55 jaar geleden, de verzamelaar Top Star Festival

In 1971 bracht een bijzonder erecomité een dwingende boodschap naar buiten om aandacht te vragen voor een wereldwijd probleem.

Het comité introduceerde de verzamelaar Top Star Festival, een uitzonderlijke artistieke prestatie die destijds met enthousiasme werd aanbevolen.

Het luistergenot van de kopers werd destijds vergroot door de wetenschap dat zij met hun aankoop tegelijkertijd de talloze vluchtelingen in de wereld hielpen, mensen die destijds veel minder bevoorrecht waren.

Grote artiesten verleenden destijds belangeloos hun medewerking aan dit album. Ook de grammofoonplatenindustrie, de Amerikaanse Federatie van Musici, componisten, tekstdichters en muziekuitgevers werkten in die periode intensief samen.

Zij maakten het destijds mogelijk om snel te reageren op een nobel en menslievend appèl.

Deze onbaatzuchtige inzet had destijds echter pas echt zin als het publiek de plaat kocht en aanbeval bij vrienden.

De leden van het erecomité van de Hoge Commissaris spraken destijds, namens de vluchtelingen over de gehele wereld, hun oprechte dank uit aan iedereen die aan het album meewerkte.

Onder de betrokkenen bevonden zich destijds bekende namen zoals Burt Bacharach, Dave Brubeck, Duke Ellington, David Frost en Paul Mauriat.

In die tijd werden vluchtelingen gedefinieerd als mensen die door angst voor vervolging gedwongen waren hun huis en vaderland te verlaten.

Om hen te beschermen en bij te staan, had de internationale volkerengemeenschap destijds de United Nations Relief and Works Agency opgericht, die zich specifiek richtte op Palestijnse vluchtelingen in het Nabije Oosten.

Alle overige vluchtelingen stonden destijds onder de hoede van de United Nations High Commissioner for Refugees.

De voornaamste taak van de UNHCR was destijds het bieden van internationale bescherming. In de toenmalige moderne wereld was een mens zonder land immers een mens zonder rechten.

Op verzoek van de gastlanden hielp de organisatie destijds in eerste instantie met minimale materiële bijstand om te overleven, om vervolgens te zoeken naar blijvende oplossingen.

Het uiteindelijke doel was destijds om te zorgen dat iemand geen vluchteling meer hoefde te zijn, bijvoorbeeld door vrijwillige terugkeer of door het aannemen van een nieuwe nationaliteit.

Destijds vielen naar schatting zo’n tweeënhalf miljoen vluchtelingen onder de bescherming van de organisatie.

De verdeling over de continenten liet in die periode een miljoen vluchtelingen in Afrika zien, honderdzestigduizend in Azië, zevenhonderdvijftigduizend in Europa en nog eens ruim zeshonderdvijfenzestigduizend elders.

Een groot deel van hen had destijds nog altijd acute materiële hulp nodig. Het succes van de UNHCR steunde in die tijd op een zuiver humanitaire, niet-politieke en pragmatische benadering.

Door vluchtelingen te helpen met hun vestiging, nam de organisatie destijds die bron van potentiële spanningen weg, wat direct bijdroeg aan de vrede en stabiliteit in de wereld.

Hoewel de schaal in de vroege jaren zeventig al aanzienlijk was, is de problematiek in de decennia daarna exponentieel gewijzigd door een samenspel van verschillende oorzaken.

Ter vergelijking: de UNHCR rapporteert dat er in 2026 wereldwijd naar schatting 120 miljoen mensen op de vlucht zijn of gedwongen zijn ontheemd, waaronder vluchtelingen, asielzoekers en binnenlandse ontheemden.

Dit enorme verschil met 1971 laat zich deels verklaren door de groei van de wereldbevolking, waardoor conflicten grotere groepen mensen treffen.

Ook het karakter van conflicten is veranderd van kortstondige oorlogen tussen staten naar langdurige binnenlandse burgeroorlogen, waardoor terugkeer vaak onmogelijk blijft.

Daarnaast spelen tegenwoordig nieuwe factoren een grote rol, zoals klimaatverandering en extreme weersomstandigheden die gebieden onbewoonbaar maken.

Tot slot zorgen de moderne globalisering, betere transportnetwerken en een snellere toegang tot informatie ervoor dat grotere groepen mensen lange afstanden kunnen afleggen om aan uitzichtloze situaties te ontsnappen, wat ook leidt tot een hogere registratie van asielzoekers wereldwijd.

Het exacte aantal van rond de zevenhonderdvijftigduizend of ruim zeshonderdvijfenzestigduizend vluchtelingen en asielzoekers dat jaarlijks Europa binnenkomt, is de afgelopen jaren een constant gegeven in de statistieken van Eurostat en de UNHCR.

Zo werden er in 2025 in de hele Europese Unie bijvoorbeeld een kleine 670.000 eerste asielaanvragen geregistreerd.

Deze mensen komen uit verschillende delen van de wereld, waarbij enkele landen al jarenlang de grootste groep asielzoekers leveren vanwege aanhoudende oorlogen, politieke instabiliteit of economische crises.

De belangrijkste herkomstregio’s en landen zijn tegenwoordig het Midden-Oosten, waarbij Syrië al sinds 2013 de grootste leverancier van asielzoekers in Europa is, omdat mensen daar nog steeds de gevolgen van de slepende burgeroorlog en de repressie ontvluchten.

Daarnaast komen er aanzienlijke aantallen vluchtelingen uit Turkije, Irak en Jemen.

In Azië staat Afghanistan steevast in de top drie van herkomstlanden; sinds de machtsovername door de Taliban zoeken veel Afghanen een veilig heenkomen in Europese landen, met name in Duitsland.

Ook uit landen als Pakistan en Bangladesh reizen groepen mensen richting Europa.

Een zeer grote en opvallende stroom is afkomstig uit Zuid- en Midden-Amerika, met name uit Venezuela en Colombia.

Door de diepe economische en politieke crisis in Venezuela is een miljoenenstroom op gang gekomen, waarvan een aanzienlijk deel via Spanje Europa probeert binnen te komen, waardoor Venezolanen in recente Europese statistieken soms zelfs de grootste groep eerste aanvragers vormen.

Uit het Afrikaanse continent komen vluchtelingen hoofdzakelijk uit landen met dictatoriale regimes of interne conflicten, waarbij Eritrea en Somalië de bekendste voorbeelden zijn, maar er is ook instroom vanuit landen als Nigeria, Marokko, Algerije en Tunesië.

Daarnaast is het belangrijk om te vermelden dat de miljoenen Oekraïners, die sinds de Russische inval in 2022 naar de Europese Unie zijn gevlucht, meestal buiten de reguliere asielstatistieken vallen. Dit komt omdat zij via een speciale Europese richtlijn direct een tijdelijke beschermingsstatus kregen, zonder de gewone asielprocedure te hoeven doorlopen.

In 1971 lag de situatie op het gebied van vluchtelingenstromen in Europa heel anders dan in 2026.

Het cijfer van zevenhonderdvijftigduizend vluchtelingen dat destijds werd genoemd, had een totaal andere achtergrond en de herkomstgebieden waren destijds niet te vergelijken met de huidige crisisgebieden.

In de vroege jaren zeventig kwamen grote groepen vluchtelingen binnen Europa inderdaad voor een heel belangrijk deel uit Oost-Europa en Centraal-Europa.

Door de Koude Oorlog en het IJzeren Gordijn ontvluchtten veel mensen het communistische regime in het Oostblok. Grote stromen kwamen destijds uit landen als Tsjecho-Slowakije, na het neerslaan van de Praagse Lente in 1968, en uit Polen en Hongarije om politiek asiel te zoeken in West-Europese landen.

Daarnaast was er in die specifieke periode rond 1971 een grote vluchtelingenstroom buiten Europa die indirect ook impact had, namelijk door de onafhankelijkheidsoorlog in Bangladesh (toen nog Oost-Pakistan), wat destijds miljoenen mensen op de vlucht joeg, al bleven de meesten daarvan in de regio zelf opgevangen.

Ook de politieke spanningen in het Midden-Oosten zorgden toen voor de eerste migratiestromen, maar de massale asielaanvragen uit landen als Syrië, Afghanistan of Venezuela, zoals we die nu kennen, bestonden toen nog niet.

Het cijfer is in de loop der jaren dus weliswaar in omvang soms vergelijkbaar gebleven, maar de geografische oorsprong en de politieke redenen achter de vluchtelingenstromen zijn tussen 1971 en 2026 compleet verschoven van de Europese binnengrenzen naar conflictgebieden ver daarbuiten.

Met de explosieve groei van het aantal vluchtelingen zijn uiteraard ook de benodigde budgetten en de internationale steun meegegroeid.

In 1971 beschikte de UNHCR over een regulier operationeel budget van ongeveer 7 miljoen dollar, al werd dat jaar door de onafhankelijkheidsoorlog van Bangladesh ook nog eens ruim 115 miljoen dollar aan extra noodhulp ingezameld via speciale oproepen.

In die tijd zegden 74 overheden een financiële bijdrage toe.

In 2026 liggen de bedragen in een totaal andere orde van grootte, met een vastgestelde totale budgetbehoefte van ruim 8,5 miljard dollar.

Vrijwel alle lidstaten van de Verenigde Naties dragen tegenwoordig op een of andere manier bij, al komt de kern van de financiering van een vaste groep donorlanden en de Europese Unie.

De verhoudingen binnen deze internationale financiering zijn zeer scheef verdeeld, aangezien de UNHCR bijna volledig afhankelijk is van vrijwillige bijdragen.

Grote mogendheden zoals China en Rusland betalen weliswaar mee, maar hun aandelen zijn uiterst beperkt; China schenkt doorgaans minder dan 0,1 procent van het totale budget en Rusland schommelt vaak rond de 0,05 procent.

India hanteert een soortgelijk beleid en kiest voor een minimale rechtstreekse bijdrage van enkele honderdduizenden dollars, ondanks de vele vluchtelingen die het land zelf opvangt.

De regio Zuid-Amerika draagt via individuele landen zoals Brazilië, Chili en Colombia gezamenlijk voor minder dan 0,5 procent bij aan het wereldwijde budget, mede omdat veel landen daar zelf grote interne ontheemdenstromen moeten opvangen met steun van de organisatie.

De rijke olielanden in de Golfregio vormen een wisselende factor; zij dragen circa 1 tot 2 procent bij, maar doen dit bijna uitsluitend in de vorm van ad-hoc noodhulp die specifiek is geoormerkt voor crises binnen de Arabische of islamitische wereld.

Alles bij elkaar genomen vertegenwoordigen Rusland, China, India, Zuid-Amerika en de olielanden nog geen 3 procent van het geheel.

De resterende 97 procent van het miljardenbudget wordt opgebracht door de traditionele westerse partners, waarbij de rol van de belangrijkste lidstaten cruciaal blijft.

Soms kent de geschiedenis politieke verschuivingen, zoals begin 2026, toen de Amerikaanse regering een grootschalige terugtrekking aankondigde uit maar liefst 66 internationale organisaties en VN-organen, waaronder verschillende klimaat- en handelsorganisaties.

De Amerikaanse administratie maakte destijds echter een expliciete uitzondering voor een klein aantal organisaties die als cruciaal voor de veiligheid of humanitaire belangen worden gezien.

De VN-vluchtelingenorganisatie viel onder die uitzondering, waardoor de Verenigde Staten tot op de dag van vandaag nog altijd lid zijn van de UNHCR en de werking ervan actief ondersteunen.

De Verenigde Staten zijn historisch gezien en ook nu nog altijd de absolute koploper en de grootste individuele financier en betaler van de UNHCR.

De Amerikaanse overheid maakt jaarlijks gigantische bedragen over die de basis vormen van het budget, met totale bijdragen die steevast ruim boven de 2 miljard dollar per jaar liggen en recent zelfs opliepen tot ruim 2,4 miljard dollar.

Er zijn geen andere individuele landen die nog meer betalen dan de Verenigde Staten.

Het internationale blok, namelijk de Europese Unie, is de enige speler die het Amerikaanse volume evenaart, omdat de Europese Commissie de individuele bijdragen van alle Europese lidstaten samenvoegt.

Binnen die westerse gemeenschap nemen ook Nederland en Vlaanderen hun verantwoordelijkheid.

Nederland behoort van oudsher tot de belangrijkste internationale donateurs en schenkt jaarlijks stabiele bedragen van rond de 90 tot 100 miljoen dollar.

Dit geld wordt bewust grotendeels flexibel en ongeoormerkt overgemaakt, waardoor Nederland stevig in de wereldwijde top tien van grootste overheidsdonateurs staat.

Vlaanderen draagt als regio binnen België onafhankelijk bij met gerichte projectsteun en bijdragen aan het noodhulpfonds.

De Vlaamse overheid maakt hiervoor jaarlijks bedragen vrij die variëren van enkele honderdduizenden tot 1 à 2 miljoen euro, terwijl de federale overheid van België daarnaast nog eens tientallen miljoenen euro’s aan de organisatie overmaakt.

De grootste vluchtelingenproblemen concentreerden zich in 1971 in Afrika en Azië.

Veel landen in deze werelddelen waren in die periode pas kort onafhankelijk en misten de nodige financiële middelen voor hun eigen nationale ontwikkeling. Hoe gastvrij deze jonge naties destijds ook waren met het verlenen van asiel en het toewijzen van land, er kon destijds niet van hen worden verwacht dat zij de enorme kosten van deze plotselinge vluchtelingenstromen alleen droegen.

Dat was het moment waarop de UNHCR te hulp schoot.

De vestiging van vluchtelingen in Afrika en Azië vereiste destijds die opbouw van compleet nieuwe gemeenschappen in dunbevolkte gebieden.

In die tijd moesten er wegen en bruggen worden aangelegd, bossen worden gekapt, moerassen worden drooggelegd en waterputten worden gegraven.

Ook de bouw van scholen, apotheken en de distributie van gereedschap, zaden en geneesmiddelen eisten destijds enorme investeringen.

Omdat de overheidssubsidies en particuliere giften in die periode niet toereikend waren, zocht de Hoge Commissaris destijds rechtstreeks steun bij het grote publiek.

Voor dat doel waren er destijds al drie eerdere elpees uitgebracht, waar Top Star Festival in 1971 aan werd toegevoegd.

De volledige netto-opbrengst van de verkoop van deze grammofoonplaten werd destijds door de UNHCR en de UNRWA uitsluitend gebruikt voor de directe bijstand aan vluchtelingen.

De muziek op de plaat werd destijds uitgebracht met officiële toestemming van verschillende internationale muziekuitgevers, die de rechten voor de nummers op kant een en kant twee voor dit goede doel beschikbaar stelden.

Vandaag is het precies 195 jaar geleden dat er een einde kwam aan het bewind van de eerste regent van België, Erasme Louis Surlet de Chokier.

Zijn politieke loopbaan begon al ruim voor de Belgische onafhankelijkheid.

Nadat het huidige België in 1815 bij het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden werd gevoegd, wierp Surlet de Chokier zich op als leider van de zuidelijke oppositie in de Tweede Kamer.

Hij maakte zich vooral hard voor parlementaire procedures en uitte felle kritiek op de grote macht van koning Willem I.

Door zijn scherpe en soms irritante houding tegenover de regering kreeg hij zelfs de bijnaam ‘de lastige baron’.

Hoewel de koning hem in 1816 tot baron benoemde, zorgde diezelfde Willem I er in 1828 persoonlijk voor dat hij niet werd herkozen.

Zijn reputatie als onvermoeibaar opposant werd verder versterkt door de verdediging van Jean-François Hennequin, de burgemeester van Maastricht die een koninklijk bevel had genegeerd.

Surlet de Chokier wist hem vrijgesproken te krijgen, wat hem bij de regering nog minder geliefd maakte door zijn agressieve pleitbezorging.

Ondanks deze aanvaringen zocht hij soms ook de verzoening op, wat hem burgemeestersposten in Gingelom opleverde.

Toch sloot hij zich uiteindelijk aan bij het unionisme, het verbond tussen katholieken en liberalen dat zich tegen het beleid van Willem I keerde.

Tijdens de Belgische Revolutie in 1830 pleitte hij aanvankelijk nog voor het behoud van de Oranjedynastie met een bestuurlijke scheiding, maar de gebeurtenissen haalden hem snel in.

Hij werd verkozen in het Nationaal Congres en werd daar de eerste voorzitter.

In die rol bleef hij op de achtergrond en stelde hij zich neutraal op, waarbij hij vaak simpelweg met de meerderheid meestemde om de eenheid te bewaren.

Toen de zoektocht naar een geschikte koning moeizaam verliep, werd hij op 24 februari 1831 aangesteld als regent.

Zijn vijf maanden als regent waren turbulent. België verkeerde in chaos door interne verdeeldheid tussen aanhangers van Nederland en Frankrijk, terwijl de economie verslechterde.

Surlet de Chokier regeerde uiterst voorzichtig en minimalistisch.

Hij was zelf een voorstander van aansluiting bij Frankrijk en zag weinig heil in de kandidatuur van Leopold van Saksen-Coburg.

Toch verliep de overgang soepeler dan hij vreesde. Toen Leopold op 21 juli 1831 de eed aflegde, trok de regent zich direct terug uit de nationale politiek.

Hij keerde terug naar zijn kasteel in Gingelom, waar hij tot zijn dood in 1839 burgemeester bleef.

Vandaag de dag leeft zijn naam voort in het straatbeeld en de cultuur.

In Brussel is het Surlet de Chokierplein naar hem vernoemd, gesierd door een monumentaal standbeeld ter ere van de Belgische onafhankelijkheid.

Ook in Gingelom is hij niet vergeten, met een eigen straat en een borstbeeld in het gemeentehuis.

Voor wie de geschiedenis letterlijk wil proeven, wordt er sinds 2000 zelfs een amberkleurig bier genaamd de Chokier gebrouwen om de herinnering aan deze markante figuur levend te houden.

Vandaag 100 jaar geleden: aantreden van de regering-Jaspar I.

De vorming van de Belgische regering in mei 1926 leidde op de twintigste van die maand tot de installatie van een regering van nationale unie, geleid door premier Henri Jaspar van de Katholieke Unie.

Dit kabinet trad aan na de val van de regering-Poullet-Vandervelde om een zware financiële en monetaire crisis te bezweren. Die vorige coalitie van katholieken en socialisten was gestruikeld nadat de Belgische frank naar een historisch dieptepunt was gezakt en er een massale kapitaalvlucht op gang was gekomen.

Na het ontslag op 11 mei 1926 werd er snel gezocht naar een brede oplossing.

Hoewel de eerste berichten spraken van een katholiek-liberale as aangevuld met technocraten, waarbij de socialisten in de oppositie zouden belanden, slaagde Jaspar er uiteindelijk in om een brede ploeg samen te stellen waarin alle drie de grote politieke families vertegenwoordigd waren.

Jaspar verdeelde de posten zorgvuldig. Naast de premier zelf werden de katholieken vertegenwoordigd door Charles de Broqueville, Maurice Houtart en Henri Baels. Namens de socialisten traden Emile Vandervelde, Joseph Wauters, Edward Anseele en Camille Huysmans toe tot de regering.

De liberalen vaardigden Paul Hymans af, terwijl Emile Francqui als minister zonder portefeuille werd aangesteld.

Francqui kreeg de specifieke taak om minister van Financiën Houtart te ondersteunen bij het financieel herstelbeleid. In die loodzware opdracht kregen Houtart en Francqui bovendien ruggensteun van een financieel comité onder leiding van voormalig premier Georges Theunis.

Dezelfde dag nog legden de nieuwe ministers de eed af bij de koning.

Op 25 mei 1926 lazen Henri Jaspar in de Kamer en Emile Vandervelde in de Senaat de regeerverklaring voor.

De focus lag nagenoeg volledig op het economische herstel. De regering wilde de geldhoeveelheid verminderen, het belastingstelsel herzien, de begroting in evenwicht brengen en streng snoeien in de uitgaven van de openbare besturen.

Tegelijkertijd beloofde het kabinet om niet te raken aan de sociale zekerheid en de taalwetgeving, en bleef het buitenlands beleid gericht op vrede en internationale samenwerking.

Het parlement toonde zich snel overtuigd, want op 27 mei schonk de Kamer haar vertrouwen aan de regering, waarna de Senaat op 1 juni volgde.

Om de wankelende economie daadwerkelijk te redden, kreeg het kabinet bijzondere volmachten van het parlement.

Hierin speelde Emile Francqui een absolute sleutelrol. Onder zijn impuls werden succesvolle maatregelen doorgevoerd, zoals de oprichting van de Maatschappij voor de Industriële Herfinanciering.

De meest tastbare en blijvende realisatie van deze regering was echter de oprichting van de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen via de wet van 23 juli 1926.

Om de munt definitief te stabiliseren, werd de Belgische frank in oktober van dat jaar gekoppeld aan de goudstandaard en gedevalueerd, een ingreep die later bekend zou worden als de Frank-Jaspar.

Na een intensief anderhalf jaar viel het doek voor deze ploeg op 22 november 1927, waarna de weg vrij was voor de regering-Jaspar II.

35 jaar geleden, Bob De Richter getrouwd.

Bob De Richter startte zijn carrière als leraar aardrijkskunde en assistent aan de Rijksuniversiteit Gent.

In maart 1987, na het pensioen van de legendarische Armand Pien, maakte hij de overstap naar de toenmalige BRT.

Daar werd hij een van de vier nieuwe gezichten die het weer presenteerden, een taak die hij deelde met Georges Küster, Frank Deboosere en diens vrouw Hilde Simons.

Zijn periode als weerman duurde tot 1993, waarna hij de televisiewereld verruilde voor de politiek.

Hij begon als adjunct-kabinetschef voor de Vlaamse ministers Leona Detiège en Leo Peeters, een functie die hij van 1993 tot 1995 uitoefende.

Op 28 juni 1995 zette hij de stap naar het nationale niveau toen hij Marcel Colla opvolgde als SP-volksvertegenwoordiger in de Kamer.

Daar zetelde hij tot 1999 en was hij actief in de commissie voor het Bedrijfsleven, het Wetenschapsbeleid, het Onderwijs, de Nationale Wetenschappelijke en Culturele Instellingen, de Middenstand en de Landbouw.

Na de lokale verkiezingen van 2000 richtte De Richter zijn politieke aandacht op de stad Mortsel.

Hij werd er gemeenteraadslid, fractieleider voor de sp.a en diende van 2007 tot 2009 als schepen.

Op 1 november 2009 gaf hij zijn schepenmandaat door aan Steve D’Hulster. Hoewel hij in 2010 de actieve politiek verliet, bleef hij wel betrokken als lid van het bestuur.

Bob De Richter overleed op 3 april 2015, na een langdurige ziekte.

25 jaar geleden: Toen de Gentse kunstenaarspartij “Digter” meer dan alleen maar ludiek was.

Onder de bezielende leiding van onze eigen Coenraed de Waele zette deze gloednieuwe partij de boel op stelten.

Wat Digter zo bijzonder maakte? Wel, het was de allereerste keer in de Belgische geschiedenis dat een lijst vol kunstenaars zich in de verkiezingsstrijd mengde. “Voor het eerst in het bestaan van België neemt een lijst met kunstenaars deel aan de verkiezingen”, verkondigde lijsttrekker en dichter Coenraed de Waele (toen 48).

De naam “Digter” stond voor een heerlijke knipoog naar de poëzie: “Dichten Is Geen Tralala Eerder Rock ‘n’ roll”.

Rond dit gevatte acroniem schaarden zich maar liefst 23 creatieve geesten.

Denk aan bekende namen uit de literatuur zoals Marcella Baete, Ronald Vermeulen en Eva Cox, maar ook theatermakers als Jaak Van De Velde en muzikanten zoals rockdrummer Boudewijn Creelle.

Het programma van Digter was op z’n zachtst gezegd… origineel.

Wat dacht je van de “herverdeling van de liefde”, de “omverwerping van de dictatuur van het orgasme” of een “bos met zangvogels en stadsaapjes op de Vrijdagmarkt”? Het toont de humor en het speelse karakter van deze unieke partij.

Maar Digter had ook serieuze noten op de zang.

Zo pleitten ze voor een proefproject om kunstenaars een echt statuut te geven en de oprichting van een “Huis van het Woord”.

40 jaar geleden, reclame voor de verkiezing van 13 oktober 1985 voor de CVP.

Na de verkiezingen werd de regering-Martens VI gevormd, bestaande uit dezelfde partijen. als de vorige regering.

Een opmerkelijke figuur uit die tijd was Guy Verhofstadt, die sinds 1982 voorzitter van de PVV was.

Hij werd toen voor het eerst verkozen tot volksvertegenwoordiger.

Ondanks dat de PVV de enige regeringspartij was die achteruitging, kon Verhofstadt toch zijn stempel drukken op het regeerakkoord en werd hij vicepremier in de regering-Martens VI.

De regering-Martens VI viel na twee jaar, officieel over de kwestie Voeren, hoewel het wantrouwen van de vakbonden tegenover Verhofstadt ook een belangrijke rol speelde.

Deze week, 90 jaar geleden, werklozenbeweging in Gent en dit tegen de uithongeringspolitiek van de regering Theunis (ABC 20 januari 1935)

Deze regering, Theunis IV, een coalitie van Katholieken en Liberalen, voerde een impopulair economisch herstelbeleid, dat gekenmerkt werd door deflatiemaatregelen, en werd geconfronteerd met sociale onrust en hevige oppositie van de socialistische BWP-POB.

Ondanks het deflatiebeleid bleef de Belgische economische toestand verslechteren.

De regering viel dan ook op 25 maart 1935.

De opvolgende regering-Van Zeeland I (25 maart 1935 – 13 juni 1936) was een coalitie van de Katholieke Unie (80 zetels), de BWP (72 zetels) en de Liberale Partij (24 zetels).

Op 30 maart 1935, kort na haar aantreden, devalueerde deze regering de Belgische frank met 28%.

De regering bleef in functie tot aan de verkiezingen van 24 mei 1936, waarbij de drie grote partijen veel zetels verloren ten voordele van kleinere extremere partijen en met name Rex.

Toch werd de regering opgevolgd door een regering-Van Zeeland II.

Vandaag 100 jaar geleden, begrafenis van de Gentse Liberale politieker Albert Mechelynck (11 maart 1924)

Albert Josse Louis Mechelynck was de zoon van de voorzitter van het hof van beroep in Gent, Louis Mechelynck, en van Pauline Delehaye, een dochter van de Gentse burgemeester Josse Delehaye.

Albert studeerde aan het Atheneum aan de Ottogracht en aan de Gentse universiteit, waar hij in 1876 doctor in de rechten werd.

In 1879 schreef hij zich in aan de Gentse balie, waar hij naam maakte.

In 1880 trouwde hij met Anne Pauline Barbanson, uit de gelijknamige invloedrijke Brusselse familie.

In 1879 werd Mechelynck lid van het dagelijks bestuur van de Association libérale, constitutionelle et démocratique de l’arrondissement de Gand-Eeclo of arrondissementsfederatie.

In 1884 werd hij verkozen tot provincieraadslid voor Oost-Vlaanderen.

Tijdens zijn twintigjarig lidmaatschap ontwikkelde hij een politiek netwerk dat de liberale tenoren uit zijn tijd, maar ook gematigde oppositiefiguren bereikte.

In 1904 werd hij verkozen tot volksvertegenwoordiger en bleef dit mandaat bekleden tot aan zijn dood.

Van 1919 tot 1924 was hij ondervoorzitter van de Kamer.

Mechelynck was lid van de Gentse vrijmetselaarsloge Septentrion, waarvan hij van 1891 tot 1895 de Achtbare Meester was.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte Mechelynck zich in Gent verdienstelijk als leider van het Gentse comité binnen het Nationaal Comité voor Hulp en Voedselvoorziening (Comité national de secours et d’alimentation), dat tot het einde van de oorlog actief was.

Hij was ook een actief lid van het Comité voor Vaderlandslievende Acties dat het morele verzet tegen de bezetter stimuleerde.

Als advocaat verleende hij juridische bijstand aan beklaagden van verzetsdaden die voor de Duitse rechtbanken moesten verschijnen.

Hij kwam te overlijden op 9 maart in zijn woning, gelegen in de Brabantdam 56, vroeger nr 51 (foto 1 en 2 van zijn woning, en het huis bestaat nog steeds en is nu een winkel)