In de zomer van 1976 bevrijdde de Britse viermansformatie The Real Thing zichzelf in één klap van al haar vorige klusjes.

De groep werd aan het begin van de jaren zeventig opgericht in de wijk Toxteth in Liverpool.

Aanvankelijk traden de leden op onder namen zoals Sophisticated Soul Brothers.

De uiteindelijke bandnaam ontstond volgens de overlevering toen hun manager Tony Hall op Piccadilly Circus in Londen een levensgroot reclamebord van Coca-Cola zag staan met de bekende slagzin.

De vaste kern van de groep werd gevormd door de broers Chris en Eddie Amoo, aangevuld met Dave Smith en Ray Lake.

Na enkele jaren van bescheiden successen en optredens in de bekende tv-talentenshow Opportunity Knocks, kwam in 1976 de grote doorbraak.

Ze waren niet langer de jongens die David Essex vocaal bijstonden op zijn singles en tijdens zijn optredens, en ook het werk als jingle-inzingers lag definitief achter hen.

Iedereen kende hen plotseling dankzij de enorme zomerhit ‘You To Me Are Everything’.

Die doorbraak kwam er dankzij de single die in het voorjaar van 1976 via Pye Records werd uitgebracht.

Het nummer werd geschreven en geproduceerd door het koppel Ken Gold en Michael Denne.

De twee songschrijvers bedachten de meeslepende melodie en het pakkende refrein in minder dan een uur tijd, speciaal afgestemd op de warme tenorstem van leadzanger Chris Amoo.

De song steeg door naar de absolute top van de Britse hitparade, nadat er op het hoogtepunt maar liefst 30.000 exemplaren per dag van over de toonbank gingen.

In juli 1976, midden in de broeierige Britse zomer, klom de single naar de absolute eerste plaats van de Britse hitparade.

Het nummer bleef drie weken lang bovenaan de UK Singles Chart staan en zorgde voor een historisch moment: The Real Thing werd daarmee de eerste volledig zwarte Britse band die toen een nummer 1-hit scoorde in het Verenigd Koninkrijk.

Ook buiten Groot-Brittannië werd de song een grote hit.

In Vlaanderen was het nummer goed voor de achtste plaats in de BRT Top 30, terwijl de single het in Nederland nog iets beter deed en daar de vierde plaats bereikte in de Top 40.

Ondanks dat plotselinge succes hielden de bandleden er een opmerkelijk doordachte en verrassende visie op na.

Ze waren namelijk niet van plan om vijf jaar op een doorbraak te wachten om vervolgens na één knaller weer in de vergetelheid te verzinken.

Eddie Amoo kon het nauwelijks geloven toen manager Tony Hall hem opbelde met het nieuws dat de single als een raket omhoogschoot.

Eddie trok halsoverkop zijn kleren aan, stapte in de wagen en kocht alle muziekkranten die hij kon vinden om de hitlijsten met eigen ogen te zien.

Pas toen hij de notering op nummer 22 in Top of the Pops zag staan, drong het werkelijk tot hem door.

Toch voelde de groep dat succes heel nuchter aan.

Ze wilden dit momentum vooral gebruiken om materiaal uit te brengen dat veel dichter lag bij wie ze echt waren.

Ze vonden ‘You To Me Are Everything’ simpelweg niet representatief voor hun eigen muzikale identiteit.

Zonder enige artistieke pretentie zagen de jongens die hit puur als een opstapje naar een wijdere en diepere creatieve ruimte.

Na een reeks van zo’n zes spectaculaire flops uit het verleden stonden ze nu eenmaal anders in het leven toen ze het nummer opnamen.

Ken Gold ging eerder ook met hen aan de slag voor hun geplande conceptalbum over het leven in Liverpool 8.

Dat project lag de mannen nauw aan het hart.

Ze wilden het verhaal vertellen van een kind dat opgroeide in een reusachtig appartementsgebouw van negentig verdiepingen.

Op Ray na kwamen alle bandleden uit die dichtbevolkte en arme wijk bij de dokken, waar misdaad aan de orde van de dag was, maar waar ook mensen met een ijzeren karakter zoals bokser John Conteh opgroeiden.

Waar iedereen bij Liverpool meteen aan The Beatles dacht, wilde The Real Thing laten zien hoe het er daar werkelijk aan toe ging.

De groep had daarnaast enorm veel te danken aan de mensen om hen heen.

Via een tv-spotje voor producer Jeff Wayne leerden ze zanger David Essex kennen.

Essex was ontzettend eerlijk tegen hen, hielp hen bij het componeren en leerde hen hoe ze persoonlijke liedjes moesten schrijven die echt geworteld waren in hun eigen achtergrond.

Ook het optreden in hun voorprogramma voor duizenden uitzinnige tieners in de Londense Earl’s Court was een onvergetelijke ervaring geweest.

Een andere sleutelfiguur was hun manager Tony Hall, een absolute autoriteit op het gebied van zwarte muziek in Engeland, die hen voortdurend op het juiste spoor hield.

In hun beginjaren traden ze namelijk vooral op in de clubs van Noord-Engeland, waar ze aan het verwachtingspatroon van vier ‘leuke zwarte kerels’ voldeden: ze zongen Amerikaanse nummers, maakten strakke danspasjes en praatten op aandringen van hun vorige manager zelfs met een Amerikaans accent.

In de zomer van 1976 lieten ze die ingestudeerde rol voorgoed achter zich om eindelijk hun eigen verhaal te vertellen.

Na het succes van You To Me Are Everything scoorde de band nog diverse andere hits, waaronder ‘Can’t Get By Without You’ en het doordringende disco-epos ‘Can You Feel The Force?’

Tien jaar later, in 1986, beleefde hun bekendste klassieker een tweede jeugd. Een remix onder de titel The Decade Remix bracht de plaat opnieuw hoog in de hitlijsten, met een top 5-notering in het Verenigd Koninkrijk.

You To Me Are Everything is door de decennia heen uitgegroeid tot een tijdloze pop- en soulklassieker die nog steeds frequent op de radio te horen is en door tal van andere artiesten, zoals Frankie Valli, werd gecoverd.

In de jaren 80 stak het fenomeen van de remixes de kop op in de charts

Heel wat grote hits uit de 60s en 70s keerden dat decennium terug in de hitlijsten, o.a. ‘December 1963 (Oh What A Night)’, ‘Heaven Must Be Missing An Angel’, ‘Downtown’, ‘Black Betty’ en ‘Eve Of The War’.

De allereerste single die in een nieuwe versie opnieuw een hit werd, was ‘You To Me Are Everything’ van de Engelse soulgroep The Real Thing.

In de lente van 1986 werd dit voor de tweede keer een grote Europese hit. In de UK stond het nummer zelfs 2 keer in de top 5.

Het origineel voerde in juli 1976 gedurende 3 weken de Britse top 40 aan. In Nederland stond The Real Thing ermee op n°4 en op n°8 in Ultratop. ‘You To Me Are Everything’ werd nooit een groot succes in de VS.

Dit was te wijten aan het feit dat er verschillende coverversies van werden opgenomen.

Hiervan stonden er drie tegelijkertijd in de Billboard Hot 100, die elkaar stuk voor stuk verhinderden om erboven uit te steken.

Het al in 1970 opgerichte The Real Thing was in de jaren ’70 de meest succesvolle zwarte act.

Ze kwamen in het vizier van EMI door een sterke live-act bestaande uit progressieve versies van Amerikaanse hits. Ondanks positieve kritieken werden de eerste singles geen succes.

De kentering komt er wanneer ze de steun krijgen van idool David Essex en een contract krijgen bij Pye Records.

Na talrijke personeelswissels is de 8ste single ‘You To Me Are Everything’ eindelijk een schot in de roos. ‘Can’t Get By Without You’ en ‘You’ll Never Know What You’re Missing’ (in 2002 nog gesampled door Thomas Bangalter van Daft Punk) zijn daarna nog grote Britse hits, maar daarna sputtert de hitmachine een aantal jaren.

In 1979 slaan ze terug met het space disco-nummer ‘Can You Feel The Force?’.

In 1982 werken ze opnieuw samen met David Essex als diens backingband.

Vier jaar later worden de oude hits dus heropgevist. The Real Thing draait nog steeds mee in het oldiescircuit.

Ze zijn intussen wel herleid tot een duo bestaande uit de oorspronkelijke leden Chris Amoo en Dave Smith.

De andere helft is reeds gestorven.

Chris’ broer Eddie overleed op 23 februari 2018 op 74-jarige leeftijd.

Ray Lake is in 2000 al op 54-jarige leeftijd overleden na een leven van drank- en drugverslavingen.

Ken Gold, de voornaamste songwriter en producer van de band, schreef ook hits bij elkaar voor Billy Ocean, Tight Fit, The Jodelles en Delegation.

Het verhaal van The Real Thing werd in 2019 opgetekend in de docu Everything – The Real Thing Story (met dank aan Denis Michiels)

50 jaar geleden, Don Mercedes en zijn hit ‘Rocky’

De Utrechter, die feitelijk Rob van Bommelen heet, begon al in de jaren zestig muziek te maken met zijn band onder de naam Don Mercedes & his Bentz, al bleef het echt grote succes destijds nog uit.

Dat veranderde in 1976. In dat jaar behaalde de Duitser Frank Farian, de grote man achter Boney M., in zijn eigen land een nummer-één-hit met het Amerikaanse nummer ‘Rocky’, dat oorspronkelijk is geschreven door Jay Stevens en voor het eerst op plaat werd gezet door Austin Roberts.

In 1975 brengt de Amerikaanse countryzanger Dickey Lee het nummer Rocky uit. Het wordt een grote hit in de Verenigde Staten en komt op 1 terecht in de hitlijst genaamd Hot Country Singles.

De Nederlandse producers Peter Koelewijn en Will Hoebee zagen potentie in het lied en besloten er een Nederlandstalige versie van te maken.

John Eshuis, promotieman van platenmaatschappij Phonogram (Philips), nam de vertaling voor zijn rekening.

De producers wisten in eerste instantie nog niet met wie ze het nummer moesten opnemen, totdat Will op het idee kwam om Don Mercedes te benaderen.

Peter haalde vervolgens Bonnie St. Claire over om de vrouwelijke leadstem in te zingen.

Zij had op dat moment net een grote hit met Dr. Bernhard gescoord, samen met hem.

Hoewel verschillende websites beweren dat Patricia Paay de leadstem inzong, is dat dus niet juist.

De hele productie werd in een halve dag afgerond.

Diezelfde dag nog bracht Will een bandje naar een paar diskjockeys, die ‘Rocky’ meteen begonnen te draaien.

Het werd een enorm succes: in Vlaanderen eiste de single gedurende drie weken de hoogste positie van de hitparade op, en ook in Nederland bereikte de plaat de eerste plaats in de Top 40.

Het nummer was zo populair dat het in datzelfde jaar ook nog werd gecoverd door Paul Severs en De Strangers.

Twee jaar later, in 1978, coverde Don Mercedes het nummer “Days Of Pearly Spencer” van David McWilliams.

Peter Koelewijn schreef hiervoor de Nederlandse tekst en het nummer kreeg de titel ‘Telefoon’.

Ook op deze single is Bonnie St. Claire weer te horen.

Tegenwoordig staat deze single op Discogs te koop voor zo’n 50 euro.

Destijds was het exemplaar voor een afgeslankte prijs van 50 Belgische frank te koop, wat neerkomt op 1,25 euro, waarmee het achteraf gezien een van de beste investeringen ooit was.

In 1981 probeerde de zanger nog mee te liften op de wereldwijde Dallas-rage met het nummer ‘Wie Schoot Op J.R. Ewing’.

Na zijn muzikale hoogtijdagen opende hij een discotheek aan de Oude Gracht in Utrecht, die hij enkele jaren heeft gerund voordat de zaak uiteindelijk failliet ging.

Daarnaast bleef hij actief als zakenman.

Zo exploiteerde hij een sinaasappelplantage in Florida en investeerde hij in de Franse en Amerikaanse release van het bekende boek Stoppen met roken van Allen Carr.

In het begin van 2011 verscheen er voor het eerst in dertig jaar weer een nieuw album van zijn hand.

Inmiddels is de Nederlandse zanger 85 jaar oud en geniet hij in alle rust van het leven.

Vandaag is het precies vijftig jaar geleden dat Lucien Van Impe de Ronde van Frankrijk won.

In 1976 vocht hij in de bergen een felle strijd uit met Joop Zoetemelk.

Hoewel Zoetemelk de rit op Alpe d’Huez op zijn naam schreef, stelde Van Impe zijn eindzege definitief veilig in de Pyreneeën op de flanken van de Pla d’Adet.

Het was sowieso een memorabele editie voor de Belgische renners, die destijds enorm schitterden.

Freddy Maertens bleek onstuitbaar en verzamelde maar liefst acht ritzeges.

Hij won de proloog in Saint-Jean-de-Monts, de eerste etappe naar Angers en de derde etappe in Le Touquet-Paris-Plage.

Later voegde hij daar nog de zevende etappe naar Mulhouse, beide delen van de achttiende etappe naar Langon en Lacanau-Océan, de eenentwintigste etappe naar Versailles en het eerste deel van de slotrit in Parijs aan toe.

Ook andere landgenoten droegen bij aan het Belgische succes. Willy Teirlinck won de dertiende etappe naar Saint-Gaudens,

Lucien Van Impe pakte zelf de veertiende etappe naar Saint-Lary-Soulan, Michel Pollentier zegevierde in de zestiende etappe naar Fleurance en Ferdinand Bracke won een dag later de rit naar Auch.

Ook Nederland presteerde dat jaar buitengewoon goed.

Hennie Kuiper opende de Nederlandse successen in de vierde etappe met aankomst in Bornem.

Joop Zoetemelk toonde zijn klasse in het hooggebergte en won drie zware ritten: de negende etappe naar L’Alpe d’Huez, de tiende etappe naar Montgenèvre en de twintigste etappe naar de Puy de Dôme.

Tot slot pikte Gerben Karstens zijn ritten mee door het derde deel van de achttiende etappe in Bordeaux te winnen, om vervolgens ook het tweede deel van de slotrit in Parijs op zijn naam te schrijven.

De Nederlandse TI-Raleigh-equipe won de 5e etappe, deel A: de ploegentijdrit van Leuven naar Leuven.

Gisteren nog vandaag

In de zomer van 1976 deelde Elton John in de Joepie heel wat persoonlijke weetjes, die een fascinerende mix vormden van waargebeurde feiten, lichte overdrijvingen en zijn typische droge humor.

Hij had toen een heel duidelijke droomwens: hij wilde ooit Elvis Presley persoonlijk ontmoeten.

Opvallend genoeg is dat vlak voor de publicatie van dit lijstje ook echt gelukt.

Op 27 juni 1976 woonde Elton samen met zijn moeder een concert van The King bij in Maryland en werd hij na de show backstage uitgenodigd.

Het werd echter een trieste ervaring, want Elvis was toen al fysiek enorm afgetakeld.

Elton vertelde later in interviews dat de ontmoeting hem diep raakte en dat hij huilde, omdat hij besefte dat het niet lang meer goed zou gaan met zijn grote idool.

Ondanks dat verdrietige moment had zijn eigen sterrenstatus hem toen al ver gebracht, want een paar jaar eerder was hij als speciale gast uitgenodigd voor een diner bij prinses Margaret.

Op muzikaal vlak zong hij destijds liever dan dat hij nummers schreef, en hij was volop bezig met het nemen van gitaarlessen.

Hoewel hij zelf geen noten kon lezen, koesterde hij grote ambities.

Zo wilde hij dolgraag een duo-album vol liefdesliedjes opnemen met Kiki Dee. Dat klopte overigens helemaal met de realiteit, want die wens resulteerde exact in die periode in de gigantische wereldhit ‘Don’t Go Breaking My Heart’.

Verder wilde hij zich graag verdiepen in de countrymuziek, beweerde hij de grootste platenverzameling ter wereld te bezitten en luisterde hij naar klassieke muziek om te kalmeren als hij zenuwachtig was.

Zijn favoriete componist in die tijd was Randy Newman.

Elton had een uitgesproken levensstijl met opmerkelijke voorkeuren en afkeren.

Hij had een hekel aan vliegen en reisde veel liever met de trein, deels door zijn hoogtevrees.

Hij had een bloedhekel aan scheerapparaten en verafschuwde alles wat met plastic en namaak te maken had.

In plaats van zich in het nachtleven te storten of feestjes af te schuimen, ging hij liever vroeg naar bed, steevast aan de rechterkant, om er vroeg weer uit te komen.

Hij rookte niet en begon elke ochtend met het slikken van vitaminen.

Daarnaast was hij dol op de zon, kookte hij ontzettend graag en was hij een echte zoetekauw met een zwak voor chocolade en vruchtensap.

Urenlange telefoongesprekken voeren was een favoriete bezigheid.

Als hij een dochter zou krijgen, vond hij Umbrella de mooiste meisjesnaam, al klinkt dat veeleer als een typisch plagerijtje tijdens een interview.

Dat geldt wellicht ook voor zijn bewering dat hij erg bijgelovig was en exact 96 boeken over de Tweede Wereldoorlog had, al was hij wel een enorme filmliefhebber met Katharine Hepburn als favoriete actrice.

Het geld dat hij verdiende, spendeerde hij het liefst aan kunstwerken.

Ook had hij de luxueuze gewoonte om alles in het dubbel te kopen voor zijn verschillende peperdure huizen, een extreem koopgedrag dat destijds beroemd en berucht was.

In zijn Engelse stulpje had hij in elke kamer een kleurentelevisie staan.

Mensen verraste hij het liefst met honden als geschenk.

Zijn eigen vrienden waren erg belangrijk voor hem.

Tot een paar maanden voor juli 1976 woonde hij op nog geen honderd meter van zijn beste vriend Alice Cooper, totdat diens woning afbrandde, een hechte vriendschap die doorheen de jaren goed gedocumenteerd bleef.

Acteur Steve McQueen was dan weer een van Eltons grootste fans.

De zanger, die al op negentienjarige leeftijd het ouderlijk huis had verlaten, zat destijds vol veranderingen.

Hij had net een haartransplantatie achter de rug om zijn beginnende kaalheid te bestrijden en had even overwogen om onder een andere naam te gaan optreden.

Omdat hij niets geschikts bedacht, liet hij dat plan uiteindelijk varen.

Al deze feitjes en aangedikte details samen gaven uiteindelijk een verrassend sfeervol beeld van de flamboyante popster die hij in dat decennium was.

50 jaar geleden, Archie Bunker wordt opa

All in the Family is een van de meest invloedrijke Amerikaanse komedieseries uit de televisiegeschiedenis en werd oorspronkelijk uitgezonden van januari 1971 tot 1979.

De reeks, bedacht, geschreven en geproduceerd door de legendarische televisieproducent Norman Lear, was gebaseerd op de Britse sitcom ‘Till Death Us Do Part’.

Het verhaal volgde de ups en downs in het leven van een werkende-klassefamilie in Queens, New York, met een onverdraagzame man als patriarch.

De pater familias, Archie Bunker, gespeeld door Carroll O’Connor, werd al snel een ongekend populair personage.

Archie was een havenarbeider die een taxi bestuurde voor extra inkomsten, en zijn persoonlijkheid was specifiek bedoeld als een satirische weergave van onzinnige intolerantie.

Hij was onbehouwen, vaak bevooroordeeld en ronduit conservatief, wat voortdurend botste met de vooruitstrevende idealen van zijn liberale schoonzoon Michael Stivic, die hij steevast Meathead of gehaktbal noemde.

Naast hen stonden de zachtaardige, maar ietwat naïeve echtgenote Edith, gespeeld door Jean Stapleton, en hun feministische dochter Gloria, vertolkt door Sally Struthers.

Wat de baanbrekende sitcom zo uitzonderlijk maakte, was dat het de eerste show op televisie was die de dringende sociale kwesties van die tijd, waaronder racisme, seksisme, vrouwenrechten, homoseksualiteit, religie en de oorlog in Vietnam, openlijk aan de orde stelde en niet uit de weg ging.

Voor de komst van deze reeks waren komedies vooral luchtige, vrolijke familieprogramma’s waarin zelden of nooit controversiële thema’s werden aangesneden.

De impact op het publiek was destijds gigantisch, want de show behield de eerste plek in de Nielsen-ratings gedurende vijf van de negen jaar dat de serie liep.

In juli 1976 was Archie Bunker een ware sensatie in Amerika.

Om tijdens de reclameblokken van All in the Family een spotje van dertig seconden uit te zenden, moest een adverteerder destijds maar liefst 125.000 dollar neertellen.

Dit fabelachtige bedrag toonde de enorme populariteit van het programma aan, dat toen al twee jaar onafgebroken de lijst van best bekeken Amerikaanse televisieprogramma’s aanvoerde.

De verwachting was bovendien dat de kijkcijfers nog verder zouden stijgen, want de producenten hadden besloten om van Archie een grootvader te maken.

Wat het scenario betrof, was het een zeer logische stap om Gloria een kind te laten krijgen.

Zij en Mike liepen al enkele jaren als getrouwd stel mee in de serie, dus een mini-gehaktbal op de proppen laten komen was een natuurlijke toevoeging.

De gezinsuitbreiding bestond uit zoon Joseph, die na een spontane zwangerschap van Gloria ter wereld kwam.

Het idee alleen al van de stugge Midas Bunker met een baby in zijn armen, of van Archie die de kleine Joey een schone luier moest omdoen, sprak enorm tot de verbeelding.

De zoektocht naar een geschikte kleinzoon had echter heel wat voeten in de aarde.

Voor dergelijke televisieopnamen was altijd een tweeling nodig, zodat de een voor de ander kon invallen.

Hoewel er in Amerika genoeg tweelingen werden geboren en ouders vaak zeer bereidwillig waren om hun kinderen tegen een fikse spaarcent uit te lenen, golden er in Californië, waar de studio-opnamen plaatsvonden, destijds strenge wetten op kinderarbeid.

In tegenstelling tot vroeger, toen men niet zo nauwkeurig keek, mochten kleine kinderen in 1976 hooguit drie uur per dag in de studio aanwezig zijn.

Voor oudere, leerplichtige kinderen moest de filmmaatschappij zelfs verplicht onderwijs en eigen docenten op de set regelen, soms compleet met heuse schoolklassen in de studio’s.

Bovendien verdienden de ouders zelf niet meer direct aan deze kinderarbeid; het geld moest op een speciale rekening worden gestort die het kind pas bij meerderjarigheid kon opnemen.

Voor baby’s was de wetgeving in die tijd nog veel strenger.

Zij mochten om de twee uur maximaal twintig minuten op de set verschijnen, en dat mocht niet eens aan één stuk door.

Daarbij was de constante aanwezigheid van een verpleegster en een sociaal werkster verplicht.

De rol van de kersverse kleinzoon werd uiteindelijk ingevuld door Justin en Jason, een eeneiige tweeling van de familie Dräger uit Los Angeles, die zelfs in hun geschreeuw elkaars gelijken waren.

De producenten hadden precies op het juiste moment baby’s nodig en deze twee jongens, die maximaal drie weken oud mochten zijn, bleken perfect.

Moeder Dräger voelde er aanvankelijk weinig voor om haar kinderen na amper drie weken voor een paar maanden af te staan, hoe aanlokkelijk het financiële aanbod ook was.

Pas toen ze hoorde hoe uitstekend er voor haar kleintjes gezorgd zou worden, gaf ze haar toestemming en was ze samen met haar man vaak bij de opnamen aanwezig.

Haar man, een zakelijk ingestelde autohandelaar, merkte destijds gekscherend op dat niet alle ouders hun kinderen al zo jong aan het werk zagen.

Hij speelde toen al met de gedachte dat het perspectieven bood voor andere series en een aardige cent zou opleveren als de tweeling het goed zou doen op de buis.

De nieuwe verhaallijn bracht achter de schermen behoorlijk wat teweeg.

Het kostte zowel de technische ploeg als de acteurs veel moeite om aan de situatie te wennen. Omdat Carroll O’Connor erom bekendstond niet de makkelijkste te zijn, verliepen de opnamen van All in the Family doorgaans al niet heel vlot, maar met de komst van de tweeling liep alles aanvankelijk compleet uit de hand.

Hoewel de filmmaatschappij voor een keurig ingerichte kinderkamer had gezorgd, lieten de baby’s al snel merken dat ze een eigen willetje hadden.

Het gekrijs op momenten dat het script er niet om vroeg, gooide meermaals roet in het eten, tot groot ongenoegen van Archie, die uiteraard geen Bunker zou zijn als hij daar niets over te zeggen had.

Na de eerste draaidagen verzuchtte O’Connor dan ook dat, als hij dit allemaal had geweten, hij die Stivic nooit met zijn dochter had laten trouwen.

Vooral het verwisselen van luiers leverde grote problemen op.

O’Connor was als de dood toen hij dit voor het eerst bij Joey moest doen, vrezend dat hij de kleine zou prikken in zijn buik.

Ook Rob Reiner en Sally Struthers deelden die angst.

Zij hadden weliswaar uitgebreid geoefend op een pop, maar die lag tenminste stil, terwijl het echte kind zich tijdens de opnamen steeds bewoog.

Tot grote verbazing van zowel het studiopersoneel als de andere acteurs bleek O’Connor achter de schermen echter ontzettend lief en aardig met de kleintjes om te gaan.

Vader Dräger vond All in the Family altijd al een goede serie die met de komst van de baby’s alleen maar beter werd, en gaf toe dat hij Archie nog nooit zo gelukzalig had zien lachen als op de momenten dat hij een kleintje in zijn armen had 

Naast de grote maatschappelijke rol en de perikelen op de set, zijn er nog talloze andere fascinerende weetjes over de productie te vertellen.

Wist je bijvoorbeeld dat All in the Family de allereerste Amerikaanse televisieserie was waarin het geluid van een doortrekkend toilet te horen was?

Dat was in die tijd een ongekende breuk met de preutse regels over wat er wel en niet op de beeldbuis gehoord mocht worden.

Ook opvallend is de uiterst herkenbare intromuziek, ‘Those Were the Days’, die niet door een gladjes geproduceerd orkest werd ingezongen, maar gewoon op de set door hoofdrolspelers Carroll O’Connor en Jean Stapleton zelf werd vertolkt vanachter een piano.

Het succes van de Bunkers was bovendien zo overweldigend dat de reeks maar liefst zeven spin-offs voortbracht, waaronder de zeer bekende en succesvolle series The Jeffersons en Maude.

Zelfs nadat de originele reeks officieel stopte, liep het verhaal nog enkele jaren door onder de titel Archie Bunker’s Place.

Tot op de dag van vandaag wordt de invloed van dit televisiekapitaal nog steeds gevoeld, simpelweg omdat ‘All in the Family’ voorgoed de deuren opende voor diepgaand realisme en scherpe maatschappijkritiek binnen het doordeweekse televisiegenre.

Na het einde van de oorspronkelijke reeks in 1979 gingen de wegen van de acteurs uiteen.

Carroll O’Connor bleef het personage Archie Bunker nog tot 1983 spelen in het vervolg Archie Bunker’s Place.

Daarna kende hij een groot succes als politiechef Bill Gillespie in de politieserie ‘In the Heat of the Night’, een rol die hij van 1988 tot 1995 met veel overtuiging vertolkte.

Hij bleef nog vele jaren trouw aan het acteervak.

In 2001 overleed hij op zesenzeventigjarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.

Jean Stapleton, die de rol van Edith speelde, wilde voorkomen dat ze voor de rest van haar leven met één personage werd vereenzelvigd en verliet Archie Bunker’s Place al in het eerste seizoen.

Ze bouwde vervolgens een lange en zeer gerespecteerde carrière op in het theater en speelde daarnaast mee in diverse bekende films en televisieseries, waaronder de romantische komedie ‘You’ve Got Mail’ in 1998.

Zij stierf in 2013 op negentigjarige leeftijd.

Rob Reiner, de acteur achter schoonzoon Michael Stivic, maakte een bijzonder succesvolle overstap naar de regisseursstoel en groeide uit tot een van de meest invloedrijke filmregisseurs in Hollywood.

Hij regisseerde onvergetelijke klassiekers zoals Stand by Me, The Princess Bride, When Harry Met Sally en A Few Good Men. Vandaag de dag is hij nog steeds actief in de filmindustrie als producent en regisseur, en laat hij zich bovendien nadrukkelijk horen in het Amerikaanse publieke en politieke debat.

Sally Struthers, die de rol van dochter Gloria speelde, kreeg begin jaren tachtig haar eigen, zij het kortlopende, serie genaamd Gloria en bleef daarna gestaag acteren.

Een hele nieuwe generatie televisiekijkers sloot haar in de vroege jaren tweeduizend in de armen als de excentrieke en luidruchtige Babette Dell in de populaire serie Gilmore Girls.

Momenteel is ze nog steeds een bezige bij en reist ze vol passie door de Verenigde Staten om op te treden in diverse regionale theaterproducties.

De eeneiige tweeling Justin en Jason Dräger ten slotte, die als baby de kleine Joey speelden, zijn na hun tijd op de set van All in the Family volledig buiten de schijnwerpers getreden.

Zij hebben later een normaal leven opgebouwd en hebben geen verdere carrière in de acteerwereld nagestreefd.

Willeke Alberti wordt winkeldame

In de zomer van 1976 stond Willeke Alberti op het punt om te trouwen met haar vriend John de Mol jr.

Om meer aandacht te kunnen besteden aan haar privéleven, besloot ze het een tijdje kalmer aan te gaan doen.

Ze zette voorlopig een punt achter haar loopbaan als actrice en las tevens een pauze van enkele maanden in wat betreft haar optredens.

Het daaraan voorafgaande seizoen was ze namelijk bijna dagelijks op pad geweest met André van Duin, en dat was haar een beetje te veel geworden.

Om toch niet stil te hoeven zitten, kochten zij en John een platenwinkel in Laren, op slechts enkele kilometers afstand van hun woning in Blaricum.

Ze nam zich voor om daar een tijdje als winkeldame aan de slag te gaan. Op die manier bleef ze lekker bezig, maar had ze wel de zekerheid dat ze ’s avonds gewoon thuis kon zijn.

De inspiratie voor dit ondernemerschap had Willeke duidelijk van huis uit meegekregen.

Haar vader, de bekende zanger Willy Alberti, was namelijk ook eigenaar van een eigen platenzaak.

Het was in die tijd wel vaker de gewoonte dat succesvolle artiesten een winkel begonnen, enerzijds als verstandige investering voor de toekomst en anderzijds om heel direct in contact te blijven met het kopende publiek en de fans.

De winkel van Willy opende op 28 november 1968 de deuren aan het Osdorpplein in Amsterdam, waar hij de zaak met veel succes runde samen met zijn zoon Tonny, die als inkoper fungeerde.

Deze platenzaak bleef tot ver in de jaren tachtig een begrip voor muziekliefhebbers.

Willeke en John noemden hun nieuwe zaak aan de Brink in Laren toepasselijk Disco Alberti, dezelfde naam als het succesvolle bedrijf van Willekes vader.

Dit betekende echter niet het einde van haar zangcarrière, want ze koesterde wel de wens om weer de studio in te duiken.

Daar had ze voorheen de tijd niet voor kunnen vinden, maar met haar nieuwe, rustigere levensritme lukte dat wel.

Ze gaf destijds wel duidelijk aan dat ze nummers in de stijl van Spiegelbeeld achter zich wilde laten, simpelweg omdat ze geen tiener meer was.

In plaats daarvan wilde ze zich gaan toeleggen op romantisch getinte liedjes met teksten die aanzienlijk meer inhoud hadden dan haar eerdere werk.

Met deze nieuwe muzikale koers leek de kans dan ook groot dat ze snel weer een plekje in de hitlijsten zou weten te veroveren.

De Larense platenzaak werd zakelijk ondergebracht in de vennootschap B.V. Disco Alberti.

In het appartement boven de winkel woonde destijds Berber van der Weg, die in de jaren zeventig haar intrek in de woning nam.

Zij was een absolute sleutelfiguur in het lokale buurtleven en zou later uitgroeien tot een zeer goede vriendin van Willeke. Berber was de drijvende kracht en voorzitter van de Larense buurtvereniging Ons Genoegen.

Tientallen jaren lang organiseerde ze talloze grote en kleine evenementen voor het dorp, variërend van politieke bijeenkomsten en kinderfestijnen tot bingo’s en de traditionele Klepperman van Elleven.

Het avontuur met de platenzaak was uiteindelijk geen lang leven beschoren.

In 1979 sloot de winkel definitief de deuren, en kort daarna strandde in 1980 ook het huwelijk tussen Willeke en John.

Toch kreeg de onderneming nog een opmerkelijk staartje.

Na de sluiting behield John de Mol de oorspronkelijke B.V. en doopte deze om tot John de Mol Produkties, het bedrijf dat later de fundering zou vormen voor het wereldwijde media-imperium Endemol.

Ook de band tussen Willeke en Berber bleef altijd bestaan.

Hun vriendschap was zelfs zo hecht dat Van der Weg uiteindelijk de voorzitter werd van de Willeke Alberti Foundation, de stichting waarmee Alberti optredens verzorgt in zorgcentra voor ouderen en mensen met een beperking.

Tegenwoordig herinnert er in Laren nog maar weinig aan de muzikale geschiedenis van het pand, het biedt nu namelijk onderdak aan exclusieve modewinkels.