45 jaar geleden, Yoko Ono, bedankt de wereld

Hoewel de brief op 11 januari 1981 in grote internationale kranten zoals de Sunday Times en de New York Times verscheen, duurde het in de pre-digitale periode vaak weken of zelfs maanden voordat dergelijke persoonlijke documenten volledig vertaald de Europese tijdschriften bereikten.

In die tijd waren muziekmagazines zoals Muziek Expres de belangrijkste bron voor fans in Vlaanderen en Nederland om diepgang te vinden bij het wereldnieuws.

De vertraging tot maart 1981 zorgde ervoor dat de boodschap van Yoko Ono hier pas echt landde op het moment dat de eerste schok van de aanslag in december langzaam plaatsmaakte voor een periode van verwerking en nagedachtenis.

In de brief bedankt Yoko Ono iedereen voor de brieven, telegrammen en gedachten die van overal ter wereld zijn gekomen.

Het was een grote troost, want zij en John geloofden in een vriendschap die verder gaat dan ras, kleur of geloof.

De berichten kwamen werkelijk overal vandaan, zelfs uit gevangenissen, en dat was hartverwarmend.

Ook bedankt ze voor de donaties aan de Spirit Foundation, waar inmiddels al 100.000 dollar was opgehaald.

Omdat zij en John de stichting altijd zelf beheerden en alle kosten uit eigen zak betaalden, beloofde ze dat al het geld rechtstreeks naar mensen zou gaan die het hard nodig hebben.

De stichting zou niet meewerken aan commerciële activiteiten of merchandising.

Yoko begrijpt de bezorgdheid over mensen die geld proberen te verdienen aan de naam van John, maar ze vraagt mensen om zich niet schuldig te voelen als ze op kleine schaal iets ondernemen ter nagedachtenis aan hem.

John had een groot gevoel voor humor en zou volgens haar zeggen: whatever gets you through your life.

Hij had liever dat mensen positief over hem dachten en iets goeds deden met dat geld voor hun kinderen of geliefden, dan dat ze zouden verdrinken in schuldgevoelens.

Wat overblijft, mocht gegeven worden aan wie het nodig heeft. Alleen van grote ondernemingen die hem wilden exploiteren, vroeg ze om contact met haar op te nemen.

Ze deelt in de brief haar boosheid over zijn dood en haar spijt dat ze hem niet kon beschermen.

De enige echte wraak die we volgens haar kunnen nemen, is de wereld veranderen in een plek van liefde en vertrouwen, precies zoals John dat voor ogen had.

We moeten laten zien dat we een wereld van vrede kunnen scheppen voor onze kinderen.

Ze schrijft dat geweld in het hart huist en niet in wapens, en dat we allemaal verantwoordelijk zijn voor de wereld die we toestaan.

Toen John viel, voelde het als een oorlog waarin de vijand onzichtbaar was. Yoko wilde daarna alles weten en zien, elke brief en elk bericht.

Ze zag ook de foto van zijn overlijden, waarop hij er vredig uitzag, maar ze vond de foto waarop hij een handtekening zette voor de man die hem later zou verraden veel moeilijker om te zien.

John had haast die middag en hoefde die handtekening niet te zetten, maar hij deed het toch.

Toen ze die foto later goed bekeek, zag ze hoe hij voorovergebogen stond te schrijven.

Het was een vreemde houding, en ze realiseerde zich dat hij op dat moment tekende bij de poort van de hemel.

John en Yoko voelden zich één geest in twee lichamen.

De laatste vijf jaar werkte zij beneden in het kantoor en hij boven in hun appartement.

Ze schrijft dat ze op dat moment nog steeds beneden was, terwijl hij in het hemelse boven verbleef.

Deze advertentie werd geplaatst in plaats van het geven van interviews of persoonlijke optredens, waar op dat moment veel vraag naar was.

Ze vroeg om tijd voor zichzelf en eindigde met de iconische woorden: Remember, there’s nothing you can do that can’t be done. Imagine. Love, Jan. 11, ’81 New York City (Muziek Expres maart 1981).

Deze week, 35 jaar geleden, komen de meiden van Bananarama en Lananeeneenoonoo met hun single Help Binnen in de Brt Top 30.

In Vlaanderen was hun nummer goed voor een zevende plaats in de Brt Top 30.

In Nederland deden de meiden het een pak minder goed en bereikte ze maar de vijfentwintigste plaats in de Top 40.

Het nummer “Help” is geschreven door John Lennon en Paul McCartney van The Beatles en werd uitgebracht als single in juli 1965.

De Britse meidengroep Bananarama hebben dit nummer gecoverd en dit samen met de komieken French & Saunders en Kathy Burke die zichzelf Lananeeneenoonoo noemde, en dit als een parodie op de naam Bananarama.

Deze cover werd uitgebracht in februari 1989 als de Red Nose Day single om geld in te zamelen voor Comic Relief.

Comic Relief is een Britse charitatieve instelling die in 1985 werd begonnen door komediescriptschrijver Richard Curtis ten behoeve van de hongersnood in Ethiopië.

De muziekvideo voor “Help” werd geregisseerd door Andrew Morahan (Joepie 19 maart 1989)

50 jaar geleden, te gast bij de sekte van het insect.

De kern van de Insektensekte werd gevormd door tandarts/kunstenaar Max Reneman, musicus Hub Mathijsen en kunstenaar Theo Kley, met Cor Jaring als ‘huisfotograaf’.

Zij vonden elkaar in dat ‘magisch centrum’ Amsterdam, waar zij allerlei ludieke, gekke en vaak ook onuitvoerbare projecten bedachten.

In 1968 vormden Kley, Reneman en Mathijsen al het ‘Exoties Kietsj Konservaatoriejum’: een theatraal muzikaal gezelschap dat voortdurend van samenstelling wisselde (iedereen die zelf zijn instrument maakte en bespeelde was welkom).

De groep maakte zich zorgen over de manier waarop met het milieu werd omgegaan.

De milieubeweging kreeg in de jaren 1960 een belangrijke impuls met het verschijnen een boek als Silent Spring van Rachel Carson, waarin de auteur de alarmklok luidde over het gebruik van pesticiden, die ze omschreef als ‘de regen van dood’.

Als reactie op vervuiling en verspilling recycleden de leden onder meer fietsen die ze op de schroothoop vonden.

In februari 1969 werd op de Waddenzee illegaal stookolie geloosd, waarbij veel vogels onder de olie kwamen te zitten.

Als reactie op deze ramp richtten Kley, Mathijsen en Reneman de Insektensekte op, een van de eerste milieubewegingen van Nederland.

Vanaf dat moment sloeg de Insektensekte alarm bij natuurrampen door een vlag met daarop een gouden vlinder halfstok uit het raam te hangen.

De groep had een flink aantal ‘gouden’ vlinders gevonden op de Albert Cuypmarkt.

Vanaf dat moment fungeerde die vlinder als symbool van de Insektensekte.

Ook John Lennon & Yoko Ono kregen een exemplaar tijdens hun beroemde bed-in in het Hilton Hotel in 1969, waar het Exotisch Kietsj Konservaatoriejum hun toezong.

Lennon en Ono werden daarbij tot erelid van de Insektensekte benoemd.

Het Eksooties Kietsj Konservaatoriejum speelde niet alleen in het Hilton voor John & Yoko maar bijvoorbeeld ook bij de opening van de IJtunnel in 1968 en tijdens de tentoonstelling van Daniel Spoerri in het Stedelijk Museum in 1971.

Hub Mathijsen speelde daarbij op de zogenaamde violofoon (een viool zonder de houten klankkast, waarbij het geluid wordt versterkt door een hoorn).

De Insektensekte voerde ook regelmatig performances op die te maken hadden met milieuvervuiling.

Zo werd onder muzikale leiding van Hub Mathijsen in 1969 de ‘Vlinderopera’ opgevoerd, waarin onder andere het lied ‘Moeder waar zijn de vlinders gebleven’ wordt gezongen.

Naast het Exoties Kietsj Konservaatoriejum en de Insektensekte waren Kley, Reneman en Mathijsen in 1970 de oprichters van het ‘Deskundologisch Laboratorium’, samen met onder andere Robert Jasper Grootveld, waarin hun activiteiten samen kwamen.

Het laboratorium maakte studie van het doodgewone: ‘Als je je onderzoek uitsluitend op de problemen richt, zie je de dingen die als een paal boven water staan over het hoofd. Deskundologen spreken in heldere taal over simpele zaken.

Deskundologie is dat wat iedereen met zijn klompen aan kan voelen, en dat niemand boven de pet gaat.’

Het Deskundologisch Laboratorium kende diverse afdelingen, waaronder ‘Milieuverveling’, ‘Sonologie’ en ‘Immuun Blauw’ bijvoorbeeld.

De deskundologie was een ambulante wetenschap, en op hun tochten kleurden de deskundologen zichzelf en de omgeving vaak met het ‘Immuun blauw’, een vrolijke variant op het zakje blauw, destijds de witmaker van wasgoed.

De groep had geen vastomlijnd programma, eigenlijk werd er niets van tevoren afgesproken. Of, zoals Theo Kley mij vertelde, ‘iedereen deed maar wat’.

Ze troffen elkaar in de stad en bedachten dan ter plekke een plan. Of ze gingen er samen op uit met een auto vol attributen en schmink.

Hun doel was wel degelijk serieus, maar de middelen moesten speels zijn, en vooral niet burgerlijk.’Het ging ons om de verwondering’, aldus Kley. (Suzanna Héman, De Post 2 mei 1971 en diverse bronnen)