Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Deze twintigste editie in 1926 staat te boek als de langste en zwaarste Tour uit de geschiedenis, met een recordafstand van maar liefst 5.745 kilometer verspreid over 17 etappes.
Om deze legendarische overwinning te herdenken, kun je in de kerk van Wontergem momenteel een bijzondere tentoonstelling bezoeken.
Aan de hand van foto’s, wielerattributen en unieke herinneringsstukken komen zijn indrukwekkende wielercarrière en zijn hechte band met het dorp helemaal tot leven.
De tentoonstelling is nog tot en met 30 september dagelijks gratis toegankelijk van 10 uur tot 17 uur.
Franciscus Florentinus Peeters werd geboren op 4 juli 1903 in Tielen, als jongste in een gezin van elf.
De componist groeide op in een muzikale omgeving en werd al snel geboeid door het artistieke milieu.
Gedurende zijn middelbareschooltijd in Herentals en Turnhout studeerde hij piano, orgel (bij H. Quinen en Jozef Brandt) en viool.
Hij studeerde aan het Lemmensinstituut te Mechelen en behaalde de hoogste onderscheiding, de Prijs Lemmens-Tinel, in 1923.
Hij was de jongste laureaat van deze prijs in de geschiedenis van de school.
In 1923 werd hij meteen tweede organist aan de kathedraal en hulpleraar aan het Lemmensinstituut, beide opdrachten als hulp voor zijn orgelleraar Oscar Depuydt, die met Lodewijk Mortelmans tot zijn belangrijkste leraren kan worden gerekend.
Bij het overlijden van Depuydt in 1925 werd Flor Peeters hoofdorganist aan de kathedraal en hoofdleraar orgel aan het Lemmensinstituut te Mechelen.
In 1931 werd hij orgelleraar aan het Kon. Conservatorium te Gent en in 1935 leraar orgel en improvisatie aan de Rooms – Katholieke Leergangen te Tilburg.
Gisteren nog vandaag
Aan het Lemmensinstituut gaf hij les van 1923 tot 1952; aan het conservatorium te Gent van 1935 tot 1948.
In 1948 werd hij orgelleraar aan het Kon. Vlaams Conservatorium te Antwerpen; van 1952 tot 1968 was hij tevens directeur van deze instelling.
In 1968 op pensioen gesteld, kreeg hij een opdracht van het ministerie van Nederlandse Cultuur om elk jaar te Mechelen, in de kathedraal, een Internationale Meesterklas te doceren.
Hij zou dat doen tot en met 1985.
Flor Peeters was lid van de Kon. Academie voor Wetenschappen, Letteren en Schone Kunsten van België en erelid van de Royal Academy of Music te Londen. I
In 1964 werd hij samen met Olivier Messiaen aangesteld als consultor bij het Vaticaans Concilie II, maar zij werden nooit geraadpleegd.
Flor Peeters was eredoctor in de muziek van de Catholic University of Washington (1962) en van de Katholieke Universiteit te Leuven (1971).
In 1971 benoemde de Koning hem tot baron.
Enkele maanden voor zijn dood, ontving hij de Belgische Staatsprijs voor de bekroning van een artistieke carrière.
Wanneer we spreken over Ter Duinen in de context van Nieuwpoort, komen we uit bij een boeiende geschiedenis die nauw verweven is met de heropbouw en de zorgsector aan de Belgische kust.
Hoewel de naam Ter Duinen historisch gezien vooral herinneringen oproept aan de middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde, heeft Nieuwpoort zijn eigen specifieke plekken gekregen die deze naam met trots dragen.
De belangrijkste moderne betekenis van Ter Duinen in Nieuwpoort is het bekende zorg- en herstelverblijf van de Christelijke Mutualiteit, gelegen aan de Louisweg.
Gisteren nog vandaag
De geschiedenis van deze specifieke locatie begon in de vroege jaren tachtig van de twintigste eeuw.
In februari 1983 startten de bouwwerken voor wat destijds werd opgezet als een modern revalidatiecentrum en vakantiedomein.
Het doel was om een toegankelijke vakantieplek te creëren voor senioren, chronisch zieken en mensen die moesten herstellen na een ziekenhuisopname.
Door de jaren heen evolueerde het complex tot een volledig aangepast centrum, dat vandaag de dag een cruciale rol speelt in het zorgtoerisme aan de kust.
Het centrum kreeg een officieel toegankelijkheidslabel en biedt al decennia een tijdelijk onderkomen waar professionele zorg en ontspanning hand in hand gaan.
Gisteren nog vandaag
Naast dit moderne zorgverblijf is er in de lokale Nieuwpoortse geschiedenis ook een sterke religieuze en volkskundige link met de naam, in de vorm van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinenkapel.
Deze kapel, die vaak kortweg de Duinenkapel wordt genoemd, groeide in de loop van de twintigste eeuw uit tot een belangrijk lokaal Mariaoord.
Gisteren nog vandaag
Vooral tijdens de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog vond de Nieuwpoortse bevolking hier een plek van samenkomst en troost.
In 1958 kende de kapel een triest dieptepunt toen het oorspronkelijke Mariabeeld werd vernield, maar nog in datzelfde jaar werd een nieuw beeld ingewijd door pastoor Pieter Declercq.
Gisteren nog vandaag
De kapel bleef een ontmoetingsplaats voor de lokale gemeenschap, en in de jaren negentig werd het interieur nog verrijkt met bas-reliëfs van de bekende volkskundige en keramist Bert Bijnens, die lokale sagen en legendes in de kunstwerken verwerkte.
Een bijzonder en minder bekend historisch weetje over deze Duinenkapel is dat de oorsprong van de devotie op deze plek teruggaat tot een opmerkelijke vondst in de negentiende eeuw.
Volgens de lokale overlevering werd er in 1890 door spelende kinderen een oud houten Mariabeeldje gevonden, half begraven in het zand van de Nieuwpoortse duinen.
De vondst werd destijds door de vissersgemeenschap beschouwd als een hemels teken van bescherming tegen de gevaren van de zee.
Om het beeldje te eren en te beschermen, werd er aanvankelijk een heel eenvoudige houten schuilplaats gebouwd, die later werd vervangen door de meer permanente bakstenen kapel.
Dit verklaart waarom de kapel, hoewel geografisch losstaand van de oude abdij, toch de naam ter Duinen kreeg en door de jaren heen vooral door zeemansfamilies werd bezocht om een behouden vaart af te smeken.
Er is ook een historisch-materieel verband tussen Nieuwpoort en de oorspronkelijke middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde.
Toen die reusachtige abdij na de beeldenstorm en de godsdienstoorlogen aan het einde van de zestiende eeuw in verval raakte, werden de restanten een geliefde bron van bouwmateriaal voor de wijde omgeving.
De stad Nieuwpoort bleek een trouwe afnemer van deze historische stenen, de zogenaamde abdijmoeffen.
Zelfs rond het jaar 1800 kocht het stadsbestuur van Nieuwpoort nog grote partijen van deze oude stenen op om ze te verwerken in de herstelling en versteviging van de lokale sluizen.
Zo zit er letterlijk een stukje van het oude Ter Duinen ingemetseld in de maritieme geschiedenis en de waterwerken van Nieuwpoort.
Tussen 7 en 10 juni 1951 sloegen de oud-leerlingenbonden van de vijf toenmalige Gentse onderwijsgestichten van de Broeders van de Christelijke Scholen de handen in elkaar om luisterrijke feesten op touw te zetten.
Het ging hierbij om de bekende instituten Sint-Amandus, Sint-Lucas, de Kunstdrukschool, het Instituut de La Salle in de Holstraat en Sint-Jan-Baptist in de Reinaertstraat.
Deze indrukwekkende viering was een eerbetoon aan een bijzondere man die een stempel heeft gedrukt op ons onderwijssysteem.
De la Salle was afkomstig uit een welgestelde juristenfamilie, maar hij koos bewust een spiritueel pad. In 1667 werd hij benoemd tot kanunnik aan de kathedraal van Reims, waarna hij vanaf 1670 theologie ging studeren in Parijs.
Na zijn priesterwijding in 1678 en de succesvolle oprichting van een eerste armenschool in 1679, promoveerde hij in 1680 tot doctor in de theologie.
Zijn roeping voor het onderwijs was zo sterk dat hij in 1683 zijn prestigieuze kanunnikspost definitief opgaf.
Een jaar later, in 1684, stichtte hij de congregatie van de Broeders van de Christelijke Scholen, een orde die zich volledig zou toeleggen op het onderwijs aan de armen.
De officiële benaming van deze geestelijke orde luidt Fratres Scholarum Christianorum, wat vaak wordt afgekort tot FSC.
Als leraar en pedagogisch vernieuwer zette de la Salle zich zijn hele leven met hart en ziel in voor de geestelijke en intellectuele ontwikkeling van de armen.
Een van zijn meest ingrijpende vernieuwingen was de beslissing om het Latijn als voertaal in het onderwijs af te schaffen en te vervangen door het Frans.
Hierdoor werd kennis plotseling toegankelijk voor gewone kinderen uit de lagere sociale klassen.
Bovendien zijn er nog enkele interessante feiten over zijn leven en werk die zijn grote invloed aantonen.
Zo was de la Salle de pionier van het klassikaal lesgeven; voor zijn tijd kregen leerlingen uitsluitend individueel onderricht, wat veel tijd en middelen kostte.
Door leerlingen van hetzelfde niveau samen in een klas te plaatsen, kon het onderwijs veel efficiënter worden georganiseerd.
Ook richtte hij de allereerste kweekscholen op om onderwijzers professioneel op te leiden, wat hem feitelijk de grondlegger van de moderne pedagogiek maakt.
Vanwege zijn immense bijdrage aan het onderwijs werd hij in 1900 heiligverklaard door paus Leo XIII.
Vijftig jaar later, in 1950 en vlak voor de grote Gentse herdenkingsfeesten, werd hij door paus Pius XII zelfs uitgeroepen tot de universele patroonheilige van alle leerkrachten en opvoeders (foto’s met dank aan Erik Dekeyser)
De geschiedenis van de Onze-Lieve-Vrouw Sint-Pieterskerk in Gent is nauw verweven met de oorsprong van de stad.
De plek op de Blandijnberg werd al in de zevende eeuw door de heilige Amandus gekozen voor de stichting van de Sint-Pietersabdij.
Voordat de huidige kerk er stond, bevond zich hier een romaanse abdijkerk die deel uitmaakte van een van de machtigste kloostergemeenschappen van Vlaanderen.
Deze vroege gebouwen leden zwaar onder de beeldenstorm en de godsdiensttwisten in de zestiende eeuw, waardoor een volledig nieuwe kerk noodzakelijk werd.
De eerste steen van de huidige barokkerk werd in 1629 gelegd door bisschop Antonius Triest.
Het ontwerp was van de jezuïet en architect Pieter Huyssens, die zich voor de monumentale koepel en de afmetingen liet inspireren door de Sint-Pietersbasiliek in Rome.
De kerk werd in de eerste fase gebouwd van 1629 tot 1649, waarna in de vroege achttiende eeuw nog een uitbreiding volgde.
Gisteren nog vandaag
Tijdens de Franse bezetting verloor het gebouw zijn religieuze functie en werd het tijdelijk als opslagplaats gebruikt, om vanaf 1810 weer officieel dienst te doen als kerk.
Een bijzonder aspect van deze locatie is de functie als begraafplaats voor de vroege graven van Vlaanderen.
Omdat de Sint-Pietersabdij in de vroege middeleeuwen de meest prestigieuze instelling van het graafschap was, kozen de vorsten deze plek voor hun zieleheil en dynastieke legitimiteit.
In de kerk liggen vijf graven van Vlaanderen begraven: Boudewijn I, Boudewijn II, Arnulf I, Arnulf II en Boudewijn IV.
Ook hun familieleden vonden hier hun laatste rustplaats, waaronder mogelijk Judith van West-Francië.
Zij was de dochter van de Karolingische koning Karel de Kale en de stammoeder van het Vlaamse gravenhuis.
De graven liggen daar dus niet toevallig; de plek was het spirituele en politieke hart van het vroege Vlaanderen, waar de dodenrust van de heersers de macht van hun opvolgers ondersteunde.
De lijn van deze machtige heersers eindigde formeel aan het einde van de achttiende eeuw met de Oostenrijkse keizer Frans II, die de laatste was die de titel in de oorspronkelijke feodale zin droeg.
Door de Franse Revolutie en de annexatie in 1795 werd het graafschap opgeheven en het oude stelsel vervangen door een modern bestuur, waardoor er na de Habsburgse vorst geen echte opvolgers meer kwamen.
In de negentiende eeuw werd de titel Graaf van Vlaanderen weliswaar nieuw leven ingeblazen binnen de Belgische monarchie, maar dit was slechts een ceremoniële titel voor leden van de koninklijke familie zonder daadwerkelijke bestuursmacht.
De laatste Belgische prins die deze titel droeg, was prins Karel, de broer van koning Leopold III, die in 1983 overleed.
Sindsdien wordt de titel niet meer toegekend, waarmee ook de symbolische lijn definitief ten einde kwam.
Tegenwoordig combineert de kerk de namen van de oude abdij en de afgebroken Onze-Lieve-Vrouwekerk aan de Schelde, en vormt het gebouw samen met het Sint-Pietersplein een herkenbaar baken in het Gentse stadsgezicht.
Hij stelde bovendien een strikt verbod in op het drukken, verkopen of lezen van dergelijke werken.
Kort daarna, op 18 april, bevestigde de keizer eigenhandig de excommunicatie van Luther en voegde daar de rücksichtslos-boodschap aan toe dat diens aanhangers moesten worden uitgeroeid.
Monotheïsme staat inherent op gespannen voet met de acceptatie van een andere god of een ander geloof.
Toch is het tot die acceptatie veroordeeld als we streven naar een harmonieuze samenleving, tenzij men de uitroeiing van andersdenkenden als enige alternatief ziet.
Op de bijbehorende illustratie, een schilderij van de Zweedse kunstenaar Karl Aspelin uit 1885, zien we een tegenreactie: Luther verbrandt op zijn beurt de pauselijke bul die paus Leo X tegen zijn leerstellingen had uitgevaardigd.
Jozef De Wolf werd op 10 maart 1916 geboren in het Oost-Vlaamse Haaltert.
Na zijn priesteropleiding begon hij zijn opvallende loopbaan in Eine bij Oudenaarde, waar zich in maart 1961 een tafereel afspeelde dat tot ver buiten de dorpsgrenzen voor verbazing zorgde.
De eerwaarde heer, inmiddels onderpastoor, deelde zijn woning namelijk met een volwassen leeuw.
Jakka, zoals het dier heette, was op dat moment bijna twee jaar oud en was door de geestelijke met de papfles grootgebracht, nadat hij als welp was overgekocht van een rondreizend circus.
De leeuw bewoog zich volkomen vrij en kalm door de huiskamer, waar hij in harmonie samenleefde met drie Schotse herdershonden en een jonge Afghaanse windhond.
De bijzondere passie van De Wolf voor roofdieren was jaren eerder uit noodzaak ontstaan.
Nadat ratten uit een nabijgelegen beek zijn verzameling siervogels en fazanten herhaaldelijk hadden doodgebeten, besloot hij over te stappen op diersoorten die zich beter konden verweren.
In de loop der jaren transformeerde de pastorie tot een kleine private dierentuin.
Naast de leeuw herbergde hij twee ocelots, ook wel Amerikaanse tijgerkatten genoemd, die ondanks hun tamme gedrag altijd een vleugje van hun instinctieve natuur behielden.
Ook Canadese wasberen en zeldzame chinchilla’s uit het Andesgebergte maakten deel uit van zijn collectie.
De onderpastoor uit Haaltert stond in die periode algemeen bekend als de leeuwenpastoor.
Het was geen ongewoon gezicht om hem in zijn zwarte soutane met Jakka over straat te zien wandelen, waarbij voorbijgangers met een mengeling van bewondering en ontzag een grote bocht om het duo heen maakten.
Zelfs in het verkeer zorgde de leeuw voor consternatie; De Wolf nam het dier regelmatig mee in zijn auto, waarbij de kop van de leeuw soms door het open raam naar buiten stak.
Toen De Wolf later werd benoemd tot pastoor in Waarbeke bij Geraardsbergen, nam hij zijn liefde voor bijzondere dieren mee.
Hoewel Jakka de leeuw uiteindelijk te groot werd voor een gewone woning en naar een dierentuin moest verhuizen, bleven exotische vogels en ocelots deel uitmaken van zijn huishouden in de nieuwe parochie.
De pastorie bleef daardoor een geliefde trekpleister voor nieuwsgierige buurtbewoners.
Jozef De Wolf bleef tot aan zijn overlijden op 23 augustus 1982 een markante en eigenzinnige figuur in de regio, die de grens tussen de geciviliseerde wereld en de wildernis op een unieke manier liet vervagen.
Francisco Maria da Silva was een invloedrijke Portugese prelaat die als aartsbisschop van Braga diende tijdens een van de turbulentste periodes in de Portugese geschiedenis.
Zijn leven werd gekenmerkt door een diepgaand geloof, een sterke intellectuele vorming en een onwrikbare houding ten aanzien van de politieke en sociale veranderingen van zijn tijd.
Geboren op 15 maart 1910 in Murtosa, studeerde hij in Rome waar hij een doctoraat in de theologie behaalde.
Op 21 mei 1932 werd hij tot priester gewijd. Zijn kerkelijke loopbaan bereikte een hoogtepunt met zijn benoeming tot hulpbisschop van Braga in 1956 en vervolgens, op 12 december 1963, tot aartsbisschop van Braga.
Als aartsbisschop nam hij deel aan het Tweede Vaticaans Concilie, een gebeurtenis die zijn pastorale beleid diepgaand beïnvloedde.
De meest bepalende episode in zijn leven vond plaats na de Anjerrevolutie van 1974, tijdens de “Hete Zomer” van 1975.
In een context van intense politieke strijd, profileerde hij zich als een uitgesproken criticus van het communisme.
Zijn krachtige toespraak op 10 augustus 1975 in Braga, waarin hij het communisme veroordeelde, wordt gezien als een sleutelmoment in de mobilisatie van het conservatieve noorden van Portugal tegen de linkse revolutionaire krachten.
Naast zijn politieke stellingnames was hij een toegewijde herder voor zijn aartsbisdom.
Aartsbisschop da Silva overleed op 14 april 1977, en liet een complexe nalatenschap na als een geleerde kerkleider en een standvastige verdediger van het geloof in een tijd van grote onzekerheid.
Verhaeghen, die op 16 juni 1962 tot priester was gewijd, was als jonge onderpastoor in de parochie Sint-Egidius een man van de vernieuwing.
Geïnspireerd door de openheid van het Tweede Vaticaans Concilie, botste hij al snel met de conservatieve krachten binnen de kerk, vertegenwoordigd door pastoor De Brouwer en later ook bisschop Van Peteghem.
Het conflict kwam tot een kookpunt toen Verhaeghen voorstelde om geld te investeren in de parochiale jeugdlokalen, die in erbarmelijke staat verkeerden.
De gevestigde orde wilde de fondsen liever aanwenden voor een nieuwe marmeren vloer in de Sint-Gilliskerk.
Deze tegenstelling, samen met klachten over zijn vriendschap met de progressieve priester Frans Wuytack en een vermeende “flirterige houding”, leidde tot een openlijke strijd.
Er ontstond een actiecomité dat Verhaeghen steunde.
Maandenlang werden er in de parochie protesten georganiseerd en pamfletten verspreid, waarbij meermaals de oproerpolitie moest ingrijpen.
De situatie escaleerde zozeer dat hulpbisschop Leo De Kesel, die Verhaeghen adviseerde om naar een ander bisdom over te stappen, enige tijd later zelf door de politie moest worden ontzet tijdens een vormselviering die door protesten werd verstoord.
In mei 1969 aanvaardde Verhaeghen uiteindelijk zijn overplaatsing naar Nieuwkerken-Waas, waarmee een einde kwam aan de protesten in Sint-Egidius.
De rust was echter van korte duur. Ook in zijn nieuwe parochie bleven er problemen met zijn handelwijze, wat in 1970 leidde tot zijn ontslag.
Deze autoritaire en eenzijdige beslissing lokte kritiek uit van meerdere collega-priesters.
Na zijn ontslag verhuisde Verhaeghen naar Stekene, waar hij later als priester met rust ging.
Zijn laatste levensjaren bracht hij door in een rusthuis in Nieuwkerken-Waas, waar hij in juli 2014 op 79-jarige leeftijd overleed.
De hele kwestie, die diepe sporen naliet, werd in 2019 gereconstrueerd door schrijver Louis Van Dievel in het boek “De Onderpastoor”.
In de twaalfde eeuw ontstaan als een Romaanse kapel, gesticht door Benedictijnen uit Vlierbeek. en gewijd aan de kluizenaar Leonardus.
Vanaf de veertiende eeuw uitbreidingen en verfraaiingen in gotische stijl, met toevoeging van kapellen en een indrukwekkend sacramentshuis (1552).
In de achttiende eeuw werden er barokke elementen toegevoegd, zoals de preekstoel.
De kerktoren is ook een belfort en erkend als UNESCO Werelderfgoed.
De kerk bezit een waardevolle kerkschatten met liturgische voorwerpen, zoals onder meer:
De Ottoons-Romaanse Christus gesneden tussen 1060 en 1070 is niet te missen in de kerk als oudste werk van de collectie.
Het beeld hing mogelijk eerst in de Sint-Sulpitiuskerk, de eerste kerk van Zoutleeuw.
Bij het bewonderen van het houtsnijwerk, merk je op dat deze Christus geen doornenkroon draagt, en wordt om die reden in verband gebracht met Christus als triomfator over de dood.
De woorden van de Heilige Paulus “De dood is de laatste vijand, die vernietigd wordt” vinden hier hun weerklank.
Centraal in het thema van de Sint-Leonarduskerk, vind je het vita-retabel van de Heilige Leonardus.
De retabel werd in 1378 gesneden en vertelt de legende met de verschillende fasen in het leven van de heilige.
Als patroon van de stad Zoutleeuw, is hij ook de beschermheilige van de gevangenen, geesteszieken, de reumalijders, de gehandicapten, de mijnwerkers, de zwangere vrouwen en het vee.
Je kunt hem herkennen aan de ketting of boeien die hij vaak als attribuut draagt.
Als zoon van een hoveling van koning Clovis I, zou hij het voorrecht gekregen hebben om gevangenen vrij te laten.
De koning bood hem de bisschopshoed aan, maar deze weigerde hij om kluizenaar te worden in Saint Léonard de Noblat in de Franse Limousin.
Toen de Frankische hoogzwangere koningin samen met de koning in de buurt van de kluizenaar op jacht was en in problemen verzeild raakten, zou de Heilige Leonardus door zijn gebed gezorgd hebben voor een goede bevalling.
In de Sint-Leonarduskerk vind je een reusachtige, geelkoperen paaskandelaar van bijna zes meter hoog. Renier I van Thienen heeft hem in 1483 gegoten en werd ontworpen naar een model van de Brusselse kunstenaar Jan Borman.
Aan de voet van de kandelaar wisselen de trouwe hond en de dappere leeuw elkaar af.
Vandaar volgen je ogen de kandelaar van beneden naar boven en merk je dat deze in de hoogte eindigt met Christus aan het Kruis, waaronder zich drie heiligen bevinden, Maria, de apostel Johannes en Maria-Magdalena.
Op 13 augustus 1550 ondertekende Maarten van Wilre, heer van Oplinter, het contract voor het sacramentshuis.
Cornelis II Floris maakte daarop een complex totaalkunstwerk.
Hij bracht de antieke- en renaissancekunst uit Italië samen met Vlaamse traditie.
De toren uit Avesnessteen is achttien meter hoog en telt negen verdiepingen.
Met reden kan dit het indrukwekkendste sacramentshuis uit de Zuidelijke Nederlanden van de zestiende eeuw genoemd worden.
Aan de hoeken van elke verdieping zijn beelden aangebracht. Het aantal personages is bijna niet te tellen.
Ook de geelkoperen balustrade is opgenomen in de Topstukkenlijst.
Maarten van Wilre en zijn vrouw Maria Pyllirpeerts liggen begraven voor het sacramentshuis.
Hun grafsteen werd later naar de muur verplaatst.
De kerk bevat ook schilderijen van onder anderen Pieter Coecke van Aelst en Gaspar de Crayer.
Families de Merode en de Villers liggen begraven in de kerk.
Zoutleeuw organiseert jaarlijks de “Kroningsfeesten” die verwijzen naar het glorieuze verleden (Diverse bronnen, Site Vlaamse Meesters, Wikipedia en foto eind 1934)
In de basiliek bij de grot bevindt zich een relikwie van de heilige Bernadette.
Bernadette (kloosternaam Marie-Bernard) Soubirous werd in 1844 geboren in een arm molenaarsgezin.
Naar school ging ze niet; dat kwam er niet van. Bovendien leed ze aan astma.
Op 11 februari van het jaar 1858 – ze was dus veertien jaar oud – was ze samen met haar zusje en een vriendinnetje bezig hout te sprokkelen, toen haar in een grot van de berg Massabielle bij Lourdes (Zuid-Frankrijk) een Vrouwe verscheen.
Ze stond rechtop in een uitholling van de rots, was gekleed in een lang wit gewaad met een blauwe ceintuur om haar middel en een witte sluier op het hoofd; ze had een gouden roos op haar blote voeten, en ze leek op een jonge vrouw van zo’n zestien, zeventien jaar oud.
De andere twee die erbij waren, zagen wel, hoe Bernadette iemand meende te zien en er mee sprak, maar zelf namen ze niets bijzonders waar.
Tussen 11 februari en 16 juli liet de verschijning zich achttien keer zien.
Zij vroeg om te bidden voor de bekering van de zondaars; ze drukte Bernadette op het hart dat men berouw moest hebben en boete doen; en zij wilde graag een kapelletje op de plaats van haar verschijning. “Ik beloof je gelukkig te maken, voegde ze eraan toe, niet in deze wereld, maar in de toekomende wereld.”
Op 25 maart durfde Bernadette de Vrouwe te vragen, hoe ze eigenlijk heette.
Daarop antwoordde de verschijning: Ik ben de Onbevlekte Ontvangenis.
Een van de volgende keren gaf ze te kennen dat Bernadette in de grond moest graven. Er ontsprong een bron. Vanaf dat moment vloeide er water in overvloed tot op de huidige dag.
In 1866 trad zij in bij de Soeurs de la Charité van Nevers, die een huis hadden in Lourdes.
Zij leerden haar lezen en schrijven, droegen zorg voor haar religieuze vorming en gaven haar eenvoudige werkjes te doen, zoals het schrappen van worteltjes in dienst van de keukenzuster.
Op 22-jarige leeftijd deed zij haar gelofte, kreeg als kloosternaam Soeur Marie-Bernard en werd overgeplaatst naar het moederhuis van de Congregatie in Nevers.
Daar leefde ze nog dertien jaar.
Net als zij zelf waren de meeste medezusters van eenvoudige komaf.
Haar oversten, meenden er goed aan te doen om bijzonder streng tegenover haar te zijn.
Waarschijnlijk omdat ze vreesden dat ze anders verwaand zou worden.
Door haar medezusters was ze vaak het middelpunt van pesterijtjes.
Daar kwam bij dat haar lichamelijke gezondheid steeds meer achteruit ging.
Zij probeerde dat alles welgemoed te verdragen.
Na een slepende ziekte overleed zij, 35 jaar oud.
Volgens omstanders waren haar laatste verzuchtingen: “Heilige Maria, moeder van God, bid voor mij, arme zondares, arme zondares…”
Haar lichaam is nog altijd niet vergaan en rust volkomen gaaf in de kapel bij de zusters van St.-Gildard te Nevers.
In 1933 werd ze officieel heilig verklaard.
Het beeld van de Heilige Maria, dat in 1873 aan de grot ingewijd is in Oostakker, is in 1974 gestolen.
De diefstal is nooit opgehelderd.
De talrijke dankplaatjes in en bij de grot en verspreid over de hele lengte van de twee ommegangen, meer dan achtduizend, zijn de uitdrukking van diepe gevoelens.
Op de meeste vinden we het woord: dank.
Aan de grot zijn ruim driehonderd niet overdekte zitplaatsen op banken zonder rugleuning.
Er zijn twee ommegangen: de vijftien mysteries van de rozenkrans en de zeven smarten van Maria. (Diverse bronnen, Katrien Cools en postkaart uit mijn eigen verzameling, 1939)
Ze werd geboren op 27 november 1765 in Sancey-le-Long, in de regio Franche-Comté, als vijfde kind van een arme en diep christelijke familie.
Ze trad op 22-jarige leeftijd in bij de Dochters van Liefdadigheid van Sint-Vincentius a Paulo, waar ze zich wijdde aan de zorg voor de armen en de zieken, eerst in Langres en daarna in Parijs.
Tijdens de Franse Revolutie werd ze gedwongen terug te keren naar haar familie, maar ze bleef haar roeping trouw en vluchtte naar Zwitserland, Duitsland en opnieuw naar Zwitserland, waar ze een school, een ziekenhuis (Instituut van de Dochters van Sint-Vincentius a Paulo) en een nieuwe congregatie oprichtte met als naam congregatie van de Zusters van de Liefdadigheid van Sint-Jeanne-Antide Thouret.
Ze keerde terug naar Frankrijk in 1799 en stichtte een school voor arme meisjes en een soepkeuken voor de armen in Besançon.
Van mei tot september 1802 schreef ze een leefregel voor haar gemeenschap, die in 1807 officieel de naam “Zusters van de Liefdadigheid van Besançon” kreeg.
Ze werkte ook met gevangenen in Bellevaux, waar ze hen onderwees, voedde en werk bezorgde.
In 1810 vertrok ze met enkele zusters naar Savoye, Thonon en later naar Napels, waar ze zich ontfermde over de “Onherstelbaren” in een ziekenhuis.
Ze stierf op 24 augustus 1826 in Napels en werd begraven in de kerk Santa Maria Regina Coeli.
Haar heiligverklaring vond plaats op 14 januari 1934 in Rome.
De kerk van Madonna del Ghisallo is een heiligdom dat gewijd is aan de beschermheilige van de wielrenners.
Het ligt op de top van een heuvel in de buurt van het Comomeer, in de Italiaanse regio Lombardije.
De geschiedenis van deze kerk gaat terug tot de 17e eeuw, toen een lokale edelman, graaf Ghisallo, werd aangevallen door struikrovers en zijn toevlucht zocht bij een beeld van de Maagd Maria.
Hij beloofde haar een kapel te bouwen als hij gered werd.
Zijn gebed werd verhoord en hij hield zich aan zijn belofte. In 1949 werd Madonna del Ghisallo officieel uitgeroepen tot de patrones van de wielrenners door paus Pius XII. Sindsdien is de kerk een bedevaartsoord geworden voor fietsliefhebbers van over de hele wereld.
De kerk herbergt een museum met talrijke memorabilia en relikwieën uit de geschiedenis van het wielrennen, zoals fietsen, truien, medailles en foto’s van beroemde kampioenen.
Onder de meest opvallende stukken zijn de fietsen waarmee Fausto Coppi en Gino Bartali de Tour de France wonnen, de fiets waarmee Eddy Merckx het werelduurrecord vestigde, en de fiets waarmee Fabio Casartelli verongelukte tijdens de Ronde van Frankrijk van 1995 (Panorama 10 december 1963).
Zij was de dochter van François Verhelle en Caroline Van Den Bussche, en werd geboren als Agnes Margarita Verhelle.
In 1823 richtte ze in Gent de congregatie op die zich toelegde op het christelijk onderwijs voor meisjes, vooral voor de armen en de verwaarloosden.
De congregatie is nu bekend als Religieuzen van het Christelijk Onderwijs.
Zuster Agathe Verhelle en haar medezusters hebben op verschillende plaatsen in Gent en daarbuiten hun sporen nagelaten.
In 1823 vestigden ze zich in de oude gebouwen van de abdij van Doornzele nabij de H. Kerstkerk, waar ze een school en een weeshuis oprichtten.
In 1827 openden ze een internaat en een externaat in Vrasene, waar ze gratis onderwijs en opvang boden aan peuters, kleuters en jonge meisjes.
In 1921 verlieten ze Vrasene en werd hun werk voortgezet door de zusters Franciscanen.
Ook in Antwerpen en Brazilië hebben de Dames van het Christelijk Onderwijs hun stempel gedrukt op het onderwijslandschap.
In Antwerpen staat de school bekend als Instituut Dames van het Christelijk Onderwijs of De Dames, en heeft een rijke geschiedenis die teruggaat tot 1842.
De school heeft ook moeilijke tijden gekend, zoals toen een V-bom in 1944 een groot deel van het gebouw verwoestte en negen slachtoffers eiste.
In Brazilië vierde de school Colègio Damas in 2016 haar 120-jarig bestaan, en eert nog steeds de stichteres Agathe Verhelle voor haar visie en inzet voor het christelijk onderwijs.
Agathe Verhelle ligt samen met heel wat medezusters begraven op begraafplaats Campo Santo in Sint-Amandsberg.