Reisverslag van journalist Staf Hapke over de Korenmarkt en omgeving in Gent in de herfst van 1936

In de herfst van 1936 keek menig Gentenaar verbaasd op naar de duizenden toeristen die met gidsen door de stad trokken.

Veel inwoners stonden zelf amper nog stil bij de schoonheid van hun eigen omgeving.

Ze wisten vaak weinig over de historische waarde van de indrukwekkende gebouwen en pleinen, of over de verhalen en schatten die erachter schuilgingen.

Een van die bijzondere plekken was de Korenmarkt, waar journalist Staf Hapke destijds een uitgebreid verslag aan wijdde.

Wie toen op de Sint-Michielsbrug ging staan, hoorde om zich heen bewondering in allerlei talen: van het Engelse ‘Oh, nice!’ en het Franse ‘C’est magnifique!’ tot het Duitse ‘Es ist wunderbar!’ en het Nederlandse ‘Wat een heerlijk gezicht!’.

Die reacties waren volkomen terecht. Want vanaf die plek had je een prachtig uitzicht op de drie beroemde torens op een rij: de Sint-Niklaaskerk, het Belfort en de Sint-Baafskathedraal. Aan de linkerkant schitterde de Graslei met haar middeleeuwse gildegevels, en wat verderop rees het imposante Gravensteen op als een kunstwerk van fijn kantwerk.

Aan de Korenmarkt kleeft een enorme brok stadsgeschiedenis.

Eeuwenlang was dit dé openbare plek waar elke vrijdag graan werd verhandeld. Graan was in de middeleeuwen en de vroegmoderne tijd het absolute basisvoedsel voor brood en pap.

Omdat Gent in die periode een van de grootste steden van de Nederlanden was, met in de veertiende eeuw naar schatting 50.000 tot 60.000 inwoners en rond 1571 nog zo’n 42.000 zielen, was een betrouwbare graanaanvoer van levensbelang.

Zelfs na de godsdienstoorlogen en de val van Gent in 1584, toen ruim een derde van de bevolking wegtrok en de stad sterk terugviel, bleef die centrale controle noodzakelijk.

De ligging van het plein nabij de Leie en de Schelde was ideaal om schepen snel te laten lossen.

De historische namen verwezen daar rechtstreeks naar.

In zijn Geschiedenis van Gent ontdekte Frans de Potter, aan wie veel gegevens zijn ontleend, dat de vroegste vermelding van het plein teruggaat tot 1302.

In het rentboek van de Tafel van de Heilige Geest, een vooraanstaande stedelijke armenzorg die giften, bezittingen en renten bijhield om voedsel en kleding uit te delen, werd het plein aangeduid als Coerenaert.

Dit betekende graan-aanlegplaats of graanplein.

In aktes uit 1339 sprak men van Cornaerd, tussen 1358 en 1363 van Corhard, en in de achttiende eeuw werd het Cooremerct.

Al sinds het begin van de veertiende eeuw tot ver in de negentiende eeuw bleef het plein de vaste vrijdagmarkt.

Volgens een schepenverordening uit 1532 gold er een duidelijke vorm van stapelrecht: alle schippers moesten hun graan verplicht naar het plein brengen om het daar openbaar te koop aan te bieden.

Graan buiten de markt om verhandelen of opkopen was ten strengste verboden.

Graan dat niet meteen werd verkocht, moesten boeren opslaan in speciale aardhuizen of strekelhuizen rond de markt.

Op die manier behield de stad volledige controle over de aanvoer en de prijzen, werd speculatie voorkomen en kon het stadsbestuur taksen heffen.

Een bekend voorbeeld was het lepelrecht: de broeders van het Rijke Gasthuis, een instelling bestuurd door tien zusters en zes broeders die uitsluitend meisjes opvingen, mochten uit elke zak graan een volle lepel scheppen voor hun levensonderhoud.

Pas met de opkomst van de aardappel en modernere handelsvormen verdween deze eeuwenoude functie van het plein geleidelijk.

Het plein was door de eeuwen heen ook het decor van grote spanningen en bloedige taferelen.

Bernardus de Jonghe beschreef in zijn kroniek over de periode 1566 tot 1585 hoe het op 21 augustus 1566 zwaar uit de hand liep.

Omdat het volop oogsttijd was, brachten de boeren die vrijdag uitzonderlijk weinig graan mee.

De armere bevolking dacht echter dat handelaars het graan opzettelijk achterhielden om de prijzen op te drijven.

Vrouwen vielen de broeders van het Rijke Gasthuis aan en verjoegen hen van de markt.

Hoewel rogge en tarwe tegen redelijke prijzen van 20 en 24 stuivers per haelster werden aangeboden en het stadsbestuur zelfs leningen aanbood aan mensen zonder geld, keerde de rust pas terug toen graanhandelaar Jan Doens en zijn zoon werden gearresteerd.

Gerechtsdienaars konden het tweetal ternauwernood levend ontzetten, want woedende vrouwen hadden hen met stenen bekogeld en wilden hen ter plekke opknopen aan de opstaande berrie of het trekbalkstel van de boerenkarren.

Het was lang niet het enige gewelddadige moment op het plein.

In 1325 vond er een bloedige opstand van wolverwevers plaats, waarbij naar verluidt 3.000 mensen sneuvelden.

Op 29 juni 1467 brak er een volksopstand uit tegen de cucillote, een gehate belasting op zout en graan die Filips de Goede in 1448 had ingevoerd.

Bovendien diende de Korenmarkt geregeld als executieplaats, met een galg recht tegenover de toenmalige gevangenis.

Zo werden op 11 december 1567 vier beeldenstormers opgehangen, onder wie bakker Willem van de Putte uit Petegem en een Waalse man.

Die laatste liep zingend naar het schavot en vroeg omstaanders om troost.

Terwijl hij met de strop om zijn nek stond, bezweek een nabijgelegen stenen muurtje onder het gewicht van toeschouwers.

Het geroep dat daarop volgde, werd door Spaanse soldaten aangegrepen om met getrokken zwaarden op de menigte in te hakken, met vier doden en tien zwaargewonden tot gevolg.

De zoon van de hertog van Alva, Don Ferdinando van Maltha, liet de veertig schuldige soldaten oppakken en liet twee van hen als straf op de Korenmarkt ophangen.

Hun lichamen werden ter plekke gevierendeeld en hun hoofden op pinnen gezet, waarna de resten naar het galgenveld bij Sint-Baafs werden gesleept.

Tegen 1936 werd de doodstraf al lang niet meer uitgevoerd; als een Gentenaar ter dood werd veroordeeld, stonden er louter twee rijkswachters te paard op het plein met een bord waarop het vonnis te lezen viel.

Toch was er op het plein ook plaats voor vertier en reuring.

In 1317, 1376 en 1414 hielden vorsten en ridders er steekspelen en toernooien.

Tot 1840 was het plein hét vertrekpunt voor diligences.

Koetsen vertrokken bij bekende herbergen zoals de Sterre, het Hof van Weenen, de Hazewind, de Peleryn en het Wapen van Zeeland, net zoals elders in de omliggende straten bij de Graaf van Egmont in de Katalonjestraat (Cataloniëstraat), d’Halve Mane en Picardie op de Hooiaard, en ’t Gulden Hoofd en de Sleutel in Klein Turkije.

Andere vervoerwagens, de zogeheten siezen, stonden geparkeerd aan het Sluizeken en bij Sint-Jacobs.

Vrijdags werden op het plein ook inboedels en goederen openbaar geveild bij erfenissen of inbeslagnames, wat leidde tot de typisch Gentse uitdrukking dat wie failliet was, ‘op de Korenmarkt zat’.

Ook de gebouwen rond het plein kenden een hele gedaanteverandering.

Waar in 1936 het imposante postkantoor stond, verrees rond 1300 oorspronkelijk de gevangenis het Châtelet, in de volksmond Sausselet of Sauchellette genoemd.

Daar stonden de galg en verschillende strafcellen, zoals de muit voor heksen en rovers, en de suikerlade, wat leidde tot het gezegde ‘hij zit in ’t suikerlootje’ wanneer iemand werd opgesloten.

Het Châtelet werd in 1716 gesloopt om plaats te maken voor het Pakhuis in 1719.

Dat pakhuis verdween op zijn beurt in 1894 om er de Nederlandse Schouwburg te bouwen.

Toen de bouw in 1895 amper één meter boven de grond zat, wijzigden de plannen en werd er uiteindelijk het bekende postkantoor neergezet.

Oudere Gentenaars spraken in 1936 nog vol weemoed over verdwenen etablissementen zoals bierkelder het Lappersfort op de hoek van de Veldstraat en de voormalige Sterrestraat, en herberg De Tente in de kelder op de hoek van de Donkersteeg.

Over die laatste schreef de Gazette van Gent al op 16 december 1816 een enthousiast bericht.

In dit beroemde staminee was destijds een revolutionaire mechanische bierpomp geïnstalleerd die vanuit de kelder allerlei bieren naar boven tapte.

De nieuwsgierige Gentenaars stroomden massaal toe om de uitvinding te bewonderen, waarmee één kastelein het werk van zes man aankon en iedereen in een oogwenk van een vers glas bier werd voorzien.

Naast het postkantoor lag de Windas- of Driekoningensteeg in 1936

Daarna volgden deze gebouwen:

Moeninshof in de 15e en 16e eeuw; Drie Coninghen aan het einde van de 16e eeuw; Hotel d’Allemagne tot 1914. In 1936: Café Astoria.

De Strekele in 1494; in 1460 ’t Lammeken; in 1574 het Haentjen; later ’t Hazewindekine; in 1648 de Posthoorn; in 1662 de Drij Posthoorns; later weer de Hazewind. Het vormde één gebouw met: ’t Scaec, van de 15e tot de 18e eeuw; in 1790 ’t Daembert (Damberd), en dat was het in 1936 nog.

’t Polmaessteen van het begin van de 14e tot de 17e eeuw. Dit steen had toebehoord aan zekere Agatha, gezegd de Polmaes.

De naam werd verschillende keren vervormd tot Polhamer aan het einde van de 17e eeuw.

In 1555 was het ook de Borse, Beurs, geweest. Van 1675 tot 1700 was het Het Wit ofte sHymanshuys; in 1765 Simons huus of Wit huus.

Na 1765 werd het Wapen van Zeeland en in 1936 was het ‘De Wapens van Zeeland’.

De Wapen van Zeeland was in 1709 een van de zeven koffiehuizen die Gent toen bezat.

In 1936 waren er veel meer op de Korenmarkt zelf.

Boven dit huis stond in de gevel: ‘Vry Huys, Vry Erve’. Dat betekende dat gerechtsbeambten onder het leenroerig beheer hun ambt niet buiten hun omschrijving mochten uitoefenen.

Zij die van buiten Gent kwamen, ontleenden aan een landheer een stuk grond en schreven deze spreuk boven het huis. Zo handelden zij niet tegen de wet.

De Cleppe of ’t Clephuus, sinds 1331 verkocht aan de broeders van het Rijke Gasthuis om er hun lepelrecht of belastingen in natura te innen. In 1936: Hotel Zelzate.

De Duc de Bavière, waarover geen bijzonderheden bekend waren.

Het Hof van Brussel was in 1709 het grootste café van Gent. In 1803 werd het Hof van Weenen; na 1914 Hotel de Venise.

Naast Hotel de Venise lag het Schuddeveestraatje, dat was afgesloten.

Het Bourgoens Cruyce was van 1596 tot 1620 ’t Groenhuus. Daarna weer ’t Boergondisch Kruis. In 1936 een kledingmagazijn.

De Trauwe, van 1614 tot 1790, het jaar waarin dit huis werd verenigd met

De Swarte Ruyter, 1610.

De Siekele, bekend sinds 1400. In 1663 een suikerbakkerij. In 1936 een tabakswinkel.

Hier eindigde de Korenmarkt aan de Hooiaard.

Aan de overzijde, vanaf de Donkersteeg:

De Oude Sack. In 1370 den Saeck; later den Ouden Sac; in 1721 den hoppesack; in 1770 den oppensack; in 1794 den open sack. In 1936 een kledingmagazijn.

De Maecht van Ghendt of Witte Leeu van 1525 tot 1571. Beide namen verwezen waarschijnlijk naar het blazoen van Gent: een witte leeuw op zwart veld. In 1936 een café. Het bierkeldertje, dat er toen nog was, heette de Beerie.

’t Borluuts steen, in 1936 Café De Ploeg en Café Borluut, was het steen van de familie Borluut. Men vermoedde dat Jan Borluut, die met 5.000 Gentenaars meevocht te Groeninge in 1302 en dus deel had aan de Guldensporenslag, daar ook had gewoond. In de 17e eeuw heette het de Coorenmate.

Het huis ernaast was onbekend, hoewel het in de stadsrekeningen van 1374 werd vermeld.

Steen van Jan Rabaue, in de 13e en 14e eeuw. In 1670 de Beerie. In 1936 ‘Café Français’.

Het Olieslaghershuis tot 1540. Het was zo genoemd omdat de olieslagers, wier patroon Sint-Jan in d’Olie was, er hun zetel hadden. In 1936 een hotel.

De Posthoorne, bekend sinds de 17e eeuw. In 1936 café Métropole.

De Gulden Mortier, 17e eeuw, in 1936 een hoedenwinkel en een magazijn van stoffen en allerhande waren.

Daarna volgde de straat Klein Turkije, met de mooie trapgevelwoningen.

Ten slotte lag daar de duizend jaar oude Sint-Niklaaskerk, 1051, herbouwd en vergroot na de brand van 1120, waarover in vroegere bijdragen al was geschreven.

Zij bergde een schat aan schilderijen op. Er toen werd gezegd: ‘Gent heeft een kerk met tien (h)onder(d) torens’; in het Frans: ‘Gand possède une église avec onze tours et dix cents (sans) cloches.’

Talrijke oude gevels op de Korenmarkt waren hersteld en onlangs was een comité opgericht om ook de prachtige Sint-Niklaaskerk te herstellen en van het dreigende verval te redden.

Men hoopte toen dat men zou doorgaan met het herstellen van de oude gevels: het uitzicht van de mooie Arteveldestad zou er veel bij winnen en Gent zou meer dan ooit een gezocht en geliefd oord voor toeristen worden (foto en artikel uit De Stad van 30 oktober 1936)