Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
In de zomer van 1951 was het eigenlijk nog te vroeg om de definitieve balans op te maken.
Binnen enkele weken zouden weerkundigen immers precies berekenen hoeveel regen er was gevallen, hoeveel graden de temperatuur onder het gemiddelde bleef en hoeveel wolkenvelden er in drie maanden tijd overdreven.
Economen zouden op hun beurt overzichten opstellen van de verliezen die geleden waren, de financiële tekorten en alle tegenvallers in klinkende munt.
Voor de ondernemers aan de Belgische en Nederlandse kust, zoals de uitbaters van strandtenten, stoelenverhuurders, winkeliers en eigenaars van hotels, pensions en eetgelegenheden, waren die officiële cijfers overbodig.
Zij wisten toen al ruimschoots hoe de vork in de steel zat.
Het zomerseizoen van 1951 draaide uit op een ongekende financiële tegenvaller.
Tegen de tijd dat dit verslag eind augustus werd geschreven, was het nog geen enkele week aan een stuk mooi weer geweest.
Het absolute hoogtepunt bleef beperkt tot vier dagen met redelijk wat zon.
Ook de zondagen, die het seizoen normaal gesproken hadden kunnen redden, lieten het massaal afweten.
Hoewel ze elke week stipt op de kalender stonden, deden ze hun zonnige reputatie allerminst eer aan.
Voor de Belgische badplaatsen betekende vooral 15 augustus, de feestdag van Maria-Hemelvaart waar altijd met veel hoop naar werd uitgekeken, de genadeloze doodsteek.
Een fotograaf van De Post bracht die vrije dag door in Knokke en behoorde daar tot een handvol optimisten.
De grote menigte strandgangers die op zo’n topdag werd verwacht, bleef volledig weg.
De thuisblijvers kregen overigens gelijk, want het was aan zee troosteloos, kil en guur.
De meegereisde verslaggever zag niets beters te doen dan weer aan de slag te gaan, om tenminste nog een tastbaar resultaat over te houden aan deze mislukte feestdag.
Zijn beelden brachten het failliet van alle mooie verwachtingen in beeld, net als de zorgen en de wanhoop van talloze hardwerkende zelfstandigen.
Een blik op het strand om halfvier in de middag toonde de totale neergang van het seizoen.
Troostelozer kon het tafereel haast niet worden, want de verhuurders van strandcabines verdienden op dat moment geen enkele frank.
Wie zou er immers tien frank neertellen om op een strandstoel van het zonnetje te genieten als die zon nergens te bekennen was?
De weinige aanwezige bezoekers kozen er dan ook voor om op de leuning te gaan zitten, want dat was tenminste gratis.
Het verhaal van het Kursaal in Blankenberge begon in 1859 als een gecombineerd project dat later werd omgevormd tot een echt luxehotel.
Het gebouw werd opgetrokken in een opvallende neomoorse stijl en was meteen een schot in de roos.
Het was veel meer dan alleen een plek om te gokken; het fungeerde als het absolute centrum van het Blankenbergse entertainment.
De benedenverdieping had een open galerij die direct uitgaf op de zeedijk. Binnenin vonden de gasten verschillende speelzalen, een concertzaal, een balzaal en twee restaurants.
Uniek voor die tijd was dat het gebouw vanaf het begin ook al een logeeraccommodatie met maar liefst 120 kamers had.
In 1884 veranderde de functie van het gebouw ingrijpend. Het stadsbestuur van Blankenberge wilde namelijk een eigen, groter stedelijk casino bouwen om de toeristenstroom nog beter op te vangen.
Hierdoor verloor het oorspronkelijke Kursaal zijn functie als dé centrale speelhal van de stad.
Het complex werd in 1884 volledig omgebouwd tot een exclusief luxehotel onder de naam Hotel du Kursaal.
Na de Eerste Wereldoorlog onderging het pand opnieuw een gedaanteverwisseling en werd het omgedoopt tot Résidence Bristol.
Toen het gebouw in 1884 de deuren opende als Hotel du Kursaal, behoorde het direct tot de absolute top van de hotels aan de Belgische kust.
Het trok een zeer elitair publiek aan dat in de zomermaanden wekenlang aan de kust verbleef.
Rond de eeuwwisseling, toen het hotel op het toppunt van zijn roem was, hanteerde het etablissement prijzen die volledig waren afgestemd op de gegoede burgerij en adel.
Een kamer had in die periode een vanafprijs van 4 tot 5 Belgische frank per nacht. Voor de meest luxueuze kamers of suites met uitzicht op zee liep dat bedrag op tot 10 à 15 frank per nacht, wat in die tijd een aanzienlijk kapitaal was.
Voor de maaltijden werd er destijds vaak gewerkt met vaste tarieven, aangezien veel gasten op basis van volpension verbleven. Een ontbijt kostte destijds ongeveer 1,50 frank.
Voor het middagmaal, de Table d’Hôte genoemd, betaalde men destijds rond de 4 frank.
Het uitgebreide avonddiner, dat vaak uit verschillende gangen bestond en waarbij de gasten in avondkledij verschenen, kostte doorgaans 5 frank per persoon, exclusief de wijnen.
Wie liever à la carte dineerde in het prestigieuze restaurant van het hotel, betaalde uiteraard nog hogere prijzen, afhankelijk van de gekozen exclusieve ingrediënten en de geïmporteerde Franse wijnen uit de kelders van het hotel.
Als we kijken naar de latere periode, na de Eerste Wereldoorlog, toen het hotel inmiddels was omgedoopt tot Hotel Bristol, waren de prijzen door de inflatie en de veranderde economie natuurlijk sterk gestegen.
In de jaren twintig en dertig betaalde men al snel tussen de 35 en 60 frank voor een overnachting, afhankelijk van het seizoen en de luxe van de kamer.
Om een goed beeld te krijgen van de verhoudingen, is het interessant om deze hotelprijzen te vergelijken met het dagloon van een arbeider of bediende in diezelfde periodes.
Rond de eeuwwisseling, tijdens de Belle Époque, verdiende een gemiddelde arbeider in België ongeveer 2,50 tot 3 frank per dag voor een werkdag die vaak tien tot twaalf uur duurde.
Geschoolde arbeiders, zoals een ervaren textielarbeider of een mijnwerker, konden uiterst tot 4 frank per dag verdienen, terwijl ongeschoolde arbeiders en vrouwen vaak niet meer dan 1,50 tot 2 frank per dag ontvingen.
Een gewone overnachting in Hotel du Kursaal van 4 tot 5 frank kostte dus al snel bijna twee volledige daglonen voor een gewone arbeider.
Een uitgebreid avonddiner van 5 frank was voor hen onbetaalbaar, aangezien dit meer was dan wat ze op een hele dag verdienden.
Bedienden en lagere ambtenaren, zoals klerken of onderwijzers, zaten in een iets betere positie, al was hun inkomen naar huidige maatstaven nog steeds heel bescheiden.
Zij werden meestal per maand betaald en verdienden rond de eeuwwisseling tussen de 100 en 150 frank per maand.
Als we dat omrekenen naar een dagtarief, komt dat neer op ongeveer 4 tot 6 frank per werkdag.
Hoewel hun inkomen dus iets hoger lag dan dat van een fabrieksarbeider, was een verblijf in een luxehotel aan de zeedijk ook voor de gemiddelde bediende een onbereikbare luxe.
Eén enkele nacht in een zeezichtsuite van 15 frank slokte immers al snel tien procent van hun volledige maandloon op.
In de periode na de Eerste Wereldoorlog, tijdens de jaren twintig en dertig, waren de lonen door de enorme inflatie en de invoering van de achturige werkdag nominatief sterk gestegen, maar dat gold ook voor de levenskosten.
Een arbeider verdiende in de jaren dertig gemiddeld zo’n 35 tot 50 frank per dag.
Een bediende met een gemiddelde loopbaan mocht in die tijd rekenen op een maandloon van zowat 1500 tot 2000 frank, wat neerkwam op ongeveer 60 tot 80 frank per werkdag.
Omdat een kamer in het vernieuwde Hotel Bristol in die tijd tussen de 35 en 60 frank per nacht kostte, bleef de verhouding min of meer gelijk.
Een overnachting in het hotel kostte nog steeds een volledig dagloon van een arbeider tot zelfs een dagloon van een bediende.
Het toerisme aan de zeedijk bleef hierdoor tot aan de Tweede Wereldoorlog een privilege dat hoofdzakelijk was voorbehouden aan de rijke burgerij en de industriële elite.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog liep de hele zeedijk van Blankenberge zware schade op, omdat de Duitse bezetters de gebouwen daar nagenoeg volledig ontmantelden voor de aanleg van de Atlantikwall.
Dit leidde uiteindelijk ook tot het einde van de gloriedagen van veel oude belle-époquehotels.
In de jaren na de oorlog veranderde het toerisme aan de kust drastisch.
Het elitaire publiek trok weg en de oude, beschadigde luxehotels en villa’s maakten in de jaren 1950 en 1960 in hoog tempo plaats voor de moderne appartementsgebouwen die we vandaag de dag nog op de zeedijk zien.
Wat de gemeente onmiddellijk onderscheidt van vrijwel alle andere steden langs de kustlijn, is het ontbreken van de typische aaneengesloten muur van hoge appartementsgebouwen langs het strand.
In de plaats daarvan word je verwelkomd door sierlijke en historische architectuur in de zogenaamde Belle Epoquestijl.
Dit is vooral zichtbaar in de beschermde villawijk de Concessie, die aan het begin van de twintigste eeuw slim werd ingeplant in het golvende duinenlandschap.
Gisteren nog vandaag
De naam van deze wijk verwijst letterlijk naar de erfpacht of concessie die in 1889 door de Belgische staat, onder impuls van koning Leopold II, voor negentig jaar werd toegekend aan particuliere investeerders.
Om het onherbergzame duingebied te ontwikkelen tot een luxueuze badplaats, stelde men erg strenge bouwvoorschriften op onder leiding van de Duitse stedenbouwkundige Hermann-Josef Stübben.
De nieuw aan te leggen wegen moesten het kronkelende, natuurlijke reliëf van de duinen volgen en er mochten uitsluitend vrijstaande villa’s met grote omliggende tuinen gebouwd worden.
Toen deze oorspronkelijke concessie-overeenkomst na negentig jaar in 1979 ten einde liep, werd de erfpacht niet wettelijk verlengd. Grote bouwpromotoren zagen onmiddellijk hun kans schoon om de percelen op te kopen en de kustlijn ook hier vol te bouwen met hoge appartementsblokken.
Enkele authentieke gebouwen, waaronder Hotel Beau Rivage, gingen aanvankelijk zelfs tegen de vlakte om plaats te maken voor moderne flatgebouwen zoals residentie Mayfair.
Deze plotselinge afbraak leidde echter tot een storm van protest en een grootschalige petitie van zowel inwoners als toeristen, die massaal eisten dat het unieke karakter van De Haan bewaard zou blijven.
Als reactie hierop koos de overheid er niet voor om het oude erfpachtcontract zomaar te verlengen, maar greep ze in via de wetgeving rond monumentenzorg en stedenbouw.
Gisteren nog vandaag
In 1981 werd het centrale deel van de wijk, samen met enkele belangrijke historische gebouwen, geklasseerd als beschermd dorpsgezicht.
Enkele jaren later werden er via een Bijzonder Plan van Aanleg ook zeer strenge bouwvoorschriften vastgelegd om te garanderen dat de bestaande verhoudingen tussen de huizen en de natuur gerespecteerd bleven, waarna de volledige vroegere concessie in 1995 definitief als erfgoed werd beschermd.
Het oorspronkelijke juridische contract liep dus af, maar de stedenbouwkundige visie werd dankzij burgerprotest permanent verankerd in nieuwe beschermingsstatuten.
Het resultaat is een groen, uitgestrekt en rustig straatbeeld vol charmante witte villa’s, kenmerkend door hun rode daken, torentjes en sierlijke houten balkons.
Naast dit architecturale erfgoed trekt De Haan ook enorm veel natuurliefhebbers aan, met name dankzij de uitgestrekte Duinbossen en het opvallend lange, rustige zandstrand.
Gisteren nog vandaag
Het meest beroemde feit over De Haan is ongetwijfeld het tijdelijke verblijf van Albert Einstein.
In het voorjaar van 1933, vlak nadat hij nazi-Duitsland was ontvlucht, woonde de wereldberoemde natuurkundige maar liefst zes maanden lang in de Villa Savoyarde.
Hij wandelde er dagelijks door de duinen en ontving er talloze prominente wetenschappers, kunstenaars en hoogwaardigheidsbekleders voordat hij met zijn vrouw definitief naar de Verenigde Staten vertrok.
Een ander opvallend monument en geliefd weetje is het historische tramstationnetje uit 1902.
Dit sierlijke gebouwtje, met zijn typische vakwerk, is in zijn authentieke glorie bewaard gebleven en fungeert nog steeds als een van de mooiste en meest gefotografeerde haltes van de hele Kusttram.
Tot slot is het bijzonder om te weten dat het vele groen in De Haan absoluut geen toeval is; de uitgebreide bossen werden destijds heel bewust aangeplant om het opwaaiende zand tegen te houden en te voorkomen dat het het dorp zou overspoelen.
Dit doordachte plan geeft de badplaats tot op de dag van vandaag haar unieke, bosrijke en schilderachtige karakter.
Wanneer we spreken over Ter Duinen in de context van Nieuwpoort, komen we uit bij een boeiende geschiedenis die nauw verweven is met de heropbouw en de zorgsector aan de Belgische kust.
Hoewel de naam Ter Duinen historisch gezien vooral herinneringen oproept aan de middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde, heeft Nieuwpoort zijn eigen specifieke plekken gekregen die deze naam met trots dragen.
De belangrijkste moderne betekenis van Ter Duinen in Nieuwpoort is het bekende zorg- en herstelverblijf van de Christelijke Mutualiteit, gelegen aan de Louisweg.
Gisteren nog vandaag
De geschiedenis van deze specifieke locatie begon in de vroege jaren tachtig van de twintigste eeuw.
In februari 1983 startten de bouwwerken voor wat destijds werd opgezet als een modern revalidatiecentrum en vakantiedomein.
Het doel was om een toegankelijke vakantieplek te creëren voor senioren, chronisch zieken en mensen die moesten herstellen na een ziekenhuisopname.
Door de jaren heen evolueerde het complex tot een volledig aangepast centrum, dat vandaag de dag een cruciale rol speelt in het zorgtoerisme aan de kust.
Het centrum kreeg een officieel toegankelijkheidslabel en biedt al decennia een tijdelijk onderkomen waar professionele zorg en ontspanning hand in hand gaan.
Gisteren nog vandaag
Naast dit moderne zorgverblijf is er in de lokale Nieuwpoortse geschiedenis ook een sterke religieuze en volkskundige link met de naam, in de vorm van de Onze-Lieve-Vrouw-ter-Duinenkapel.
Deze kapel, die vaak kortweg de Duinenkapel wordt genoemd, groeide in de loop van de twintigste eeuw uit tot een belangrijk lokaal Mariaoord.
Gisteren nog vandaag
Vooral tijdens de moeilijke jaren van de Tweede Wereldoorlog vond de Nieuwpoortse bevolking hier een plek van samenkomst en troost.
In 1958 kende de kapel een triest dieptepunt toen het oorspronkelijke Mariabeeld werd vernield, maar nog in datzelfde jaar werd een nieuw beeld ingewijd door pastoor Pieter Declercq.
Gisteren nog vandaag
De kapel bleef een ontmoetingsplaats voor de lokale gemeenschap, en in de jaren negentig werd het interieur nog verrijkt met bas-reliëfs van de bekende volkskundige en keramist Bert Bijnens, die lokale sagen en legendes in de kunstwerken verwerkte.
Een bijzonder en minder bekend historisch weetje over deze Duinenkapel is dat de oorsprong van de devotie op deze plek teruggaat tot een opmerkelijke vondst in de negentiende eeuw.
Volgens de lokale overlevering werd er in 1890 door spelende kinderen een oud houten Mariabeeldje gevonden, half begraven in het zand van de Nieuwpoortse duinen.
De vondst werd destijds door de vissersgemeenschap beschouwd als een hemels teken van bescherming tegen de gevaren van de zee.
Om het beeldje te eren en te beschermen, werd er aanvankelijk een heel eenvoudige houten schuilplaats gebouwd, die later werd vervangen door de meer permanente bakstenen kapel.
Dit verklaart waarom de kapel, hoewel geografisch losstaand van de oude abdij, toch de naam ter Duinen kreeg en door de jaren heen vooral door zeemansfamilies werd bezocht om een behouden vaart af te smeken.
Er is ook een historisch-materieel verband tussen Nieuwpoort en de oorspronkelijke middeleeuwse Duinenabdij van Koksijde.
Toen die reusachtige abdij na de beeldenstorm en de godsdienstoorlogen aan het einde van de zestiende eeuw in verval raakte, werden de restanten een geliefde bron van bouwmateriaal voor de wijde omgeving.
De stad Nieuwpoort bleek een trouwe afnemer van deze historische stenen, de zogenaamde abdijmoeffen.
Zelfs rond het jaar 1800 kocht het stadsbestuur van Nieuwpoort nog grote partijen van deze oude stenen op om ze te verwerken in de herstelling en versteviging van de lokale sluizen.
Zo zit er letterlijk een stukje van het oude Ter Duinen ingemetseld in de maritieme geschiedenis en de waterwerken van Nieuwpoort.
De ontwikkeling van Het Zoute nam een hoge vlucht in het begin van de twintigste eeuw, grotendeels gestuurd door de in 1908 opgerichte Compagnie
De ontwikkeling van Het Zoute werd grotendeels gestuurd door de ontwerpen van de befaamde Duitse stedenbouwkundige Hermann Josef Stübben.
Zowel het Albertplein, in de volksmond vaak de Albertplaats of Place m’as-tu-vu genoemd, als de Elisabethlaan behoren tot de kern van dit ambitieuze stedenbouwkundige project dat vanaf 1909 werd gerealiseerd.
De Elisabethlaan vormde al snel een belangrijke oost-westverbinding en een centrale verkeersas voor de luxueuze uitbreiding van de kustgemeente Knokke.
Langs en rond deze laan verrezen statige hotels, exclusieve appartementen en villa’s in de voor de streek typerende Anglo-Normandische cottagestijl.
Een illuster stukje geschiedenis speelde zich af aan het einde van de Elisabethlaan in 1954, toen wereldberoemde schrijvers als Jean-Paul Sartre, Simone de Beauvoir en Bertolt Brecht in alle stilte logeerden in het toenmalige Linkshotel tijdens een poging om Oost- en West-Europese intellectuelen samen te brengen midden in de Koude Oorlog.
Vlakbij groeide het iconische hotel La Réserve uit tot een luxueuze trekpleister voor internationale sterren.
Het mondaine karakter van deze as vond zijn absolute hoogtepunt op het nabijgelegen Albertplein.
Dit plein werd eveneens in 1909 aangelegd en groeide vooral in de jaren vijftig uit tot dé plek waar de internationale beau monde zich verzamelde.
Grote sterren zoals Frank Sinatra, Edith Piaf, Charles Aznavour en Jacques Brel dronken er een aperitief, gadegeslagen door het flanerende publiek.
Aan het plein opende in 1923 ook het befaamde Hotel Memlinc, ontworpen door architect Jozef Viérin, dat met zijn jazzconcerten en theedansen de roaring twenties aan de kust extra kleur gaf.
Op het kruispunt bij het plein werd in de jaren zestig bovendien het opvallende bronzen beeld De Poëet van de Frans-Russische kunstenaar Ossip Zadkine geplaatst, waarvoor later een definitieve plek werd gevonden.
Hoewel het plein in de decennia daarna wat van zijn oorspronkelijke grandeur verloor, onderging het recent een spectaculaire transformatie.
In 2023 werd een vernieuwd Albertplein onthuld, gekenmerkt door een gigantisch dambordpatroon van zwarte en witte tegels.
Een bijzonder detail is dat in de zwarte tegels duizenden oude munten zijn verwerkt die door inwoners en bezoekers werden geschonken.
De absolute blikvanger van het vernieuwde plein is een innovatieve glazen koepel, ontworpen door ingenieur-architect Philippe Samyn.
Dit architecturale hoogstandje zonder interne steunpilaren vormt vandaag het nieuwe kloppende hart van de badplaats en verbindt de rijke geschiedenis van de plek naadloos met de eenentwintigste eeuw.
In 1891 trok een groep private investeerders onder leiding van de Brusselse hotelier Charles Smedt een relatief klein, houten gebouw op de zeedijk op.
Het ontwerp van architect Alexis Dumont was zo’n bezienswaardigheid dat zelfs koning Leopold II tijdens een wandeling vanuit Oostende de bouw kwam inspecteren.
Na enkele verbouwingen en de toevoeging van zijvleugels bood het complex plaats aan een restaurant, winkeltjes en een feestzaal.
Het was een populaire trekpleister voor toeristen, kinderbals en optredens van variétéartiesten.
In 1908 kocht het gemeentebestuur het gebouw, met de intentie om iets nieuws en groters te bouwen.
In 1914, na de opening van zijn opvolger, werd het eerste casino gesloopt.
In 1912 besloot de gemeente tot de bouw van een nieuw, statig casino op een uitbouw van de zeedijk.
Het ontwerp was van architect Georges Hobé, met een interieur door Albert Van Huffel.
Het opende op 18 juli 1914 en omvatte een speelzaal, leeszaal, horecazaken, biljarttafels, een bowling en een concertzaal, omgeven door een binnentuin en tennisvelden.
De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten; het Duitse leger gebruikte het complex als hoofdkwartier en liet het zwaar beschadigd achter.
Na de oorlog werd het casino heropgebouwd volgens de originele plannen en heropende het in 1925.
In het interbellum traden er grootheden als Charles Trenet en Jean Omer op.
De Tweede Wereldoorlog betekende echter het definitieve einde voor het gebouw; het werd volledig tot puin herleid.
Na de oorlog werd tijdelijk een casino ingericht in ‘Hôtel de la Plage’.
Het derde casinogebouw, ontworpen door de Middelkerkse architect August Vereecke in een Normandische stijl, opende zijn deuren in 1954.
Dit casino zou uitgroeien tot een icoon van het Vlaamse entertainment.
Onder leiding van directeur Luc Rammant (1979-1998) werden tal van nationale en internationale sterren naar de kust gehaald, met Will Tura en Gilbert Bécaud als regelmatige gasten.
Het gebouw huisvestte naast de speelzaal en nachtclub Montezuma de beroemde Baccarazaal.
In deze feestzaal met zeezicht werd vanaf 1969 de ‘Gouden Sirene’ georganiseerd, een concours voor het Belgische levenslied waar onder meer Eva Marie haar carrière lanceerde.
Dit evenement was de voorloper van de legendarische ‘Baccarabeker’, een provinciale talentenjacht die liep van 1981 tot 1990.
Ook de VRT vond haar weg naar de zaal voor de opnames van de populaire televisietalkshow ‘Margriet aan zee’ (1989-1994).
De laatste jaren van dit casino werden echter overschaduwd door een grootschalige fraude aan de roulettetafel, waarbij croupiers tussen 2001 en 2015 zo’n drie miljoen euro verduisterden.
Na enkele opfrisbeurten sloot het gebouw in 2017 definitief de deuren en werd het een jaar later gesloopt.
In maart 2024 begon een nieuw hoofdstuk met de opening van SILT, een multifunctioneel evenementengebouw dat het vierde casino herbergt.
Dit ambitieuze project is meer dan een speelzaal; het omvat een foyer, restaurant, evenementenzaal voor 1700 personen, een hotel en een ondergrondse parking.
Het ontwerp, van de hand van een consortium van architecten en bouwbedrijven, integreert een versterkte zeedijk die bestand is tegen een duizendjarige storm en creëert een naadloze, autovrije overgang tussen de dijk en het Epernayplein.
De uitbating van het nieuwe casino is in handen van Belcasinos, onderdeel van de Franse Groupe Partouche (postkaarten uit mijn eigen verzameling)