Van The Lopez Sisters tot ‘Going Back to My Roots’ de reis van Odyssey

De muzikale reis van Odyssey begon in 1968. De van de Maagdeneilanden afkomstige zussen Carmen, Lillian en Louise Lopez richtten toen de familiegroep The Lopez Sisters op.

Jarenlang traden ze op in en rond New York, voornamelijk op feestjes, bruiloften en in kleine clubs.

Omdat het grote succes uitbleef, besloot Carmen de groep na enkele jaren te verlaten voor een leven buiten de schijnwerpers.

Lillian en Louise gaven echter niet op en zochten eind 1976 naar een nieuw geluid om door te breken.

Die frisse impuls vonden ze bij de Filipijnse bassist-zanger Tony Reynolds.

Met een mannelijke zanger en een meer op pop gerichte sound was het tijd voor een nieuwe naam: Odyssey was geboren.

De zusjes Lilian en Louise Lopez legden destijds uit dat ze voor de naam Odyssey hadden gekozen, omdat ze hun publiek wilden meenemen op reis naar verschillende landen, waarbij ze zoveel mogelijk verschillende muziekstijlen gebruikten als een echte odyssee.

De Lopez-zusters waren geboren in Stamford in de Amerikaanse staat Connecticut, maar voelden zich evenzeer Afrikaans als Amerikaans.

De songtitel ‘Going Back to My Roots’ was dan ook geen toevallige keuze, want beiden waren altijd al trots op hun afkomst, al jaren voordat de tv-serie «Roots» van Alex Haley daar een trend van maakte.

Louise vertelde dat ze hun haar toen al meer dan tien jaar op Afrikaanse wijze gevlochten droegen.

Zelf ontwierp ze ook kleding, zoals vloeiende kaftans in traditionele Ethiopische stijl, en voor hun podiumshows maakte ze Zoeloe-halskettingen en Egyptische kragen.

De doorbraak volgde in 1977 met de single ‘Native New Yorker’

Het nummer behaalde de 21e plaats in de Amerikaanse hitlijsten en werd een top 5-hit in het Verenigd Koninkrijk.

In Vlaanderen en Nederland bleef het succes toen beperkt tot een notering in de tipparade.

Overigens coverde ook Frankie Valli het nummer in diezelfde periode op zijn album ‘Lady Put The Light Out’.

Na hun debuuthit op de wip tussen 1977 en 1978 was het weer rimpelloos stil geworden rond de groep.

Er werden indertijd zes singles uitgebracht die nauwelijks de bodem van de Amerikaanse hitlijsten benaderden. Iedereen dacht toen dat men met een eendagsvlieg te maken had, zoals de discowereld er in die periode de ene na de andere uitspuwde.

De bezetting van de groep veranderde echter snel.

Ten tijde van het debuutalbum was Tony Reynolds alweer vertrokken.

Hij koos voor een heel ander pad, werd elektricien bij de politie van New York en speelde daarnaast in een plaatselijke band tot aan zijn overlijden op 2 februari 2010.

Hij werd vervangen door Bill McEachern, die een bepalende stem zou worden voor de groep.

Billy was geboren in Fayetteville in de staat North Carolina en zong al sinds zijn kinderjaren beroepsmatig.

Voordat hij zich bij Odyssey aansloot, behoorde hij tot de topzangers in de New Yorkse studio’s.

Een jaar na de stilte, in de zomer van 1980, liet Odyssey opnieuw van zich horen.

Met ‘Use It Up and Wear It Out’ scoorden ze een vierde plaats in zowel Vlaanderen als Nederland, en het nummer klom langzaam maar zeker naar een hoge notering in Engeland, waar het zelfs een nummer één-hit werd.

Een nieuwe inzinking bleef uit, want Odyssey zette de succesreeks voort met ‘If You’re Looking for a Way Out’ en ‘Hang Together’.

In de zomer van 1981 volgde hun cover van ‘Going Back to My Roots’, geproduceerd door Steve Tyrell, van ex-Motown-schrijver Lamont Dozier, wat hun hittotaal indertijd op vijf bracht.

Meestal bleef de rol van Billy McEachern binnen de groep beperkt tot harmoniezang, maar op «Going Back to My Roots» kreeg hij de leadzang toegewezen.

Billy zong dat nummer zo overtuigend in dat hij toen terecht bij de zusjes Lopez kon aankloppen om meer op de voorgrond te treden.

Met de leadzang van McEachern werd dit een groot succes in Vlaanderen, met een derde plaats in de BRT Top 30 en een vierde plaats in de Top 40.

Het zat diep bij de zussen, want ze waren in juli 1981 even trots op de eerste plaats van «Use It Up and Wear It Out» in de nationale hitlijst van Kenia als op hun sterrenstatus in de grote poplanden.

Ze verklaarden destijds in koor dat ze er alle drie van droomden om zo snel mogelijk aan een Afrikaanse tournee te kunnen beginnen.

In deze periode werd ook Lilians zoon, Steven Collazo, aan de groep toegevoegd als toetsenist, zanger en muzikaal leider. Voor wie destijds meer van de groep wilde horen, was bovendien hun pas verschenen elpee ‘I Got the Melody’ beschikbaar.

Hun laatste grote internationale hit werd ‘Inside Out’ uit 1982.

Een opvallend detail is dat de baslijn van dit nummer sterke gelijkenissen vertoont met die van ‘Watching You’ (1980) van de Amerikaanse soulband Slave, waar ook Steve Arrington (die we kennen van zijn hit ‘Feel so Real’) deel van uitmaakte.

In 1990 kreeg ‘Inside Out’ nog een tweede leven door een cover van de Engelse houseband Electribe 101.

Hoewel de originele zangeressen Lillian (overleden in 2012) en Louise Lopez (overleden in 2015) inmiddels niet meer onder ons zijn, treedt Steven Collazo samen met wisselende vocalisten (zoals Romina Johnson en Jerdene Wilson) nog regelmatig op.

In de zomer van 1976 bevrijdde de Britse viermansformatie The Real Thing zichzelf in één klap van al haar vorige klusjes.

De groep werd aan het begin van de jaren zeventig opgericht in de wijk Toxteth in Liverpool.

Aanvankelijk traden de leden op onder namen zoals Sophisticated Soul Brothers.

De uiteindelijke bandnaam ontstond volgens de overlevering toen hun manager Tony Hall op Piccadilly Circus in Londen een levensgroot reclamebord van Coca-Cola zag staan met de bekende slagzin.

De vaste kern van de groep werd gevormd door de broers Chris en Eddie Amoo, aangevuld met Dave Smith en Ray Lake.

Na enkele jaren van bescheiden successen en optredens in de bekende tv-talentenshow Opportunity Knocks, kwam in 1976 de grote doorbraak.

Ze waren niet langer de jongens die David Essex vocaal bijstonden op zijn singles en tijdens zijn optredens, en ook het werk als jingle-inzingers lag definitief achter hen.

Iedereen kende hen plotseling dankzij de enorme zomerhit ‘You To Me Are Everything’.

Die doorbraak kwam er dankzij de single die in het voorjaar van 1976 via Pye Records werd uitgebracht.

Het nummer werd geschreven en geproduceerd door het koppel Ken Gold en Michael Denne.

De twee songschrijvers bedachten de meeslepende melodie en het pakkende refrein in minder dan een uur tijd, speciaal afgestemd op de warme tenorstem van leadzanger Chris Amoo.

De song steeg door naar de absolute top van de Britse hitparade, nadat er op het hoogtepunt maar liefst 30.000 exemplaren per dag van over de toonbank gingen.

In juli 1976, midden in de broeierige Britse zomer, klom de single naar de absolute eerste plaats van de Britse hitparade.

Het nummer bleef drie weken lang bovenaan de UK Singles Chart staan en zorgde voor een historisch moment: The Real Thing werd daarmee de eerste volledig zwarte Britse band die toen een nummer 1-hit scoorde in het Verenigd Koninkrijk.

Ook buiten Groot-Brittannië werd de song een grote hit.

In Vlaanderen was het nummer goed voor de achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl de single het in Nederland nog iets beter deed en daar de vierde plaats bereikte in de Top 40.

Ondanks dat plotselinge succes hielden de bandleden er een opmerkelijk doordachte en verrassende visie op na.

Ze waren namelijk niet van plan om vijf jaar op een doorbraak te wachten om vervolgens na één knaller weer in de vergetelheid te verzinken.

Eddie Amoo kon het nauwelijks geloven toen manager Tony Hall hem opbelde met het nieuws dat de single als een raket omhoogschoot.

Eddie trok halsoverkop zijn kleren aan, stapte in de wagen en kocht alle muziekkranten die hij kon vinden om de hitlijsten met eigen ogen te zien.

Pas toen hij de notering op nummer 22 in Top of the Pops zag staan, drong het werkelijk tot hem door.

Toch voelde de groep dat succes heel nuchter aan.

Ze wilden dit momentum vooral gebruiken om materiaal uit te brengen dat veel dichter lag bij wie ze echt waren.

Ze vonden ‘You To Me Are Everything’ simpelweg niet representatief voor hun eigen muzikale identiteit.

Zonder enige artistieke pretentie zagen de jongens die hit puur als een opstapje naar een wijdere en diepere creatieve ruimte.

Na een reeks van zo’n zes spectaculaire flops uit het verleden stonden ze nu eenmaal anders in het leven toen ze het nummer opnamen.

Ken Gold ging eerder ook met hen aan de slag voor hun geplande conceptalbum over het leven in Liverpool 8.

Dat project lag de mannen nauw aan het hart.

Ze wilden het verhaal vertellen van een kind dat opgroeide in een reusachtig appartementsgebouw van negentig verdiepingen.

Op Ray na kwamen alle bandleden uit die dichtbevolkte en arme wijk bij de dokken, waar misdaad aan de orde van de dag was, maar waar ook mensen met een ijzeren karakter zoals bokser John Conteh opgroeiden.

Waar iedereen bij Liverpool meteen aan The Beatles dacht, wilde The Real Thing laten zien hoe het er daar werkelijk aan toe ging.

De groep had daarnaast enorm veel te danken aan de mensen om hen heen.

Via een tv-spotje voor producer Jeff Wayne leerden ze zanger David Essex kennen.

Essex was ontzettend eerlijk tegen hen, hielp hen bij het componeren en leerde hen hoe ze persoonlijke liedjes moesten schrijven die echt geworteld waren in hun eigen achtergrond.

Ook het optreden in hun voorprogramma voor duizenden uitzinnige tieners in de Londense Earl’s Court was een onvergetelijke ervaring geweest.

Een andere sleutelfiguur was hun manager Tony Hall, een absolute autoriteit op het gebied van zwarte muziek in Engeland, die hen voortdurend op het juiste spoor hield.

In hun beginjaren traden ze namelijk vooral op in de clubs van Noord-Engeland, waar ze aan het verwachtingspatroon van vier ‘leuke zwarte kerels’ voldeden: ze zongen Amerikaanse nummers, maakten strakke danspasjes en praatten op aandringen van hun vorige manager zelfs met een Amerikaans accent.

In de zomer van 1976 lieten ze die ingestudeerde rol voorgoed achter zich om eindelijk hun eigen verhaal te vertellen.

Na het succes van You To Me Are Everything scoorde de band nog diverse andere hits, waaronder ‘Can’t Get By Without You’ en het doordringende disco-epos ‘Can You Feel The Force?’

Tien jaar later, in 1986, beleefde hun bekendste klassieker een tweede jeugd. Een remix onder de titel The Decade Remix bracht de plaat opnieuw hoog in de hitlijsten, met een top 5-notering in het Verenigd Koninkrijk.

You To Me Are Everything is door de decennia heen uitgegroeid tot een tijdloze pop- en soulklassieker die nog steeds frequent op de radio te horen is en door tal van andere artiesten, zoals Frankie Valli, werd gecoverd.

In de jaren 80 stak het fenomeen van de remixes de kop op in de charts

Heel wat grote hits uit de 60s en 70s keerden dat decennium terug in de hitlijsten, o.a. ‘December 1963 (Oh What A Night)’, ‘Heaven Must Be Missing An Angel’, ‘Downtown’, ‘Black Betty’ en ‘Eve Of The War’.

De allereerste single die in een nieuwe versie opnieuw een hit werd, was ‘You To Me Are Everything’ van de Engelse soulgroep The Real Thing.

In de lente van 1986 werd dit voor de tweede keer een grote Europese hit. In de UK stond het nummer zelfs 2 keer in de top 5.

Het origineel voerde in juli 1976 gedurende 3 weken de Britse top 40 aan. In Nederland stond The Real Thing ermee op n°4 en op n°8 in Ultratop. ‘You To Me Are Everything’ werd nooit een groot succes in de VS.

Dit was te wijten aan het feit dat er verschillende coverversies van werden opgenomen.

Hiervan stonden er drie tegelijkertijd in de Billboard Hot 100, die elkaar stuk voor stuk verhinderden om erboven uit te steken.

Het al in 1970 opgerichte The Real Thing was in de jaren ’70 de meest succesvolle zwarte act.

Ze kwamen in het vizier van EMI door een sterke live-act bestaande uit progressieve versies van Amerikaanse hits. Ondanks positieve kritieken werden de eerste singles geen succes.

De kentering komt er wanneer ze de steun krijgen van idool David Essex en een contract krijgen bij Pye Records.

Na talrijke personeelswissels is de 8ste single ‘You To Me Are Everything’ eindelijk een schot in de roos. ‘Can’t Get By Without You’ en ‘You’ll Never Know What You’re Missing’ (in 2002 nog gesampled door Thomas Bangalter van Daft Punk) zijn daarna nog grote Britse hits, maar daarna sputtert de hitmachine een aantal jaren.

In 1979 slaan ze terug met het space disco-nummer ‘Can You Feel The Force?’.

In 1982 werken ze opnieuw samen met David Essex als diens backingband.

Vier jaar later worden de oude hits dus heropgevist. The Real Thing draait nog steeds mee in het oldiescircuit.

Ze zijn intussen wel herleid tot een duo bestaande uit de oorspronkelijke leden Chris Amoo en Dave Smith.

De andere helft is reeds gestorven.

Chris’ broer Eddie overleed op 23 februari 2018 op 74-jarige leeftijd.

Ray Lake is in 2000 al op 54-jarige leeftijd overleden na een leven van drank- en drugverslavingen.

Ken Gold, de voornaamste songwriter en producer van de band, schreef ook hits bij elkaar voor Billy Ocean, Tight Fit, The Jodelles en Delegation.

Het verhaal van The Real Thing werd in 2019 opgetekend in de docu Everything – The Real Thing Story (met dank aan Denis Michiels)

50 jaar geleden, Frankie Valli & The Four Seasons met hun hit December, 1963 (Oh, What a Nigh

Frankie Valli and The Four Seasons, het befaamde zangkwartet uit Newark in New Jersey, behoorden begin jaren zestig tot de absolute top van de Amerikaanse muziekindustrie.

Frontman Frankie Valli werd in Newark geboren als Francis Stephen Castelluccio. Hij wist al op zevenjarige leeftijd dat hij zanger wilde worden, nadat zijn moeder hem had meegenomen naar een optreden van Frank Sinatra in New York.

Valli begon zijn professionele muziekcarrière in 1951, toen hij werd opgemerkt door de groep Variety Trio, die bestond uit Nickie DeVito, Tommy DeVito en Nick Macioci.

Een jaar later splitste deze groep op en ging Valli verder met Tommy DeVito.

Samen werden ze lid van de huisband die steevast optrad in The Strand in New Brunswick, New Jersey, waar Valli zong en basgitaar speelde.

In 1953 nam hij zijn eerste single op, getiteld My Mother’s Eyes, onder de artiestennaam Frankie Valley, een naam die hij baseerde op de zangeres Jean Valley.

Rond deze periode besloten DeVito en Valli om The Strand te verlaten en vormden ze een nieuwe groep, The Variatones, samen met Hank Majewski, Frank Cattone en Billy Thompson.

In 1956 zocht men een groep om als achtergrondzangers op te treden voor een bekende zangeres.

De groep deed auditie en werd opgemerkt door Peter Paul, een geluidsman uit New York, die hen een week later auditie liet doen bij RCA Records.

Vanaf dat moment ging de groep door het leven als The Four Lovers.

Ze namen meerdere singles op en scoorden een kleine hit met het liedje ‘You’re the Apple of My Eye’.

Later voegden ook enkele muzikanten uit zijn begintijd zich weer bij de groep, waaronder Nickie DeVito en Nick Macioci, die zichzelf inmiddels Nick Massi noemde.

Ze bleven optreden tot 1959, het jaar waarin Bob Gaudio lid werd van de groep.

Vanaf het begin van de jaren zestig gingen ze door het leven als The Four Seasons, een naam die ze simpelweg leenden van een cocktailbar bij een bowlingbaan in Union, New Jersey.

Met zijn onmiskenbare en krachtige falsetstem leidde Valli de groep naar grote successen.

In 1962 bereikte hij de eerste plaats in de hitlijsten met het liedje Sherry. Een andere belangrijke mijlpaal in die beginjaren was hun nachtclubdebuut op 29 maart 1963 in de beroemde Copacabana in New York.

Dit gebeurde op een moment dat ze vanaf 2 maart al drie weken de Amerikaanse Billboard Hot 100 aanvoerden met het nummer ‘Walk Like A Man’.

Wat veel mensen overigens niet weten, is dat de latere grote hit ‘Silence is Golden’ van The Tremeloes voor het eerst in 1964 werd uitgebracht door Frankie Valli and The Four Seasons.

Na 1967 begon de populariteit van de band echter flink terug te lopen. Het publiek raakte meer geïnteresseerd in soul en hardere rock dan in de harmonieuze pop van de groep, waardoor de singles na 1967 steevast flopten.

Terwijl het succes van de band stagneerde, ging Valli gedurende de jaren zestig steeds vaker solo.

Met de hulp van producer Bob Crewe nam hij verschillende soloprojecten op zoals onder meer ‘The Sun Ain’t Gonna Shine (Anymore)’, wat later een groot succes werd toen het gecoverd werd door The Walker Brothers.

Later scoorde Valli een hit met ‘Can’t Take My Eyes Off You’.

Het nummer bleef in de Verenigde Staten steken op plaats 2 in de hitparade, maar wordt algemeen beschouwd als een wereldhit.

Naast zijn solowerk nam de groep van tijd tot tijd nummers op onder de naam Frankie Valli en The Four.

In deze zelfde periode kreeg de zanger te maken met ernstige gezondheidsproblemen.

Valli leed aan otosclerose, een botaandoening in zijn oren waardoor hij langzaam doof werd en jarenlang op het podium puur vanuit zijn geheugen moest zingen.

Een specialist in Los Angeles wist zijn gehoor pas eind jaren zeventig met operaties te herstellen.

Sinatra, als goede vriend, hielp de zanger door hem speciale vocale oefeningen aan te leren nadat Valli in de late jaren zestig een andere operatie aan zijn stembanden had ondergaan.

In de jaren zeventig kwam Valli wat minder vaak aan bod, maar het duurde tot 1975 voordat de band een indrukwekkende comeback wist te maken met ‘December, 1963 (Oh, What a Night)’.

Een opvallend detail over deze plaat is dat Frankie Valli er nauwelijks in te horen is als hoofdzanger, een beslissing die de platenmaatschappij had doorgedrukt.

Drummer Gerry Polci zong de coupletten, bassist Don Ciccone zong een ander deel, en Valli nam enkel de brug en de achtergrondvocalen voor zijn rekening.

Toch groeide het uit tot een enorm succes met een derde plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.

Vrijwel tegelijkertijd kende de solocarrière van Valli een sterke heropleving dankzij succesvolle singles als ‘Swearin’ to God’ en ‘My Eyes Adored You’, waarmee hij opnieuw een grote hit scoorde.

Het bekendste werk van Valli tijdens de jaren zeventig is echter de titelsong voor de uiterst populaire bioscoopfilm Grease uit 1978.

Barry Gibb van The Bee Gees was de componist van dit titelnummer en het was bovendien het enige liedje dat hij voor de soundtrack van de film schreef.

Gibb had Frankie Valli persoonlijk gevraagd om het op te nemen.

Dit kwam de destijds 41-jarige zanger van The Four Seasons buitengewoon goed uit, want hij had dringend geld nodig.

Het nummer werd een gigantisch succes: op 26 augustus 1978 kwam ‘Grease’ binnen op de 23ste plaats in de Nederlandse Top 40, om vervolgens vanaf 30 september twee weken lang de eerste plaats te bezetten.

Op de B-kant van de single stond een instrumentale versie van de saxofonist Gary Brown.

Dit succes bleek destijds zijn laatste grote wapenfeit te zijn met betrekking tot nieuwe muziek; nadien wist hij decennialang geen successen meer te behalen met de platenverkoop, noch solo, noch met de band, uitgezonderd een succesvolle remix van ‘December 1963’ in 1988.

Pas veel later, in 2020, verscheen er online een tweede versie van het nummer Grease, in samenwerking met allerlei gastmuzikanten.

Valli zong het nummer daar op 86-jarige leeftijd opnieuw in, maar liefst 42 jaar na de eerste versie uit 1978.

De grote stempel die de groep op de muziekgeschiedenis heeft gedrukt, werd overigens al in 1990 bekroond met een opname in de Rock and Roll Hall of Fame

Hun bijzondere en roerige ontstaansgeschiedenis vormde in 2005 de basis voor de musical Jersey Boys.

Deze voorstelling ontving zeer positieve kritieken, won meerdere Tony Awards en werd in 2014 verfilmd door regisseur Clint Eastwood.

Van de originele bezetting is inmiddels een groot deel overleden of met pensioen.

Bassist en zangarrangeur Nick Massi overleed op 24 december 2000 op 73-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Twintig jaar later stierf gitarist en baritonzanger Tommy DeVito in september 2020 op 92-jarige leeftijd aan de gevolgen van COVID-19.

Toetsenist Bob Gaudio, de inmiddels 84-jarige hoofdschrijver van klassiekers als Sherry en December, 1963, treedt al lang niet meer op, maar werkt nog steeds achter de schermen aan projecten zoals de musical.

In tegenstelling tot zijn voormalige bandgenoten bleef frontman Frankie Valli nog opmerkelijk lang optreden met nieuwe muzikanten onder de naam The Four Seasons.

Tijdens een interview in 2016 kreeg hij de vraag waarom hij maar bleef optreden met een groep die niet bestond uit de originele bandleden.

Valli antwoordde nuchter dat hij het nog steeds erg leuk vond om te doen en dat hij verder geen hobby’s had, zoals golf.

Zo stond hij eind 2017 en begin 2018, op bijna 84-jarige leeftijd, nog altijd met volle overgave op het podium, en ook in 2019 was de 85-jarige Valli nog volop met optredens bezig.

Uiteindelijk heeft hij pas medio 2026 definitief besloten om de resterende concerten van zijn afscheidstournee te annuleren om zich volledig op zijn gezondheid te kunnen richten.

45 jaar geleden, Frankie Valli met zijn hit Grease.

Frankie Valli werd geboren in Newark (New Jersey) als Francis Stephen Castelluccio.

Hij begon z’n professionele muziekcarrière in 1951.

Hij werd opgemerkt door de groep Variety Trio, bestaande uit Nickie DeVito, Tommy DeVito en Nick Macioci.

Maar een jaar later splitste de groep op en ging Valli verder met Tommy DeVito.

Samen werden ze lid van de band die altijd optrad in The Strand in New Brunswick, New Jersey. Valli zong en speelde basgitaar.

1953 nam hij z’n eerste single, “My Mother’s Eyes”, op onder de naam Frankie Valley.

Die naam heeft hij gebaseerd op de zangeres Jean Valley.

Rond deze periode besloten DeVito en Valli om The Strand te verlaten en vormden een nieuwe groep.

Deze groep, The Variatones, bestond verder uit Hank Majewski, Frank Cattone en Billy Thompson.

In 1956 zocht men een groep om als achtergrondzangers op te treden voor een bekende zangeres.

De groep deed auditie en werd opgemerkt door Peter Paul, een geluidsman uit New York.

Hij liet de groep een week later auditie doen bij RCA Records.

De groep ging voortaan door het leven als The Four Lovers.

Ze namen meerdere singles op en scoorde een kleine hit met het liedje “You’re the Apple of My Eye”.

Later voegden ook enkele andere muzikanten van vroeger zich bij de groep, zoals onder meer Nickie DeVito en Nick Macioci, die zichzelf nu Nick Massi noemde.

Ze bleven optreden tot 1959, toen Bob Gaudio lid werd van de groep. Vanaf het begin van de jaren zestig gingen ze dan door het leven als The Four Seasons.

Met The Four Seasons scoorde Valli verschillende hits.

In 1962 kwam hij op nummer 1 terecht met het liedje “Sherry”. Gedurende de jaren zestig ging Valli ook vaker solo.

Met de hulp van producer Bob Crewe nam hij verschillende soloprojecten op zoals onder meer “The Sun Ain’t Gonna Shine (Anymore)”, wat later een groot succes werd toen het gecoverd werd door The Walker Brothers.

Later scoorde Valli een hit met “Can’t Take My Eyes Off You.

Het liedje bleef in de Verenigde Staten steken op plaats 2 in de hitparade, maar wordt algemeen beschouwd als een wereldhit.

In de jaren zeventig kwam Valli minder vaak aan bod, maar scoorde hij wel opnieuw een hit met het liedje “My Eyes Adored You”.

Het bekendste werk van Valli tijdens de jaren zeventig is echter de titelsong “Grease” voor de gelijknamige film uit 1978.

Eind 2017 en begin 2018 (op bijna 84-jarige leeftijd) trad Valli nog steeds op.

Tijdens een interview in 2016 kreeg hij de vraag waarom hij maar bleef optreden, ook met “The Four Seasons” (niet de originele bandleden).

Valli antwoordde dat hij het nog steeds leuk vindt en geen hobby’s, zoals golf heeft.

In 2020 verschijnt er (online) een tweede versie van het liedje Grease, met allerlei gastmuzikanten.

Valli zingt daar op 86-jarige leeftijd het nummer in, 42 jaar na de eerste versie in 1978.