Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Toen de Gentenaars in 1452 ten strijde trokken tegen hertog Filips de Goede, zetten ze volgens de legende een indrukwekkend kanon in bij het beleg van Oudenaarde.
De Gentenaars verloren de strijd echter, waardoor het monster van Gent als zegeteken in Oudenaarde achterbleef.
Pas op 25 februari 1578 wist kapitein Rockelfing het wapen te heroveren.
Op 8 maart van dat jaar kwam de Dulle Griete, ook wel de Rode Duivel genoemd, aan bij het Cuupgat bij de Minderbroeders.
Hoewel er vermoedelijk plannen waren om het kanon te slopen, besloten de Gentse schepenen anders.
Op 15 april werd het per boot naar het einde van de Langemunte gebracht om op rollen te worden geplaatst bij Wannekens aard, een plek die vernoemd was naar de nabijgelegen brouwerij Wannekin.
Vanaf 1812 kreeg deze locatie de officiële naam Bij ’t Groot Kanon.
De afwezigheid van dergelijke zware wapens in de stad had een historische reden.
Na de Gentse Opstand tussen 1537 en 1540 voerde keizer Karel V een strikt verbod op vuurwapens in en liet hij de stadswallen slopen om toekomstige rebellie te voorkomen.
Tijdens het calvinistische bewind aan het eind van de zestiende eeuw werd dit gebrek aan defensie pijnlijk duidelijk, wat de herovering van het kanon extra betekenis gaf.
De naam Dulle Griet kent verschillende verklaringen.
Een bekende theorie verwijst naar gravin Margaretha van Constantinopel, die vanwege haar felle karakter door het volk de booze of dulle Griet werd genoemd.
Een andere verklaring legt de link met het schilderij van Pieter Bruegel de Oude, waarop een toornige vrouw te zien is die zo dapper is dat zij zelfs voor de poorten van de hel durft te roven.
Zij personifieert daarmee kwaad, oorlog en vernieling. In de loop der tijd veranderde de symboliek echter van een teken van verwoesting naar een icoon van vergane glorie en nationale trots.
Margaretha van Constantinopel, vaak aangeduid als Zwarte of Dulle Griet, leidde een roerig bewind dat werd gekenmerkt door de bittere strijd tussen haar kinderen uit twee huwelijken.
Uit haar eerste verbintenis met Bouchard van Avesnes kwamen Jan en Boudewijn voort, terwijl haar tweede huwelijk met Willem van Dampierre de zonen Willem en Gwijde voortbracht.
Deze familievete leidde uiteindelijk tot de splitsing van Vlaanderen en Henegouwen, waarbij de nazaten van Avesnes Henegouwen behielden en de Dampierres Vlaanderen kregen.
Hoewel Willem van Dampierre vanaf het Verdrag van Parijs in 1246 de titel van graaf droeg, bleef hij tot zijn dood in 1251 onder het gezag van zijn moeder.
Margaretha bleef immers tot aan haar eigen overlijden in 1279 de feitelijke heerser over het verenigde rijk.
Pas na haar troonsafstand werd haar zoon Gwijde van Dampierre de onbetwiste alleenheerser over Vlaanderen.
Op enkele schouwen en ventilatieschachten na verraadt niets de aanwezigheid van dit ondergrondse complex, waarvan de ingang verborgen zit in een onopvallend chalet van de groendienst.
De naam van het park verwijst naar de citadel die hier begin negentiende eeuw onder het toenmalige Nederlandse bewind werd opgetrokken.
Dit fort diende als onderdeel van de grensverdediging van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden.
De locatie was niet toevallig gekozen: het verheven terrein ten zuiden van Gent, ingeklemd tussen de Schelde en de Leie, bood een uitstekend en vrij zicht op de wijde omgeving.
Na de Belgische onafhankelijkheid in 1830 verloor het fort zijn strategische functie en deed het nog een tijdlang dienst als kazerne, tot het tegen 1913 vrijwel volledig werd gesloopt.
Enkel een poortgebouw en enkele kazematten bleven bewaard.
In de aanloop naar de Tweede Wereldoorlog, in 1938, kregen alle Belgische provinciehoofdsteden de opdracht om een ondergrondse commandopost in te richten.
Gent koos voor de voormalige citadelterreinen en integreerde een van de oude, overgebleven kazematten in het nieuwe bouwwerk.
De werkzaamheden startten in 1939 en het robuuste complex, uitgerust met betonnen muren van 1,30 meter dik en een plafond van maar liefst 3 meter dik, werd een jaar later al in gebruik genomen.
De hoofdingang werd extra beveiligd door een volledig sas-systeem dat uit drie opeenvolgende deuren bestaat.
De eerste is een loodzware, gepantserde deur die opgebouwd is uit twee delen, vergelijkbaar met een paardendeur.
Dit ingenieuze ontwerp hield rekening met mogelijke bombardementen: mocht er na een inslag puin de onderste helft van de deur blokkeren, dan kon het bovenste deel nog steeds geopend worden.
Vanwege het gigantische gewicht was het onmogelijk om deze deur in haar geheel in de structuur te plaatsen.
Daarom werden de buitenplaten, die voor eventuele aanvallers bereikbaar waren, onlosmakelijk bevestigd met klinknagels.
Aan de binnenzijde werden de platen en tussenprofielen met bouten dwars door de structuur heen gemonteerd.
Hierdoor kon men de deur in kleinere, handzamere stukken naar binnen brengen en ter plekke in de bunker monteren.
Als men de moeren aan de binnenzijde losmaakte, kon de deur weliswaar gedemonteerd worden, maar voor een aanvaller aan de buitenkant bleef het een volledig gesloten, ondoordringbaar oppervlak vol klinknagels dat onmogelijk met een moersleutel te forceren was.
Omdat deze eerste zware deur niet gasdicht was, werd de toegang verder afgesloten door een dubbel beveiligd toegangssas, bestaande uit twee zwaar gepantserde deuren die elk voorzien waren van een zespuntsslot.
Bij het sluiten verankerden deze deuren zich met één haak naar boven, één naar beneden en twee aan elke zijkant.
De zijhaken grepen bovendien direct vast in de scharnieren, waardoor de deur zelfs zonder de overige vier haken muurvast geklemd zat.
Dergelijke deursystemen zijn tegenwoordig uiterst zeldzaam. Internationale experts reizen dan ook speciaal af om ze te bestuderen, aangezien ze nagenoeg uniek zijn, zeker in zo’n intacte staat.
Toen de Duitse troepen in mei 1940 België binnenvielen, namen ze de gloednieuwe commandopost al snel in beslag.
Hun eerste grote ingreep bestond uit het aanleggen van sanitair, een belangrijk detail dat de Belgen bij de bouw domweg vergeten waren.
Aan het einde van de oorlog, in augustus 1944, staken de vluchtende Duitsers de bunker in brand.
Pas drie jaar later werd de commandopost grondig gerenoveerd en in gebruik genomen door de Civiele Bescherming.
In diezelfde periode werd het complex uitgebreid en ondergronds verbonden met een andere oude kazemat van de historische citadel.
Met het einde van de Koude Oorlog verloor de bunker definitief zijn nut.
De Civiele Bescherming ontruimde het bouwwerk in 1993 en droeg het over aan de Stad Gent.
Sindsdien is het erg stil geworden rond de commandopost.
In 2001 kreeg de bunker nog even een tijdelijke invulling als tentoonstellingsruimte voor het SMAK, en in 2011 konden bezoekers tijdens Open Monumentendag een allerlaatste keer een kijkje nemen.
Vandaag de dag gebruikt de groendienst nog steeds het chalet bovengronds, maar diep onder de aarde blijft de bunker gehuld in stilte (Wikipedia, Alexander Dumarey, bunkergordel en diverse andere bronnen)
Tussen 7 en 10 juni 1951 sloegen de oud-leerlingenbonden van de vijf toenmalige Gentse onderwijsgestichten van de Broeders van de Christelijke Scholen de handen in elkaar om luisterrijke feesten op touw te zetten.
Het ging hierbij om de bekende instituten Sint-Amandus, Sint-Lucas, de Kunstdrukschool, het Instituut de La Salle in de Holstraat en Sint-Jan-Baptist in de Reinaertstraat.
Deze indrukwekkende viering was een eerbetoon aan een bijzondere man die een stempel heeft gedrukt op ons onderwijssysteem.
De la Salle was afkomstig uit een welgestelde juristenfamilie, maar hij koos bewust een spiritueel pad. In 1667 werd hij benoemd tot kanunnik aan de kathedraal van Reims, waarna hij vanaf 1670 theologie ging studeren in Parijs.
Na zijn priesterwijding in 1678 en de succesvolle oprichting van een eerste armenschool in 1679, promoveerde hij in 1680 tot doctor in de theologie.
Zijn roeping voor het onderwijs was zo sterk dat hij in 1683 zijn prestigieuze kanunnikspost definitief opgaf.
Een jaar later, in 1684, stichtte hij de congregatie van de Broeders van de Christelijke Scholen, een orde die zich volledig zou toeleggen op het onderwijs aan de armen.
De officiële benaming van deze geestelijke orde luidt Fratres Scholarum Christianorum, wat vaak wordt afgekort tot FSC.
Als leraar en pedagogisch vernieuwer zette de la Salle zich zijn hele leven met hart en ziel in voor de geestelijke en intellectuele ontwikkeling van de armen.
Een van zijn meest ingrijpende vernieuwingen was de beslissing om het Latijn als voertaal in het onderwijs af te schaffen en te vervangen door het Frans.
Hierdoor werd kennis plotseling toegankelijk voor gewone kinderen uit de lagere sociale klassen.
Bovendien zijn er nog enkele interessante feiten over zijn leven en werk die zijn grote invloed aantonen.
Zo was de la Salle de pionier van het klassikaal lesgeven; voor zijn tijd kregen leerlingen uitsluitend individueel onderricht, wat veel tijd en middelen kostte.
Door leerlingen van hetzelfde niveau samen in een klas te plaatsen, kon het onderwijs veel efficiënter worden georganiseerd.
Ook richtte hij de allereerste kweekscholen op om onderwijzers professioneel op te leiden, wat hem feitelijk de grondlegger van de moderne pedagogiek maakt.
Vanwege zijn immense bijdrage aan het onderwijs werd hij in 1900 heiligverklaard door paus Leo XIII.
Vijftig jaar later, in 1950 en vlak voor de grote Gentse herdenkingsfeesten, werd hij door paus Pius XII zelfs uitgeroepen tot de universele patroonheilige van alle leerkrachten en opvoeders (foto’s met dank aan Erik Dekeyser)
Een heteluchtballon vloog op 9 juni 1996 rond 21.30 uur ongewoon laag boven het centrum en kwam uiteindelijk hardhandig tot stilstand tegen de torenspits van de Sint-Jacobskerk.
Terwijl de buurt rond de kerk direct uitliep voor dit bizarre schouwspel, hingen de drie inzittenden in grote onzekerheid hoog boven de grond.
De reddingsoperatie die volgde, zou de geschiedenis ingaan als een van de meest memorabele interventies van de lokale brandweer.
Onder de toegestroomde hulpverleners bevond zich de toen 25-jarige Yves Pieters, die pas enkele maanden in dienst was.
Hij herinnert zich het incident als het absolute hoogtepunt in zijn carrière.
De uitdaging voor het team was enorm: de standaardladderwagen was met een lengte van dertig meter simpelweg te kort om de mand te bereiken.
Er moest dus een creatieve oplossing komen om de passagiers veilig naar beneden te krijgen.
Uiteindelijk besloot de brandweer de toren van binnenuit te benaderen.
Door een gat in de constructie te maken, slaagden de spuitgasten erin om de drie inzittenden één voor één in veiligheid te brengen.
Hoewel de redding een groot succes was en iedereen er als door een wonder zonder kleerscheuren vanaf kwam, bleven de sporen van het ongeval nog jaren zichtbaar.
De torenspits raakte tijdens de botsing en de daaropvolgende reddingsactie zo zwaar beschadigd dat het karakteristieke kruis voor de veiligheid direct verwijderd moest worden.
Het zou nog jaren duren voordat de skyline van Gent op dit punt hersteld werd en er een nieuw exemplaar in de plaats kwam.
In de volksmond wordt nog steeds gefluisterd dat een van de passagiers die avond een aanzoek wilde doen, een romantisch plan dat door de botsing met de kerk een wel heel onverwachte wending kreeg.
Will Ferdy werd in 1927 in Gent geboren als Werner Ferdinande en besloot in 1948, op eenentwintigjarige leeftijd, om van zingen zijn beroep te maken.
Drie jaar later, in 1951, scoorde hij zijn allereerste hit met het nummer Ziede Gij me Gere.
Ferdy kende veel succes als Vlaamse zanger en leunde in zijn repertoire graag aan bij het Franse chanson.
Deze voorliefde leverde hem zelfs een gouden plaat op voor een album met covers van Jacques Brel.
Daarnaast had hij groot succes met ‘Het Schrijverke’, gebaseerd op het bekende gedicht van Guido Gezelle, en met de liefdesballade ‘Christine’.
Dit laatste nummer groeide uit tot zijn lijflied.
Hoewel de tekst aan een vrouw met de naam Christine gericht was, ging het in werkelijkheid over Raf, een waargebeurde en verloren liefde van de zanger.
Enkele jaren geleden vertelde hij daarover in het radioprogramma De Madammen.
Hij gaf toe dat de naam hem nog steeds pijn deed, aangezien Raf zijn grote liefde was.
Na hun breuk ontmoetten ze elkaar nog twee keer.
Tijdens een van die bezoeken dacht Ferdy dat alles weer goed zou komen, tot er plots op de deur werd geklopt.
Er kwam een andere man binnen die door Raf werd voorgesteld als zijn nieuwe vriend, wat voor de zanger een uiterst pijnlijk moment was.
Raf overleed later aan kanker, een feit dat Ferdy pas twee jaar na diens dood per toeval te horen kreeg.
In december 1970 sprak Ferdy voor het eerst publiekelijk over zijn homoseksuele geaardheid.
In een later interview omschreef hij dit als een zeer emotioneel moment waarbij hij, samen met zijn moeder, met het zweet in de handen naar de uitzending zat te kijken.
Zijn vader was op dat moment al overleden. Hoewel die wist dat zijn zoon homo was, had hij daar nooit een verwijtend woord over gesproken.
Ook zijn moeder was al lang op de hoogte.
Toch had zijn coming-out grote gevolgen voor zijn carrière. In Het Nieuwsblad vertelde Ferdy dat hij het in het begin erg moeilijk had, voornamelijk door de hypocrisie.
Dit merkte hij ook bij de VRT, de toenmalige BRT. Terwijl hij voorheen regelmatig optrad in jeugduitzendingen, liet diezelfde dienst hem plotseling weten dat ze hem voorlopig niet meer konden vragen.
Wat betreft de reactie van de kerk, gaf hij toe dat hij overwegend positieve ervaringen had, op één priester in Maldegem na die vanaf de preekstoel tegen hem predikte.
Ferdy bleef zingen tijdens missen en priesterwijdingen, en trad zelfs op aan de zijde van kardinaal Danneels.
Van zijn beslissing om uit de kast te komen heeft hij bovendien nooit spijt gehad.
Hij was blij dat hij de stap had gezet en verklaarde in een interview dat hij het onmiddellijk opnieuw zou doen.
Zijn rijke muzikale loopbaan werd in 2001 bekroond met een plaats in de Eregalerij voor een leven vol muziek.
Will Ferdy bleef tot op hoge leeftijd actief toeren met zijn liedjes, maar besloot om eind juni 2014 definitief een punt achter zijn carrière als zanger te zetten, omdat hij in schoonheid wilde eindigen.
Op Radio 2 vertelde hij later dat hij het optreden tot zijn eigen grote verwondering helemaal niet miste.
Waar hij vroeger verslingerd was aan het publiek en de sfeer in de zalen, deed het hem nadien niets meer.
Wanneer hij collega’s aan het werk zag, stelde hij enkel tevreden vast dat hij dat allemaal ook had gedaan.
Will Ferdy, die al enige tijd aan hartproblemen leed, overleed uiteindelijk op 8 november 2022 op 95-jarige leeftijd.
Hij stierf in familiale kring in zijn serviceflat in Antwerpen.
Het gebouw op de hoek van de Veldstraat en de Sint-Michielshelling in Gent, waar tegenwoordig de McDonald’s is gevestigd, kent een rijke geschiedenis als Hotel Wilson.
Dit pand is opgetrokken in een rijke neobarokstijl als onderdeel van de grote stadsvernieuwingswerken voor de Wereldtentoonstelling van 1913.
De bouw volgde op de realisatie van de Sint-Michielsbrug in de periode 1905-1909 en de oprichting van het postgebouw.
Op deze oude postkaart van 1936 zien we in de verte Hotel Wilson, waar vandaag de McDonald’s is gelegen.
De naam van het hotel is nog duidelijk zichtbaar op de gevel en was een eerbetoon aan de Amerikaanse president Woodrow Wilson.
Op het gelijkvloers bevond zich het restaurant van het hotel zelf, met op de luifel reclame voor Bière Gruber.
Dit was een biermerk van de Franse brouwerij Brasserie Gruber, die in 1855 werd opgericht door David Gruber in Straatsburg (Koenigshoffen).
Hoewel de brouwerij in de Elzas lag, verwierf ze internationale faam en verspreidde het merk zich over heel Europa, mede door de innovatieve koeltechnieken van de brouwer die het mogelijk maakten om bier het hele jaar door te bewaren en te vervoeren.
Het merk was destijds een teken van kwaliteit en internationale allure, wat paste bij de neobarokke uitstraling van het hotelcomplex.
De brouwerij zelf fuseerde uiteindelijk in 1959 met Brasserie du Pêcheur (Fischer) en de productie onder de oorspronkelijke naam Gruber stopte definitief in 1965.
Het hotel vormde één architecturaal geheel met het naastgelegen Cinema Palace, de bioscoop die tegenwoordig bekendstaat als de Sphinx.
Samen vormden zij een levendig centrum voor ontspanning en horeca op dit prominente punt in de stad.
Hoewel de hotelkamers inmiddels plaats hebben gemaakt voor het fastfoodrestaurant, herinnert de beschermde gevel met de karakteristieke topgevel nog altijd aan de grandeur van dit historische hotel.
Omdat onderwijs destijds hoofdzakelijk een privéaangelegenheid was, betaalden ouders het schoolgeld zelf.
In deze tijdsgeest richtte wiskundeleraar Henri Rachez op 1 augustus 1852 in Brussel een privéschool op om leerlingen voor te bereiden op de Militaire School en de examens voor burgerlijk ingenieur.
Op 1 oktober 1899 breidde dit initiatief uit naar Gent met de opening van een dochterschool in het herenhuis De Cock aan de Nederkouter.
Onder de naam Institut Rachez de Gand bood de school onderdak aan bijna alle leerlingen van de Ecole Molitor, die door stadsverfraaiingen in het centrum moest sluiten.
In 1901 werd de Gentse vestiging volledig onafhankelijk. De focus verschoof in de jaren daarna geleidelijk: in 1905 kwam er meer aandacht voor wetenschappen naast wiskunde, en in 1909 kreeg de school de naam Institut de Gand, waarbij ook moderne talen een prominentere plek in het curriculum kregen.
Een belangrijke administratieve stap volgde op 1 september 1928, toen de lagere school officieel werd erkend en gesubsidieerd.
De zes laagste jaren functioneerden als transmutatieklassen waar Franstalige kinderen intensief Nederlands leerden, terwijl de voertaal in het zevende en achtste leerjaar volledig Nederlands was.
De secundaire afdeling was op dat moment nog niet erkend en hanteerde een verdeling van 65 procent Frans en 35 procent Nederlands.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef de school in 1942 haar eerste meisje in, waarmee het de eerste gemengde school van Gent werd.
Dankzij het Schoolpact van mei 1959 kreeg de school via werkingskredieten en wedde-toelagen ruimere financiële middelen.
Dit maakte de weg vrij voor de officiële erkenning van de secundaire afdeling.
Het onderwijs schakelde volledig over op het Nederlands en de naam veranderde definitief in Instituut van Gent.
In 1970 kon de school voor het eerst gehomologeerde getuigschriften uitreiken aan haar leerlingen.
Ondanks de vernederlandsing bleef meertaligheid een essentieel onderdeel van het pedagogisch project.
Zo kregen leerlingen in het eerste jaar van de middenschool drie uur Engels per week, en werd het lessenpakket buiten de wettelijke kaders uitgebreid met extra lessen Frans en Spaans.
Sinds 2012 vaart de school een nieuwe koers onder de naam IVG-School, waarbij de letters staan voor de kernwaarden Inspirerend, Vrijdenkend en Geëngageerd.
Lena Miry, de artiestennaam van Rachel Demuynck, was een virtuoze amazone die een unieke plek innam in de wereld van de klassieke rijkunst en het circus.
Geboren in Gent op 8 januari 1922 als telg uit de gerespecteerde circusfamilie Demuynck, groeide zij op in de wereld van Gustaaf Demuynck en Louise Muyllaert.
Hoewel zij haar basis vond in het familiecircus, koos zij rond haar eenentwintigste voor een eigen pad om zich volledig te wijden aan de verfijning van de paardendressuur.
In haar praktijk als hogeschoolrijdster legde zij zich toe op de meest complexe vormen van de academische rijkunst, die teruggaan naar de tradities uit de zestiende en zeventiende eeuw.
Zij stond bekend om haar vermogen om paarden naar de hoogste graad van verzameling te begeleiden.
Deze technische term verzameling is cruciaal binnen de dressuur en beschrijft de toestand waarin een paard zijn zwaartepunt naar achteren verplaatst door de gewrichten van de achterhand meer te buigen.
Hierdoor wordt de voorzijde lichter en kan het paard met meer kracht, souplesse en kortere passen bewegen.
Dankzij deze beheersing konden technische figuren zoals de piaffe, passage en pirouettes worden uitgevoerd met een opmerkelijke lichtheid en onzichtbare hulpen.
Haar repertoire omvatte eveneens de sprongen boven de grond, zoals de levade en de croupade, waarbij de nadruk altijd lag op de natuurlijke balans en de trotse zelfhouding van het paard.
Zonder deze specifieke verzameling en verhoogde draagkracht zouden de kunststukken die zij uitvoerde fysiek onmogelijk zijn geweest voor het paard.
Zij werd geprezen om haar vermogen om de spectaculaire elementen van de circuswereld te verenigen met de strikte discipline van de klassieke rijscholen. In een tijd van toenemende verzakelijking in de paardensport bleef zij een belangrijke vertegenwoordiger van de artistieke en esthetische kant van het rijden.
Naast haar eigen uitvoeringen deelde zij haar expertise als instructrice, waarbij zij de nadruk legde op de biomechanica en de psychologie van het paard, altijd vertrekkend vanuit geduld en wederzijds respect.
Rachel Demuynck overleed in Gent op 25 november 2015 op 93-jarige leeftijd.
Haar nalatenschap blijft van waarde voor de Belgische circushistorie en de klassieke rijkunst, waarin zij herinnerd wordt als een voorbeeld van hoe technische perfectie en artistieke flair hand in hand kunnen gaan.
Haar werk heeft een blijvende indruk achtergelaten in de hippische wereld, een term die de brede gemeenschap van paardensport, fokkerij en paardenliefhebbers omvat.
Pieter François Heckers, ook wel Piet of Pier genoemd, was een bekende Gentse beeldhouwer die in 1891 in zijn geboortestad het levenslicht zag en er in 1965 overleed.
Van jongs af aan, toen hij nog de lagere school doorliep, voelde hij in zich de onweerstaanbare roeping om uit de materie de vormen te scheppen die zijn ideeën en zijn emoties zouden vertolken.
De schooljaren waren nog niet voorbij of hij werd steenkapper.
Hij deed dat niet zomaar om stenen te houwen, maar om de materie te leren kennen en zich de geheimen van de bewerking ervan eigen te maken.
Na twee harde jaren ging de jongen in de leer bij Theofiel Soudeyns, die op dat moment belast was met de restauratie van de Minardschouwburg.
Hierdoor kwam de jonge artiest direct in de praktijk terecht.
Op zeventienjarige leeftijd slaagde hij erin de leerling te worden in het gerenommeerde atelier van de Gentse kunstenaars Louis-Pierre en Jules-Pierre Van Biesbroeck.
Voor hen koesterde hij steeds een grote bewondering en onder hun invloed leerde hij de kneepjes van het beeldhouwersvak verder verfijnen.
In het atelier van de bakkerij Vooruit werkte hij vanaf dat moment aan de zijde van Jules Van Biesbroeck aan het Monument voor François Laurent, dat toen te zien was aan de fontein van de wereldtentoonstelling van 1913 (vandaag staat het op het François Laurentplein in het historische hart van Gent), en aan talloze andere stukken die evenzovele fasen van vooruitgang vormden in die unieke leerschool.
Ondertussen bekwaamde Heckers zich verder aan de Stedelijke Academie van Gent.
Het is opmerkelijk dat hij daar in eerste instantie ook muziek en architectuur studeerde, en zich tevens toelegde op het schilderen onder leiding van meester Jean Delvin.
Hij combineerde zijn artistieke carrière met een baan als tekenleraar, een stap die hij in 1917 zette.
Tijdens zijn leven woonde hij op verschillende plekken in Gent, waaronder aan de Plezante Vest en later in de Ekkergemstraat.
Hoewel het onderwijs een groot deel van zijn tijd opslokt, bleef hij toch dapper doorwerken in zijn kunstenaarsatelier.
Daar wist hij zich gaandeweg los te maken van de invloed van zijn leermeesters om een geheel eigen, fijnere en meer sobere persoonlijkheid in zijn kunst te leggen.
Deze jarenlange inzet werd in 1925 bekroond toen hij de prestigieuze Prijs Paul De Vigne in de wacht sleepte.
Heckers richtte zich in zijn oeuvre voornamelijk op het boetseren en kappen van figuren, bustes en torso’s.
Een mooi en bewaard gebleven werk van hem bevindt zich in het Museum voor Schone Kunsten in Gent, waar een marmeren borstbeeld van Lucienne Schelstraete uit 1934 in de collectie zit.
Daarnaast leverde hij een belangrijke bijdrage aan het oorlogsgedenkteken op de Blaisantvest, een monument dat de slachtoffers uit die wijk eert.
De sculpturen die Heckers hiervoor ontwierp, werden destijds gegoten door de befaamde Gentse bronsgieter Lentacker.
Zijn werk werd getypeerd als een lofzang op de schoonheid en de arbeid.
De vele sirenen, bacchanten, saters en flora’s van zijn hand waren nooit louter decoratieve figuren, maar brokken waarin het levensgeheim trilt en die bezield zijn.
Hij besefte vanaf het begin dat materiële gelijkenis waardeloos is als de ziel niet spreekt door de schoonheid of de tragiek van de modellering.
Naast deze mythologische figuren wekte hij ook veel andere karakters tot leven, zoals blijkt uit afbeeldingen uit die tijd waarop een smid, een glasblazer, een mijnwerker, een steenkapper, een jong meisje, en beelden genaamd Jantje, Annie en een werk met de titel Stilte te zien zijn.
Heckers was tevens zeer actief voor de socialistische arbeidersbeweging in de stad en stelde zijn kunst vaak ten dienste van de arbeidersklasse.
Als diepvoelend mens ontging het lot van de ongelukkigen en onterfden ook niet aan zijn oog, en hij wist fabrieksslaven in ontroerende, gestileerde vormen weer te geven.
Voor verschillende stoeten ontwierp hij praalwagens, waaronder wagens met imposante allegorische vrouwenfiguren die bijvoorbeeld de sociale zekerheid uitbeeldden.
Het jaar 1931 was voor hem een periode van uitzonderlijk hard labeur, toen de maatschappij Vooruit hem de taak toevertrouwde om aan hun onvergetelijke jubileumstoet mee te werken.
In een koortsig tempo van amper een half jaar sculpteerde hij toen maar liefst 39 grote figuren, waaronder een opvallend fragment van een praalwagen dat later nog vaak in beeld werd gebracht.
Zijn beelden over de coöperatie werden door Waalse arbeiders zelfs naar Jolimont overgebracht om daar als monument ter ere van hun heldenkamp te prijken.
Toen op de eerste mei 1936 de schoonheid, de jeugd, de kracht en de arbeid werden verheerlijkt, vond men in de pers geen beter illustratiemateriaal voor deze gedachte dan dat van Heckers, de artiest die zijn leven had gewijd aan de lofzang op precies die elementen.
Daarom werd met dat doel een interview met hem afgenomen.
Dat was beslist niet gemakkelijk geweest, want de kunstcriticus die ongeveer tien jaar eerder schreef dat wie wilde vernemen wat P. Heckers betekende hem in zijn atelier moest gaan opzoeken, had op dat moment nog altijd gelijk.
Pier hield zich immers altijd op de achtergrond en was over zichzelf niet te spreken.
Zijn werk, dat getuigde van ernst en doorgedreven studie, deed dat des te meer. Alvorens het succes te boeken dat hem in die dagen van gerijpt talent en wijdontplooide kunstzin ten deel was gevallen, had hij een hele weg afgelegd.
Hij stond in 1936 in de volle bloei van het leven en wist toen ook heel goed dat zijn kunstenaarsloopbaan verre van voltrokken was en de strijd met het ideaal nog lang niet was uitgevochten.
De blijvende verbondenheid van deze bescheiden kunstenaar met de stad Gent blijkt ten slotte ook uit zijn laatste rustplaats.
Hij ligt begraven op de bekende Westerbegraafplaats, een plek die rijk is aan funerair erfgoed.
Het grafmonument waaronder hij rust, is een eigen ontwerp. Hiermee heeft hij letterlijk en figuurlijk een blijvende stempel gedrukt op de Gentse geschiedenis en heeft hij bewezen dat hij er heel zijn leven aan wijdde.
In april 1936 trokken de wetenschappelijke congressen in Gent opnieuw veel belangstelling.
De geschiedenis van deze bijeenkomsten gaat terug naar 1897, inmiddels 139 jaar geleden, toen in Gent de eerste grote Vlaamse wetenschappelijke bijeenkomst plaatsvond in de vorm van het eerste congres voor natuur- en geneeskunde.
Destijds waren er 23 sprekers en 101 deelnemers, van wie zelfs niet iedereen een universitaire achtergrond had.
De pionier van dit initiatief was Julius Mac Leod (1857-1919), een invloedrijke botanicus en hoogleraar aan de Universiteit Gent.
Hij speelde een cruciale rol in de Vlaamse beweging en zette zich onvermoeibaar in voor de vernederlandsing van het hoger onderwijs.
Zijn visie was dat het volk zich alleen intellectueel en sociaal kon ontwikkelen als wetenschap en onderwijs in de eigen taal werden aangeboden.
Als directeur van de Plantentuin in Gent legde hij met de oprichting van dat eerste congres de basis voor de latere wetenschappelijke congressen.
In 1910 vonden er drie congressen plaats en in 1920 ontstonden de Vlaamse Wetenschappelijke Congressen onder leiding van een gezamenlijke regelingscommissie.
Vanaf 1926 werden verschillende congressen afwisselend in Nederland en bij ons georganiseerd.
In 1934 telde men in Leuven 279 sprekers, waaronder 52 Nederlanders, en bijna 5000 leden.
Toch was er destijds een gebrek aan blijvend contact en continuïteit.
Afzonderlijke wetenschappelijke initiatieven en intellectuele bijeenkomsten misten de gewenste slagkracht.
Er bestond nog geen algemeen centraal kaartsysteem en ook geen tijdschrift.
Daarom werd op 27 januari 1935 de Vereniging voor Wetenschap opgericht als een direct resultaat van de congressen.
Deze vereniging gaf het blad Wetenschap in Vlaanderen uit, dat al in 1936 werd omgedoopt tot Wetenschappelijke Tijdingen.
Hoewel de vereniging in 2004 werd stopgezet, leeft het tijdschrift vandaag de dag nog steeds voort onder de naam WT, al ligt de focus nu volledig op de geschiedenis van de Vlaamse beweging.
In 1936 waren er twaalf congressen gepland, waarbij vooraanstaande Vlaamse geleerden zouden meewerken.
De Vereniging voor Wetenschap probeerde destijds ook de culturele band met Nederland en Zuid-Afrika te versterken.
De foto’s tonen het volgende: 1. De openingsvergadering in de aula van de Universiteit Gent tijdens de toespraak van dr. Van Broekhuizen, gezant van Zuid-Afrika in Den Haag. 2. Dr. Van Broekhuizen spreekt over Zuid-Afrika. Ook een beeld van de eretribune. 3. De boekententoonstelling. 4. Oude kranten op de afdeling dagbladwetenschap. 5. Een tentoonstelling van wetenschappelijke boeken voor de jeugd.
In april 1961 was de maat voor de inwoners van Gent eindelijk vol.
De stad, die met haar schilderachtige reien en vesten zo geliefd was bij wandelaars, ging gebukt onder een ware rattenplaag.
De overlast was zo groot geworden dat de knagers zelfs overdag onbeschaamd over straat renden.
Wandelaars zagen hoe de dieren het brood voor de vogels wegkaapten en werklieden aan de waterkant konden hun lunch geen moment onbeheerd achterlaten zonder dat deze door de brutale veelvraten werd verorberd.
De schade aan woningen en meubilair was niet meer te overzien en de angst zat er bij de Gentenaars goed in.
Om dit probleem grondig aan te pakken, besloot het stadsbestuur af te stappen van ouderwetse methoden.
In plaats van individuele rattenvangers in te schakelen, werd er gekozen voor een wetenschappelijke benadering in samenwerking met een gespecialiseerde firma uit Mechelen.
De strategie speelde in op de natuurlijke intelligentie en nieuwsgierigheid van de ratten.
Er werd een speciaal soort lokaas ontwikkeld dat niet direct dodelijk was, maar pas na verloop van tijd werkte.
Dit voorkwam dat de dieren argwaan kregen wanneer ze een dode soortgenoot bij het voedsel zagen liggen.
De uitvoering van dit plan was vindingrijk. Men plaatste speciale houten lokaasbakken van ongeveer een halve meter lang langs de stadsvesten.
Deze bakken bevatten een vernuftig doolhofsysteem, waardoor alleen de ratten bij het vergif konden komen.
Voor mensen, honden en katten was het systeem volkomen veilig, aangezien zij fysiek onmogelijk bij de binnenste compartimenten konden komen.
Bovendien was de concentratie van de werkzame stof zo laag dat grotere zoogdieren er nauwelijks hinder van zouden ondervinden, zelfs bij onverhoopte aanraking.
De resultaten van deze grootschalige actie waren medio april 1961 al overduidelijk merkbaar.
In de eerste weken na het uitzetten van de bakken werden duizenden ratten gedood, veelal onzichtbaar in hun eigen holen onder de grond.
De bewoners langs de Ketelvest en de Muinkkaai merkten als eersten dat de overlast drastisch afnam.
Waar de stad voorheen nog machteloos leek tegen de grijze plaag, zorgde deze gecoördineerde aanpak voor een enorme opluchting.
De Gentse straten en kelders werden eindelijk weer rustig en veilig, wat door de bevolking als een groot succes werd onthaald.
Hij werd op 7 april 1811 geboren in Aalst, maar verhuisde al op jonge leeftijd met zijn ouders, rentenier Louis Joseph Papeleu en Collette Romaine Tack, naar Ledeberg bij Gent.
Zijn ondernemersgeest kwam al vroeg tot uiting toen hij in 1836 een succesvolle sier- en fruitboomkwekerij oprichtte in Wetteren.
Drie jaar later zocht hij de samenwerking op met Louis Van Houtte om in Gentbrugge een nieuw bedrijf te starten dat zich volledig toelegde op bloemen en planten.
In 1844 sloeg Papeleu een avontuurlijker pad in door voor de Compagnie Belge de Colonisation te gaan werken.
Als leider van botanische expedities in Guatemala en inspecteur van proeftuinen in de toenmalige Belgische nederzetting Santo Thomas deed hij internationale ervaring op.
Na zijn terugkeer in 1847 pakte hij de draad in Wetteren weer op.
Op de Boskantse Hei realiseerde hij de grootste boomkwekerij van België, met een indrukwekkend assortiment aan struiken, sier- en fruitbomen.
Deze onderneming was niet alleen commercieel belangrijk, maar bood ook de nodige werkgelegenheid in een regio die zwaar getroffen was door de landbouwcrisis van de 19e eeuw.
Hoewel Papeleu in 1859 op 48-jarige leeftijd in Ledeberg overleed, bleef zijn levenswerk springlevend.
Zijn werknemers zetten de activiteiten voort, waarna het bedrijf in 1874 uiteindelijk de deuren sloot als de grootste kwekerij van het land.
Zijn nalatenschap is vandaag de dag nog steeds zichtbaar.
In Wetteren staat een herdenkingsmonument van de hand van Vic Temmerman dat in 1959 werd onthuld, en in Gent kunnen wandelaars terecht in het naar hem vernoemde Adolf Papeleupark op de grens van Ledeberg en Gentbrugge.
De geschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent is nauw verweven met de oorsprong van de stad.
De plek op de Blandijnberg werd al in de zevende eeuw door de heilige Amandus gekozen voor de stichting van de Sint-Pietersabdij.
Voordat de huidige kerk er stond, bevond zich hier een romaanse abdijkerk die deel uitmaakte van een van de machtigste kloostergemeenschappen van Vlaanderen.
Deze vroege gebouwen leden zwaar onder de beeldenstorm en de godsdiensttwisten in de zestiende eeuw, waardoor een volledig nieuwe kerk noodzakelijk werd.
De eerste steen van de huidige barokkerk werd in 1629 gelegd door bisschop Antonius Triest.
Het ontwerp was van de jezuïet en architect Pieter Huyssens, die zich voor de monumentale koepel en de afmetingen liet inspireren door de Sint-Pietersbasiliek in Rome.
De kerk werd in de eerste fase gebouwd van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.
Gisteren nog vandaag
Tijdens de Franse bezetting verloor het gebouw zijn religieuze functie en werd het tijdelijk als opslagplaats gebruikt, om vanaf 1810 weer officieel dienst te doen als kerk.
Een bijzonder aspect van deze locatie is de functie als begraafplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.
Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen de meest prestigieuze instelling van het graafschap was, kozen de vorsten deze plek voor hun zieleheil en dynastieke legitimiteit.
In de kerk liggen vijf graven van Vlaanderen begraven: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV.
Ook hun familieleden vonden hier hun laatste rustplaats, waaronder mogelijk Judith van West-Francië.
Zij was de dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en de stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.
De graven liggen daar dus niet toevallig; de plek was het spirituele en politieke hart van het vroege Vlaanderen, waar de dodenrust van de heersers de macht van hun opvolgers ondersteunde.
De lijn van deze machtige heersers eindigde formeel aan het einde van de achttiende eeuw met de Oostenrijkse keizer Frans II, die de laatste was die de titel in de oorspronkelijke feodale zin droeg.
Door de Franse Revolutie en de annexatie in 1795 werd het graafschap opgeheven en het oude stelsel vervangen door een modern bestuur, waardoor er na de Habsburgse vorst geen echte opvolgers meer kwamen.
In de negentiende eeuw werd de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven ingeblazen binnen de Belgische monarchie, maar dit was slechts een ceremoniële titel voor leden van de koninklijke familie zonder daadwerkelijke bestuursmacht.
De laatste Belgische prins die deze titel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.
Sindsdien wordt de titel niet meer toegekend, waarmee ook de symbolische lijn definitief ten einde kwam.
Tegenwoordig combineert de kerk de namen van de oude abdij en de afgebroken Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde, en vormt het gebouw samen met het Sint-Pietersplein een herkenbaar baken in het Gentse stadsgezicht.
De geschiedenis van Weltruf in de Zinniastraat in Gent is nauw verbonden met de opkomst van de radio en het modernisme in de twintigste eeuw.
In het pand op nummer 1, gelegen in de wijk Brugsepoort-Rooigem, was de firma Etablissements Van Den Weghe gevestigd.
Dit bedrijf combineerde houtbewerking met de assemblage van elektronica.
Omdat Weltruf in de Zinniastraat hoofdzakelijk fungeerde als een assembleur en verdeler, gebruikten zij vaak chassis en onderdelen van grotere fabrikanten uit die tijd, zoals Barco, Siera of Philips.
In het eigen atelier werden houten kasten vervaardigd waarin deze onderdelen werden ingebouwd, om vervolgens als complete radiomeubels en platenspelers onder de eigen merknaam Weltruf te worden verkocht.
Later werd het aanbod uitgebreid met televisietoestellen.
Naast het atelier op nummer 1 diende de locatie op nummer 37 als een bijkomend verkooppunt en toonzaal waar klanten rechtstreeks de geassembleerde toestellen konden aanschaffen.
Ook de nabijgelegen firma Supermoderne aan de Boerderijstraat 85 fungeerde als toonzaal en officieel verkooppunt voor de apparatuur uit het atelier.
De sterke lokale verankering van deze zaken bleek onder meer uit de betrokkenheid bij de wielersport.
Een feitelijk bewijs hiervan is de overwinning van Rik Van Steenbergen en Emile Severeyns in de Gentse Zesdaagse van 1956 in ’t Kuipke.
Deze foto waarop Van Steenbergen een Radio-Pick-up van Weltruf in ontvangst neemt bij Supermoderne in de Boerderijstraat, bevestigt dat deze toestellen als prestigieuze prijzen werden geschonken.
Ook op de Gentse Jaarbeurs in het Floraliënpaleis was het merk aanwezig met eigen presentaties van modellen zoals de Weltruf Super.
Het atelier in de Zinniastraat bood naast de vervaardiging ook technische ondersteuning voor het onderhoud van de apparaten.
De geschiedenis van de firma Van Den Weghe en het merk Weltruf blijft herkenbaar door de bewaarde objecten, zoals radio’s, televisies en luciferetiketten, die rechtstreeks naar deze locaties in Gent verwijzen. (Met dank aan Dirk Peeters voor de reclame)