriter voor televisieprogramma’s en andere artiesten.

Ze verlegde haar grenzen verder als producer, speelde in musicals, interviewde mensen voor televisie en trad regelmatig op in diverse Britse televisieproducties.

Ook zette ze zich in voor maatschappelijke onderwerpen; zo bracht ze in de jaren negentig zelfs een instructievideo uit over zelfverdediging voor vrouwen.

Lynsey de Paul was een bewuste, zelfstandige vrouw die nooit trouwde, al waren haar bedpartners vaak beroemde mannen zoals Ringo Starr, Sean Connery, Bernie Taupin en Dudley Moore.

De Amerikaanse acteur James Coburn, haar ex-vriend, overleed op 18 november 2002 op 74-jarige leeftijd aan een hartaanval in zijn huis in Beverly Hills.

Lynsey de Paul overleed op 1 oktober 2014 op 66-jarige leeftijd, volgens de BBC vermoedelijk aan de gevolgen van een hersenbloeding.

45 jaar geleden, thuis bij Lynsey De Paul (Joepie 16 augustus 1981)

Het verhaal van Pilot: van ‘Magic’ tot The Alan Parsons Project

In het muzikale landschap van 1973, in Schotland, besloten twee leden van de Bay City Rollers, David Paton en Billy Lyall, een nieuwe koers te varen.

Ze richtten de band Pilot op, een naam die al snel synoniem zou staan voor een reeks onvergetelijke popsongs.

Hun muziek sloeg verrassend snel aan. Singles als ‘Magic’, ‘January’, ‘Just a Smile’ en ‘Call Me Round’ vonden vlot hun weg naar de hogere regionen van de Britse hitlijsten.

Het was vooral het nummer ‘Magic’, afkomstig van hun debuutalbum dat de band internationale bekendheid bracht.

De productie was in handen van de legendarische Alan Parsons, en dat was te horen.

De single werd in 1974 een ‘million seller’, bereikte een indrukwekkende vijfde plaats in de hitlijsten van de Verenigde Staten en een elfde plek in hun thuisland.

De opvolger, ‘January’, deed het zelfs nog beter. Begin 1975 schoot het nummer naar de eerste plaats in zowel het Verenigd Koninkrijk als Australië, en vestigde de naam van Pilot definitief.

Een interessant detail is de rol van arrangeur Andrew Powell. Direct na de opnames van ‘January’ dook hij de studio in met een jonge, opkomende artieste: Kate Bush.

Omdat zowel Pilot als Kate Bush onder contract stonden bij EMI Records, waren de lijntjes kort en de samenwerkingen snel gelegd.

Dit leidde ertoe dat de leden van Pilot meespeelden op Kate’s iconische debuutalbum “The Kick Inside” en later ook op “Lionheart”.

Zoals dat wel vaker gaat in de muziekwereld, was de oorspronkelijke bezetting geen lang leven beschoren.

Gisteren nog vandaag

In 1977 waren alleen Paton en gitarist Ian Bairnson nog over. Samen met een groep sessiemuzikanten namen ze nog het album “Two’s a Crowd” op, wat de zwanenzang voor de band zou inluiden.

Het einde van Pilot betekende echter een nieuw begin voor de kernleden.

In 1978 werden Paton, Bairnson en drummer Stuart Tosh vaste leden van The Alan Parsons Project, de groep van hun voormalige producer.

Tosh liet ook van zich horen als drummer bij de band 10cc.

Medeoprichter Billy Lyall overleed helaas in 1989 aan de gevolgen van aids.

Decennia later kwam de magie van Pilot onverwacht weer tot leven. In augustus 2014, precies veertig jaar na het verschijnen van hun debuut, kwamen Paton, Bairnson en Tosh weer samen.

Onder de naam “A Pilot Project” brachten ze een album uit als een hommage aan Eric Woolfson, de zanger en componist van The Alan Parsons Project.

Gisteren nog vandaag

Deze week, precies 60 jaar geleden, maakte Dave Berry zijn entree in de Nederlandse Top 40 met ‘This Strange Effect’.

Deze wereldhit, een creatie van Ray Davies (The Kinks), groeide in 1965 al snel uit tot een nummer één-hit in zowel Nederland als Vlaanderen.

Ook de B-kant, ‘Now’ van de hand van Douglas Hodson, kreeg later een tweede leven toen Patricia Paay er in 1976 een succesvolle discoversie van uitbracht.

Het nummer groeide zowel in Nederland als in Vlaanderen uit tot een nummer één-hit en vestigde de naam van de zanger, die eigenlijk David Holgate Grundy heet, voorgoed in de Lage Landen.

Zijn grote Europese doorbraak was kort daarvoor al ingezet na een bekroond optreden op het songfestival van Knokke of beter gekend als de Knokke Cup.

In 1965 won trouwens Nederland de Knokke Cup, met het team bestaande uit Greetje Kauffeld, Liesbeth List, Connie van Bergen, Suzie en Jan Arntz.

Hoewel ‘This Strange Effect’ zijn lijflied blijft, was het niet zijn enige succes.

Eerder al had hij in het Verenigd Koninkrijk een hit met ‘The Crying Game’ en ook nummers als ‘Mama’, ‘I’m Gonna Take You There’ en ‘Can I Get It From You’ vonden hun weg naar de hitlijsten.

De populariteit van de voormalige elektrolasser was in die tijd zo gigantisch dat hij zich tijdens een tournee met een circus in Nederland in een leeuwenkooi moest verstoppen voor zijn uitzinnige fans.

Later in zijn carrière keerde Berry terug naar zijn muzikale roots, de rhythm-and-blues, wat resulteerde in het door critici geprezen album “Memphis… in the Meantime” uit 2003.

Dave Berry, geboren op 6 februari 1941 en dus 84 jaar oud en die inspiratie was voor latere bands als de Sex Pistols, is getrouwd met Marthy, afkomstig uit Amsterdam.

Zo blijft Dave Berry, de man met de mysterieuze podiumact, onlosmakelijk verbonden met Nederland en België.

Vandaag 35 jaar geleden, komt het duo Pet Shop Boys binnen met hun nummer Left To My Own Devices in de Brt Top 30.

Het nummer is geschreven door het duo zelf en werd het eerste nummer dat Pet Shop Boys opnamen met een orkest, gearrangeerd door Richard Niles.

De Productie was in handen van Trevor Horn en Stephen Lipson.

In Groot-Brittannië bereikte het nummer de vierde plaats in de hitparade.

De single bereikte in Vlaanderen de drieëntwintigste plaats in de Brt Top 30.

In Nederland was het nummer goed voor een negentiende plaats in de Top 40.

Sinds de release is het een vast onderdeel geworden van Pet Shop Boys liveoptredens.

Het nummer is ook terug te vinden op het album Introspective van 1988.

Gisteren nog vandaag: alles wat de Pet Shop Boys je nog wilden vertellen (Joepie 8 mei 1988)

Gisteren nog vandaag

50 jaar geleden, het antwoord van The Sweet op de roddelpraatjes.

Het nummer The Ballroom Blitz werd geschreven door Nicky Chinn en Mike Chapman, die veel hits voor de band produceerden.

The Ballroom Blitz verscheen in september 1973 als single en bereikte de eerste plaats in Canada, de tweede plaats in het Verenigd Koninkrijk en Australië, en de vijfde plaats in de Verenigde Staten.

Het nummer was in Vlaanderen goed voor een tweede plaats in de Brt Top 30 en in Nederland een vierde plaats in de Top 40.

Het nummer staat op de Amerikaanse en Canadese versie van het album Desolation Boulevard uit 1974.

The Ballroom Blitz werd geïnspireerd door een incident op 27 januari 1973, toen de band optrad in de Grand Hall in Kilmarnock, Schotland, en van het podium werd gedreven door een regen van flessen.

Het nummer begint met een gesproken introductie, waarin zanger Brian Connolly vraagt: “Are you ready Steve? Andy? Mick? Alright fellas, let’s go!”

Daarna volgt een energiek rocknummer met een pakkend refrein en een synthesizersolo.

Het nummer is een klassieker geworden van de glamrock en is meer dan 90 miljoen keer gestreamd op Spotify aan het einde van 2022.

Gisteren nog vandaag