Vandaag 100 jaar geleden: aantreden van de regering-Jaspar I.

De vorming van de Belgische regering in mei 1926 leidde op de twintigste van die maand tot de installatie van een regering van nationale unie, geleid door premier Henri Jaspar van de Katholieke Unie.

Dit kabinet trad aan na de val van de regering-Poullet-Vandervelde om een zware financiële en monetaire crisis te bezweren. Die vorige coalitie van katholieken en socialisten was gestruikeld nadat de Belgische frank naar een historisch dieptepunt was gezakt en er een massale kapitaalvlucht op gang was gekomen.

Na het ontslag op 11 mei 1926 werd er snel gezocht naar een brede oplossing.

Hoewel de eerste berichten spraken van een katholiek-liberale as aangevuld met technocraten, waarbij de socialisten in de oppositie zouden belanden, slaagde Jaspar er uiteindelijk in om een brede ploeg samen te stellen waarin alle drie de grote politieke families vertegenwoordigd waren.

Jaspar verdeelde de posten zorgvuldig. Naast de premier zelf werden de katholieken vertegenwoordigd door Charles de Broqueville, Maurice Houtart en Henri Baels. Namens de socialisten traden Emile Vandervelde, Joseph Wauters, Edward Anseele en Camille Huysmans toe tot de regering.

De liberalen vaardigden Paul Hymans af, terwijl Emile Francqui als minister zonder portefeuille werd aangesteld.

Francqui kreeg de specifieke taak om minister van Financiën Houtart te ondersteunen bij het financieel herstelbeleid. In die loodzware opdracht kregen Houtart en Francqui bovendien ruggensteun van een financieel comité onder leiding van voormalig premier Georges Theunis.

Dezelfde dag nog legden de nieuwe ministers de eed af bij de koning.

Op 25 mei 1926 lazen Henri Jaspar in de Kamer en Emile Vandervelde in de Senaat de regeerverklaring voor.

De focus lag nagenoeg volledig op het economische herstel. De regering wilde de geldhoeveelheid verminderen, het belastingstelsel herzien, de begroting in evenwicht brengen en streng snoeien in de uitgaven van de openbare besturen.

Tegelijkertijd beloofde het kabinet om niet te raken aan de sociale zekerheid en de taalwetgeving, en bleef het buitenlands beleid gericht op vrede en internationale samenwerking.

Het parlement toonde zich snel overtuigd, want op 27 mei schonk de Kamer haar vertrouwen aan de regering, waarna de Senaat op 1 juni volgde.

Om de wankelende economie daadwerkelijk te redden, kreeg het kabinet bijzondere volmachten van het parlement.

Hierin speelde Emile Francqui een absolute sleutelrol. Onder zijn impuls werden succesvolle maatregelen doorgevoerd, zoals de oprichting van de Maatschappij voor de Industriële Herfinanciering.

De meest tastbare en blijvende realisatie van deze regering was echter de oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen via de wet van 23 juli 1926.

Om de munt definitief te stabiliseren, werd de Belgische frank in oktober van dat jaar gekoppeld aan de goudstandaard en gedevalueerd, een ingreep die later bekend zou worden als de Frank-Jaspar.

Na een intensief anderhalf jaar viel het doek voor deze ploeg op 22 november 1927, waarna de weg vrij was voor de regering-Jaspar II.

35 jaar geleden, Bob De Richter getrouwd.

Bob De Richter startte zijn carrière als leraar aardrijkskunde en assistent aan de Rijksuniversiteit Gent.

In maart 1987, na het pensioen van de legendarische Armand Pien, maakte hij de overstap naar de toenmalige BRT.

Daar werd hij een van de vier nieuwe gezichten die het weer presenteerden, een taak die hij deelde met Georges Küster, Frank Deboosere en diens vrouw Hilde Simons.

Zijn periode als weerman duurde tot 1993, waarna hij de televisiewereld verruilde voor de politiek.

Hij begon als adjunct-kabinetschef voor de Vlaamse ministers Leona Detiège en Leo Peeters, een functie die hij van 1993 tot 1995 uitoefende.

Op 28 juni 1995 zette hij de stap naar het nationale niveau toen hij Marcel Colla opvolgde als SP-volksvertegenwoordiger in de Kamer.

Daar zetelde hij tot 1999 en was hij actief in de commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs, de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, de Middenstand en de Landbouw.

Na de lokale verkiezingen van 2000 richtte De Richter zijn politieke aandacht op de stad Mortsel.

Hij werd er gemeenteraadslid, fractieleider voor de sp.a en diende van 2007 tot 2009 als schepen.

Op 1 november 2009 gaf hij zijn schepenmandaat door aan Steve D’Hulster. Hoewel hij in 2010 de actieve politiek verliet, bleef hij wel betrokken als lid van het bestuur.

Bob De Richter overleed op 3 april 2015, na een langdurige ziekte.

25 jaar geleden: Toen de Gentse kunstenaarspartij “Digter” meer dan alleen maar ludiek was.

Onder de bezielende leiding van onze eigen Coenraed de Waele zette deze gloednieuwe partij de boel op stelten.

Wat Digter zo bijzonder maakte? Wel, het was de allereerste keer in de Belgische geschiedenis dat een lijst vol kunstenaars zich in de verkiezingsstrijd mengde. “Voor het eerst in het bestaan van België neemt een lijst met kunstenaars deel aan de verkiezingen”, verkondigde lijsttrekker en dichter Coenraed de Waele (toen 48).

De naam “Digter” stond voor een heerlijke knipoog naar de poëzie: “Dichten Is Geen Tralala Eerder Rock ‘n’ roll”.

Rond dit gevatte acroniem schaarden zich maar liefst 23 creatieve geesten.

Denk aan bekende namen uit de literatuur zoals Marcella Baete, Ronald Vermeulen en Eva Cox, maar ook theatermakers als Jaak Van De Velde en muzikanten zoals rockdrummer Boudewijn Creelle.

Het programma van Digter was op z’n zachtst gezegd… origineel.

Wat dacht je van de “herverdeling van de liefde”, de “omverwerping van de dictatuur van het orgasme” of een “bos met zangvogels en stadsaapjes op de Vrijdagmarkt”? Het toont de humor en het speelse karakter van deze unieke partij.

Maar Digter had ook serieuze noten op de zang.

Zo pleitten ze voor een proefproject om kunstenaars een echt statuut te geven en de oprichting van een “Huis van het Woord”.

40 jaar geleden, reclame voor de verkiezing van 13 oktober 1985 voor de CVP.

Na de verkiezingen werd de regering-Martens VI gevormd, bestaande uit dezelfde partijen. als de vorige regering.

Een opmerkelijke figuur uit die tijd was Guy Verhofstadt, die sinds 1982 voorzitter van de PVV was.

Hij werd toen voor het eerst verkozen tot volksvertegenwoordiger.

Ondanks dat de PVV de enige regeringspartij was die achteruitging, kon Verhofstadt toch zijn stempel drukken op het regeerakkoord en werd hij vicepremier in de regering-Martens VI.

De regering-Martens VI viel na twee jaar, officieel over de kwestie Voeren, hoewel het wantrouwen van de vakbonden tegenover Verhofstadt ook een belangrijke rol speelde.

Deze week, 90 jaar geleden, werklozenbeweging in Gent en dit tegen de uithongeringspolitiek van de regering Theunis (ABC 20 januari 1935)

Deze regering, Theunis IV, een coalitie van Katholieken en Liberalen, voerde een impopulair economisch herstelbeleid, dat gekenmerkt werd door deflatiemaatregelen, en werd geconfronteerd met sociale onrust en hevige oppositie van de socialistische BWP-POB.

Ondanks het deflatiebeleid bleef de Belgische economische toestand verslechteren.

De regering viel dan ook op 25 maart 1935.

De opvolgende regering-Van Zeeland I (25 maart 1935 – 13 juni 1936) was een coalitie van de Katholieke Unie (80 zetels), de BWP (72 zetels) en de Liberale Partij (24 zetels).

Op 30 maart 1935, kort na haar aantreden, devalueerde deze regering de Belgische frank met 28%.

De regering bleef in functie tot aan de verkiezingen van 24 mei 1936, waarbij de drie grote partijen veel zetels verloren ten voordele van kleinere extremere partijen en met name Rex.

Toch werd de regering opgevolgd door een regering-Van Zeeland II.

Vandaag 100 jaar geleden, begrafenis van de Gentse Liberale politieker Albert Mechelynck (11 maart 1924)

Albert Josse Louis Mechelynck was de zoon van de voorzitter van het hof van beroep in Gent, Louis Mechelynck, en van Pauline Delehaye, een dochter van de Gentse burgemeester Josse Delehaye.

Albert studeerde aan het Atheneum aan de Ottogracht en aan de Gentse universiteit, waar hij in 1876 doctor in de rechten werd.

In 1879 schreef hij zich in aan de Gentse balie, waar hij naam maakte.

In 1880 trouwde hij met Anne Pauline Barbanson, uit de gelijknamige invloedrijke Brusselse familie.

In 1879 werd Mechelynck lid van het dagelijks bestuur van de Association libérale, constitutionelle et démocratique de l’arrondissement de Gand-Eeclo of arrondissementsfederatie.

In 1884 werd hij verkozen tot provincieraadslid voor Oost-Vlaanderen.

Tijdens zijn twintigjarig lidmaatschap ontwikkelde hij een politiek netwerk dat de liberale tenoren uit zijn tijd, maar ook gematigde oppositiefiguren bereikte.

In 1904 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger en bleef dit mandaat bekleden tot aan zijn dood.

Van 1919 tot 1924 was hij ondervoorzitter van de Kamer.

Mechelynck was lid van de Gentse vrijmetselaarsloge Septentrion, waarvan hij van 1891 tot 1895 de Achtbare Meester was.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Mechelynck zich in Gent verdienstelijk als leider van het Gentse comité binnen het Nationaal Comité voor Hulp en Voedselvoorziening (Comité national de secours et d’alimentation), dat tot het einde van de oorlog actief was.

Hij was ook een actief lid van het Comité voor Vaderlandslievende Acties dat het morele verzet tegen de bezetter stimuleerde.

Als advocaat verleende hij juridische bijstand aan beklaagden van verzetsdaden die voor de Duitse rechtbanken moesten verschijnen.

Hij kwam te overlijden op 9 maart in zijn woning, gelegen in de Brabantdam 56, vroeger nr 51 (foto 1 en 2 van zijn woning, en het huis bestaat nog steeds en is nu een winkel)

Vandaag 25 jaar geleden, het eerste congres van de nieuwe partij Vivant in Brussel (28 november 1998).

Vivant is een politieke beweging die voortkwam uit de partij BANAAN, die in 1995 meedeed aan de verkiezingen.

Vivant had een vooral economische visie, die gebaseerd was op het boek NV België: verslag aan de aandeelhouders dat voorzitter Roland Duchâtelet in 1994 schreef.

Vivant stond ook voor individuele vrijheid en een sterke sociale zekerheid binnen een vrijemarkteconomie.

Bij de federale parlementsverkiezingen van 1999 kreeg de partij 130.701 stemmen (2,1%) voor de Kamer.

Bij de federale verkiezingen van 2003 zakte de partij, na interne problemen, naar 1,3% van de stemmen.

Bij de verkiezingen voor het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap in juni 2004 kreeg de Vivant-lijst twee zetels, die ingenomen werden door Josef Meyer en Ernst Meyer.

Voor de verkiezingen van het Vlaams Parlement sloot Vivant, mede door de kiesdrempel van 5%, een kartel met de VLD.

In maart 2006 werd Nele Lijnen senator voor de partij na coöptatie door de VLD.

Op 6 februari 2007 maakte voorzitter Roland Duchâtelet bekend dat de Nederlandstalige tak van zijn partij zou samengaan met de Open Vld.

De volgende dag zei hij dat Vivant als beweging zou blijven bestaan.

Sinds 2007 is Vivant alleen nog actief in de Duitstalige Gemeenschap, en doet het alleen nog mee aan de Europese verkiezingen en aan de verkiezingen voor het Duitstalige Parlement.

In de legislatuurperiode 2019–2024 heeft Vivant 3 verkozenen in het Duitstalig parlement.

Vandaag is het 90 jaar geleden dat de Franse wiskundige en politicus Paul Painlevé overleed (29 oktober 1933)

Paul Painlevé geboren op 5 december 1863 in Parijs, stamt af van een familie die zich in verschillende ambachten heeft onderscheiden.

Aan de kant van zijn vader waren zijn voorouders wijnmakers uit Eure-et-Loir, terwijl aan de kant van zijn moeder zijn voorouders steenhouwers waren uit Meaux.

Zijn grootvader van vaderskant verhuisde naar Parijs, waar hij als typograaf werkte.

Hij ging met pensioen op negenenvijftigjarige leeftijd en keerde terug naar zijn geboortedorp, waar hij twintig jaar later overleed.

Zijn vader volgde het voorbeeld van zijn grootvader en zijn oom en werd een lithografisch ontwerper in de grafische industrie in Parijs.

In het begin van de jaren zeventig richtte hij een drukinktfabriek op in Malakoff.

Paul Painlevé groeide op in een redelijk welvarende, progressieve en goed opgeleide middenklasse familie.

Hij studeerde aan de École Normale Supérieure, waar hij later ook hoogleraar werd.

Hij was een expert op het gebied van differentiaalvergelijkingen en hemelmechanica, en leverde belangrijke bijdragen aan de theorie van de singulariteiten en de stabiliteit van vloeistofstromen.

In 1900 werd hij verkozen tot lid van de Academie van Wetenschappen.

Hij bestudeerde de beweging van vloeistoffen en hun toepassing op het ontwerp van vliegtuigen.

In 1903 publiceerde hij een formule die aantoonde dat een vleugel een opwaartse kracht kan genereren door de luchtstroom om zich heen te veranderen.

In 1908 maakte hij een historische vlucht en was hij de eerste passagier van de gebroeders Wright, die de eerste gemotoriseerde vlucht hadden uitgevoerd in 1903.

Hij bleef geïnteresseerd in de theorie van de luchtvaart en in 1927 formuleerde hij een wiskundig model voor de beweging van een vlak in een perfecte vloeistof, dat wil zeggen een vloeistof zonder viscositeit of wrijving.

Zijn werk legde de basis voor latere ontwikkelingen in de aerodynamica en de stromingsleer.

Hij was niet alleen een invloedrijke figuur in de Franse wetenschap, maar hij was ook actief in de politiek, zo was hij twee keer premier (in 1917 en 1925) en bekleedde hij verschillende ministerposten.

Hij speelde ook een belangrijke rol in de ontwikkeling van de militaire luchtvaart in Frankrijk.

In 1910 overtuigde hij het parlement om geld vrij te maken voor de aanschaf van vliegtuigen.

Hij was rapporteur en later voorzitter van de commissie voor marinezaken, lid van de Hoge Raad voor Militaire Luchtvaart en van de Technische Commissie voor Spoorwegoperaties.

Hij zette zich in om de nationale verdediging te versterken.

Hij was een voorstander van de internationale samenwerking en de wetenschappelijke vooruitgang, en richtte onder andere het Institut d’Histoire des Sciences et des Techniques op.

Painlevé was getrouwd met Marguerite Petit de Villeneuve

Zij hadden samen een zoon, Jean Painlevé, die een beroemde regisseur en bioloog werd.

Jean Painlevé maakte meer dan tweehonderd films over het leven in de zee, waarin hij wetenschap en kunst combineerde. Hij was ook een pionier op het gebied van de microcinematografie en de onderwaterfotografie.

Paul Painlevé stierf op 29 oktober 1933 in Parijs, op 69-jarige leeftijd.

Gisteren nog vandaag

Vandaag 60 jaar geleden, de ontvoering van voetballer Alfredo Di Stéfano (Panorama 8 oktober 1963)

In 1963 werd Di Stéfano het slachtoffer van een ontvoering in Caracas, Venezuela, waar hij met Real Madrid een vriendschappelijke wedstrijd zou spelen.

Hij werd op (volgens sommige bronnen op 24 augustus) meegenomen door twee gewapende mannen die zich voordeden als politieagenten.

Ze eisten losgeld en politieke concessies van de Venezolaanse regering.

Di Stéfano werd twee dagen vastgehouden (sommige bronnen hebben het over 25 uur) in een afgelegen huis, maar bleef ongedeerd. Hij kreeg zelfs te eten en te drinken en mocht naar de radio luisteren.

De ontvoerders behoorden tot een linkse guerrillabeweging die zichzelf de Gewapende Revolutionaire Beweging (MRA) noemde.

Ze wilden met hun actie aandacht vragen voor de sociale ongelijkheid en de onderdrukking in Venezuela.

Ze hadden ook contact met Fidel Castro, de leider van Cuba, die hen steunde in hun strijd tegen het regime van president Rómulo Betancourt.

Castro zou zelfs hebben bemiddeld om Di Stéfano vrij te krijgen, volgens sommige bronnen.

Op 26 augustus werd Di Stéfano vrijgelaten in de buurt van de Spaanse ambassade.

Hij werd opgevangen door zijn ploeggenoten en kon al snel weer voetballen.

Hij speelde zelfs mee in de uitgestelde wedstrijd tegen São Paulo, die Real Madrid met 2-1 won.

Di Stéfano zei later dat hij geen wrok koesterde tegen zijn ontvoerders en dat hij begrip had voor hun idealen. Hij schonk ook een deel van zijn gage aan een Venezolaans weeshuis.

Alfredo Di Stéfano was een van de grootste voetballers aller tijden. Hij speelde als aanvaller en was vooral bekend om zijn successen met Real Madrid in de jaren 50 en 60.

Hij won vijf keer de Europacup I en scoorde in elke finale. Hij was ook vijf keer de topscorer van Spanje en werd twee keer verkozen tot Europees voetballer van het jaar.

Di Stéfano begon zijn carrière bij River Plate in Argentinië, waar hij in 1947 de Copa América won.

Hij speelde ook voor Huracán en Millonarios in Colombia, voordat hij in 1953 naar Real Madrid ging.

Hij nam de Spaanse nationaliteit aan en speelde 31 interlands voor Spanje, nadat hij eerder ook voor Argentinië en Colombia had gespeeld.

Di Stéfano maakte nooit zijn debuut op een WK, omdat Spanje zich niet kwalificeerde of zich terugtrok.

Na zijn voetbalcarrière werd hij trainer van onder andere Elche, Boca Juniors, Valencia, Sporting CP, Rayo Vallecano, Castellón, River Plate en Real Madrid.

Hij won als coach onder meer de Argentijnse titel met Boca Juniors en River Plate, de Spaanse titel en de Europacup II met Valencia en de Spaanse Supercup met Real Madrid.

Hij was ook een filmacteur en speelde in vier films: Con los mismos colores (1949), Saeta rubia (1956), La batalla del domingo (1963) en Once pares de botas (1968).

Di Stéfano overleed in 2014 op 88-jarige leeftijd in Madrid. Hij wordt beschouwd als een legende van het voetbal en een icoon van Real Madrid.