Hotel Wilson in Gent en de internationale allure van Bière Gruber.

Het gebouw op de hoek van de Veldstraat en de Sint-Michielshelling in Gent, waar tegenwoordig de McDonald’s is gevestigd, kent een rijke geschiedenis als Hotel Wilson.

Dit pand is opgetrokken in een rijke neobarokstijl als onderdeel van de grote stadsvernieuwingswerken voor de Wereldtentoonstelling van 1913.

De bouw volgde op de realisatie van de Sint-Michielsbrug in de periode 1905-1909 en de oprichting van het postgebouw.

Op deze oude postkaart van 1936 zien we in de verte Hotel Wilson, waar vandaag de McDonald’s is gelegen.

De naam van het hotel is nog duidelijk zichtbaar op de gevel en was een eerbetoon aan de Amerikaanse president Woodrow Wilson.

Op het gelijkvloers bevond zich het restaurant van het hotel zelf, met op de luifel reclame voor Bière Gruber.

Dit was een biermerk van de Franse brouwerij Brasserie Gruber, die in 1855 werd opgericht door David Gruber in Straatsburg (Koenigshoffen).

Hoewel de brouwerij in de Elzas lag, verwierf ze internationale faam en verspreidde het merk zich over heel Europa, mede door de innovatieve koeltechnieken van de brouwer die het mogelijk maakten om bier het hele jaar door te bewaren en te vervoeren.

Het merk was destijds een teken van kwaliteit en internationale allure, wat paste bij de neobarokke uitstraling van het hotelcomplex.

De brouwerij zelf fuseerde uiteindelijk in 1959 met Brasserie du Pêcheur (Fischer) en de productie onder de oorspronkelijke naam Gruber stopte definitief in 1965.

Het hotel vormde één architecturaal geheel met het naastgelegen Cinema Palace, de bioscoop die tegenwoordig bekendstaat als de Sphinx.

Samen vormden zij een levendig centrum voor ontspanning en horeca op dit prominente punt in de stad.

Hoewel de hotelkamers inmiddels plaats hebben gemaakt voor het fastfoodrestaurant, herinnert de beschermde gevel met de karakteristieke topgevel nog altijd aan de grandeur van dit historische hotel.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 30 jaar geleden overlijdt Staf Janssens, oprichter van IJsboerke.

Het verhaal van IJsboerke begon meer dan tachtig jaar geleden, toen de veertienjarige Staf Janssens in 1943 met zijn fiets de baan op ging.

In de beginjaren verkocht de jonge ondernemer uit Tielen nog bakharing en kranten, maar de echte ommekeer kwam toen hij besloot om zelfgemaakt schepijs van deur tot deur aan te bieden.

Met zijn houten kar legde hij de basis voor wat een van de meest iconische Belgische merknamen zou worden.

Wat Staf Janssens zo uniek maakte, was zijn ongekende commerciële inzicht en zijn focus op de herkenbaarheid van het merk.

De typerende oranje vrachtwagens groeiden uit tot een vertrouwd gezicht in het straatbeeld en brachten het ijs tot in de kleinste dorpsstraten.

Wist je dat Janssens een enorme passie had voor vogels?

Op het terrein van de fabriek in Tielen liet hij een indrukwekkend vogelpark aanleggen met honderden exotische soorten, dat op een gegeven moment zelfs gratis toegankelijk was voor het publiek.

Gisteren nog vandaag

Daarnaast begreep hij als geen ander de kracht van sportmarketing.

IJsboerke was jarenlang de trotse hoofdsponsor van een succesvolle wielerploeg, waardoor de merknaam ook internationale faam verwierf in grote koersen zoals de Tour de France.

Hoewel het bedrijf in de loop der jaren verschillende keren van eigenaar wisselde en de bekende huis-aan-huisverkoop grotendeels naar de achtergrond verdween, blijft de herinnering aan de ijscowagen met zijn vrolijke bel stevig verankerd in het collectieve geheugen van vele Belgen.

Hoe een boze kok de populairste snack ter wereld bedacht

Chips zijn al decennia een favoriete snack en daarom duiken we vandaag in de boeiende geschiedenis van deze lekkernij.

Het begon allemaal in 1853 in het Amerikaanse Moon’s Lake House Hotel. De kok George Crum verloor zijn geduld met een veeleisende gast die zijn gebakken aardappels steeds terugstuurde, omdat ze te dik waren.

Uit pure frustratie sneed Crum de aardappels zo flinterdun dat ze niet meer met een vork te eten waren.

Tot zijn grote verbazing was de gast razend enthousiast.

Deze Saratoga Chips werden al snel een hit en kregen een vaste plek op de menukaart.

Het duurde tot 1920 voordat Europa kennismaakte met de snack, dankzij Frank Smith.

Hij emigreerde van Amerika naar Engeland en opende daar een fabriek die binnen een jaar alweer te klein was door de enorme vraag.

Ondertussen zat men in Amerika ook niet stil.

Herman W. Lay richtte in 1932 een aardappelbedrijf op in Nashville, dat later fuseerde met de Frito Company van C.E. Doolin.

Zo ontstond in 1961 de gigant Frito-Lay, Inc.

In de Benelux waren chips eind jaren vijftig nog nagenoeg onbekend.

Daar kwam verandering in toen Nederlandse aardappeltelers uit Broek op Langedijk zochten naar nieuwe manieren om hun oogst te verkopen.

Boer Gerrit Kistemaker leerde het vak van Frank Smith en samen stampten zij in 1958 de eerste Nederlandse chipsfabriek uit de grond onder de merknaam Smiths.

België volgde niet veel later. In 1966 opende een klein fabriekje in Nieuwkerke, dat na een overname door United Biscuits in 1972 wegens succes moest uitwijken naar een grotere, moderne locatie in Veurne.

De jaren negentig stonden in het teken van grote veranderingen en rages.

Terwijl Smiths in 1995 heel Nederland en België in de ban hield van de flippo-gekte, werd het bedrijf achter de schermen klaargestoomd voor de wereldmarkt.

Na de overname door PepsiCo in 1998 werd de fabriek in Veurne onderdeel van een van de grootste voedingsmiddelenconcerns ter wereld.

Om wereldwijd eenheid en kwaliteit uit te stralen, veranderde de merknaam voor aardappelchips in 2001 van Smiths naar Lay’s.

Hoewel de naam Smiths nog een tijdje werd gebruikt voor zoute snacks met speciale vormen, zoals Bugles en Grills, besloot PepsiCo in 2015 om definitief afscheid te nemen van die naam en alles onder te brengen bij Lay’s en Cheetos.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 65 jaar geleden, heropening van de ‘den Ancien Belgiek’ in de veldstraat in Gent.

In de patriottische sfeer tussen de twee wereldoorlogen ontstond een nieuwe trend in de theaterwereld.

In plaats van chique Franse namen kregen etablissementen de naam ‘Oud België’ of ‘l’Ancienne Belgique’.

Nadat de Luikse broers Mathonnet al met succes zulke theaters hadden opgericht in Brussel en Antwerpen, vonden ze het een logische stap om ook in Gent een vestiging te openen.

In 1939 lanceerde Georges Mathonnet het theater in de Veldstraat.

De Gentenaars doopten de naam al snel om in hun eigen dialect tot ‘den Ancien Belgiek’, of kortweg ‘den Ancien’.

Het theater overleefde de Tweede Wereldoorlog en ontpopte zich tot een geliefde Gentse instelling.

Het was een typisch variététheater in de stijl van een café-theaters, waar een deel van het publiek aan tafeltjes zat en tijdens de voorstelling volop kon consumeren.

In de jaren vijftig kende het komische duo Leo Martin en François (Wiedemans) er een enorm succes met hun optredens in het Gents dialect.

Aan hun samenwerking kwam echter een abrupt einde door het overlijden van François.

Leo Martin, die ook speelde in de bigband van de Wetterse orkestleider Willy Rockin’, kreeg in 1958 een nieuwe kans.

Toen Rockin’ ermee stopte, nam Martin het orkest over en vormde het om tot het vaste huisorkest van ‘den Ancien’.

Eind lente 1960 sloot de zaak de deuren voor een grondige verbouwing.

Op vrijdag 30 september 1960 heropende het theater met een modernere zaal voor een alsmaar groeiend publiek.

Een krantenartikel uit die tijd, gebaseerd op een persconferentie van de sympathieke directeur Roger Piers, beloofde een “briljant winterseizoen”.

Dankzij dit artikel krijgen we een goed beeld van wat een avond in ‘den Ancien’ inhield. De term ‘variététheater’ dekte volledig de lading.

Het avondvullende programma bestond uit het orkest van Leo Martin en de toen beroemde Gentse zangeres Chris Sent, aangevuld met een indrukwekkende reeks internationale acts.

Zo stonden de Russische fakir Yogi Rayo, de Belgische Houdini Jo Carly, en ‘de sterkste man ter wereld’ Arthur Robin op het podium.

Dit werd verder aangevuld met de Amerikaanse illusionist Harris, de helderziende Jim Murray, en zelfs circusacts met wilde dieren, zoals vijf bruine beren, gedresseerde honden en een ‘geleerde geit’.

De clowns Pépé en Popo, de acrobaten van Aeropolis en de ballerina’s van Lily De Munter maakten het spektakel compleet.

Daarnaast waren er regelmatig gastoptredens van bekende namen uit die tijd, zoals Henk De Bruin, Bob Benny, Rina Pia en zelfs de Nederlandse zanger Johnny Jordaan.

De voorstellingen vonden meerdere keren per week plaats, met op zondag zelfs drie shows.

Tijdens de optredens kon het publiek smullen van de befaamde wafels van het huis, boerenvlaaien en ijs, of genieten van een aperitief, een pils of een warme drank.

Op maandag- en woensdagnamiddag zorgde Paul Rutger van de Belgische radio voor sfeervolle deuntjes op zijn Amerikaans orgel, en er werden zelfs modedéfilés georganiseerd.

Helaas kon dit succes niet blijven duren. De opkomst en groeiende populariteit van de televisie zorgden voor een daling in het aantal bezoekers.

In de krant Vooruit van 30 juli 1967 werd aangekondigd dat ‘Oud België’ na 26 jaar zijn deuren zou sluiten.

Op zondag 31 juli vonden de laatste twee voorstellingen plaats: ‘Het weeuwke van de Muide’ van Pol Speeckaert.

Vandaag de dag is er van de theaterglorie niets meer te zien.

In het gebouw dat een kwarteeuw lang een bruisend theater herbergde, is nu onder andere een winkel van Kruidvat gevestigd, helemaal passend in het commerciële decor van de huidige Veldstraat (Bronnen Persblog, Gendtsche Tydinghen, Luc Devriese en Sonja Gyselinck).

Deze week 55 jaar geleden maakte Vlaanderen kennis met een nieuw restaurantconcept, namelijk Mister G.B. in Edegem, de allereerste vestiging van de Grand.

Het concept was uniek, want het combineerde een self-service restaurant met een afhaalbalie en een koffieshop.

Het doel? Beter zijn dan de concurrent, Lunch Garden van de Sarma-Nopri groep.

Begin jaren zeventig werd Mister G.B. omgedoopt tot Resto G.B., terwijl de concurrentie ook niet stilstond.

Sarma-Nopri was overgenomen door de Amerikaanse warenhuisketen J.C. Penney, die fors investeerde in hypermarkten.

Bij elk van die hypermarkten werd een Lunch Garden restaurant gebouwd, wat het succes van die keten verder stimuleerde.

Uiteindelijk begon het marktaandeel van Sarma echter te dalen en in 1987 verkochten de Amerikanen de keten aan de GIB Group, die was ontstaan uit de fusie van de voormalige concurrenten.

Omdat de Lunch Garden-restaurants zo succesvol waren, besloot de GIB Group in 1996 om Resto G.B. en Lunch Garden samen te voegen onder de naam Lunch Garden.

Daarna wisselde het bedrijf verschillende keren van eigenaar.

In 2002 werd het gekocht door de investeringsgroep Carestel, die het twee jaar later alweer aan privé-investeerders verkocht.

In 2009 kwam het in handen van het Amsterdamse investeringsfonds H2.

In 2012 begon Lunch Garden een samenwerking met Total om wegrestaurants te openen.

In 2015 terug een nieuwe overname toen H2 het bedrijf verkocht aan het Brits-Nederlandse private equity fonds Bregal Freshtream.

De verplichte sluitingen tijdens de coronapandemie in 2020 brachten Lunch Garden echter in ernstige financiële problemen.

Op 20 januari 2025 vroeg de keten het faillissement aan, maar maakte slechts twee dagen later een doorstart.

Het Antwerpse investeringsfonds CIM Capital nam het bedrijf gedeeltelijk over, waardoor 41 van de 62 restaurants open konden blijven en 430 van de ongeveer 800 medewerkers hun baan behielden(foto’s van 13 september 1970)

65 jaar geleden, reclame voor bier van het merk Kronenbourg en de geschiedenis van dit biermerk.

Alles begint in 1664 wanneer Jérôme IV-Hatt brouwerij Le Canon opent aan de Place du Corbeau in Straatsburg.

Bijna twee eeuwen later, in 1850, verhuist de brouwerij naar de wijk Cronenbourg (Kronenburg in het Duits).

Daar wordt overgeschakeld op ondergisting, een destijds innovatief brouwproces dat een constante lage temperatuur vereist van maximaal 10 °C. en dit gebeurt daarom grotendeels ondergronds.

In 1922 verwerft de familie Hatt het prestigieuze Straatsburgse restaurant Le Grand Tigre.

Ter gelegenheid hiervan lanceert de brouwerij het bier Tigre Bock, dat in 1930 het meest gedronken bier van Frankrijk wordt.

De naam Kronenbourg ziet het levenslicht in 1947. Jérôme Hatt, een nazaat van de oprichter, keert terug naar Straatsburg en hernoemt het vlaggenschipbier Tigre Bock naar de wijk Cronenbourg, waar de brouwerij nog steeds gevestigd is.

De ‘C’ wordt vervangen door een ‘K’ om het merk een Duits tintje te geven, destijds een synoniem voor kwaliteit.

Ter ere van de kroning van Elizabeth II tot koningin van het Verenigd Koninkrijk in 1952, brengt Kronenbourg het bier 1664 uit, dat eveneens een groot succes wordt.

In 1969 kan de oude fabriek de groeiende vraag niet meer aan en verhuist de productie naar een gloednieuwe vestiging in Obernai.

Deze brouwerij is op dat moment de grootste van Europa en tot op de dag van vandaag de grootste van Frankrijk.

Het bedrijf kent in de daaropvolgende decennia verschillende eigenaarswisselingen: in 1970 wordt het onderdeel van het BSN-concern en in 1986 fuseert het met Kanterbräu, wat leidt tot de oprichting van de Brasseries Kronenbourg.

In 2000 wordt het overgenomen door Scottish & Newcastle, dat op zijn beurt in 2008 in handen komt van een consortium van Heineken en Carlsberg.

Uiteindelijk wordt Kronenbourg onderdeel van de Carlsberg groep.

Tegenwoordig zijn de Brasseries Kronenbourg met een marktaandeel van 30,5% de absolute marktleider in Frankrijk.

Eén op de drie in Frankrijk gedronken biertjes komt uit de brouwerij in Obernai.

In 2011 behaalde het bedrijf een omzet van 902 miljoen euro.

De brouwerij in Obernai is met een oppervlakte van 70 hectare, een productie van 7,3 miljoen hectoliter en 1210 werknemers nog steeds de grootste van Frankrijk.

75 jaar geleden, te gast op de Vroegmarkt, de groothandelsmarkt van Brussel en toen gelegen tussen de Antwerpselaan en Diksmuidelaan.

De Vroegmarkt was een openluchtmarkt op de Grote Markt en de nabijgelegen straten, waar boeren en handelaars hun verse producten verkochten.

Later verplaatste de markt zich naar de Antwerpselaan en de Diksmuidelaan, waar ze meer ruimte had.

In 1973 kreeg de Vroegmarkt een nieuwe locatie aan de Werkhuizenkaai, langs het kanaal, waar ze nog steeds gevestigd is.

De Vroegmarkt is een unieke plek, waar je zowel lokale als exotische producten kunt vinden.

Meer dan 100 handelaars bieden er een breed gamma aan van fruit, groenten, vlees, vis, kaas, dranken, diepvriesproducten, bloemen en planten.

De Vroegmarkt staat bekend om haar kwaliteit en versheid, en trekt daarom veel klanten aan.

Onder hen zijn er detailhandelaars, supermarkten, marktkramers, traiteurs en zelfs enkele van de beste chefs van het land, die graag hun ingrediënten kiezen op de grootste versmarkt van België.

Ook de horeca genoot van deze groothandelsmarkt en was al in de vroege uurtjes open voor soep, koffie en jenever en bier voor sommige.

Reclame van het hotel Metropole in Brussel en zijn geschiedenis.

In 1890 besloten twee broers een Café Metropole te openen om hun bier te verkopen.

Het werd een succes en de familie Wielemans-Ceuppens kocht de aanpalende bank om het hotel te laten bouwen door de Franse architect Alban Chambon.

In het hotel kan men bij het binnenkomen aan de receptie nog de balie van de bank herkennen.

Naast deze authentieke delen werd het vooral modern luxueus met als eerste hotel elektrische verlichting en centrale verwarming.

Er werd gewerkt met luxueuze materialen als marmer en mahoniehout.

Naast de architectuur werd het ook bekend als de plaats waar de eerste Solvayconferenties (de solvayraad is een internationale conferentie voor natuurkundigen, voor het eerst georganiseerd door Ernest Solvay op 29 oktober 1911 en tegenwoordig door de door hem opgerichte organisatie, het Internationaal Instituut voor Fysica en Chemie plaats hadden).

In 1949 maakte de barman Gustave Tops een nieuwe cocktail voor de VS-ambassadeur Perle Mesta, namelijk Black Russian.

In tientallen producties figureert het hotel als locatie, onder meer in de film Mortelle randonnée (1982) en in de clip Nue van Clara Luciani (2018).

In de roman Soumission van Michel Houellebecq is het sluiten van de hotelbar voor de hoofdpersoon reden om zich te bekeren tot de islam.

Hij ziet er de ondergang van de westerse beschaving in.

Het hotel, dat nog in familiebezit was, werd in 2020 failliet verklaard.

Wanbeheer, de aanleg van een voetgangerszone, de aanslagen in Brussel en uiteindelijk de Coronacrisis lagen aan de basis.

In december 2022 werd het hotel overgenomen door het investeringsfonds Lone Star Fund met het oog op uitbating door Centaurus Hospitality Management.

De inboedel werd in het voorjaar van 2023 geveild.

Het hotel zal in het laatste kwartaal van 2025 de deuren heropenen, na een grondige renovatie. (Diverse bronnen, Wikipedia en reclame van november 1973)