De geschiedenis van Hotel d’Hane-Steenhuyse begint in 1768, wanneer graaf Emmanuel-Ignace d’Hane een reeks middeleeuwse huizen in de Gentse Veldstraat omvormde tot een indrukwekkend stadspaleis.

De graaf was een invloedrijk edelman en nazaat van een familie die al sinds de 15e eeuw een prominente rol speelde in de Gentse politiek en maatschappij.

Als afgevaardigde van de Staten van Vlaanderen beschikte hij over de middelen om een dergelijk prestigieus project te realiseren.

Wie vandaag de kelders bezoekt, kan daar nog steeds de sporen terugvinden van de oorspronkelijke middeleeuwse bebouwing waar hij op voortbouwde.

Drie generaties van het geslacht d’Hane de Steenhuyse hebben bijgedragen aan de bouw van het paleis om het zijn huidige allure te geven.

Graaf Emmanuel Ignace d’Hane (1702-1771) legde de basis met het hoofdgebouw en de uitbundige voorgevel in Lodewijk XV-stijl.

Zijn zoon, graaf Pierre Emmanuel d’Hane de Leeuwergem (1726-1786), zorgde voor de verdere uitbreiding en de meer classicistische tuingevel in Lodewijk XVI-stijl in 1773.

Tot slot was het graaf Jean-Baptiste d’Hane de Steenhuyse (1757-1826) die verantwoordelijk was voor de verfijnde aankleding en de binnendecoratie van het pand.

Een van de absolute pronkstukken in het interieur is de balzaal, die de volledige hoogte van de twee verdiepingen beslaat.

De wand- en plafondschilderingen in deze zaal zijn het werk van Petrus Nicolaas (P.N.) van Reysschoot (1738-1795). Deze Gentse kunstenaar, die deel uitmaakte van een bekende schildersfamilie, decoreerde het plafond met taferelen die de goden op de Olympus voorstellen.

Samen met zijn broers en zussen werkte hij tot aan zijn dood in 1795 aan verschillende prestigieuze opdrachten in de stad.

De verfijnde afwerking van de zaal wordt gecompleteerd door de parketvloer in inlegwerk uit 1770 van de Parijse schrijnwerker François Felix.

Onder Jean-Baptiste groeide het paleis in het begin van de 19e eeuw uit tot een ontmoetingsplaats voor de Europese adel en wereldtop.

In juli 1805 namen de Franse minister van Buitenlandse Zaken, prins de Talleyrand-Périgord, en zijn echtgenote er hun intrek.

Enkele jaren later, in 1810, logeerden Napoleon en Marie-Louise van Oostenrijk in het hotel, evenals de koning en koningin van Westfalen.

Op 24 juni 1814 was het de beurt aan de Russische tsaar Alexander I en datzelfde jaar verbleef ook John Quincy Adams, de latere president van de Verenigde Staten, in het paleis.

In 1815, tijdens de turbulente Honderd Dagen, vond de Franse koning Lodewijk XVIII hier op 30 maart een veilig onderkomen, nadat hij door Napoleon was verjaagd.

Datzelfde jaar, op 5 september 1815, brachten ook de pas gekroonde koning der Nederlanden, Willem I, en zijn echtgenote Wilhelmina een bezoek tijdens hun Blijde Intrede in Gent.

In 1818 mocht het paleis bovendien prins Willem II der Nederlanden als gast verwelkomen.

Toen de mannelijke lijn van de familie d’Hane de Steenhuyse uitstierf, kwam het stadspaleis in handen van Valerie van Pottelsberghe de la Potterie.

Zij was de dochter van Marie-Thérèse d’Hane de Steenhuyse en de echtgenote van jhr. Edouard van Pottelsberghe de la Potterie.

Door dit erfgoed bleef het paleis nauw verbonden met de Gentse adel. Tot 1902 bleven de erfgenamen het gebouw bewonen, waarna de rijke geschiedenis als privéresidentie tot een einde kwam.

Na de Tweede Wereldoorlog kreeg het pand een nieuwe bestemming als Museum der Honderd Dagen, maar dat bleek weinig succesvol.

Om de kosten te dekken, werden de ruimtes op de gelijkvloerse verdieping uiteindelijk verhuurd als winkels.

In 1981 kwam het pand in handen van Stad Gent, die het gebouw stelselmatig restaureerde en er jarenlang de dienst Monumentenzorg onderbracht.

De toekomst van dit erfgoed is echter onzeker geworden.

Op 2 december 2025 raakte bekend dat Gent maar liefst 48 gebouwen wil verkopen of in erfpacht wil geven.

Naast bekende monumenten zoals het poortgebouw van de Oude Vismijn en de Rabottorentjes staan ook de stadspaleizen Hotel d’Hane-Steenhuyse en Hotel Arnold Vander Haeghen op deze lijst.

De stad spreekt over het creëren van businesscases voor deze locaties, al blijft het onduidelijk wat dat precies zal inhouden.

Deze plannen roepen de nodige bezorgdheid op. Gezien de recente ontwikkelingen in de stad – zoals de horeca in het Gravensteen, de komst van luxe-appartementen in het Geeraard de Duivelsteen en de opening van een Delhaize-supermarkt binnen afzienbare tijd in de Sint-Annakerk – vragen velen zich af welke nieuwe invulling dit historische erfgoed zal krijgen.

Voorlopig blijft het gebouw wel nog toegankelijk voor het publiek. Je kunt het paleis elke vrijdag, zaterdag en zondag bezoeken tussen 14 en 18 uur.

Wie vandaag na de kerstmarkt in Gent de minder commerciële plekken wil bezoeken, moet zeker even binnenstappen in de Sint-Baafskathedraal.

Want buiten de religieuze rust en het wereldberoemde Lam Gods van de gebroeders Van Eyck, kunt u er genieten van hedendaagse kunst.

Dit is te danken aan een bijzonder werk van de Gentse kunstenares Annie Gansbeke: een ode aan Pieter Paul Rubens.

Ik had de eer om deze kunstenares persoonlijk te leren kennen tijdens mijn bezoek, waarbij haar indrukwekkende traject en passie voor de kunst meteen duidelijk werden.

Haar aanwezigheid in de kathedraal is het resultaat van een bijzonder succes.

In 2022 schreef het Koninklijk Museum voor Schone Kunsten (KMSKA) een wedstrijd uit met als thema de aanbidding van de koningen

Na enkele overpeinzingen besloot Annie deel te nemen. Uit een enorm deelnemersveld van maar liefst 2600 kunstenaars wist zij een eervolle 30ste plaats te verzilveren.

De beloning was evenredig aan de prestatie: haar werk werd in december 2022 geëxposeerd in het KMSKA.

Het creatieve proces achter dit winnende werk getuigt van haar technische diepgang.

Het boeide haar om de schets op te zetten in glacis en deze vervolgens nauwgezet uit te werken volgens de principes van de gulden snede.

Hoewel dit project buiten haar comfortzone lag, ging ze de uitdaging met volle overgave aan.

Ze behield het grootste respect voor het originele werk van Rubens, maar gaf er een geheel eigen, bewegende bewerking aan in haar karakteristieke kleuren.

Dit schilderij is nog tot en met 20 maart 2026 te bezichtigen in de kathedraal.

Annie Gansbeke is een artieste die het broze evenwicht tussen verleiding en gevoeligheid feilloos weet te bewaren.

Haar oeuvre kent duidelijke ontwikkelingslijnen, waarbij de natuur een centrale rol speelt.

Ze vervormt die natuur in vloeibare, warme kleurpaletten die haar werken een organisch karakter geven.

Hoewel ze vaak met verstilde nuances werkt, is kleur niet weg te denken uit haar ontdekkingswereld; met voornamelijk rode schakeringen geeft ze een sprankelende en jonge kracht aan haar composities.

Alles krijgt bij haar een eigen leven en graaft zijn eigen weg.

Haar veelzijdigheid uit zich in haar gedurfde materiaalgebruik.

Met verf, metaal, glas, textiel, potlood en inkt slaagt ze erin om in al die verschillende technieken een passie en harmonie aan te brengen.

Deze creaties wekken tegelijkertijd een gevoel van rust en onrust op, wat haar werk zo boeiend en intrigerend maakt.

Annies wijde horizonten kun je herleiden tot haar penseelvegen, met hier en daar een ruw accent of een teder streepje.

Het zijn precies deze accenten die zij zo mooi weet om te toveren: alles komt weer naar het centrum, naar zijn rustpunt.

Vandaag de dag blijft ze zeer actief en deelt ze haar passie graag met anderen.

In haar huidige woning in Heusden stelt ze haar huis regelmatig open voor het brede publiek. Zo ook op 2 en 3 mei 2026.

Daarnaast viel ze dit jaar op door haar aanwezigheid op diverse locaties.

Zo nam ze deel aan de tentoonstelling EXPORUIMTE CM14 in Vilvoorde.

Op uitnodiging van kunstenaar-decorateur en curator Filip Leemans stelde zij haar werken tentoon in de lobby en de voormalige bankkluis aan de Grote Markt 14.

Ook op de Tuindagen van Beervelde was haar werk dit jaar te bewonderen.

Het succes bij het KMSKA en haar huidige expositie in de Sint-Baafskathedraal tonen aan hoe haar werk de dialoog aangaat met de grote meesters, terwijl het toch een heel eigen, hedendaagse harmonie blijft uitstralen die de kijker uitnodigt tot introspectie.

Oude postkaart van de Posthoornstraat in Gent

De straat die we nu kennen als de Sint-Niklaasstraat droeg vroeger de toepasselijke naam Cromme Steghe, een verwijzing naar het destijds bochtige parcours.

Al in 1347 werd er geschreven over “in de Cromstege”, en later sprak men ook wel van Reinbouds steghe.

In de 19de eeuw had de steeg een bedenkelijke reputatie vanwege de prostitutie.

Een sprekend voorbeeld hiervan is de vondst op 16 oktober 1809 door een onderwijzer: in het portaal van nachtclub Le Roi d’Espagne lag een pasgeboren baby met een briefje dat ze gedoopt was.

Het meisje kreeg de naam Jeanne Ghislaine Cromstege.

Tegen het eind van de 19de eeuw veranderde het aanzicht van de straat grondig.

Tussen 1897 en 1899 werden hele huizenrijen gesloopt om de straat te verbreden en recht te trekken.

Na 1898 stond de straat bekend als de Posthoornstraat, waarschijnlijk vernoemd naar de 18de-eeuwse afspanning De Posthoorn.

Vanaf 1901 domineerde het Hotel du Téléphone de straat op de hoek met de Bennesteeg.

Dit gebouw was 70 meter lang en had een sierlijk torentje van 57 meter hoog, wat nodig was om de bovengrondse telefoonlijnen naar de buurt te leiden.

Vandaag de dag trekt vooral het Metselaarshuis op de hoek met de Cataloniëstraat de aandacht.

De trapgevel is versierd met Moreske dansers, ontworpen door wijlen Walter de Buck.

Hoewel het de bedoeling was dat deze beelden in de wind zouden bewegen, zijn ze vanwege hun gewicht uiteindelijk vast verankerd.

55 jaar geleden, weeklange schoolstaking leidt tot historische overwinning te Gent.

Het incident dat in december 1970 de Gentse Rijksmiddelbarenormaalschool op stelten zette, staat in de geschiedenisboeken bekend als de kus van Erna.

Het verhaal draait om de bijna twintigjarige studente Erna Van de Velde.

Wanneer zij bij de schoolpoort afscheid neemt van haar verloofde, die op dat moment zijn legerdienst vervult in Duitsland, worden ze opgemerkt door de directeur, de heer De Vogelaere.

De directeur vindt dit gedrag ongepast en bestraft Erna met een schorsing van een week.

Hij vreest dat dergelijke uitingen van genegenheid zouden kunnen leiden tot wanorde bij de schoolpoort.

Deze beslissing valt volledig verkeerd bij de medestudenten van Erna.

De tweehonderd toekomstige regenten van de school aan de Ledeganckstraat besluiten direct in staking te gaan.

Zij voelen zich door de directeur behandeld als kleine kinderen, terwijl velen van hen al bijna volwassen zijn, sommigen zelfs getrouwd zijn of een eigen huishouden runnen.

De staking duurt een volle week.

De studenten weigeren de lessen te volgen, maar blijven wel op school om te schaken, te breien of gezelschapsspelletjes te spelen.

Hun grieven gaan dieper dan alleen de straf voor Erna; ze eisen meer inspraak en verzetten zich tegen wat ze noemen het dictatoriale optreden van de directeur en verouderde schoolreglementen.

Tijdens de woelige week slaat het noodlot toe voor directeur De Vogelaere: hij valt uit bed, breekt een dijbeen en moet met hoge koorts in bed blijven.

In zijn afwezigheid wordt de leiding overgenomen door een voorlopig directiecomité.

De staking eindigt uiteindelijk in een overwinning voor de studenten, waarbij de opgelegde straf en de strikte regels ter discussie komen te staan.

De Predikherenlei dankt haar naam aan de orde van de Predikheren, een bedelorde die in 1215 werd gesticht door de Spaanse priester Dominicus Guzman om het evangelie te verkondigen en ketterij te bestrijden.

De naam verwijst ook naar de verdwenen Predikherenkerk die hier aan de overkant van de Leie, bij de Predikherenbrug, stond.

Deze 13de-eeuwse kerk, ook wel bekend als de kerk van de Jacobijnen en palend aan het vroegere Dominicanenklooster Het Pand, werd in 1860 afgebroken.

Op architecturaal vlak springt vooral het neogotische hoekpand aan de Sint-Michielshelling in het oog.

Dit zandstenen gebouw vormt een visuele brug tussen het koor van de Sint-Michielskerk en het eclectische postgebouw aan de overkant.

Iets verderop, op de hoek met de Nodenayesteeg, vind je op nummer Het Groen Kruis.

Dit was ooit de woning van Michael Mast, telg uit een familie die al sinds de 14de eeuw aanzien genoot in Gent.

Hoewel het pand in 1977 werd beschermd, was het in 1980 bijna slooprijp.

Gelukkig volgde in 1988 een vakkundige restauratie.

Vandaag staat de lei aan de vooravond van een grote metamorfose. Omdat de kaaimuren instabiel zijn en de balustrade aan vervanging toe is, wordt de hele omgeving heraangelegd.

Deze werken moeten eind 2026 klaar zijn.

Het asfalt maakt plaats voor natuursteen en de kaaimuren worden, net als aan de Graslei, deels verlaagd om het contact met het water te herstellen.

Er komt een steiger voor kano’s en kajaks, en met extra zitbanken, geveltuinen en bijna 70 fietsstalplaatsen wordt de Predikherenlei een groene en aangename verblijfsplek.

Oude postkaart van de Korenmarkt in Gent

Tegen het einde van de 10de eeuw groeide Gent zo snel dat de oude handelsnederzetting letterlijk uit haar eerste omwalling barstte.

De economische bloei en bevolkingsexplosie dwongen de stad om westwaarts te kijken, tot over de Leie.

Deze expansiedrift tekent tot op vandaag de kaart van Gent: nieuwe wijken vroegen om nieuwe parochies – denk aan Sint-Jacob, Sint-Niklaas en later Sint-Michiel – en om een nieuwe verdediging.

De grillige vorm van de binnenstad is een stille getuige van de grachtengordel die rond 1100 werd aangelegd.

Waar mogelijk werden de Leie en de Schelde ingeschakeld als natuurlijke barrière, aangevuld met gegraven grachten om de nieuwe wijken te omsluiten.

In de eeuwen die volgden, bleef de stad vervellen. Na het verwerven van stadsrechten in de 12de eeuw volgden nieuwe omwallingen in de 13de en 16de eeuw, en werden de versterkingen tot in de 18de eeuw voortdurend aangepast.

Pas in de 19de eeuw, toen Gent uitgroeide tot een industriële grootstad en de octrooirechten verdwenen, durfde de bevolking zich weer buiten de poorten te vestigen, wat leidde tot de typische 19de-eeuwse gordel.

Het kloppend hart van die eerste grote stadsuitbreiding – de zogenaamde ‘tweede middeleeuwse stad’ – is de Korenmarkt.

Dit plein is een rechtstreeks gevolg van de 10de-eeuwse groei: gronden werden verkaveld en de handel floreerde.

In 1208 duikt de naam voor het eerst op als forum segetum, oftewel graanmarkt.

Vanaf de 14de eeuw werd hier elke vrijdag het koren verhandeld, wat ook de oude naam ‘Koornaard’ verklaart.

Vandaag is de Korenmarkt een architecturale tijdreis. Je wordt er omringd door gevels die variëren van de 13de tot de 20ste eeuw, met als absolute blikvangers de westgevel van de Sint-Niklaaskerk en de monumentale toren van het Postgebouw ertegenover.

Herman Verbaere was een bijzonder veelzijdig kunstenaar: hij maakte naam als kunstschilder, tekenaar, aquarellist, lithograaf én ontwerper van postzegels.

Hij zag het levenslicht in Wetteren als oudste zoon in een groot gezin van negen kinderen.

Dat hij een grafische richting uitging, was misschien geen toeval: zijn vader Leo Joseph was immers drukker-uitgever.

Zijn artistieke fundamenten werden gelegd aan de academie van zijn geboortedorp Wetteren, waar hij tot 1924 les volgde bij Prosper Böss.

Gisteren nog vandaag

Nadien trok hij naar de Academie van Gent om zijn talent verder te polijsten onder leiding van meesters als Jan Frans De Boever en Oscar Coddron.

Met succes, want in 1933 studeerde hij er af als laureaat.

Later zou hij zijn kennis zelf doorgeven als docent aan de School of Arts van Hogeschool in Gent.

In zijn privéleven trad hij in de zomer van 1935 in het huwelijk met Bertha Maria De Block, met wie hij een dochter kreeg, Huguette.

Verbaere was een uiterst productief kunstenaar die duizenden aquarellen op zijn naam heeft staan.

Zijn inspiratie vond hij vooral buiten: hij schilderde talloze landschappen en pittoreske dorpjes langs de Schelde, aan de kust, in Zeeland en in de Kempen.

Hij stond bekend om zijn opmerkelijke penseelvaardigheid, zijn sterke gevoel voor compositie en stond bekend om zijn meesterlijk kleurgebruik.

Maar zijn faam reikte verder dan het schildersezel.

Gisteren nog vandaag

Verbaere genoot internationale erkenning dankzij zijn illustraties en affiches voor diverse wereldtentoonstellingen.

Een absoluut hoogtepunt was de Wereldtentoonstelling van 1937 in Parijs, waar zijn affiches met Vlaamse landschappen bekroond werden.

Ook in eigen land was zijn werk alomtegenwoordig in het straatbeeld.

Vanaf 1948 werkte hij belangeloos mee aan een aantal projecten van de Provincie Oost-Vlaanderen en de Federatie voor Toerisme in Oost-Vlaanderen. Zijn talloze illustraties voor De spiegel van Oost-Vlaanderen getuigen van zijn liefde voor de stad Gent en zijn provincie.

Tussen 1935 en 1967 ontwierp hij talrijke affiches voor de NMBS en hij werkte ook voor de privésector, waaronder voor het bedrijf De Vreese-Van Loo uit Lokeren.

Daarnaast is zijn werk bekend bij verzamelaars, dankzij de reeks postzegels die hij tussen 1962 en 1970 ontwierp.

Herman Verbaere overleed op 26 augustus 1993 en liet een indrukwekkend en gevarieerd oeuvre na.

Gisteren nog vandaag

Oude postkaart van de Bijloke in Gent, van ziekenzorg naar kunstbeleving op de Bijlokesite.

De naam ‘Bijloke’ verwijst naar een omsloten, moerassig gebied waar ooit een kronkelende Leie-arm liep.

Het huidige Bijlokevaardeken herinnert nog aan die verdwenen waterloop.

De bouwgeschiedenis start begin 13de eeuw toen Ermentrude Uten Hove haar Mariahospitaal noodgedwongen vanuit de binnenstad naar deze meersen verhuisde.

Om de zorg te garanderen, werd naast het hospitaal een nieuwe cisterciënzerinnenabdij gesticht.

De site breidde al snel uit met een voor die tijd enorme ziekenzaal (1251-1255), een kapel en het ‘Craeckhuys’ (ca. 1511) voor ernstig zieken.

Na zware verwoestingen tijdens de calvinistische republiek (1577-1584) volgde in de 17de eeuw herstel.

De Franse annexatie in 1797 zorgde voor een nieuwe breuk: de abdij werd afgeschaft.

Later keerden de zusters terug in een deel van de gebouwen, terwijl de rest dienstdeed als oudemannenhuis.

Vanaf 1817 drukte de universiteit haar stempel op de site: de middeleeuwse ziekenzorg maakte plaats voor medisch onderwijs.

Omdat de oude gebouwen niet voldeden, bouwde architect Adolphe Pauli tussen 1863 en 1880 een nieuw neogotisch ziekenhuiscomplex.

Sinds de jaren 80 onderging de Bijloke een gedaanteverwisseling van zorg- naar cultuursite.

De kunstacademie (nu KASK) nam er haar intrek en de middeleeuwse ziekenzaal werd in 1988 omgevormd tot concertzaal.

In 2010 opende het STAM (Stadsmuseum) zijn deuren.

Met de recente komst van de Kunstenbibliotheek en de aanleg van het open park ‘Bijlokeveld’ is de site nu een groene campus waar historisch erfgoed, onderwijs en cultuur samenkomen.

35 jaar geleden, Guido Claus in de Post van 2 november 1990

Johan Claus (1938-2009) richtte in dat jaar het pand op de hoek van de Hoogstraat en de Oude Houtlei in, geïnspireerd door de gelijknamige club van Al Capone in het Chicago van de jaren dertig.

Nog datzelfde jaar liet hij de exploitatie over aan zijn broer Guido, die van de zaak zijn levenswerk zou maken.

Samen met zijn levensgezellin Motte gaf Guido het artiestencafé een renommee die tot ver buiten de grenzen reikte.

Het unieke interieur, de gezelligheid en de persoonlijkheden van het koppel maakten van de ‘Hotsy Totsy’ een begrip.

Het werd een pleisterplaats voor kunst- en cultuurliefhebbers, waar ook Guido’s broer Hugo Claus en Jan Hoet graag geziene gasten waren.

Hugo legde er regelmatig een kaartje met zijn broer en literaire vrienden.

Aan de zijmuur in de Oude Houtlei hangt zijn lofgedicht ‘Achter deze gevel hier’, opgedragen aan Guido en het café.

De club was ook het decor voor een memorabel literair moment: op 17 maart 1983 stelde Hugo Claus er zijn langverwachte meesterwerk ‘Het verdriet van België’ voor aan pers en publiek, wat in de Belgische pers een ongekende hype veroorzaakte.

Guido Claus was zelf ook artistiek actief. Van 1986 tot 1991 vormde hij met Jan Albert De Bruyne (alias ‘Prof. Arnoldus Goedbier’) het muzikaal straattheater-duo ‘Twee Wezen’.

Daarnaast speelde hij in de toneelbewerking van ‘Lijmen & Het been’ (naar Willem Elsschot) en vertolkte hij rollen in films als ‘De Loteling’ (1973), ‘Vrijdag’ (1981) en ‘Hector’ (1987).

In november 1991 kwam er een abrupt einde aan een tijdperk door het plotse overlijden van Guido Claus.

De Groep Druwel kocht de zaak en het nabijgelegen pand.

Na een restauratie werd het café overgenomen door Patrick De Graeve, die de zaak een nieuwe boost gaf met Motte Claus als deel van zijn team.

Al meer dan 50 jaar is de ‘Hotsy Totsy’ een authentiek Gents artiestencafé.

Vandaag de dag is de uitbating al enkele jaren in de goede handen van Lara, die de unieke sfeer van deze historische plek verderzet.

Acteur Jef Demedts mag vandaag 90 kaarsjes uitblazen.

Jef Demedts was jarenlang een vaste waarde in het theater, voornamelijk bij NTGent, waar hij niet alleen op de planken stond, maar ook een periode de artistieke leiding op zich nam.

Voor het grote publiek is hij wellicht het bekendst door zijn iconische hoofdrol als Fabian van Fallada in de gelijknamige jeugdreeks.

Daarnaast vertolkte hij door de jaren heen nog vele andere televisierollen.

Zo speelde hij Miel Bataille in ‘Rupel’, was hij drie jaar lang te zien als Gaston Veugelen in ‘Familie’ en had hij een rol als Karel Arends in de telenovelle ‘Ella’.

Zijn veelzijdigheid bleek ook uit zijn talrijke gastoptredens in populaire series.

Hij verscheen onder meer in ‘De Kotmadam’, ‘Windkracht 10’, ‘Wittekerke’, ‘Spoed’, ‘Flikken’, ‘Aspe’ en ‘LouisLouise’. In ‘F.C. De Kampioenen’ was hij zelfs drie keer te gast in verschillende rollen.

Daarnaast werkte hij mee aan klassiekers als ‘Manko Kapak’, ‘Kapitein Zeppos’, ‘Het zwaard van Ardoewaan’ en ‘De Paradijsvogels’.

Op het witte doek had hij een rol als begrafenisondernemer in de film ‘Pauline & Paulette’ uit 2001.

Vlak bij de bekende Hotsy Totsy in Gent ligt een verborgen parel: de Turrepoortsteeg.

Velen lopen er achteloos voorbij, maar wie de steeg inwandelt, vindt een oase van rust die de Gentse kunstenaar Gustave Dierkens (1878 – 1940) al in 1936 wist te vatten op doek.

Zijn schilderij toont een tafereel uit een ongetwijfeld rustiger tijdperk, maar ook vandaag nog ademt het steegje een sfeer waarin je de wereld even vergeet.

De naam ‘Turrepoort’ (of Torenpoort) is een historische verwijzing naar een van de vier 13e-eeuwse stadspoorten die ooit aan de Oude Houtlei stond.

Vandaag is van de poort enkel een doodlopend steegje over, dat eindigt tegen een blinde muur met een nis.

Het meest opvallende element, zowel in de steeg als op het schilderij, is een bakstenen poortgebouw uit 1764.

Dit gebouw werd dwars over de doorgang gemetseld en fungeerde als achterhuis voor een woning aan de Oude Houtlei.

Tussen de twee ramen van dit poortgebouw prijkt een muurkapelletje met een kleurrijk beeld van Onze-Lieve-Vrouw.

Dit zogenaamde ‘gebuurtekapelletje’, ingewijd in 1929, was nog relatief nieuw toen de kunstenaar het vereeuwigde.

Dit soort kapelletjes ontstond vaak uit dankbaarheid en werd door de buurt zelf gefinancierd.

Dierkens had oog voor detail: op zijn doek zijn aan weerszijden van de kapel ‘zaterdags lichtjes’ te zien. Deze verwijzen naar de oude gewoonte om op zaterdag, de Mariadag, extra verlichting te branden.

De kunstenaar achter dit sfeervolle werk, Gustave Dierkens, was een rasechte Gentenaar.

Hij genoot zijn opleiding aan de Gentse Academie voor Schone Kunsten, waar hij later ook als tekenaar en leraar aan verbonden was.

Hoewel hij vooral bekend stond om zijn stadsgezichten, schilderde hij ook landschappen, bloemen, portretten en stillevens.

Zijn belangrijkste werk buiten zijn thuisstad is te vinden in Leuven, waar hij in 1935 de kruisweg voor de kapel van het Heilige Drievuldigheidscollege ontwierp.

Een leuke wetenswaardigheid is dat deze school lange tijd de bijnaam ‘Gentsch College’ droeg, omdat ze werd opgericht door de Gentse humanist Frans van de Nieulande (Bronnen Robert Declerck en Ghendtsche Tydinghen)

Vandaag 111 jaar geleden, bezetten de Duitse troepen Gent.

Op 12 oktober 1914 marcheerden Duitse troepen Gent binnen.

De stad werd de hoofdplaats van het Vierde Etappegebied, een militaire zone die West- en Oost-Vlaanderen en een deel van Henegouwen besloeg.

Hierdoor kwam Gent onder een direct militair bestuur te staan, wat een bezettingsregime met zich meebracht dat nog harder was dan in de rest van België.

Het leven in de stad veranderde drastisch. Contact met andere delen van het land werd zo goed als onmogelijk gemaakt.

De pers en de post stonden onder strenge censuur en elke vorm van politieke berichtgeving was verboden.

Het dagelijkse leven werd gedomineerd door voortdurende opeisingen door de bezetter.

In het stadscentrum namen de Duitsers steeds meer gebouwen in beslag, te beginnen met alle kazernes.

De Kouter werd de centrale uitvalsbasis waar onder andere de Kommandantur en de Pass-Zentrale gevestigd waren.

Veel gebouwen kregen een nieuwe, militaire functie: het Gravensteen diende als opslagplaats en herstelplaats voor wapens, in het Groot Vleeshuis werden bier en wijn gestockeerd en Het Pand werd een groentendepot.

Soldaten konden revalideren in hotels, scholen en het Casino aan de Coupure, terwijl het Belfort dienstdeed als uitkijkpost voor piloten.

Het omvangrijke wagenpark van het leger vond onderdak in loodsen in de haven.

Met ongeveer 12.000 militairen was de Duitse aanwezigheid overweldigend en zeer zichtbaar in het straatbeeld.

Duitse vlaggen wapperden aan de gevels, Duitse bewegwijzering hing aan muren en bomen, en cafés kregen Duitse namen.

Het station Gent Sint-Pieters groeide uit tot het centrale spoorwegknooppunt voor het transport van troepen en materieel van en naar het front.

De controle over de bevolking werd aangescherpt door de invoering van de identiteitskaart met foto.

Aanvankelijk was dit document enkel nodig om het Etappegebied te verlaten, maar vanaf 1916 werd iedere inwoner verplicht er een te bezitten en bij zich te dragen.

Vier jaar lang was de bewegingsvrijheid van de Belgen beperkt tot hun eigen gemeentegrens, tenzij ze de nodige papieren konden voorleggen.

De productie van al deze identiteitskaarten stelde fotografen voor een praktisch probleem.

Door een tekort aan fotopapier namen ze vaak hun toevlucht tot een creatieve oplossing: ze maakten een groepsfoto en sneden vervolgens de individuele gezichten uit om op de identiteitskaarten te kleven.

Het grootste probleem vanaf het begin van de oorlog was echter de voedselbevoorrading.

De binnenlandse productie was ontoereikend, de Britse maritieme blokkade verhinderde de invoer van levensmiddelen en de talrijke Duitse opeisingen maakten de situatie nog nijpender.

De Stad Gent reageerde snel en richtte al op 8 augustus 1914 een Stedelijk Comité der Volksvoeding op dat gratis soep en brood uitdeelde.

Tegen het najaar werd de voedselsituatie echter kritiek.

Op 23 oktober 1914 werd in Brussel het Nationaal Hulp- en Voedingscomité opgericht dat de spil zou worden van de nationale hulpverlening.

Voedsel werd in de Verenigde Staten aangekocht door de Commission for Relief in Belgium.

De distributie in België zelf werd door het Nationaal Comité georganiseerd via een netwerk van provinciale en lokale comités.

Het voedsel werd gerantsoeneerd en verkocht in speciale ‘Amerikaanse’ winkels.

In 1916 waren meer dan 60.000 Gentenaars afhankelijk van deze voedselhulp.

Naarmate de oorlog vorderde, nam het Comité steeds meer taken op zich, zoals het organiseren van soepkeukens, melk- en schoolmaaltijden, het uitdelen van kleding, werklozensteun en het versturen van pakjes naar krijgsgevangenen.

Naast dit nationale initiatief waren er in Gent nog een dertigtal kleinere hulporganisaties actief.

Deze georganiseerde hulp was echter maar één kant van het verhaal. Schaarste leidde onvermijdelijk ook tot hamsteren, een bloeiende zwarte markt en woekerprijzen.

Nieuwe rijken, die profiteerden van de tekorten, kregen de smalende bijnaam ‘baron Zeep’, een verwijzing naar de bijzonder winstgevende productie van ersatzzeep.

De afkorting ‘RIF’ op deze zeepblokken werd door de bevolking verkeerdelijk geïnterpreteerd als ‘Reines Jüdisches Fett’, wat de gruwelijke misvatting voedde dat er menselijk vet in verwerkt zat.

In werkelijkheid stond de afkorting voor ‘Reichsstelle für industrielle Fette’, het rijksbureau voor de bevoorrading van industrieel vet, en bevatte de zeep geen menselijk vet.