Karel Miry: de Gentse componist van de Vlaamse Leeuw en wegbereider van het Nederlandstalig muziektheater

Karel Miry werd op 23 maart 1823 in Gent geboren als Carel Franciscus Leopoldus Stepman, de onwettige zoon van Francisca Stepman.

Pas twee jaar later, bij het huwelijk van zijn ouders Francisca en François Xaverius Miry in 1825, werd hij officieel erkend en kreeg hij de familienaam Miry.

Hij kreeg zijn eerste muziek- en vioollessen van zijn oom, Pieter Jan Miry, waarna hij vanaf 1835 studeerde aan het Toonkundig Conservatorium in Gent.

Gedurende zijn leven hanteerde hij verschillende varianten van zijn voornamen, zoals Carolus Franciscus Leopoldus en de Franstalige versie Charles François Léopold.

Hij trad in het huwelijk met Stephanie Joanna Elisa De Clercq en bouwde een indrukwekkende loopbaan op die hem uiteindelijk de onderscheiding van officier in de Leopoldsorde opleverde.

Binnen het Gentse muziekleven speelde hij een centrale rol als veelzijdig musicus die zowel als violist, dirigent en docent actief was.

Hoewel hij in 1840 als tweede violist solliciteerde bij het operaorkest van Gent, werd hij aanvankelijk als slagwerker aangenomen.

Pas in 1843 werd hij tweede violist en klom daarna op tot tweede concertmeester in 1849.

Van 1855 tot 1870 was hij concertmeester in het grote theater van Gent. Dit Grand Théâtre, de huidige Opera Gent, was destijds het prestigieuze centrum van het culturele leven voor de burgerij en fungeerde als een Franstalig bastion.

In 1857 werd hij door de gemeenteraad benoemd tot dirigent van de concerten en docent van de orkestklas, harmonieleer en compositie aan het Koninklijk Conservatorium Gent, waar hij in 1871 onderdirecteur werd.

Tot zijn leerlingen behoorden bekende namen als Florimond Van Duyse, Dorsan Pierre Norbert Van Reysschoot, Karel Roels, Hendrik Waelput, Jozef Van der Meulen en Leo Van Gheluwe.

Verder was hij muziekleraar in het Sint-Barbaracollege en inspecteur van het muziekonderwijs in de stadsscholen.

Zijn oeuvre is omvangrijk en omvat ruim 1000 werken in alle genres.

Een belangrijk instrumentaal werk is zijn Symfonie in sol-groot uit 1854, die vaak de Gentse symfonie wordt genoemd omdat hij het stuk opdroeg aan de magistraten van de Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in zijn geboortestad.

Miry was een van de eerste Belgische componisten die opera’s schreef op Nederlandstalige libretto’s.

Al in 1841 componeerde hij de muziek voor Keizer Karel en de Berchemse Boer op tekst van Hippoliet Van Peene, mogelijk het eerste Nederlandstalige zangspel na 1830.

Hij won diverse prijzen, waaronder medailles van de Gentse Société royale des Beaux-Arts et de Littérature in 1849 en 1850.

Na een verblijf in Parijs tussen 1850 en 1852 won hij bij zijn terugkeer opnieuw prijzen van het Nederduitsch Taelverbond voor drie koorwerken.

Zijn stijl sloot nauw aan bij de romantische traditie, waarbij hij vaak putte uit lokale thema’s en volksverhalen.

Hiermee droeg hij aanzienlijk bij aan de emancipatie van de Nederlandstalige muziek in een tijd waarin het Frans domineerde.

Vandaag is hij bij het grote publiek vooral bekend als de componist van De Vlaamse Leeuw, waarvoor hij de muziek schreef in 1847 op een tekst van Hippoliet Van Peene.

Als eerbetoon aan hun samenwerking bevinden zich aan de Vlaamsekaai in Gent de naast elkaar gelegen Villa Karel Miry en Villa H. Van Peene.

Aan zijn voormalige woning in de Twaalfkamerenstraat is een gedenkplaat aangebracht.

Op het Casinoplein staat bovendien een monument van de hand van Hippolyte Leroy.

Dit gedenkteken bestaat uit een hoge witstenen zuil met zingende kinderen in halfverheven beeldhouwwerk en een Vlaamse leeuw die de vlag verdedigt aan de voet.

Bovenop staat het borstbeeld van Miry, die glimlachend naar het publiek kijkt.

Zijn beeltenis is eveneens vastgelegd op een olieverfschilderij van Gustave Vanaise in het Museum voor Schone Kunsten Gent.

De naam van de componist leeft voort in de Karel Miryzaal van het Gentse conservatorium aan de Hoogpoort en in een vergaderzaal in het Virginie Lovelinggebouw.

Ook buiten Gent wordt hij geëerd met straatnamen in Brugge, Antwerpen en Edegem.

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 100 jaar geleden, op 19 maart 1926, werd het Justitiepaleis van Gent geteisterd door een hevige brand die grote delen van het gebouw in de as legde.

De aanzienlijke schade trof niet alleen het bouwwerk zelf, maar vernietigde ook waardevolle schilderijen en een enorme hoeveelheid historische documenten, waaronder de burgerlijke stand die terugging tot het jaar 1500.

Het gebouw was oorspronkelijk tot stand gekomen na een voorstel van het Gentse gemeenteraadslid Massez in 1835.

Hij was de politieke drijfveer achter het project, omdat de rechtspraak in die tijd nood had aan een centrale en waardige locatie in de stad.

De Gentse stadsarchitect Louis Roelandt ontwierp het paleis op basis van dit initiatief en raamde de kosten op ruim achthonderdduizend frank.

De bouw begon in 1836 op de plek waar voorheen het klooster van de Recoletten had gestaan.

Na een constructieperiode van tien jaar vond de plechtige inhuldiging plaats in het najaar van 1846, hoewel de grote wandelzaal al twee jaar eerder in gebruik was genomen.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog hadden Duitse troepen het pand opgeëist en als kazerne gebruikt, waarbij het interieur zwaar werd verwaarloosd.

Na de brand van 1926 heerste er toen onzekerheid over de herbouw, waardoor de autoriteiten besloten de gerechtelijke diensten tijdelijk onder te brengen in het oude seminarie bij de Sint-Baafskerk.

Dit gebouw bood voldoende ruimte voor de rechtbank van koophandel, het hof van beroep en het assisenhof. Terwijl de brandweer nog probeerde te redden wat er te redden viel aan dossiers, bleef de exacte oorzaak van de ramp onduidelijk; er werd gespeculeerd over kortsluiting, kwaad opzet of een defect aan de verwarmingsinstallatie.

Het Ei (3 en 4 april 2026)

Christus leeft sinds een jaar (anoniem) onder het gewone volk te Gent.

Hij is elke dag te vinden in “’t Huis”: een plaats waar elke kansarmere of eenzame medemens welkom is voor een babbel en warme maaltijd.

Hij is er gekend als de joviale Chris en is er samen met z’n kameraad Kris actief als vaste vrijwilliger en animator. Chris’ optimistische gemoed slaat echter om wanneer hij verplicht afscheid moet nemen.

Elk jaar na Pasen wordt hij immers door zijn Vader naar een nieuwe missiepost gezonden.

Hij is het wereldwijde rondreizen moe, temeer daar hij z’n hart verloren blijkt te hebben in Gent. Maar hoe vertel je zoiets aan je almachtige Vader?

“Het Ei” is een komische Gentse familievoorstelling met een warm en muzikaal hart. Over jezelf willen en kunnen zijn, wie je ook bent.

Vandaag is mijn mama, geboren als Monique Van Speybrouck jarig.

Op deze foto’s is ze zes maanden oud, samen met haar grootmoeders en mijn marraine.

Foto van mijn overgrootmoeder (de mama van mijn grootvader)

Gisteren nog vandaag

Foto: mijn mama, marraine en mijn overgrootmoeder

Gisteren nog vandaag

Mijn marraine en mijn mama

Gisteren nog vandaag

Mijn mama (geboren op 2 maart 1942)

Gisteren nog vandaag

Tante Vergenie van mijn mama, de zus van mijn meter 

Gisteren nog vandaag

Oude postkaart van Klokke Roeland en de bewogen geschiedenis van De Grote Triomfante.

De basis voor dit verhaal ligt bij een bijzondere opdracht van de stad, waarbij Hemony de taak kreeg een nieuwe beiaard te gieten voor het Belfort.

Dit was een prestigieuze klus die destijds uitsluitend door een officiële poorter van de stad uitgevoerd mocht worden.

Uit de handen van Hemony ontstond de indrukwekkende basklok De Grote Triomfante.

Al snel kreeg deze klok in de volksmond de naam Klokke Roeland, een titel die zij overnam van haar voorganger.

In 1914 werd geprobeerd de luidklok te elektrificeren, maar dit systeem bleek verre van optimaal.

De hevige trillingen die hierdoor ontstonden, veroorzaakten een grote scheur in Klokke Roeland, waardoor deze definitief verstomde.

Uiteindelijk werd de beschadigde klok in 1948 uit de toren gehaald en vervangen door een nieuw exemplaar, terwijl de originele klok een ereplaats kreeg aan de voet van het Belfort.

Na bijna negentig jaar stilte werd in 2002 besloten om de scheur te herstellen.

De klok werd hiervoor overgebracht naar Koninklijke Eijsbouts in het Nederlandse Asten, waarna ze in herstelde staat terugkeerde naar haar vertrouwde plek.

Tijdens de herinrichting van het plein tussen 2009 en 2012 moest Klokke Roeland echter opnieuw verhuizen.

Op het vernieuwde Emile Braunplein staat nu een betonnen koker die eigenlijk bedoeld was voor de nieuwe Mathildisklok.

Vanwege onenigheid hangt De Grote Triomfante sinds 2012 in deze koker.

In de toekomst wordt zij mogelijk weer in het Belfort opgehangen als beiaardklok.

Om nieuwe schade te voorkomen, zal zij dan echter niet meer als luidklok worden gebruikt.

Interessant is dat de klok die sinds 1948 in het Belfort hangt ter vervanging van De Grote Triomfante, ook vaak Klokke Roeland wordt genoemd.

Haar officiële naam is echter de Sint-Michielsklok, en zij heeft historisch gezien geen relatie met de oorspronkelijke Roeland of De Grote Triomfante.

Vandaag precies dertig jaar geleden werd België getroffen door de zwartste dag uit zijn verkeersgeschiedenis.

Om tien uur ’s ochtends veranderde de E17 in Nazareth, op de drukke as tussen Gent en Kortrijk, in een huiveringwekkend decor toen meer dan tweehonderd voertuigen op elkaar inreden in een plotseling opkomende mistbank.

De enorme impact en de daaropvolgende branden eisten een zware tol: tien mensen kwamen om het leven, terwijl 56 personen zwaargewond raakten en dertig anderen lichte verwondingen opliepen.

Op Europese schaal blijft dit drama de op één na ergste kettingbotsing uit de geschiedenis.

Alleen een ongeval in het Spaanse Baskenland in 1991 was nog dramatischer, met zeventien doden en een vijftigtal gewonden.

De oorzaak was in beide gevallen identiek: een plotselinge, ondoordringbare muur van mist die elke reactietijd wegnam.

Ook al vijf jaar geleden deze maand, onze Gentse vriend Walter Ertvelt met zijn album Roaring 2020.

Ter gelegenheid van zijn toen zeventigste verjaardag vond hij het na vijftig jaar liedjes schrijven voor anderen de hoogste tijd om zelf een album uit te brengen.

Het werd zelfs een dubbel-cd onder de titel Roaring 2020.

Hoewel zijn naam misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, is zijn werk ongetwijfeld bekend.

Zo schreef hij de tekst van ‘Vreemde Vogels’, de zomerhit van Claire uit 1973 die nog altijd staat als een huis.

Daarnaast schreef hij nummers voor namen als Johan Verminnen, Kris De Bruyne, Ann Christy en Miek en Roel.

Ook voor Rob de Nijs was hij een belangrijke schakel; Walter werkte mee aan diens album ‘Tussen Zomer En Winter’ uit 1977.

Rob de Nijs verbleef destijds enkele weken in Gent in 1976, voor de voorbereiding, en was toen bijna elke avond aanwezig in de Hotsy Totsy.

De hoes van dat album is overigens een kunstwerk van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe.

Ook als producer liet Walter zijn sporen na in samenwerkingen met Roland, de Skyblasters en Zaki.

Zijn creativiteit reikte echter verder dan muziek alleen; samen met Herwig Deweerdt maakte hij de film Jacques Brel aux Marquises en tot 2001 verzorgde hij een column in het Radio 1-programma ‘Het Einde van de Wereld’.

Bovendien was hij de drijvende kracht achter de Waterfront Galerie op Meulestede in Gent.

Dat was ook de plek waar Hotsy Totsy in 1998 een groot feest gaf ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, gecombineerd met een tentoonstelling in de galerie.

Voor zijn eigen muzikale project werkte hij samen met componist Yves Meersschaert en liet hij zich omringen door het kruim van de Gentse muziekscene, met bijdragen van onder anderen Roland, Steven De bruyn, Bart Maris en Edward Buadee.

In memoriam Philip Vanoutrive: het heengaan van een begenadigd Gents fotograaf en verteller.

Philip Vanoutrive was een veelzijdige Gentse creatieveling die bekendstaat om zijn vermogen om verhalen te vertellen via zowel de lens als het geschreven woord.

Hij combineerde zijn passie voor fotografie vaak met een scherp oog voor detail en een diepgaande interesse in menselijke verhalen en landschappen.

Hij had een talent voor het vinden van schoonheid in de eenvoud en de rust van het alledaagse leven.

Zijn vakmanschap werd jarenlang gewaardeerd door een breed publiek, mede door zijn werk als fotograaf bij Het Volk en later bij De Gentenaar, waar hij talloze gebeurtenissen en menselijke verhalen visueel vertaalde voor de lezers.

Tijdens zijn eerste jeugdjaren woonde het gezin op de Coupure Links in Gent, tot het gezin enkele jaren later naar De Pinte verhuisde.

Het was daar dat de jarenlange band met mijn familie ontstond; mijn plusmama Magda was destijds zijn leidster toen hij als welp bij de plaatselijke jeugdbeweging zat.

Zelf leerde ik Philip kennen dankzij het NTG, maar daarna steunde hij mij toen ik de patron was van de Hotsy Totsy.

Jarenlang was hij daar een trouwe klant en toen hij samenwerkte met Manu, was de Hotsy Totsy de vaste plek om de werkweek op vrijdag af te sluiten.

Nog maar een paar maanden geleden hadden we een gesprek op sociale media om binnenkort nog eens af te spreken, samen met Magda.

Het is pijnlijk dat deze ontmoeting er niet meer zal komen.

Wat veel mensen echter niet weten, is dat hij ook een zeer goede tekenaar was en prachtige metaal- en houtsculpturen maakte.

In deze kunstwerken kon hij zijn creativiteit en ambacht op een andere manier tot uiting brengen.

Een bijzonder hoogtepunt in zijn carrière was dat hij als eerste Belgische fotograaf een eerste prijs won in de wereldwijd gerenommeerde wedstrijd World Press Photo, specifiek in de categorie Nature in 1989.

Deze prestigieuze erkenning onderstreepte zijn vakmanschap en zijn vermogen om de natuur op een unieke en impactvolle manier vast te leggen.

Naast zijn natuurfotografie legde Vanoutrive ook belangrijke historische tradities en menselijke getuigenissen vast in verschillende boekpublicaties.

Zijn sociaal-historische betrokkenheid bleek al vroeg uit het boek ‘De allerlaatste getuigen van WOI’, uitgebracht in september 2011, waarin veertig oorlogskinderen van 1914-1918 een stem kregen.

In dit werk vertellen hoogbejaarde, maar kranige mannen en vrouwen op levendige wijze over hun ervaringen. De prachtige portretfoto’s van Vanoutrive vormden een respectvol eerbetoon aan deze getuigen.

In 2014 bracht hij het rijk geïllustreerde boek ‘The Last Post’ uit.

Hiervoor bracht hij een jaar lang de unieke ceremonie onder de Menenpoort in Ieper in beeld, waarbij Ian Connerty de geschiedenis van de ceremonie en haar helden beschreef en unieke archieffoto’s de beelden van Vanoutrive aanvulden.

Enkele jaren later, in 2017, volgde het boek Meneer de champetter.

Hierin bracht hij een hommage aan de veldwachter die dag en nacht bereikbaar was om het welzijn van plattelanders te beschermen.

Het boek beschrijft de laatste vijftig jaar van de landelijke politie tot aan de hervorming in 2001 en brengt straffe verhalen en anekdotes samen die door meer dan dertig oud-veldwachters zijn opgegraven.

Zijn werk verscheen geregeld in diverse media en publicaties, waar hij gewaardeerd werd om zijn vermogen om sfeer en emotie over te brengen op een authentieke manier, of het nu ging om reizen, cultuur of diepmenselijke geschiedenissen.

Volkomen onverwacht is onze vriend Philip Vanoutrive gisteren, op 9 februari 2026, overleden ten gevolge van hartfalen in het AZ Sint-Lucas te Gent.

In het weekblad ABC van 12 januari 1936 wordt een bijzonder portret geschetst van de arbeider Emiel Van Heddegem als kunstenaar uit Wetteren.

In een tijd waarin economische crisis en werkloosheid voor velen een dagelijkse realiteit waren, zochten veel arbeiders naar een zinvolle invulling van hun vrije uren.

Terwijl sommigen uit noodzaak knutselden om de morele leegte te vullen, waren er ook vakmensen zoals Emiel Van Heddegem uit Wetteren die hun passie naar een uitzonderlijk artistiek niveau tilden.

Tijdens een bezoek aan zijn woning aan de Oordegemsesteenweg krijgt de lezer een blik in de wereld van deze gedreven houtbewerker.

Van Heddegem begon in 1930 met zijn artistieke arbeid aan de draaibank. Wat begon als een liefhebberij, groeide al snel uit tot werk van een niveau dat nationale erkenning verdiende.

De foto’s bij het artikel tonen een indrukwekkende collectie voorwerpen, variërend van fijnzinnige vazen en gedecoreerde doosjes tot kandelaars.

Vooral het geometrische inlegwerk en de verfijnde details getuigen van een groot technisch vernuft.

Zijn vakmanschap werd bekroond met diverse prestigieuze onderscheidingen.

Zo behaalde hij in 1932 de beker Dees Cnudde.

Deze prijs was vernoemd naar Désiré Cnudde, een invloedrijk Gents politicus en vertrouweling van Edward Anseele, die zich hartstochtelijk inzette voor de sociale en culturele verheffing van de arbeidersklasse.

De beker was een centrale ereprijs op de groots opgezette tentoonstellingen van de vrije tijd, vaak georganiseerd in gebouwen zoals de Vooruit in Gent.

Deze evenementen hadden als doel de arbeider weg te trekken uit de sfeer van passieve ontspanning en te laten zien dat handarbeiders over een enorme dosis creativiteit en geduld beschikten.

Het winnen van deze beker was een bijzondere prestatie, omdat de deelnemers streng werden beoordeeld op zowel technische perfectie als esthetische waarde.

Voor Van Heddegem was dit slechts het begin, want in 1935 werd hij bovendien benoemd tot laureaat van de Arbeid van België in de eerste klasse.

De tekst benadrukt dat deze vorm van vrijetijdsbesteding veel meer was dan louter tijdverdrijf. Het was een vorm van geestelijke emancipatie.

Voor de arbeider-kunstenaar vormde de creatieve arbeid een noodzakelijk tegenwicht voor de dagelijkse sleur van de fabriek of de werkplaats.

De voldoening van het creëren van schoonheid uit ruwe materialen compenseerde de vele uren van inspanning en opoffering.

Het artikel eindigt met een diep respect voor deze stille werker uit Wetteren, die bewees dat kunst en handarbeid onlosmakelijk met elkaar verbonden kunnen zijn

Gisteren nog vandaag

Voordat Henri Frans als de legendarische Bento de koning van de Lammerstraat werd, kende hij een bescheiden start in Ledeberg.

Als twintiger woonde hij daar nog bij zijn moeder en verdiende hij de kost als dagbladverkoper.

Zijn leven nam een beslissende wending in 1898 toen hij trouwde met de Gentse kleermaakster Clementine Van Guyse.

Het koppel verwachtte toen al hun eerste kind; Clementine was drie maanden zwanger van René Eugène Frans.

Na het overlijden van zijn schoonvader trok het jonge gezin in bij de weduwe en nam daar het café Estaminet Den Biekorf over.

In 1902 werd het gezin compleet met de geboorte van hun tweede zoon, François, roepnaam Frans.

Ondertussen leidde Henri een dubbelleven en timmerde hij hard aan de weg als circusartiest.

Al in 1897 dook hij voor het eerst op in het programma van het Nieuw Circus als deel van Les Franch, de “twee leuke Chinezen uit Ledeberg”.

Tegen 1906 sloot hij zich aan bij een nieuwe acrobatengroep, het Horatius Trio, samen met Theofiel Caluwaert, alias zotten Theo, en de jonge knaap Serafien Fruytier.

Hun act was spectaculair: ze stonden met drie man hoog op elkaars schouders terwijl ze een trap op- en afstapten.

Henri leerde Serafien de knepen van het vak en samen ontwikkelden ze als The Original Bento Brothers een ijzersterk evenwichtsnummer.

Het duo kende succes, maar hun wegen scheidden uiteindelijk definitief. Serafien keerde waarschijnlijk niet met Henri terug naar België na hun Amerikaanse avonturen.

Hij tekende voor nog een seizoen bij Barnum & Bailey in 1913, dit keer met de groep van de Belg Joseph DeKock, en bouwde een leven op in de Verenigde Staten.

In 1918 diende Serafien in het Amerikaanse leger, werd staatsburger onder de naam Jack Bento en overleed uiteindelijk op 75-jarige leeftijd in Chicago.

Henri moest dus op zoek naar een nieuwe cascadeur of vlieger.

Hij vond potentieel in de Gentse turnkring Vrijheidsliefde, waar zijn oog viel op de veertienjarige Polydoor De Baets.

Henri bood de jongen een contract aan van 25 frank per maand, inclusief kost en inwoning.

Na intensief oefenen in turnlokalen en lokale tournees vormden ze samen met de Gentse acrobaat Joseph La Porte het Frans Bento Trio.

Na enkele contracten in België en Frankrijk vertrok het trio in maart 1913 naar Amerika met een contract voor het prestigieuze Ringling Brothers Circus.

Het was een slopend maar succesvol schema: tussen 5 april en 1 november speelden ze in 144 steden en 32 staten.

Na een winter thuis vertrokken Henri en Polly in maart 1914 voor een tweede seizoen. Toen ze op 24 oktober 1914 hun laatste show speelden in Cairo, Illinois, woedde in Europa echter volop de oorlog.

Henri, inmiddels 37 jaar oud en met een carrière van zeventien jaar achter de rug, slaagde erin om via een schip van de White Star Dominion Line vanuit Liverpool terug te keren naar Gent.

Als leider van zijn gezelschap had het acrobatencircuit hem financieel geen windeieren gelegd.

Met dat kapitaal opende hij in mei 1915 Café Bentos op nummer 15 in de Lammerstraat.

De locatie was strategisch: vlak naast het Nieuw Circus dat in die periode dienstdeed als cinema en variétézaal, en recht tegenover Vooruit, het machtige Feestpaleis van de socialisten.

Het café werd een ontmoetingsplek voor artiesten en bood logement aan rondreizende artiesten.

Het interieur werd een bezienswaardigheid dankzij Henri’s jeugdvriend Achilles De Maertelaere.

Ze kenden elkaar van de turnkring De Volksmaatschappij en deelden hun socialistische overtuiging.

Achilles, die het pseudoniem Achille Bentos aannam, beschilderde de muren met taferelen die Henri’s verhalen weerspiegelden: het wilde westen, Japanse landschappen, Egypte en Afrikaanse waterdragers.

Henri zat tijdens de oorlogsjaren echter niet stil en gebruikte zijn netwerk voor liefdadigheid via het socialistische Feestpaleis Vooruit.

Een hoogtepunt was de productie Barnum te Gent in 1917, waarmee hij lokale artiesten speelkansen bood.

Na de oorlog bleef Henri zijn café uitbaten, maar het ondernemersbloed kroop waar het niet gaan kon.

Hij begon zijn eigen Cirque Bento en huurde in 1921 een gigantische viermasttent die hij op het Sint-Pietersplein liet opzetten.

Een verwoestende nachtelijke onweerstorm maakte na enkele maanden echter een einde aan zijn droom.

Met deze tegenslag leek Henri zijn actieve, grootschalige circusplannen voorgoed opgeborgen te hebben.

Hij zag daarentegen zijn zonen René en Frans en zijn leerlingen Serafien en Polly floreren.

Vooral de band tussen René en Polly was hecht; ze waren van dezelfde leeftijd en kenden elkaar door en door, omdat Polly als leerling bij het gezin had ingewoond.

In 1925 bundelden deze jeugdvrienden hun krachten als Los 3 Bentos en toerden door Zuid-Amerika.

Terug in België verstrengelden de familiebanden zich verder: Polly trouwde met Jenny Moreels, de zus van Frans’ vrouw Jeanne.

Samen met René en diens Braziliaanse vrouw Chela vormden ze The 4 Bentos, die successen vierden in Engeland en geportretteerd werden door Laura Knight.

Ook Henri’s andere zoon, Frans, had kortstondig in het acrobatenvak gezeten, maar koos uiteindelijk voor de stabiliteit van de horeca.

In maart 1931 nam hij Café Bentos in de Lammerstraat over van zijn vader. Hij zou er cafébaas blijven tot het einde van de Tweede Wereldoorlog.

Het legendarische café in de Lammerstraat zou uiteindelijk in de jaren vijftig verdwijnen, maar Henri zelf was toen al verhuisd.

In 1935 nam hij café Concordia in de Wondelgemstraat over en doopte hij ook deze zaak om tot Bentos.

De muren hingen vol met grote foto’s uit zijn glorietijd bij Barnum & Bailey en Ringling Brothers.

Aan iedereen die het wilde horen, vertelde hij zijn verhalen bij de beelden.

Dit café in de Wommelgemstraat bestaat vandaag nog steeds, al is het originele interieur helaas verdwenen.

De oude dag van Henri werd overschaduwd door de Tweede Wereldoorlog en persoonlijk drama.

In 1945 verloor hij zijn zoon René, die amper 46 jaar oud werd. Henri overleefde hem drie jaar en stierf op 20 maart 1948.

Zijn goede vriend Achilles Bentos vereeuwigde Henri en Clementine op latere leeftijd in een tweeluik.

Dit beeld toont hun oude dag en vormt een scherp contrast met het bruisende leven dat achter hem lag, altijd onder de mensen en vol van de opwaartse drang die hij ongetwijfeld onder zijn vel had (bronnen: Het Huis van Alijn, diverse bronnen, Wikipedia en Gwendolien Sabbe).