Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Om tien uur ’s ochtends veranderde de E17 in Nazareth, op de drukke as tussen Gent en Kortrijk, in een huiveringwekkend decor toen meer dan tweehonderd voertuigen op elkaar inreden in een plotseling opkomende mistbank.
De enorme impact en de daaropvolgende branden eisten een zware tol: tien mensen kwamen om het leven, terwijl 56 personen zwaargewond raakten en dertig anderen lichte verwondingen opliepen.
Op Europese schaal blijft dit drama de op één na ergste kettingbotsing uit de geschiedenis.
Alleen een ongeval in het Spaanse Baskenland in 1991 was nog dramatischer, met zeventien doden en een vijftigtal gewonden.
De oorzaak was in beide gevallen identiek: een plotselinge, ondoordringbare muur van mist die elke reactietijd wegnam.
Ter gelegenheid van zijn toen zeventigste verjaardag vond hij het na vijftig jaar liedjes schrijven voor anderen de hoogste tijd om zelf een album uit te brengen.
Het werd zelfs een dubbel-cd onder de titel Roaring 2020.
Hoewel zijn naam misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, is zijn werk ongetwijfeld bekend.
Zo schreef hij de tekst van ‘Vreemde Vogels’, de zomerhit van Claire uit 1973 die nog altijd staat als een huis.
Daarnaast schreef hij nummers voor namen als Johan Verminnen, Kris De Bruyne, Ann Christy en Miek en Roel.
Ook voor Rob de Nijs was hij een belangrijke schakel; Walter werkte mee aan diens album ‘Tussen Zomer En Winter’ uit 1977.
Rob de Nijs verbleef destijds enkele weken in Gent in 1976, voor de voorbereiding, en was toen bijna elke avond aanwezig in de Hotsy Totsy.
De hoes van dat album is overigens een kunstwerk van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe.
Ook als producer liet Walter zijn sporen na in samenwerkingen met Roland, de Skyblasters en Zaki.
Zijn creativiteit reikte echter verder dan muziek alleen; samen met Herwig Deweerdt maakte hij de film Jacques Brel aux Marquises en tot 2001 verzorgde hij een column in het Radio 1-programma ‘Het Einde van de Wereld’.
Bovendien was hij de drijvende kracht achter de Waterfront Galerie op Meulestede in Gent.
Dat was ook de plek waar Hotsy Totsy in 1998 een groot feest gaf ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, gecombineerd met een tentoonstelling in de galerie.
Voor zijn eigen muzikale project werkte hij samen met componist Yves Meersschaert en liet hij zich omringen door het kruim van de Gentse muziekscene, met bijdragen van onder anderen Roland, Steven De bruyn, Bart Maris en Edward Buadee.
Philip Vanoutrive was een veelzijdige Gentse creatieveling die bekendstaat om zijn vermogen om verhalen te vertellen via zowel de lens als het geschreven woord.
Hij combineerde zijn passie voor fotografie vaak met een scherp oog voor detail en een diepgaande interesse in menselijke verhalen en landschappen.
Hij had een talent voor het vinden van schoonheid in de eenvoud en de rust van het alledaagse leven.
Zijn vakmanschap werd jarenlang gewaardeerd door een breed publiek, mede door zijn werk als fotograaf bij Het Volk en later bij De Gentenaar, waar hij talloze gebeurtenissen en menselijke verhalen visueel vertaalde voor de lezers.
Tijdens zijn eerste jeugdjaren woonde het gezin op de Coupure Links in Gent, tot het gezin enkele jaren later naar De Pinte verhuisde.
Het was daar dat de jarenlange band met mijn familie ontstond; mijn plusmama Magda was destijds zijn leidster toen hij als welp bij de plaatselijke jeugdbeweging zat.
Zelf leerde ik Philip kennen dankzij het NTG, maar daarna steunde hij mij toen ik de patron was van de Hotsy Totsy.
Jarenlang was hij daar een trouwe klant en toen hij samenwerkte met Manu, was de Hotsy Totsy de vaste plek om de werkweek op vrijdag af te sluiten.
Nog maar een paar maanden geleden hadden we een gesprek op sociale media om binnenkort nog eens af te spreken, samen met Magda.
Het is pijnlijk dat deze ontmoeting er niet meer zal komen.
Wat veel mensen echter niet weten, is dat hij ook een zeer goede tekenaar was en prachtige metaal- en houtsculpturen maakte.
In deze kunstwerken kon hij zijn creativiteit en ambacht op een andere manier tot uiting brengen.
Een bijzonder hoogtepunt in zijn carrière was dat hij als eerste Belgische fotograaf een eerste prijs won in de wereldwijd gerenommeerde wedstrijd World Press Photo, specifiek in de categorie Nature in 1989.
Deze prestigieuze erkenning onderstreepte zijn vakmanschap en zijn vermogen om de natuur op een unieke en impactvolle manier vast te leggen.
Naast zijn natuurfotografie legde Vanoutrive ook belangrijke historische tradities en menselijke getuigenissen vast in verschillende boekpublicaties.
Zijn sociaal-historische betrokkenheid bleek al vroeg uit het boek ‘De allerlaatste getuigen van WOI’, uitgebracht in september 2011, waarin veertig oorlogskinderen van 1914-1918 een stem kregen.
In dit werk vertellen hoogbejaarde, maar kranige mannen en vrouwen op levendige wijze over hun ervaringen. De prachtige portretfoto’s van Vanoutrive vormden een respectvol eerbetoon aan deze getuigen.
In 2014 bracht hij het rijk geïllustreerde boek ‘The Last Post’ uit.
Hiervoor bracht hij een jaar lang de unieke ceremonie onder de Menenpoort in Ieper in beeld, waarbij Ian Connerty de geschiedenis van de ceremonie en haar helden beschreef en unieke archieffoto’s de beelden van Vanoutrive aanvulden.
Enkele jaren later, in 2017, volgde het boek Meneer de champetter.
Hierin bracht hij een hommage aan de veldwachter die dag en nacht bereikbaar was om het welzijn van plattelanders te beschermen.
Het boek beschrijft de laatste vijftig jaar van de landelijke politie tot aan de hervorming in 2001 en brengt straffe verhalen en anekdotes samen die door meer dan dertig oud-veldwachters zijn opgegraven.
Zijn werk verscheen geregeld in diverse media en publicaties, waar hij gewaardeerd werd om zijn vermogen om sfeer en emotie over te brengen op een authentieke manier, of het nu ging om reizen, cultuur of diepmenselijke geschiedenissen.
Volkomen onverwacht is onze vriend Philip Vanoutrive gisteren, op 9 februari 2026, overleden ten gevolge van hartfalen in het AZ Sint-Lucas te Gent.
In een tijd waarin economische crisis en werkloosheid voor velen een dagelijkse realiteit waren, zochten veel arbeiders naar een zinvolle invulling van hun vrije uren.
Terwijl sommigen uit noodzaak knutselden om de morele leegte te vullen, waren er ook vakmensen zoals Emiel Van Heddegem uit Wetteren die hun passie naar een uitzonderlijk artistiek niveau tilden.
Tijdens een bezoek aan zijn woning aan de Oordegemsesteenweg krijgt de lezer een blik in de wereld van deze gedreven houtbewerker.
Van Heddegem begon in 1930 met zijn artistieke arbeid aan de draaibank. Wat begon als een liefhebberij, groeide al snel uit tot werk van een niveau dat nationale erkenning verdiende.
De foto’s bij het artikel tonen een indrukwekkende collectie voorwerpen, variërend van fijnzinnige vazen en gedecoreerde doosjes tot kandelaars.
Vooral het geometrische inlegwerk en de verfijnde details getuigen van een groot technisch vernuft.
Zijn vakmanschap werd bekroond met diverse prestigieuze onderscheidingen.
Zo behaalde hij in 1932 de beker Dees Cnudde.
Deze prijs was vernoemd naar Désiré Cnudde, een invloedrijk Gents politicus en vertrouweling van Edward Anseele, die zich hartstochtelijk inzette voor de sociale en culturele verheffing van de arbeidersklasse.
De beker was een centrale ereprijs op de groots opgezette tentoonstellingen van de vrije tijd, vaak georganiseerd in gebouwen zoals de Vooruit in Gent.
Deze evenementen hadden als doel de arbeider weg te trekken uit de sfeer van passieve ontspanning en te laten zien dat handarbeiders over een enorme dosis creativiteit en geduld beschikten.
Het winnen van deze beker was een bijzondere prestatie, omdat de deelnemers streng werden beoordeeld op zowel technische perfectie als esthetische waarde.
Voor Van Heddegem was dit slechts het begin, want in 1935 werd hij bovendien benoemd tot laureaat van de Arbeid van België in de eerste klasse.
De tekst benadrukt dat deze vorm van vrijetijdsbesteding veel meer was dan louter tijdverdrijf. Het was een vorm van geestelijke emancipatie.
Voor de arbeider-kunstenaar vormde de creatieve arbeid een noodzakelijk tegenwicht voor de dagelijkse sleur van de fabriek of de werkplaats.
De voldoening van het creëren van schoonheid uit ruwe materialen compenseerde de vele uren van inspanning en opoffering.
Het artikel eindigt met een diep respect voor deze stille werker uit Wetteren, die bewees dat kunst en handarbeid onlosmakelijk met elkaar verbonden kunnen zijn
Als twintiger woonde hij daar nog bij zijn moeder en verdiende hij de kost als dagbladverkoper.
Zijn leven nam een beslissende wending in 1898 toen hij trouwde met de Gentse kleermaakster Clementine Van Guyse.
Het koppel verwachtte toen al hun eerste kind; Clementine was drie maanden zwanger van René Eugène Frans.
Na het overlijden van zijn schoonvader trok het jonge gezin in bij de weduwe en nam daar het café Estaminet Den Biekorf over.
In 1902 werd het gezin compleet met de geboorte van hun tweede zoon, François, roepnaam Frans.
Ondertussen leidde Henri een dubbelleven en timmerde hij hard aan de weg als circusartiest.
Al in 1897 dook hij voor het eerst op in het programma van het Nieuw Circus als deel van Les Franch, de “twee leuke Chinezen uit Ledeberg”.
Tegen 1906 sloot hij zich aan bij een nieuwe acrobatengroep, het Horatius Trio, samen met Theofiel Caluwaert, alias zotten Theo, en de jonge knaap Serafien Fruytier.
Hun act was spectaculair: ze stonden met drie man hoog op elkaars schouders terwijl ze een trap op- en afstapten.
Henri leerde Serafien de knepen van het vak en samen ontwikkelden ze als The Original Bento Brothers een ijzersterk evenwichtsnummer.
Het duo kende succes, maar hun wegen scheidden uiteindelijk definitief. Serafien keerde waarschijnlijk niet met Henri terug naar België na hun Amerikaanse avonturen.
Hij tekende voor nog een seizoen bij Barnum & Bailey in 1913, dit keer met de groep van de Belg Joseph DeKock, en bouwde een leven op in de Verenigde Staten.
In 1918 diende Serafien in het Amerikaanse leger, werd staatsburger onder de naam Jack Bento en overleed uiteindelijk op 75-jarige leeftijd in Chicago.
Henri moest dus op zoek naar een nieuwe cascadeur of vlieger.
Hij vond potentieel in de Gentse turnkring Vrijheidsliefde, waar zijn oog viel op de veertienjarige Polydoor De Baets.
Henri bood de jongen een contract aan van 25 frank per maand, inclusief kost en inwoning.
Na intensief oefenen in turnlokalen en lokale tournees vormden ze samen met de Gentse acrobaat Joseph La Porte het Frans Bento Trio.
Na enkele contracten in België en Frankrijk vertrok het trio in maart 1913 naar Amerika met een contract voor het prestigieuze Ringling Brothers Circus.
Het was een slopend maar succesvol schema: tussen 5 april en 1 november speelden ze in 144 steden en 32 staten.
Na een winter thuis vertrokken Henri en Polly in maart 1914 voor een tweede seizoen. Toen ze op 24 oktober 1914 hun laatste show speelden in Cairo, Illinois, woedde in Europa echter volop de oorlog.
Henri, inmiddels 37 jaar oud en met een carrière van zeventien jaar achter de rug, slaagde erin om via een schip van de White Star Dominion Line vanuit Liverpool terug te keren naar Gent.
Als leider van zijn gezelschap had het acrobatencircuit hem financieel geen windeieren gelegd.
Met dat kapitaal opende hij in mei 1915 Café Bentos op nummer 15 in de Lammerstraat.
De locatie was strategisch: vlak naast het Nieuw Circus dat in die periode dienstdeed als cinema en variétézaal, en recht tegenover Vooruit, het machtige Feestpaleis van de socialisten.
Het café werd een ontmoetingsplek voor artiesten en bood logement aan rondreizende artiesten.
Het interieur werd een bezienswaardigheid dankzij Henri’s jeugdvriend Achilles De Maertelaere.
Ze kenden elkaar van de turnkring De Volksmaatschappij en deelden hun socialistische overtuiging.
Achilles, die het pseudoniem Achille Bentos aannam, beschilderde de muren met taferelen die Henri’s verhalen weerspiegelden: het wilde westen, Japanse landschappen, Egypte en Afrikaanse waterdragers.
Henri zat tijdens de oorlogsjaren echter niet stil en gebruikte zijn netwerk voor liefdadigheid via het socialistische Feestpaleis Vooruit.
Een hoogtepunt was de productie Barnum te Gent in 1917, waarmee hij lokale artiesten speelkansen bood.
Na de oorlog bleef Henri zijn café uitbaten, maar het ondernemersbloed kroop waar het niet gaan kon.
Hij begon zijn eigen Cirque Bento en huurde in 1921 een gigantische viermasttent die hij op het Sint-Pietersplein liet opzetten.
Een verwoestende nachtelijke onweerstorm maakte na enkele maanden echter een einde aan zijn droom.
Met deze tegenslag leek Henri zijn actieve, grootschalige circusplannen voorgoed opgeborgen te hebben.
Hij zag daarentegen zijn zonen René en Frans en zijn leerlingen Serafien en Polly floreren.
Vooral de band tussen René en Polly was hecht; ze waren van dezelfde leeftijd en kenden elkaar door en door, omdat Polly als leerling bij het gezin had ingewoond.
In 1925 bundelden deze jeugdvrienden hun krachten als Los 3 Bentos en toerden door Zuid-Amerika.
Terug in België verstrengelden de familiebanden zich verder: Polly trouwde met Jenny Moreels, de zus van Frans’ vrouw Jeanne.
Samen met René en diens Braziliaanse vrouw Chela vormden ze The 4 Bentos, die successen vierden in Engeland en geportretteerd werden door Laura Knight.
Ook Henri’s andere zoon, Frans, had kortstondig in het acrobatenvak gezeten, maar koos uiteindelijk voor de stabiliteit van de horeca.
In maart 1931 nam hij Café Bentos in de Lammerstraat over van zijn vader. Hij zou er cafébaas blijven tot het einde van de Tweede Wereldoorlog.
Het legendarische café in de Lammerstraat zou uiteindelijk in de jaren vijftig verdwijnen, maar Henri zelf was toen al verhuisd.
In 1935 nam hij café Concordia in de Wondelgemstraat over en doopte hij ook deze zaak om tot Bentos.
De muren hingen vol met grote foto’s uit zijn glorietijd bij Barnum & Bailey en Ringling Brothers.
Aan iedereen die het wilde horen, vertelde hij zijn verhalen bij de beelden.
Dit café in de Wommelgemstraat bestaat vandaag nog steeds, al is het originele interieur helaas verdwenen.
De oude dag van Henri werd overschaduwd door de Tweede Wereldoorlog en persoonlijk drama.
In 1945 verloor hij zijn zoon René, die amper 46 jaar oud werd. Henri overleefde hem drie jaar en stierf op 20 maart 1948.
Zijn goede vriend Achilles Bentos vereeuwigde Henri en Clementine op latere leeftijd in een tweeluik.
Dit beeld toont hun oude dag en vormt een scherp contrast met het bruisende leven dat achter hem lag, altijd onder de mensen en vol van de opwaartse drang die hij ongetwijfeld onder zijn vel had (bronnen: Het Huis van Alijn, diverse bronnen, Wikipedia en Gwendolien Sabbe).
De graaf was een invloedrijk edelman en nazaat van een familie die al sinds de 15e eeuw een prominente rol speelde in de Gentse politiek en maatschappij.
Als afgevaardigde van de Staten van Vlaanderen beschikte hij over de middelen om een dergelijk prestigieus project te realiseren.
Wie vandaag de kelders bezoekt, kan daar nog steeds de sporen terugvinden van de oorspronkelijke middeleeuwse bebouwing waar hij op voortbouwde.
Drie generaties van het geslacht d’Hane de Steenhuyse hebben bijgedragen aan de bouw van het paleis om het zijn huidige allure te geven.
Graaf Emmanuel Ignace d’Hane (1702-1771) legde de basis met het hoofdgebouw en de uitbundige voorgevel in Lodewijk XV-stijl.
Zijn zoon, graaf Pierre Emmanuel d’Hane de Leeuwergem (1726-1786), zorgde voor de verdere uitbreiding en de meer classicistische tuingevel in Lodewijk XVI-stijl in 1773.
Tot slot was het graaf Jean-Baptiste d’Hane de Steenhuyse (1757-1826) die verantwoordelijk was voor de verfijnde aankleding en de binnendecoratie van het pand.
Een van de absolute pronkstukken in het interieur is de balzaal, die de volledige hoogte van de twee verdiepingen beslaat.
De wand- en plafondschilderingen in deze zaal zijn het werk van Petrus Nicolaas (P.N.) van Reysschoot (1738-1795). Deze Gentse kunstenaar, die deel uitmaakte van een bekende schildersfamilie, decoreerde het plafond met taferelen die de goden op de Olympus voorstellen.
Samen met zijn broers en zussen werkte hij tot aan zijn dood in 1795 aan verschillende prestigieuze opdrachten in de stad.
De verfijnde afwerking van de zaal wordt gecompleteerd door de parketvloer in inlegwerk uit 1770 van de Parijse schrijnwerker François Felix.
Onder Jean-Baptiste groeide het paleis in het begin van de 19e eeuw uit tot een ontmoetingsplaats voor de Europese adel en wereldtop.
In juli 1805 namen de Franse minister van Buitenlandse Zaken, prins de Talleyrand-Périgord, en zijn echtgenote er hun intrek.
Enkele jaren later, in 1810, logeerden Napoleon en Marie-Louise van Oostenrijk in het hotel, evenals de koning en koningin van Westfalen.
Op 24 juni 1814 was het de beurt aan de Russische tsaar Alexander I en datzelfde jaar verbleef ook John Quincy Adams, de latere president van de Verenigde Staten, in het paleis.
In 1815, tijdens de turbulente Honderd Dagen, vond de Franse koning Lodewijk XVIII hier op 30 maart een veilig onderkomen, nadat hij door Napoleon was verjaagd.
Datzelfde jaar, op 5 september 1815, brachten ook de pas gekroonde koning der Nederlanden, Willem I, en zijn echtgenote Wilhelmina een bezoek tijdens hun Blijde Intrede in Gent.
In 1818 mocht het paleis bovendien prins Willem II der Nederlanden als gast verwelkomen.
Toen de mannelijke lijn van de familie d’Hane de Steenhuyse uitstierf, kwam het stadspaleis in handen van Valerie van Pottelsberghe de la Potterie.
Zij was de dochter van Marie-Thérèse d’Hane de Steenhuyse en de echtgenote van jhr. Edouard van Pottelsberghe de la Potterie.
Door dit erfgoed bleef het paleis nauw verbonden met de Gentse adel. Tot 1902 bleven de erfgenamen het gebouw bewonen, waarna de rijke geschiedenis als privéresidentie tot een einde kwam.
Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het pand een nieuwe bestemming als Museum der Honderd Dagen, maar dat bleek weinig succesvol.
Om de kosten te dekken, werden de ruimtes op de gelijkvloerse verdieping uiteindelijk verhuurd als winkels.
In 1981 kwam het pand in handen van Stad Gent, die het gebouw stelselmatig restaureerde en er jarenlang de dienst Monumentenzorg onderbracht.
De toekomst van dit erfgoed is echter onzeker geworden.
Op 2 december 2025 raakte bekend dat Gent maar liefst 48 gebouwen wil verkopen of in erfpacht wil geven.
Naast bekende monumenten zoals het poortgebouw van de Oude Vismijn en de Rabottorentjes staan ook de stadspaleizen Hotel d’Hane-Steenhuyse en Hotel Arnold Vander Haeghen op deze lijst.
De stad spreekt over het creëren van businesscases voor deze locaties, al blijft het onduidelijk wat dat precies zal inhouden.
Deze plannen roepen de nodige bezorgdheid op. Gezien de recente ontwikkelingen in de stad – zoals de horeca in het Gravensteen, de komst van luxe-appartementen in het Geeraard de Duivelsteen en de opening van een Delhaize-supermarkt binnen afzienbare tijd in de Sint-Annakerk – vragen velen zich af welke nieuwe invulling dit historische erfgoed zal krijgen.
Voorlopig blijft het gebouw wel nog toegankelijk voor het publiek. Je kunt het paleis elke vrijdag, zaterdag en zondag bezoeken tussen 14 en 18 uur.
Want buiten de religieuze rust en het wereldberoemde Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, kunt u er genieten van hedendaagse kunst.
Dit is te danken aan een bijzonder werk van de Gentse kunstenares Annie Gansbeke: een ode aan Pieter Paul Rubens.
Ik had de eer om deze kunstenares persoonlijk te leren kennen tijdens mijn bezoek, waarbij haar indrukwekkende traject en passie voor de kunst meteen duidelijk werden.
Haar aanwezigheid in de kathedraal is het resultaat van een bijzonder succes.
In 2022 schreef het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSKA) een wedstrijd uit met als thema de aanbidding van de koningen
Na enkele overpeinzingen besloot Annie deel te nemen. Uit een enorm deelnemersveld van maar liefst 2600 kunstenaars wist zij een eervolle 30ste plaats te verzilveren.
De beloning was evenredig aan de prestatie: haar werk werd in december 2022 geëxposeerd in het KMSKA.
Het creatieve proces achter dit winnende werk getuigt van haar technische diepgang.
Het boeide haar om de schets op te zetten in glacis en deze vervolgens nauwgezet uit te werken volgens de principes van de gulden snede.
Hoewel dit project buiten haar comfortzone lag, ging ze de uitdaging met volle overgave aan.
Ze behield het grootste respect voor het originele werk van Rubens, maar gaf er een geheel eigen, bewegende bewerking aan in haar karakteristieke kleuren.
Dit schilderij is nog tot en met 20 maart 2026 te bezichtigen in de kathedraal.
Annie Gansbeke is een artieste die het broze evenwicht tussen verleiding en gevoeligheid feilloos weet te bewaren.
Haar oeuvre kent duidelijke ontwikkelingslijnen, waarbij de natuur een centrale rol speelt.
Ze vervormt die natuur in vloeibare, warme kleurpaletten die haar werken een organisch karakter geven.
Hoewel ze vaak met verstilde nuances werkt, is kleur niet weg te denken uit haar ontdekkingswereld; met voornamelijk rode schakeringen geeft ze een sprankelende en jonge kracht aan haar composities.
Alles krijgt bij haar een eigen leven en graaft zijn eigen weg.
Haar veelzijdigheid uit zich in haar gedurfde materiaalgebruik.
Met verf, metaal, glas, textiel, potlood en inkt slaagt ze erin om in al die verschillende technieken een passie en harmonie aan te brengen.
Deze creaties wekken tegelijkertijd een gevoel van rust en onrust op, wat haar werk zo boeiend en intrigerend maakt.
Annies wijde horizonten kun je herleiden tot haar penseelvegen, met hier en daar een ruw accent of een teder streepje.
Het zijn precies deze accenten die zij zo mooi weet om te toveren: alles komt weer naar het centrum, naar zijn rustpunt.
Vandaag de dag blijft ze zeer actief en deelt ze haar passie graag met anderen.
In haar huidige woning in Heusden stelt ze haar huis regelmatig open voor het brede publiek. Zo ook op 2 en 3 mei 2026.
Daarnaast viel ze dit jaar op door haar aanwezigheid op diverse locaties.
Zo nam ze deel aan de tentoonstelling EXPORUIMTE CM14 in Vilvoorde.
Op uitnodiging van kunstenaar-decorateur en curator Filip Leemans stelde zij haar werken tentoon in de lobby en de voormalige bankkluis aan de Grote Markt 14.
Ook op de Tuindagen van Beervelde was haar werk dit jaar te bewonderen.
Het succes bij het KMSKA en haar huidige expositie in de Sint-Baafskathedraal tonen aan hoe haar werk de dialoog aangaat met de grote meesters, terwijl het toch een heel eigen, hedendaagse harmonie blijft uitstralen die de kijker uitnodigt tot introspectie.
De straat die we nu kennen als de Sint-Niklaasstraat droeg vroeger de toepasselijke naam Cromme Steghe, een verwijzing naar het destijds bochtige parcours.
Al in 1347 werd er geschreven over “in de Cromstege”, en later sprak men ook wel van Reinbouds steghe.
In de 19de eeuw had de steeg een bedenkelijke reputatie vanwege de prostitutie.
Een sprekend voorbeeld hiervan is de vondst op 16 oktober 1809 door een onderwijzer: in het portaal van nachtclub Le Roi d’Espagne lag een pasgeboren baby met een briefje dat ze gedoopt was.
Het meisje kreeg de naam Jeanne Ghislaine Cromstege.
Tegen het eind van de 19de eeuw veranderde het aanzicht van de straat grondig.
Tussen 1897 en 1899 werden hele huizenrijen gesloopt om de straat te verbreden en recht te trekken.
Na 1898 stond de straat bekend als de Posthoornstraat, waarschijnlijk vernoemd naar de 18de-eeuwse afspanning De Posthoorn.
Vanaf 1901 domineerde het Hotel du Téléphone de straat op de hoek met de Bennesteeg.
Dit gebouw was 70 meter lang en had een sierlijk torentje van 57 meter hoog, wat nodig was om de bovengrondse telefoonlijnen naar de buurt te leiden.
Vandaag de dag trekt vooral het Metselaarshuis op de hoek met de Cataloniëstraat de aandacht.
De trapgevel is versierd met Moreske dansers, ontworpen door wijlen Walter de Buck.
Hoewel het de bedoeling was dat deze beelden in de wind zouden bewegen, zijn ze vanwege hun gewicht uiteindelijk vast verankerd.
Het incident dat in december 1970 de Gentse Rijksmiddelbarenormaalschool op stelten zette, staat in de geschiedenisboeken bekend als de kus van Erna.
Het verhaal draait om de bijna twintigjarige studente Erna Van de Velde.
Wanneer zij bij de schoolpoort afscheid neemt van haar verloofde, die op dat moment zijn legerdienst vervult in Duitsland, worden ze opgemerkt door de directeur, de heer De Vogelaere.
De directeur vindt dit gedrag ongepast en bestraft Erna met een schorsing van een week.
Hij vreest dat dergelijke uitingen van genegenheid zouden kunnen leiden tot wanorde bij de schoolpoort.
Deze beslissing valt volledig verkeerd bij de medestudenten van Erna.
De tweehonderd toekomstige regenten van de school aan de Ledeganckstraat besluiten direct in staking te gaan.
Zij voelen zich door de directeur behandeld als kleine kinderen, terwijl velen van hen al bijna volwassen zijn, sommigen zelfs getrouwd zijn of een eigen huishouden runnen.
De staking duurt een volle week.
De studenten weigeren de lessen te volgen, maar blijven wel op school om te schaken, te breien of gezelschapsspelletjes te spelen.
Hun grieven gaan dieper dan alleen de straf voor Erna; ze eisen meer inspraak en verzetten zich tegen wat ze noemen het dictatoriale optreden van de directeur en verouderde schoolreglementen.
Tijdens de woelige week slaat het noodlot toe voor directeur De Vogelaere: hij valt uit bed, breekt een dijbeen en moet met hoge koorts in bed blijven.
In zijn afwezigheid wordt de leiding overgenomen door een voorlopig directiecomité.
De staking eindigt uiteindelijk in een overwinning voor de studenten, waarbij de opgelegde straf en de strikte regels ter discussie komen te staan.
De naam verwijst ook naar de verdwenen Predikherenkerk die hier aan de overkant van de Leie, bij de Predikherenbrug, stond.
Deze 13de-eeuwse kerk, ook wel bekend als de kerk van de Jacobijnen en palend aan het vroegere Dominicanenklooster Het Pand, werd in 1860 afgebroken.
Op architecturaal vlak springt vooral het neogotische hoekpand aan de Sint-Michielshelling in het oog.
Dit zandstenen gebouw vormt een visuele brug tussen het koor van de Sint-Michielskerk en het eclectische postgebouw aan de overkant.
Iets verderop, op de hoek met de Nodenayesteeg, vind je op nummer Het Groen Kruis.
Dit was ooit de woning van Michael Mast, telg uit een familie die al sinds de 14de eeuw aanzien genoot in Gent.
Hoewel het pand in 1977 werd beschermd, was het in 1980 bijna slooprijp.
Gelukkig volgde in 1988 een vakkundige restauratie.
Vandaag staat de lei aan de vooravond van een grote metamorfose. Omdat de kaaimuren instabiel zijn en de balustrade aan vervanging toe is, wordt de hele omgeving heraangelegd.
Deze werken moeten eind 2026 klaar zijn.
Het asfalt maakt plaats voor natuursteen en de kaaimuren worden, net als aan de Graslei, deels verlaagd om het contact met het water te herstellen.
Er komt een steiger voor kano’s en kajaks, en met extra zitbanken, geveltuinen en bijna 70 fietsstalplaatsen wordt de Predikherenlei een groene en aangename verblijfsplek.
Tegen het einde van de 10de eeuw groeide Gent zo snel dat de oude handelsnederzetting letterlijk uit haar eerste omwalling barstte.
De economische bloei en bevolkingsexplosie dwongen de stad om westwaarts te kijken, tot over de Leie.
Deze expansiedrift tekent tot op vandaag de kaart van Gent: nieuwe wijken vroegen om nieuwe parochies – denk aan Sint-Jacob, Sint-Niklaas en later Sint-Michiel – en om een nieuwe verdediging.
De grillige vorm van de binnenstad is een stille getuige van de grachtengordel die rond 1100 werd aangelegd.
Waar mogelijk werden de Leie en de Schelde ingeschakeld als natuurlijke barrière, aangevuld met gegraven grachten om de nieuwe wijken te omsluiten.
In de eeuwen die volgden, bleef de stad vervellen. Na het verwerven van stadsrechten in de 12de eeuw volgden nieuwe omwallingen in de 13de en 16de eeuw, en werden de versterkingen tot in de 18de eeuw voortdurend aangepast.
Pas in de 19de eeuw, toen Gent uitgroeide tot een industriële grootstad en de octrooirechten verdwenen, durfde de bevolking zich weer buiten de poorten te vestigen, wat leidde tot de typische 19de-eeuwse gordel.
Het kloppend hart van die eerste grote stadsuitbreiding – de zogenaamde ‘tweede middeleeuwse stad’ – is de Korenmarkt.
Dit plein is een rechtstreeks gevolg van de 10de-eeuwse groei: gronden werden verkaveld en de handel floreerde.
In 1208 duikt de naam voor het eerst op als forum segetum, oftewel graanmarkt.
Vanaf de 14de eeuw werd hier elke vrijdag het koren verhandeld, wat ook de oude naam ‘Koornaard’ verklaart.
Vandaag is de Korenmarkt een architecturale tijdreis. Je wordt er omringd door gevels die variëren van de 13de tot de 20ste eeuw, met als absolute blikvangers de westgevel van de Sint-Niklaaskerk en de monumentale toren van het Postgebouw ertegenover.
Hij zag het levenslicht in Wetteren als oudste zoon in een groot gezin van negen kinderen.
Dat hij een grafische richting uitging, was misschien geen toeval: zijn vader Leo Joseph was immers drukker-uitgever.
Zijn artistieke fundamenten werden gelegd aan de academie van zijn geboortedorp Wetteren, waar hij tot 1924 les volgde bij Prosper Böss.
Gisteren nog vandaag
Nadien trok hij naar de Academie van Gent om zijn talent verder te polijsten onder leiding van meesters als Jan Frans De Boever en Oscar Coddron.
Met succes, want in 1933 studeerde hij er af als laureaat.
Later zou hij zijn kennis zelf doorgeven als docent aan de School of Arts van Hogeschool in Gent.
In zijn privéleven trad hij in de zomer van 1935 in het huwelijk met Bertha Maria De Block, met wie hij een dochter kreeg, Huguette.
Verbaere was een uiterst productief kunstenaar die duizenden aquarellen op zijn naam heeft staan.
Zijn inspiratie vond hij vooral buiten: hij schilderde talloze landschappen en pittoreske dorpjes langs de Schelde, aan de kust, in Zeeland en in de Kempen.
Hij stond bekend om zijn opmerkelijke penseelvaardigheid, zijn sterke gevoel voor compositie en stond bekend om zijn meesterlijk kleurgebruik.
Maar zijn faam reikte verder dan het schildersezel.
Gisteren nog vandaag
Verbaere genoot internationale erkenning dankzij zijn illustraties en affiches voor diverse wereldtentoonstellingen.
Een absoluut hoogtepunt was de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs, waar zijn affiches met Vlaamse landschappen bekroond werden.
Ook in eigen land was zijn werk alomtegenwoordig in het straatbeeld.
Vanaf 1948 werkte hij belangeloos mee aan een aantal projecten van de Provincie Oost-Vlaanderen en de Federatie voor Toerisme in Oost-Vlaanderen. Zijn talloze illustraties voor De spiegel van Oost-Vlaanderen getuigen van zijn liefde voor de stad Gent en zijn provincie.
Tussen 1935 en 1967 ontwierp hij talrijke affiches voor de NMBS en hij werkte ook voor de privésector, waaronder voor het bedrijf De Vreese-Van Loo uit Lokeren.
Daarnaast is zijn werk bekend bij verzamelaars, dankzij de reeks postzegels die hij tussen 1962 en 1970 ontwierp.
Herman Verbaere overleed op 26 augustus 1993 en liet een indrukwekkend en gevarieerd oeuvre na.