In de zomer van 1976 deelde Elton John in de Joepie heel wat persoonlijke weetjes, die een fascinerende mix vormden van waargebeurde feiten, lichte overdrijvingen en zijn typische droge humor.

Hij had toen een heel duidelijke droomwens: hij wilde ooit Elvis Presley persoonlijk ontmoeten.

Opvallend genoeg is dat vlak voor de publicatie van dit lijstje ook echt gelukt.

Op 27 juni 1976 woonde Elton samen met zijn moeder een concert van The King bij in Maryland en werd hij na de show backstage uitgenodigd.

Het werd echter een trieste ervaring, want Elvis was toen al fysiek enorm afgetakeld.

Elton vertelde later in interviews dat de ontmoeting hem diep raakte en dat hij huilde, omdat hij besefte dat het niet lang meer goed zou gaan met zijn grote idool.

Ondanks dat verdrietige moment had zijn eigen sterrenstatus hem toen al ver gebracht, want een paar jaar eerder was hij als speciale gast uitgenodigd voor een diner bij prinses Margaret.

Op muzikaal vlak zong hij destijds liever dan dat hij nummers schreef, en hij was volop bezig met het nemen van gitaarlessen.

Hoewel hij zelf geen noten kon lezen, koesterde hij grote ambities.

Zo wilde hij dolgraag een duo-album vol liefdesliedjes opnemen met Kiki Dee. Dat klopte overigens helemaal met de realiteit, want die wens resulteerde exact in die periode in de gigantische wereldhit ‘Don’t Go Breaking My Heart’.

Verder wilde hij zich graag verdiepen in de countrymuziek, beweerde hij de grootste platenverzameling ter wereld te bezitten en luisterde hij naar klassieke muziek om te kalmeren als hij zenuwachtig was.

Zijn favoriete componist in die tijd was Randy Newman.

Elton had een uitgesproken levensstijl met opmerkelijke voorkeuren en afkeren.

Hij had een hekel aan vliegen en reisde veel liever met de trein, deels door zijn hoogtevrees.

Hij had een bloedhekel aan scheerapparaten en verafschuwde alles wat met plastic en namaak te maken had.

In plaats van zich in het nachtleven te storten of feestjes af te schuimen, ging hij liever vroeg naar bed, steevast aan de rechterkant, om er vroeg weer uit te komen.

Hij rookte niet en begon elke ochtend met het slikken van vitaminen.

Daarnaast was hij dol op de zon, kookte hij ontzettend graag en was hij een echte zoetekauw met een zwak voor chocolade en vruchtensap.

Urenlange telefoongesprekken voeren was een favoriete bezigheid.

Als hij een dochter zou krijgen, vond hij Umbrella de mooiste meisjesnaam, al klinkt dat veeleer als een typisch plagerijtje tijdens een interview.

Dat geldt wellicht ook voor zijn bewering dat hij erg bijgelovig was en exact 96 boeken over de Tweede Wereldoorlog had, al was hij wel een enorme filmliefhebber met Katharine Hepburn als favoriete actrice.

Het geld dat hij verdiende, spendeerde hij het liefst aan kunstwerken.

Ook had hij de luxueuze gewoonte om alles in het dubbel te kopen voor zijn verschillende peperdure huizen, een extreem koopgedrag dat destijds beroemd en berucht was.

In zijn Engelse stulpje had hij in elke kamer een kleurentelevisie staan.

Mensen verraste hij het liefst met honden als geschenk.

Zijn eigen vrienden waren erg belangrijk voor hem.

Tot een paar maanden voor juli 1976 woonde hij op nog geen honderd meter van zijn beste vriend Alice Cooper, totdat diens woning afbrandde, een hechte vriendschap die doorheen de jaren goed gedocumenteerd bleef.

Acteur Steve McQueen was dan weer een van Eltons grootste fans.

De zanger, die al op negentienjarige leeftijd het ouderlijk huis had verlaten, zat destijds vol veranderingen.

Hij had net een haartransplantatie achter de rug om zijn beginnende kaalheid te bestrijden en had even overwogen om onder een andere naam te gaan optreden.

Omdat hij niets geschikts bedacht, liet hij dat plan uiteindelijk varen.

Al deze feitjes en aangedikte details samen gaven uiteindelijk een verrassend sfeervol beeld van de flamboyante popster die hij in dat decennium was.

40 jaar geleden, Madonna met haar hit ‘Papa Don’t Preach’.

De videoclip bij Papa Don’t Preach uit 1986 is een legendarisch moment in de carrière van Madonna en markeerde een belangrijke stijlverandering.

De regie van de videoclip was in handen van James Foley, die destijds ook de clip voor Live to Tell regisseerde.

In de video introduceerde Madonna een nieuwe look die bekend kwam te staan als de gamine-stijl, geïnspireerd op actrices als Audrey Hepburn en Shirley MacLaine.

Dit was een bewuste breuk met haar eerdere imago van zware make-up en opzichtige sieraden.

Ze droeg kort, platinablond haar en een atletisch, gespierd figuur, vaak gekleed in eenvoudige jeans of een zwarte bustier met capribroek.

Een opvallend element is het T-shirt dat Madonna in de clip draagt met de tekst Italians Do It Better.

Dit was een duidelijke verwijzing naar haar eigen Italiaanse afkomst en droeg bij aan het rebelse, maar zelfverzekerde imago dat ze wilde uitstralen.

De rol van de vader in de clip werd gespeeld door de bekende acteur Danny Aiello.

De clip wisselt af tussen scènes waarin Madonna als tomboy door het leven gaat en momenten waarin ze een meer volwassen, sensuele kant van zichzelf laat zien terwijl ze danst in een verduisterde studio.

Deze afwisseling benadrukte de innerlijke strijd van het personage in het nummer: een tiener die geconfronteerd wordt met een onverwachte zwangerschap en een besluit moet nemen waarvoor ze de goedkeuring van haar vader zoekt.

De videoclip veroorzaakte, net als het nummer zelf, veel maatschappelijke discussie.

Door het onderwerp tienerzwangerschap en de keuze om het kind te houden, werd het nummer door verschillende groepen verschillend geïnterpreteerd.

Terwijl sommige conservatieve groepen de pro-life-boodschap in de video prezen, zagen feministen en andere organisaties het als een gevaarlijke verheerlijking van tienerzwangerschappen.

Madonna zelf hield zich op de vlakte en benadrukte vooral dat het nummer ging over een meisje dat voor haar eigen keuzes durft te staan en de band met haar vader wil behouden.

De single was in Vlaanderen goed voor een eerste plaats in de BRT Top 30 en dat voor drie weken lang. In Nederland bereikte het nummer de tweede plaats in de Top 40.

Brian Elliot baseerde de tekst op tienerroddels en gesprekken die hij hoorde buiten zijn opnamestudio in Los Angeles, waar schoolmeisjes vaak even stopten om hun haar te doen en te kletsen.

In eerste instantie schreef Elliot het nummer voor een zangeres genaamd Christina Dent.

Zij werkte toen vooral als backing vocal in de platenstudio.

In 1980 was ze lid van de groep The Friends Band.

Andere leden van deze groep waren Barbara Paige, Deborah Morton, Larry Fulcher, Peter Dobson, Ron Rhoades en Ruthie Lewis.

Deze groep heeft één album uitgebracht met als titel ‘All Kinds Of People In Every Room’ in 1980.

Een platenbaas van Warner Bros. hoorde de demo en vond dat het perfect bij Madonna paste.

Madonna paste na ontvangst kleine delen van de songtekst aan. Ze bracht het in de zomer van 1986 uit als de tweede single van haar succesvolle derde studioalbum, True Blue.

40 jaar geleden, de klacht van Pa (Danny Aiello)

Danny Aiello begon pas op latere leeftijd met acteren. Om in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien, werkte hij aanvankelijk in uiteenlopende functies, zoals bij een busdienst en als uitsmijter in een nachtclub.

Pas rond zijn veertigste kreeg hij voet aan de grond in de acteerwereld en in 1973 beleefde hij zijn filmdebuut, onder meer in Bang the Drum Slowly.

In de jaren daarna bouwde Aiello een veelzijdige carrière op in films, op televisie en in het theater.

Halverwege de jaren zeventig maakte hij diepe indruk in Chicago met een rol in het toneelstuk That Championship Season van Jason Miller, wat hem verschillende prijzen en nominaties opleverde.

In 1981 werd zijn werk voor televisie bekroond met een Daytime Emmy Award voor zijn vertolking in ‘A Family of Strangers’.

Zijn grote doorbraak op het witte doek volgde in 1987, toen hij de verloofde van Cher speelde in Moonstruck.

Twee jaar later volgde zijn iconische rol als pizzeriaeigenaar Sal in de film Do the Right Thing van Spike Lee, een prestatie die hem een nominatie voor een Academy Award voor beste mannelijke bijrol opleverde.

Aiello speelde ook de rol van de vader in de bekende videoclip van Madonna bij het nummer ‘Papa Don’t Preach’.

Hij was zo overtuigd van zijn personage dat hij later een antwoordnummer uitbracht onder de titel ‘Papa Wants the Best for You’, waarin het verhaal vanuit het perspectief van de vader werd verteld.

Er waren plannen voor een videoclip bij dit nummer, maar omdat Madonna weigerde haar rol als dochter opnieuw te spelen, werd voor de video een dubbelganger ingezet (Joepie 12 oktober 1986).

Meer dan 35 jaar geleden, dankzij de hulp van Jools Holland, scoorden de Fine Young Cannibals een hit met hun nummer Good Thing.

Het nummer verscheen in 1989 op het gigantisch succesvolle album The Raw and the Cooked, en de tijdloze energie ervan blijft na al die decennia volledig overeind.

Het nummer is geschreven door David Steele en Roland Lee Gift.

Jools Holland nam voor Good Thing de iconische boogie-woogie-pianopartij voor zijn rekening.

Het was precies deze opzwepende, ritmische en virtuoze piano-inbreng die het nummer zijn kenmerkende retro soul-vibe gaf.

In combinatie met het unieke en direct herkenbare stemgeluid van frontman Roland Gift zorgde het pianospel van Holland voor een onweerstaanbare dynamiek.

Deze samenwerking bleek een schot in de roos, want de single schoot wereldwijd naar de top van de hitlijsten en bereikte zelfs de eerste plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100.

Ook in de Lage Landen wist de single door te dringen tot de hitparades. In Vlaanderen bereikte het nummer de dertiende plaats in de Ultratop 50. In Nederland deed het nummer het minder en strandde het daar op de zesentwintigste plaats in de Top 40.

Good Thing versterkte de reputatie van de Fine Young Cannibals als een van de meest stijlvolle en vernieuwende groepen van die periode.

Tot op de dag van vandaag blijft de aanstekelijke melodie die Jools Holland uit zijn toetsen toverde een perfect voorbeeld van hoe de expertise van een meesterlijke gastmuzikant een sterk nummer kan transformeren tot een onbetwiste popklassieker.

De invloed van deze specifieke pianopartij reikt overigens verder dan alleen de hitlijsten.

Dankzij dit nummer verklaarden jonge pianotalenten, zoals de destijds zestienjarige Jack Carter, serieus piano te zijn gaan spelen na het horen van Good Thing.

De nu 41-jarige Jack Carter heeft van zijn jeugdpassie zijn beroep gemaakt. Hij werkt als professioneel sessiemuzikant, keyboardspeler en arrangeur in de Britse muziekscene.

In plaats van solo-optredens tourt hij al jaren op grote Europese festivalpodia en in studio’s als de vaste toetsenist en achtergrondzanger voor bekende pop- en soulartiesten, waaronder JP Cooper.

Voor Jools Holland zelf was het schrijven van deze partij een betekenisvol moment, waarbij hij geïnspireerd werd door de memorabele pianolijnen van nummers zoals Lady Madonna van The Beatles.

Het is inmiddels al vijfentwintig jaar geleden dat Kylie Minogue de wereld veroverde met haar gigantische hit Can’t Get You Out Of My Head.

Dit aanstekelijke nummer werd geschreven door de Britse zangeres, componiste en producer Cathy Dennis, samen met oude rot in het vak Rob Davis.

De wat oudere muziekliefhebbers zullen Davis misschien nog wel herkennen uit zijn tijd als gitarist van de legendarische Britse glamrockband Mud.

De samenwerking bleek een schot in de roos, want de single veroverde moeiteloos de eerste plaats in de Vlaamse Ultratop 50 en wist die positie maar liefst zes weken lang vast te houden.

In de BRT Top 30 deed het nummer het zo mogelijk nog beter door daar maar liefst acht weken lang de absolute eerste plaats te bezetten.

Eveneens in Nederland en in vrijwel de rest van de wereld domineerde het nummer de hitlijsten en behaalde het overal de nummer één-positie.

De pers was destijds laaiend enthousiast over deze fenomenale comeback en schreef dat Kylie er weer helemaal mocht zijn.

Het kon inderdaad verkeren, want nog niet zo heel lang daarvoor werd ze gezien als een simpel tienersterretje met zo weinig geloofwaardigheid dat zelfs de Joepie of de Hitkrant er zijn neus voor zou ophalen.

Ze onderging echter een indrukwekkende transformatie tot een ware vamp en bouwde aan een heel nieuw imago.

Ze had een spraakmakende relatie met INXS-frontman Michael Hutchence, zong een onvergetelijk duet met Nick Cave, werkte samen met de Manic Street Preachers en nam muziek op met Robbie Williams.

Haar geloofwaardigheid steeg naar zulke grote hoogten dat popkoningin Madonna destijds zelfs met een T-shirt met de naam van Kylie erop rondliep.

Om haar nieuwe, zelfverzekerde imago nog wat extra in de verf te zetten, poseerde ze in die periode regelmatig met zo min mogelijk kleding aan voor diverse vooraanstaande fotografen.

Naast deze opmerkelijke feiten over haar megahit en transformatie, is de carrière van de Australische zangeres rijk aan nog veel meer bijzondere details.

Wat veel mensen zich wellicht nog herinneren, is dat ze haar doorbraak niet in de muziek beleefde, maar als actrice in de populaire Australische soapserie Neighbours.

Daar vertolkte ze de rol van de stoere monteur Charlene Robinson, en haar bruiloft op het scherm met Jason Donovan behoort nog altijd tot de best bekeken televisiemomenten uit die tijd.

Het beroemde en onweerstaanbare la-la-la-gedeelte uit Can’t Get You Out Of My Head was overigens in eerste instantie bedacht als een tijdelijke opvulling voor de melodie, maar bleek zo aanstekelijk dat het ongewijzigd werd behouden en uitgroeide tot de grootste hook van het decennium.

Ook de futuristische muziekvideo, geregisseerd door Dawn Shadforth, droeg enorm bij aan het wereldwijde succes.

In deze clip is Kylie onder meer te zien in een sportieve wagen tegen een futuristische achtergrond en voert ze samen met haar dansers een strakke choreografie uit, bedacht door Michael Rooney, die hiervoor in 2002 zelfs een MTV Video Music Award voor Best Choreography won.

Minstens zo memorabel was haar kleding in de clip: een uiterst opvallende witte jumpsuit met diepe uitsnijdingen en een kap, speciaal voor haar ontworpen door de Londense modeontwerpster Fee Doran onder het label Mrs Jones.

Bovendien is Kylie niet de enige ster in de familie; haar jongere zus Dannii Minogue heeft eveneens een enorm succesvolle carrière opgebouwd als zangeres en televisiepersoonlijkheid.

Misschien wel het meest bewonderenswaardige aan Kylie is haar immense veerkracht, want na een zware strijd tegen borstkanker in 2005 keerde ze wonderbaarlijk snel en succesvol terug naar het podium om haar unieke status in de popmuziek verder voort te zetten.

Dat de inmiddels 58-jarige zangeres nog absoluut geen zin heeft om te stoppen met haar passie, bewees ze onlangs nog maar eens.

Op 1 juli van dit jaar bracht ze namelijk in samenwerking met Snow Control de nieuwe single ‘These Alarm’ uit.

Ook op andere vlakken blijft ze volop actief, want ook dit jaar verscheen er een gloednieuwe documentaire over haar leven op Netflix, simpelweg getiteld Kylie.

Na bijna dertig jaar in Londen te hebben gewoond, is ze inmiddels teruggekeerd naar haar roots en geniet ze tegenwoordig van het leven in haar thuisland Australië, waar ze zich nabij Melbourne heeft gevestigd.

55 jaar geleden bracht het Nederlandse muzikale duo April Shower de single Railroadsong uit.

Dit duo ontstond puur vanuit een gedeelde passie voor muziek, nadat de leden elkaar hadden ontmoet via de Amsterdamse Kleinkunstacademie en een talentenjacht.

April Shower bestond uit zangeres Heddy Affolter, die later landelijk zou doorbreken als Heddy Lester, en gitarist en songwriter Gert Balke.

Voordat Balke in de muziekwereld stapte, werkte hij als medewerker op Schiphol.

De muzikale en artistieke wortels van Heddy zaten in de familie.

Haar Joodse moeder, Louise de Montel, zong onder meer bij Toon Hermans en Gerard Walden.

Zij had haar man, Coen Affolter, destijds leren kennen in Kamp Vught. In de jaren zeventig opende Coen nachtclub Iboyah, die ook wel bekendstond als restaurant De Gouden Eeuw, aan de Amsterdamse Keizersgracht.

Gert Balke trad daar veelvuldig op met Heddy, waardoor hij een kind aan huis en een goede vriend van de familie Affolter werd.

In ditzelfde etablissement ontmoette Heddy bovendien Ramses Shaffy, met wie ze gedurende de jaren zeventig regelmatig zou optreden.

Het grootste succes van April Shower was de door Balke geschreven Railroadsong.

Deze single werd in de zomer van 1971 uitgebracht door platenlabel Polydor, werd uitgeroepen tot Treiterschijf op Radio Noordzee Internationaal en behaalde een bescheiden dertigste positie in de Nederlandse Top 40.

Begin jaren zeventig maakte het duo bovendien een succesvolle tournee door Canada, de Verenigde Staten en Mexico.

In Mexico traden ze zelfs meerdere keren op voor de nationale televisie, nadat een Mexicaanse producer hen in het restaurant van Heddy’s vader had ontdekt.

De Nederlandse pers schonk destijds echter nauwelijks aandacht aan dit internationale succes.

Na Railroadsong volgden nog enkele singles. ‘Mama look upon me’, met op de b-kant ‘Come see’, bereikte in 1971 de Tipparade, maar de opvolgende singles, ‘It’s so funny’ (1972) en ‘Danny’s song’ (1973), flopten.

Nadat het duo in 1973 uit elkaar ging, verdween Gert Balke grotendeels uit de publiciteit.

Heddy Lester koos daarentegen voor een solocarrière en verwierf bekendheid door in 1977 deel te nemen aan het Eurovisiesongfestival met het mooie nummer ‘De mallemolen’, voorzien van een tekst van Wim Hogenkamp en muziek van haar broer Frank Affolter.

Van de achttien deelnemers eindigde ze met 35 punten op de twaalfde plaats. Tussen 1979 en 1987 maakte ze met haar broer en Hogenkamp diverse programma’s.

Voor haar eerste soloprogramma ontving Lester in 1979, samen met haar broer, als allereerste artiest de Pall Mall Exportprijs.

Ook broer Frank Affolter bouwde een uitgebreide eigen muzikale carrière op.

In 1986 scoorde hij zelf een bescheiden hit met The Way to Love / Het is nog niet te laat.

Een hele generatie groeide bovendien op met zijn stem, aangezien hij eind jaren tachtig en begin jaren negentig de Nederlandse titelsongs zong van de Disney-series Ducktales en Darkwing Duck.

De nieuwe avonturen van Winnie de Poeh. In 1993 was hij componist en producent van het lied ‘Samen Verder’, dat speciaal werd geschreven voor een project tegen racisme en waaraan vele bekende Nederlandse artiesten meewerkten.

In 1996 verscheen zijn eerste solo-cd Hold On, waarvoor hij alles componeerde, produceerde en zong, inclusief de single ‘Haven’t we been warned enough’.

Daarnaast was Frank muzikaal leider van verschillende amateurkoren, waarvoor hij de musicals Getikt en Uit de Schaduw schreef.

Dit resulteerde in 2003 in zijn eerste professionele musical Alleen Op De Wereld, die hij ook zelf produceerde.

Voor deze productie werden zowel de muziek van Frank als actrice Hilke Bierman genomineerd voor de John Kraaijkamp Musical Award 2004.

In 2005 volgde de musical Merlijn en het mysterie van Koning Arthur.

Op zondag 18 maart 2007 ging vervolgens de voorstelling 10.000 Zakdoeken in première, een bijzondere hommage aan zijn ouders en hun tijd in en overleving van Kamp Vught.

Jaren later, in 2020, toonde Frank opnieuw zijn vocale kwaliteiten door in The Voice Senior de halve finales te bereiken als lid van het team van Ilse DeLange.

Broer en zus vonden elkaar niet alleen op het podium, maar ook in de filmwereld.

Vanaf 1987 werkte Heddy tevens als freelance actrice, en in 1991 vertolkte zij de rol van moeder in de afstudeerfilm De tranen van Maria Machita van Paul Ruven.

Ze speelde hierin naast onder anderen Ellen ten Damme, Jacques Herb en Ali Çifteci, terwijl Frank alle muziek voor deze productie componeerde.

De film werd bekroond met een Tuschinski Award en een Gouden Kalf in de categorie Beste korte film.

Heddy bleef in de decennia daarnaast actief; in 2001 leende ze haar stem aan Mevrouw Packard in de animatiefilm Atlantis: De Verzonken Stad.

In 2020 was ze nog even op televisie te zien in het programma Even tot hier en speelde ze de moeder van Gerri van Vlokhoven, vertolkt door Frank Lammers, in de film Groeten van Gerri.

Heddy Lester overleed op 30 januari 2023 op 72-jarige leeftijd aan de gevolgen van blaaskanker.

30 jaar geleden: de Fugees, de impact van The Score en het ware verhaal achter Killing Me Softly

De Fugees vormden een invloedrijke Amerikaanse hiphopgroep die in de vroege jaren negentig werd opgericht in New Jersey.

Het trio bestond uit zangeres en rapper Lauryn Hill, rapper en producer Wyclef Jean en rapper Pras Michel.

De naam van de groep is afgeleid van het woord refugee, wat vluchteling betekent, een verwijzing naar de Haïtiaanse afkomst van Wyclef en Pras.

Hun unieke geluid was een vernieuwende mix van hiphop, soul, r&b en Caraïbische invloeden zoals reggae.

Hun muzikale reis begon met het debuutalbum Blunted on Reality uit 1994.

Hoewel dit album niet onmiddellijk voor een grote internationale doorbraak zorgde, legde het wel de basis voor hun kenmerkende stijl en trok het de aandacht van de underground hiphopscene.

De wereldwijde roem volgde twee jaar later met de release van The Score in 1996.

Dit album was een enorm commercieel en kritisch succes en wordt geprezen als een absoluut meesterwerk uit de jaren negentig. Hitsingles zoals ‘Killing Me Softly’, ‘Ready or Not’ en ‘Fu-Gee-La’ stonden wereldwijd bovenaan de hitlijsten en maakten van de groepsleden wereldsterren.

Hun cover van het nummer ‘Killing Me Softly With His Song’ was zowel in Vlaanderen als in Nederland goed voor de eerste plaats in de BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.

The Score won meerdere Grammy Awards en behoort tot de bestverkochte hiphopalbums aller tijden.

De oorsprong van hun grootste hit, ‘Killing Me Softly’, kent overigens een rijke geschiedenis.

Zangeres Lori Lieberman schreef het gedicht ‘Killing Me Softly With His Blues’ nadat ze een show van Don McLean had bijgewoond.

Tijdens dat optreden kreeg ze het gevoel alsof hij recht in haar ziel zong.

De schrijvers Gimbel en Fox maakten er vervolgens voor Lieberman een lied van en veranderden het in ‘Killing Me Softly’.

Tijdens het wachten op haar vlucht hoorde Roberta Flack het nummer in de luchthaven en ze was meteen verkocht.

Ze werkte drie maanden aan het nummer, maakte wat aanpassingen en scoorde er in 1973 een serieuze hit mee, ruim twintig jaar voordat de Fugees er wereldwijd de hitlijsten mee zouden aanvoeren.

Gimbels carrière begon bij muziekuitgevers David Blum en Edwin H. Morris.

Een van zijn vroege successen was de Engelse tekst voor het gekende nummer Sway, dat we kennen dankzij de uitvoering van Dean Martin in 1954 en later van Michael Bublé.

De muziek, geschreven door Luis Demetrio en Pablo Beltrán Ruiz in 1953, droeg toen de titel ‘Quien Será’ en werd voor het eerst uitgebracht door Nelson Pinedo con la Sonora Matancera.

Twee jaar later, in 1956, scoorde hij opnieuw met de liedjestekst voor ‘Canadian Sunset’, de hitsingle van Andy Williams.

Het meest bekend was hij voor zijn werk in de film- en televisiewereld.

Hij schreef de teksten voor onder meer ‘Laverne and Shirley’ ‘Wonder Woman’ en ‘HR Pufnstuf’.

Ook de begintune van de cultcomedyreeks ‘Happy Days’ is van zijn hand.

Lange tijd vormde Gimbel een duo met Charles Fox, wat hen in 1973 voor hun tekst van “Killing Me Softly” een Grammy Award opleverde.

Daarnaast schreef Gimbel ook de Engelse tekst voor verschillende Braziliaanse bossanova-artiesten.

Voor de Engelse versie van de klassieker ‘The Girl from Ipanema’, in 1964 ingezongen door Astrud Gilberto, won hij de Grammy voor beste nummer van het jaar.

Voor ‘It goes like it goes’ uit de film Norma Rae won Gimbel samen met David Shire een Oscar voor beste originele nummer.

In 1984 werd Gimbel opgenomen in de Songwriters Hall of Fame.

Norman Gimbel kwam te overlijden op 19 december 2018 op 91-jarige leeftijd.

Zijn toenmalige muzikale partner, de nu 85-jarige Charles Fox, is daarentegen nog altijd actief in de muziekwereld.

De documentaire over hem, met de toepasselijke naam Killing Me Softly with His Songs, ging in 2022 in première op filmfestivals en werd in april 2024 officieel digitaal en op Blu-ray uitgebracht.

Deze film is momenteel ook nog te bekijken via Amazon Prime.

Ondanks het gigantische succes van The Score begonnen onderlinge spanningen al snel hun tol te eisen.

Het trio besloot uit elkaar te gaan om zich te concentreren op soloprojecten, die aanvankelijk bijzonder succesvol waren.

Wyclef Jean bracht het geprezen album The Carnival uit, terwijl Lauryn Hill de muziekwereld veroverde met haar veelgeprezen soloalbum The Miseducation of Lauryn Hill, dat in 1998 verscheen.

Ze ontving hiervoor vijf Grammy’s en wereldwijd werden er negentien miljoen exemplaren van de plaat verkocht.

Pras Michel scoorde dan weer een grote wereldhit met ‘Ghetto Supastar’.

In de jaren die volgden, kwamen de leden van de groep nog enkele keren samen voor optredens en probeerden ze sporadisch nieuwe muziek op te nemen.

Een volledige en langdurige reünie vond echter niet plaats als gevolg van voortdurende meningsverschillen en latere juridische obstakels.

Desondanks blijft hun muzikale erfenis een onmisbare schakel in de popcultuur van de late twintigste eeuw.

Voor muziekliefhebbers en verzamelaars die terugkijken op de jaren negentig, blijft de unieke samenklank van dit trio een bepalend en onvergetelijk geluid.

Vandaag de dag bewandelen de drie leden heel uiteenlopende paden.

Wyclef Jean is nog altijd wereldwijd actief als muzikant, producer en activist.

Dit jaar verscheen hij onder meer op het podium tijdens de countdown-concerten voor het FIFA Wereldkampioenschap voetbal in Toronto.

Ook bracht hij recent de veelbesproken zevenledige albumreeks Quantum Leap uit.

Lauryn Hill blijft een invloedrijke stem binnen de muziek en wordt geregeld geëerd om haar nalatenschap.

Zo ontving zij in de zomer van 2026 de inaugurele Living Legend Icon Award bij de BET Awards.

Samen met Wyclef Jean treedt ze op onder de vlag van Diaspora Calling!, inclusief headliner-shows op festivals.

Eerder dat jaar verzorgde ze ook al een opvallend eerbetoon tijdens de Grammy Awards.

Haar persoonlijke pad ging echter niet altijd over rozen; zo zat Hill in 2013 een gevangenisstraf van drie maanden uit wegens belastingfraude.

Voor Pras Michel, de rapper en medeoprichter van de groep, nam het leven een andere wending.

Hij werd in 2023 schuldig bevonden aan betrokkenheid bij een illegale politieke beïnvloedingscampagne en witwaspraktijken.

Na zijn veroordeling heeft hij in mei 2026 zijn gevangenisstraf van veertien jaar in de Verenigde Staten aangevangen, al vecht zijn juridische team de uitspraak nog altijd in hoger beroep aan.

Alles wat je wilde weten over The Fugees

Drieënveertig jaar geleden scoorde de Britse meidengroep The Belle Stars een gigantische hit met ‘Sign of the Times’ .

Wat dit opzwepende nummer extra bijzonder maakt, is dat de zeven getalenteerde groepsleden het helemaal zelf schreven.

Stella Barker, Clare Hirst, Miranda Joyce, Jennie Matthias, Sarah-Jane Owen, Judy Parsons en Lesley Shone vormden destijds een opvallende en stoere verschijning in de muziekwereld.

Een leuk detail is dat de groep deels voortkwam uit de as van The Bodysnatchers, een toen bekende ska-band. Stella Barker, Miranda Joyce, Sarah-Jane Owen en Judy Parsons maakten de overstap vanuit die groep en bundelden hun krachten met de nieuwe leden Clare Hirst, Jennie Matthias en Lesley Shone om The Belle Stars compleet te maken.

De meiden stonden erom bekend dat ze al hun instrumenten zelf bespeelden, wat in de vroege jaren tachtig voor een voltallige vrouwenband nog altijd uitzonderlijk en behoorlijk vooruitstrevend was.

De aanstekelijke mix van pop en new wave, met een stevige knipoog naar hun ska-roots, werd feilloos vastgelegd door producer Peter Collins.

Hij was een bijzonder veelzijdige vakman die zijn sporen in de internationale muziekindustrie ruimschoots heeft verdiend.

Het bleef voor hem overigens niet bij Britse meidengroepen, want zijn productiewerk omvat een opvallend breed scala aan artiesten en stevige genres.

Zo verzorgde hij later het geluid voor uiteenlopende namen als Alice Cooper, Bon Jovi, Suicidal Tendencies, Indigo Girls, Jane Wiedlin, October Project, The Cardigans en Tracey Ullman.

De samenwerking tussen The Belle Stars en Collins bleek een absoluut schot in de roos, want de single vloog overal de hitlijsten in.

In Vlaanderen was het nummer goed voor een indrukwekkende tweede plaats in de toenmalige BRT Top 30, en ook in Nederland was het een enorm succes met een zesde plek in de Top 40.

In hun thuisland, het Verenigd Koninkrijk, piekte de plaat zelfs op de derde positie. Hoewel Sign of the Times wereldwijd hun grootste succes bleef, stonden The Belle Stars aan het eind van de jaren tachtig toch nog een keer onverwacht in de schijnwerpers.

Hun vrolijke cover van het nummer Iko Iko werd toen namelijk prominent gebruikt in de geprezen film Rain Man, wat de groep flink wat jaren na hun hoogtijdagen alsnog een grote hit opleverde in Amerika.

Dit onverwachte succes kwam overigens op het moment dat de groep feitelijk al niet meer bestond, want in 1986 waren The Belle Stars officieel uit elkaar gegaan.

Zangeres Jennie Matthias, die ook bekendstaat als Jennie McKeown, is de muziekwereld echter wel altijd trouw gebleven en treedt tegenwoordig nog af en toe solo op in het retrocircuit.

Hoe een lokaal carnavalslied uit New Orleans de hitlijsten veroverde.

Het nummer Iko Iko van de Britse meidengroep The Belle Stars is een aanstekelijke popklassieker met een rijke en complexe geschiedenis.

Hoewel The Belle Stars er in de jaren tachtig een grote hit mee scoorden, liggen de oorspronkelijke wortels van het lied tientallen jaren eerder in de kleurrijke straten van New Orleans.

De originele versie werd in 1953 geschreven door de Amerikaanse rhythm-and-bluesartiest James Sugar Boy Crawford en begin 1954 uitgebracht onder de titel Jock-A-Mo.

Crawford haalde zijn inspiratie uit de straatcultuur van de Mardi Gras Indians.

Dit zijn groepen Afro-Amerikaanse feestvierders in New Orleans die zich tijdens het carnaval kleden in weelderige, op de inheemse Amerikaanse klederdracht geïnspireerde pakken.

De tekst van het nummer beschrijft een speelse maar stoere confrontatie tussen twee rivaliserende stammen tijdens de parade.

De zang in het refrein is gebaseerd op de traditionele kreten die deze carnavalsgroepen naar elkaar riepen.

De exacte betekenis van de woorden is door de jaren heen vaak besproken, maar taalkundigen en historici gaan er doorgaans van uit dat het een mengsel is van Louisiana Creools Frans, inheemse talen en West-Afrikaanse dialecten.

Het refrein is in essentie bedoeld als een plagerij of een overwinningkreet richting de andere groep.

In 1965 blies de Amerikaanse meidengroep The Dixie Cups het nummer nieuw leven in.

Ze pasten de titel aan naar Iko Iko en scoorden er een enorme hit mee.

De leden van The Dixie Cups dachten destijds dat het een traditioneel volksliedje was dat ze van hun grootmoeder hadden geleerd.

Tijdens de opname improviseerden ze de percussie in de studio door met drumstokjes op asbakken en aluminium flessen te tikken.

Omdat ze het nummer samen met hun producers als hun eigen compositie registreerden, ontstond er later een stevige juridische strijd met James Crawford over de auteursrechten.

Uiteindelijk werd er een schikking getroffen waarbij Crawford deels werd erkend, al moest hij een groot deel van de publicatierechten afstaan.

De versie van The Belle Stars, met een herkenbaar en typisch jaren tachtig synthesizergeluid, werd in 1982 opgenomen en uitgebracht.

Destijds was het vooral een bescheiden succes in het Verenigd Koninkrijk en in enkele Europese landen.

Bij ons in Vlaanderen en Nederland bereikte de single toen niet de hitparade.

Het grote succes kwam pas veel later.

Dat omslagpunt vond plaats eind 1988, toen hun energieke cover op de soundtrack verscheen en werd gebruikt in de opening van de immens populaire film Rain Man met Tom Cruise en Dustin Hoffman.

Door het enorme bioscoopsucces van de film werd het nummer in 1989 opnieuw uitgebracht in de Verenigde Staten, waar het dit keer piekte in de hoogste regionen van de Billboard-hitlijsten.

Wat in 1954 begon als een lokaal carnavalslied over botsende parades in New Orleans, is op die manier via The Dixie Cups en de filmindustrie uitgegroeid tot een wereldwijd bekend popfenomeen.

Daarnaast bleek de aantrekkingskracht van de melodie onweerstaanbaar voor vele andere muzikanten.

Artiesten als Rolf Harris, Warren Zevon, Dr. John, John Baldry en zelfs Hugues Aufray coverden het nummer al in de jaren zestig en zeventig.

Maar ook artiesten als Cyndi Lauper, Ringo Starr, Captain Jack en Zap Mama namen het nummer op in hun repertoire.

Het nummer ‘The Clapping Song’ is bij velen vooral bekend door de aanstekelijke cover van de Britse meidengroep The Belle Stars uit 1982, maar de oorsprong van het lied gaat terug tot 1965.

Het werd geschreven door Lincoln Chase en oorspronkelijk uitgebracht door de Amerikaanse zangeres Shirley Ellis.

Haar versie was een enorm succes, verkocht meer dan een miljoen exemplaren en bereikte hoge posities in de Amerikaanse en Britse hitlijsten.

De tekst en het ritme zijn gebaseerd op een kinderversje en een bijbehorend klapspelletje.

De bekende openingsregels “Three, six, nine, the goose drank wine” zijn bovendien deels geleend van een veel ouder nummer uit de jaren dertig genaamd Little Rubber Dolly van de Light Crust Doughboys.

In de zomer van 1982 bliezen The Belle Stars het nummer nieuw leven in met hun opzwepende mix van pop en ska, uitgebracht op het bekende Stiff Records-label .

Hun cover sloeg enorm aan bij het grote publiek.

Het bereikte de elfde plaats in de Britse hitlijsten en klom in Australië na een verblijf van maar liefst zeven maanden zelfs naar de vierde plek.

Het was een nummer dat perfect de vrolijke, energieke sfeer van de vroege jaren tachtig wist te vangen.

Naast de versie van The Belle Stars hebben door de jaren heen vele andere artiesten The Clapping Song gecoverd.

Artiesten als Anita Harris, Gary Glitter en de Franse groep Les Surfs coverden het nummer al in de jaren zestig en zeventig.

Maar ook artiesten als Pia Zadora, Black Lace, Toto Coelo en Carmel namen het nummer op in hun repertoire.

Zo bracht Aaron Carter het uit in 2000 en nam Queen-drummer Roger Taylor in 2021 nog een versie op, terug te vinden op zijn album Outsider.

In Vlaanderen kennen we het nummer bovendien dankzij de Championettes.

Vandaag 45 jaar geleden, komt Bill Wyman met zijn single Je Suis Un Rock Star binnen in de BRT Top 30.

Voor de opname van het nummer krijgt hij steun van gitarist Terry Taylor en drummer Bruce Rowland.

Bill Wyman zingt en speelt verder alle andere instrumenten.

Op de B-kant staat het nummer ‘Rio De Janeiro’.

Voor deze opname kreeg hij steun van drummer Slim Jim Phantom van The Stray Cats.

Het nummer komt in Vlaanderen niet verder dan de vierentwintigste plaats in de BRT Top 30.

In Nederland doet de single het beter en bereikt daar de dertiende plaats in de Top 40.

50 jaar geleden, Frankie Valli & The Four Seasons met hun hit December, 1963 (Oh, What a Nigh

Frankie Valli and The Four Seasons, het befaamde zangkwartet uit Newark in New Jersey, behoorden begin jaren zestig tot de absolute top van de Amerikaanse muziekindustrie.

Frontman Frankie Valli werd in Newark geboren als Francis Stephen Castelluccio. Hij wist al op zevenjarige leeftijd dat hij zanger wilde worden, nadat zijn moeder hem had meegenomen naar een optreden van Frank Sinatra in New York.

Valli begon zijn professionele muziekcarrière in 1951, toen hij werd opgemerkt door de groep Variety Trio, die bestond uit Nickie DeVito, Tommy DeVito en Nick Macioci.

Een jaar later splitste deze groep op en ging Valli verder met Tommy DeVito.

Samen werden ze lid van de huisband die steevast optrad in The Strand in New Brunswick, New Jersey, waar Valli zong en basgitaar speelde.

In 1953 nam hij zijn eerste single op, getiteld My Mother’s Eyes, onder de artiestennaam Frankie Valley, een naam die hij baseerde op de zangeres Jean Valley.

Rond deze periode besloten DeVito en Valli om The Strand te verlaten en vormden ze een nieuwe groep, The Variatones, samen met Hank Majewski, Frank Cattone en Billy Thompson.

In 1956 zocht men een groep om als achtergrondzangers op te treden voor een bekende zangeres.

De groep deed auditie en werd opgemerkt door Peter Paul, een geluidsman uit New York, die hen een week later auditie liet doen bij RCA Records.

Vanaf dat moment ging de groep door het leven als The Four Lovers.

Ze namen meerdere singles op en scoorden een kleine hit met het liedje ‘You’re the Apple of My Eye’.

Later voegden ook enkele muzikanten uit zijn begintijd zich weer bij de groep, waaronder Nickie DeVito en Nick Macioci, die zichzelf inmiddels Nick Massi noemde.

Ze bleven optreden tot 1959, het jaar waarin Bob Gaudio lid werd van de groep.

Vanaf het begin van de jaren zestig gingen ze door het leven als The Four Seasons, een naam die ze simpelweg leenden van een cocktailbar bij een bowlingbaan in Union, New Jersey.

Met zijn onmiskenbare en krachtige falsetstem leidde Valli de groep naar grote successen.

In 1962 bereikte hij de eerste plaats in de hitlijsten met het liedje Sherry. Een andere belangrijke mijlpaal in die beginjaren was hun nachtclubdebuut op 29 maart 1963 in de beroemde Copacabana in New York.

Dit gebeurde op een moment dat ze vanaf 2 maart al drie weken de Amerikaanse Billboard Hot 100 aanvoerden met het nummer ‘Walk Like A Man’.

Wat veel mensen overigens niet weten, is dat de latere grote hit ‘Silence is Golden’ van The Tremeloes voor het eerst in 1964 werd uitgebracht door Frankie Valli and The Four Seasons.

Na 1967 begon de populariteit van de band echter flink terug te lopen. Het publiek raakte meer geïnteresseerd in soul en hardere rock dan in de harmonieuze pop van de groep, waardoor de singles na 1967 steevast flopten.

Terwijl het succes van de band stagneerde, ging Valli gedurende de jaren zestig steeds vaker solo.

Met de hulp van producer Bob Crewe nam hij verschillende soloprojecten op zoals onder meer ‘The Sun Ain’t Gonna Shine (Anymore)’, wat later een groot succes werd toen het gecoverd werd door The Walker Brothers.

Later scoorde Valli een hit met ‘Can’t Take My Eyes Off You’.

Het nummer bleef in de Verenigde Staten steken op plaats 2 in de hitparade, maar wordt algemeen beschouwd als een wereldhit.

Naast zijn solowerk nam de groep van tijd tot tijd nummers op onder de naam Frankie Valli en The Four.

In deze zelfde periode kreeg de zanger te maken met ernstige gezondheidsproblemen.

Valli leed aan otosclerose, een botaandoening in zijn oren waardoor hij langzaam doof werd en jarenlang op het podium puur vanuit zijn geheugen moest zingen.

Een specialist in Los Angeles wist zijn gehoor pas eind jaren zeventig met operaties te herstellen.

Sinatra, als goede vriend, hielp de zanger door hem speciale vocale oefeningen aan te leren nadat Valli in de late jaren zestig een andere operatie aan zijn stembanden had ondergaan.

In de jaren zeventig kwam Valli wat minder vaak aan bod, maar het duurde tot 1975 voordat de band een indrukwekkende comeback wist te maken met ‘December, 1963 (Oh, What a Night)’.

Een opvallend detail over deze plaat is dat Frankie Valli er nauwelijks in te horen is als hoofdzanger, een beslissing die de platenmaatschappij had doorgedrukt.

Drummer Gerry Polci zong de coupletten, bassist Don Ciccone zong een ander deel, en Valli nam enkel de brug en de achtergrondvocalen voor zijn rekening.

Toch groeide het uit tot een enorm succes met een derde plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en de Nederlandse Top 40.

Vrijwel tegelijkertijd kende de solocarrière van Valli een sterke heropleving dankzij succesvolle singles als ‘Swearin’ to God’ en ‘My Eyes Adored You’, waarmee hij opnieuw een grote hit scoorde.

Het bekendste werk van Valli tijdens de jaren zeventig is echter de titelsong voor de uiterst populaire bioscoopfilm Grease uit 1978.

Barry Gibb van The Bee Gees was de componist van dit titelnummer en het was bovendien het enige liedje dat hij voor de soundtrack van de film schreef.

Gibb had Frankie Valli persoonlijk gevraagd om het op te nemen.

Dit kwam de destijds 41-jarige zanger van The Four Seasons buitengewoon goed uit, want hij had dringend geld nodig.

Het nummer werd een gigantisch succes: op 26 augustus 1978 kwam ‘Grease’ binnen op de 23ste plaats in de Nederlandse Top 40, om vervolgens vanaf 30 september twee weken lang de eerste plaats te bezetten.

Op de B-kant van de single stond een instrumentale versie van de saxofonist Gary Brown.

Dit succes bleek destijds zijn laatste grote wapenfeit te zijn met betrekking tot nieuwe muziek; nadien wist hij decennialang geen successen meer te behalen met de platenverkoop, noch solo, noch met de band, uitgezonderd een succesvolle remix van ‘December 1963’ in 1988.

Pas veel later, in 2020, verscheen er online een tweede versie van het nummer Grease, in samenwerking met allerlei gastmuzikanten.

Valli zong het nummer daar op 86-jarige leeftijd opnieuw in, maar liefst 42 jaar na de eerste versie uit 1978.

De grote stempel die de groep op de muziekgeschiedenis heeft gedrukt, werd overigens al in 1990 bekroond met een opname in de Rock and Roll Hall of Fame

Hun bijzondere en roerige ontstaansgeschiedenis vormde in 2005 de basis voor de musical Jersey Boys.

Deze voorstelling ontving zeer positieve kritieken, won meerdere Tony Awards en werd in 2014 verfilmd door regisseur Clint Eastwood.

Van de originele bezetting is inmiddels een groot deel overleden of met pensioen.

Bassist en zangarrangeur Nick Massi overleed op 24 december 2000 op 73-jarige leeftijd aan de gevolgen van kanker.

Twintig jaar later stierf gitarist en baritonzanger Tommy DeVito in september 2020 op 92-jarige leeftijd aan de gevolgen van COVID-19.

Toetsenist Bob Gaudio, de inmiddels 84-jarige hoofdschrijver van klassiekers als Sherry en December, 1963, treedt al lang niet meer op, maar werkt nog steeds achter de schermen aan projecten zoals de musical.

In tegenstelling tot zijn voormalige bandgenoten bleef frontman Frankie Valli nog opmerkelijk lang optreden met nieuwe muzikanten onder de naam The Four Seasons.

Tijdens een interview in 2016 kreeg hij de vraag waarom hij maar bleef optreden met een groep die niet bestond uit de originele bandleden.

Valli antwoordde nuchter dat hij het nog steeds erg leuk vond om te doen en dat hij verder geen hobby’s had, zoals golf.

Zo stond hij eind 2017 en begin 2018, op bijna 84-jarige leeftijd, nog altijd met volle overgave op het podium, en ook in 2019 was de 85-jarige Valli nog volop met optredens bezig.

Uiteindelijk heeft hij pas medio 2026 definitief besloten om de resterende concerten van zijn afscheidstournee te annuleren om zich volledig op zijn gezondheid te kunnen richten.

45 jaar geleden brachten Stephanie Mills en Teddy Pendergrass hun nummer ‘Two Hearts’ uit.

Nauwelijks drie jaar oud zong Theodore, beter bekend als Teddy Pendergrass, al in een kerkkoortje.

Dit verklaart de belangrijke en blijvende invloed van gospel in zijn latere muziek. Op zijn dertiende leerde hij drummen in een club waar zijn moeder overdag werkte.

Toen een beloofde zangcarrière door een producer een loze belofte bleek te zijn, legde hij zich volledig toe op zijn drumstel.

Samen met het beginnende groepje Little Royal zette hij zijn eerste stappen op het podium. In 1969 werd hij officieel de nieuwe drummer van The Cadillacs, een groep die in Philadelphia al vrij bekend was.

Een jaar later, in 1970, sloot hij zich als drummer aan bij Harold Melvin & the Blue Notes.

Dankzij zijn warme, rijke stem en uitstekende vocale kwaliteiten schoof hij echter al snel door naar de positie van leadzanger.

Hij trok de aandacht van het componistenduo Gamble en Huff, wat leidde tot een succesvolle samenwerking met een reeks hits als resultaat, waaronder het fraaie ‘If You Don’t Know Me by Now’ .

Vanaf dat moment brak de meest succesvolle periode van de band aan.

Pendergrass voelde zich echter niet helemaal thuis bij The Blue Notes, aangezien hij op het podium al had bewezen meer affiniteit te hebben met stevigere nummers.

Bovendien ontstond er wrijving over de financiën, waarbij het leeuwendeel van de inkomsten naar Harold Melvin zou zijn gegaan.

Deze combinatie van factoren leidde in 1976 tot de onvermijdelijke breuk, waarna hij de groep verliet.

Teddy besloot het solo te proberen en nam met Gamble en Huff het album Teddy Pendergrass op, wat hem meteen goud opleverde.

In 1977 stelde hij zijn toenmalige vriendin aan als manager.

Hun professionele relatie liep echter op de klippen en enige tijd na hun breuk werd zij vermoord.

Hoewel Pendergrass tijdens haar uitvaart zong, werd hij verdacht van betrokkenheid, mede aangewakkerd door geruchten over banden met de Zwarte Maffia.

Tijdens de begrafenis zou dominee Jesse Jackson hem bovendien veelbetekenend hebben aangekeken toen hij dit onderwerp tijdens zijn homilie aansneed.

Ondanks deze turbulente periode reeg Teddy de muzikale successen aaneen.

Zijn tweede langspeler Life is a song worth singing was goed voor dubbel platina, net als de latere albums Teddy en TP.

Theodore mocht zich stilaan een superster noemen en kocht zich passend een riant buitenhuis en een Rolls-Royce.

Naast het grote platensucces bouwde hij in de Verenigde Staten een enorme livereputatie op.

Hij was de absolute lieveling van de vrouwen en speelde daar graag en veelzijdig op in.

Met zijn slogan rijk, jong en beschikbaar deed hij avond aan avond de luxetenten in Las Vegas vollopen met wild enthousiaste dames van alle leeftijden die hun idool van dichtbij wilden zien.

Zelf gaf hij aan dat zijn reputatie daarmee wel gemaakt was, al voelde hij zich soms beschaamd over de taferelen die zich in het publiek afspeelden en vond hij het ongepast wanneer gehuwde vrouwen zich zomaar kwamen aanbieden.

In 1981 scoorde hij in de Verenigde Staten nog een hit met het nummer ‘Girl You Know’, een duet dat hij zong met Stephanie Mills.

Eerder werkten ze al samen voor het duet Feel The Fire in 1978.

Het leven van de zanger nam op 18 maart 1982 een dramatische wending door een zwaar auto-ongeluk in Philadelphia.

De officiële lezing stelde dat het ongeval gebeurde na een basketbalwedstrijd, maar later bleek dat hij uit een nachtclub kwam in het gezelschap van de 31-jarige transgendervrouw Tenika Watson.

Ook rond deze gebeurtenis doken verhalen op over de Zwarte Maffia.

Zo zouden de remmen van zijn wagen niet hebben gefunctioneerd, een defect dat naar verluidt ook bij zijn eerdere auto’s was opgetreden.

Als gevolg van de crash liep Pendergrass een dwarslaesie op, waardoor hij vanaf zijn middel verlamd raakte.

Zijn passagier, Tenika Watson, kon na een medische behandeling het ziekenhuis weer verlaten.

Pendergrass weigerde steevast uitleg te geven over haar aanwezigheid in de auto.

Na zijn overlijden beweerde Watson in een interview echter dat de twee al sinds de jaren zeventig een relatie hadden.

Na een intensief revalidatietraject van zes maanden zette de zanger zich in voor lotgenoten door de Teddy Pendergrass Alliance op te richten, een stichting voor mensen met een ruggenmergletsel.

Zijn muzikale comeback volgde in 1984 met het album Love Language, waarop het succesvolle duet ‘Hold Me’ stond met het destijds opkomende talent Whitney Houston.

In 1985 maakte Pendergrass zijn grootse terugkeer op het podium tijdens Live Aid, waar hij het nummer ‘Reach Out and Touch’ zong en de gelegenheid nam om het publiek te bedanken voor alle steun.

Teddy Pendergrass beëindigde zijn podiumcarrière in 2007.

Hij overleed drie jaar later, in 2010, op 59-jarige leeftijd aan de gevolgen van darmkanker.

Hij liet een zoon en twee dochters na, die alle drie van verschillende moeders zijn.

In juni 1976 dacht iedereen nog dat Bohemian Rhapsody van Queen dé single van het jaar zou worden, maar plotseling dook er een ernstige concurrent op voor die felbegeerde titel.

De single “Music” van John Miles beloofde namelijk een internationale knaller te worden, waarmee Engeland er in één klap een nieuw fenomeen bij had.

Zeker na het uitbrengen van zijn prachtige debuutalbum Rebel, met daarop ook de eerdere single Highfly, werd de muzikant door velen meteen in hetzelfde rijtje geplaatst als idolen zoals Leo Sayer en David Essex.

In tegenstelling tot die twee langharige krullenbollen, die er destijds zeer modieus bij liepen, presenteerde John Miles zich op foto’s, op televisie en op zijn platenhoezen liever met een ouderwetse vetkuif.

In reclamecampagnes werd hij dan ook volop gelanceerd als een soort zingende James Dean.

Toen hem werd gevraagd of een flinke portie muzikaal talent alleen niet voldoende was, legde hij lachend uit dat dit imago hem juist heel snel naar de top had gebracht.

Vroeger had hij net zo’n grote bos krullen als Leo Sayer en David Essex, alleen nog een stuk langer, maar hij wilde simpelweg anders zijn.

Het besluit om zich bij zijn televisieoptreden als James Dean te stylen, bleek een gouden greep. Binnen twee weken schreven de kranten volop over de vergelijking, en dat is daarna altijd zo gebleven.

Niet alleen de hoesfoto, die zo weggeslopen leek uit Deans bekende film ‘Giant’, deed aan de legendarische filmheld denken; ook de titeltrack van de elpee Rebel verwees naar hem.

John Miles gaf toe dat hij altijd al een enorme bewondering voor de acteur had gehad.

Hij had talloze boeken en biografieën over hem gelezen en al zijn films intensief bekeken. Op basis daarvan concludeerde hij dat James Dean feitelijk helemaal geen rebel was, een standpunt dat hij destijds ook letterlijk bezong in het titelnummer van zijn eerste plaat.

Hoewel hij dacht nooit te worden zoals zijn idool, vond hij de constante vergelijking door het publiek absoluut niet erg.

De zanger, die destijds werd begeleid door Alan Parsons, de bekende producer van onder andere Pilot en Cockney Rebel, maakte zich weinig illusies over de vluchtigheid van populariteit.

Toch zorgden zijn verfijnde composities, met de toenmalige hit ‘Music’ voorop, er destijds al voor dat hij in één moeite door tussen de allergrootste artiesten werd geplaatst.

Op jonge leeftijd leerde John Miles al piano en gitaar spelen en op zijn achttiende speelde hij in de groep The Influence, met gitarist Vic Malcolm en drummer Paul Thompson, die vanaf 1971 de drummer bij Roxy Music werd.

In 1976 produceerde Alan Parsons zijn eerste album, Rebel.

De rockballade Music werd een wereldhit en leidde tot een Amerikaanse tournee met Elton John.

Nadat zijn eigen carrière later vastliep, werkte John Miles vervolgens als studiomuzikant voor andere artiesten.

Hij werd vooral bekend als de vaste gitarist van Tina Turner, met wie hij vanaf 1987 toerde. Bij het Alan Parsons Project zong hij een aantal nummers, waaronder La Sagrada Familia in 1987, en in 1992 begeleidde hij Joe Cocker.

John Miles werd daarnaast door grote artiesten als Jethro Tull, Fleetwood Mac, Tom Petty, Stevie Wonder en Jimmy Page van Led Zeppelin mee op tournee gevraagd.

In 1985 was John Miles al aanwezig bij de allereerste editie van Night of the Proms in Antwerpen.

Sindsdien was hij als zanger en als leider van de Electric Band een vast onderdeel van Night of the Proms, met uitzondering van 2008, toen hij op tournee was met Tina Turner en tijdelijk werd vervangen door Midge Ure.

Miles is een muzikale uitdaging nooit uit de weg gegaan, wat zorgde voor onvergetelijke muzikale momenten, waaronder zijn duetten met Andrea Bocelli, Michael McDonald, Sharon den Adel, Anastacia, Zucchero, Emily Bear, Lara Fabian, Milow en Ronan Keating.

Daarnaast verzorgde hij schitterende covers van hits van Queen, Led Zeppelin, ELO, Miley Cyrus, Avicii en Van Halen.

John Miles overleed op 5 december 2021 op 72-jarige leeftijd na een kort ziekbed door kanker in zijn woonplaats Newcastle.

Naast zijn vrouw Eileen, met wie hij 49 jaar getrouwd was, liet hij een zoon, een dochter en twee kleinkinderen na.

John Miles, ik ben geen James Dean, ik lijk er alleen maar op (Joepie 6 juni 1976)

Gisteren nog vandaag

Vandaag, 50 jaar geleden, was Charles Aznavour te zien met het nummer Mes Emmerdes in het muziekprogramma TopPop.

Het nummer is door hemzelf geschreven en staat op zijn album Voilà que tu reviens.

Naast dit nummer bevat datzelfde album ook bekende hits zoals ‘Par Gourmandise’ en ‘Ils sont tombés’.

Er doen hardnekkige geruchten de ronde dat de tekst van het nummer verwijst naar de moeizame relatie van de zanger met de Franse fiscus.

Nadat hij naar Zwitserland verhuisde, werd hij in 1972 beschuldigd van fiscale fraude.

Dit juridische getouwtrek leidde in 1979 tot een boete van drie miljoen Franse frank (FRF), wat neerkomt op ongeveer 450.000 euro, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van een jaar.

Pas na de uiteindelijke betaling in 1980 werd de rechtsvervolging officieel gestaakt.

De titel ‘Mes Emmerdes’ draagt een interessante dubbele lading die perfect aansluit bij dit verhaal.

In het Frans wordt het woord emmerdes vaak gebruikt om te verwijzen naar dagelijkse beslommeringen en kleine ergernissen waarover de zanger in de tekst zingt.

Tegelijkertijd heeft de term een veel plattere, volkse bijbetekenis die verwijst naar diepe narigheid of stront aan de knikker.

Met deze titel wist Aznavour op een ironische en melancholische manier zowel de onschuldige kopzorgen van vroeger als zijn zware juridische strijd met de overheid te vatten.

Hoewel ‘Mes Emmerdes’ in Wallonië een groot succes was met een vierde plaats in de hitlijsten, bleef het succes in Vlaanderen opvallend genoeg beperkt tot een notering in de tipparade.

In Nederland wist het nummer door te dringen tot de vijfentwintigste positie in de Top 40.

Stampeders mogen een dikke kaars branden voor dj Wolfman Jack.

De Stampeders, een van Canada’s meest gewaardeerde formaties, mochten een dikke kaars branden voor deejay Wolfman Jack, ongetwijfeld Amerika’s beroemdste en origineelste platenruiter.

Want alhoewel hun versie van de Ray Charles-hit ‘Hit the Road Jack’ verre van slecht genoemd kon worden, toch hadden ze de Europese doorbraak ervan vooral aan deejay Jack te danken.

De jongens waren op het idee gekomen de plaat te beginnen en te eindigen met een sentimenteel telefonisch onderonsje met de superdikkerd onder de platendraaiers.

In het kort kwam het hierop neer dat een van de Stampeders schreeuwde dat zijn meisje was gaan lopen en hij verrekt in de put zat, waarna Wolfman Jack in zijn klassieke gillende stijl antwoordde dat hij maar eens een weekendje moest afkomen om alles uit te praten.

Dat viel zodanig in de smaak van de meeste deejays in Europa en elders dat ze daarom alleen al ‘Hit the Road Jack’ van The Stampeders waren gaan ronddraaien.

Het publiek pikte daar meteen op in, maar dan ook echt voor het nummer zelf. Het betekende voor deze Canadese formatie na hitjes als ‘Morning Magic’ en ‘Be a woman’ uiteindelijk de eerste grote hit.

Het nummer kende een rijke voorgeschiedenis, want het werd al in 1960 geschreven door Percy Mayfield en vervolgens in 1961 opgenomen door Ray Charles.

Op die bewuste opname, waarop ook The Raelettes-zangeres Margie Hendrix te horen was, groeide het uit tot een van de allerbekendste nummers van Charles.

Het stond destijds zelfs twee weken lang op de eerste plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100. In 1976 besloten The Stampeders het nummer in een nieuw, rockend jasje te steken.

Een opvallend element in deze versie was het telefoongesprek dat de hoofdpersoon voerde met de bekende Amerikaanse radio-dj Wolfman Jack, wiens echte naam Robert Weston Smith is.

Deze unieke aanpak bracht hen internationaal succes in de hitlijsten. In hun thuisland Canada klom de single naar de zesde plaats, en in de Verenigde Staten werd de veertigste positie bereikt.

Ook in de Lage Landen viel het nummer erg in de smaak: in Vlaanderen stootte de plaat door naar een mooie derde plek in de BRT Top 30, terwijl de hit in Nederland goed was voor een zesde plaats in de Top 40.

De Stampeders bestonden op dat moment, in juni 1976, al sedert 1965.

De groep was destijds opgericht door gitarist en componist Rich Dobson, gitarist en componist Ronnie King en gitarist, drummer en componist Kim Berly.

Dit trio was altijd de basis gebleven van de formatie, maar ze lieten zich geregeld door andere muzikanten omringen.

Wolfman Jack overleed op 1 juli 1995. Hij stierf op 57-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hartaanval.

45 jaar geleden scoorde de Schotse zangeres Aneka een gigantische nummer één-hit met het aanstekelijke ‘Japanese Boy’.

Het nummer werd geschreven door Bob Heatlie en geproduceerd door de Schotse producer Neil Ross.

Wat destijds niet iedereen wist, was dat achter het pseudoniem Aneka de gerespecteerde traditionele folkzangeres Mary Sandeman schuilging, die in haar thuisland Schotland al een gevestigde naam was.

Het idee voor de artiestennaam Aneka ontstond overigens heel toevallig toen ze een Schots telefoonboek doorbladerde en zocht naar een naam die een beetje exotisch en passend klonk bij het popconcept.

In Vlaanderen veroverde Japanese Boy moeiteloos de eerste plaats in de BRT Top 30, en ook in Groot-Brittannië, Ierland, Finland, Zwitserland en Zweden schoot de plaat door naar de absolute toppositie.

In de Nederlandse Top 40 moesten de fans genoegen nemen met een nog altijd zeer respectabele zevende plaats.

Wereldwijd gingen er destijds meer dan vijf miljoen exemplaren van de single over de toonbank.

Een leuk weetje is dat Mary Sandeman destijds al in de dertig was toen ze doorbrak als popster, wat destijds vrij ongebruikelijk was in de popwereld.

Bovendien trad ze tijdens promotie-optredens altijd op in een traditionele Japanse kimono en met een opvallend kapsel, een imagokeuze die tegenwoordig waarschijnlijk veel stof zou doen opwaaien, maar in de vroege jaren tachtig een slimme marketingtruc bleek te zijn.

In 2002 beleefde het nummer een enorme heropleving onder een compleet nieuwe generatie jongeren.

Het werd namelijk toegevoegd aan de soundtrack van het immens populaire computerspel Grand Theft Auto: Vice City, waardoor de iconische synthesizerklanken plotseling weer overal te horen waren.

Het succes van die eerste single bleek echter moeilijk te evenaren.

De opvolger ‘Little Lady’, die eveneens uit de pen van Bob Heatlie kwam, deed het in Vlaanderen nog heel aardig met een zevende plaats in de BRT Top 30.

In Nederland bleef de single steken op de achttiende plaats in de Top 40. De daaropvolgende single,

Ooh ‘Shooby Doo Doo Lang’ wist de hitlijsten niet meer te bereiken en strandde in de Tipparade.

Ook de singles die daarna uitkwamen ondergingen hetzelfde lot.

Na de release van haar laatste single ‘Heart To Beat’ in 1983 besloot de zangeres in 1984 definitief een punt te zetten achter haar popcarrière.

Na dit korte maar hevige popavontuur keerde ze in de jaren tachtig snel terug naar haar oorspronkelijke passie: de traditionele Schotse folkmuziek en Keltische, Gaelische zang.

Onder haar eigen naam Mary Sandeman trad ze onder andere op met het prestigieuze Scottish Fiddle Orchestra en bracht ze gewaardeerde albums uit in haar vertrouwde genre.

In 2006 dook ze nog even op in de publiciteit toen ze meewerkte aan een Britse televisiedocumentaire over eendagsvliegen, de bekende one-hit wonders.

Ze weigerde destijds echter resoluut om naar Londen te reizen voor een reoptreden op televisie.

Ze gaf nuchter aan dat ze nog altijd achter het nummer stond, maar dat ze absoluut geen behoefte meer had om de popact van weleer te herhalen.

Volgens de laatste updates woont Mary Sandeman, die inmiddels 78 jaar oud is, in het schilderachtige Perthshire in de buurt van het Schotse Stirling.

Om bezig te blijven na haar muzikale loopbaan werkte ze de afgelopen decennia onder andere als parttime stadsgids in Stirling, waarbij ze toeristen met veel plezier rondleidde door de Schotse geschiedenis.

Tegenwoordig geniet ze in alle rust van haar pensioen en van haar gezinsleven als trotse grootmoeder.

Alvin Stardust, de man in het zwarte leer en zijn onverwachte succesverhaal.

Aanvankelijk begon Bernard William Lewry zijn muzikale carrière in het begin van de jaren zestig onder de artiestennaam Shane Fenton.

Met zijn band The Fentones kende hij wat lokaal succes. Een opmerkelijk weetje uit die tijd is dat Lewry eigenlijk de roadie van de band was.

Toen de oorspronkelijke zanger, de echte Shane Fenton, vlak voor een belangrijke BBC-auditie door gezondheidsproblemen plotseling overleed, nam Lewry noodgedwongen zijn plaats én zijn naam over om de kans niet aan de band voorbij te laten gaan.

Jaren later kreeg zijn carrière een onverwachte en zeer succesvolle wending.

Componist Peter Shelley had het nummer ‘My coo ca choo’ geschreven en was oorspronkelijk van plan om dit zelf uit te brengen.

Hij had daarvoor zelfs al de extravagante artiestennaam Alvin Stardust bedacht.

Omdat Shelley echter in 1973 samen met Michael Levy een doorstart maakte van hun eigen platenfirma, Shelley Magnet Records, ontbrak het hem simpelweg aan tijd om zelf op te treden en promotie te voeren.

Shelley vond voormalig tieneridool Shane Fenton bereid om in de huid van Alvin Stardust te kruipen en het nummer op het podium te promoten.

Deze samenwerking legde hen geen windeieren, want ‘My coo ca choo’ werd een daverend mondiaal succes.

In Australië stond het nummer maar liefst zeven weken op de eerste plaats.

Ook in Oostenrijk en Noorwegen liep de verkoop uitstekend, met respectievelijk een tweede plaats gedurende zestien weken en een vierde plaats in negen weken.

In Vlaanderen bereikte de single op 2 februari 1974 een mooie derde plaats in de BRT Top 30.

Wat Peter Shelley betreft: hij zou een jaar na dit succes alsnog zelf singles gaan uitbrengen onder zijn eigen naam.

Zijn single ‘Love Me Love My Dog’ uit 1975 deed het behoorlijk goed.

In de Lage Landen kennen we de melodie van dit nummer vooral dankzij Rudi Carrell, die er in 1976 met ‘Samen ’n straatje’ een hit mee scoorde in de Nederlandse vertaling.

Na het gigantische succes van zijn debuutsingle bracht Alvin Stardust nog enkele opvolgers uit, waaronder ‘Red dress’ en ‘You, you, you’.

De zanger cultiveerde in deze periode een zeer kenmerkend imago: strak in het zwarte leer, met grote bakkebaarden, opvallende zwarte handschoenen en een grote, dikke ring om zijn vinger.

Hij nam tijdens tv-optredens steevast een mysterieuze, ietwat norse houding aan die sterk deed denken aan rock-‘n-roll-legendes zoals Gene Vincent.

Bovendien werd hij in Groot-Brittannië een iconisch gezicht door zijn deelname aan een beroemde verkeersveiligheidscampagne, waarin hij Britse kinderen op het matje riep als ze niet goed uitkeken bij het oversteken.

Na de hoogtijdagen in de jaren zeventig werd het even wachten, maar in 1981 maakte hij een krachtige comeback met zijn coverversie van ‘Pretend’.

Dit nummer werd oorspronkelijk in 1952 geschreven door Lew Douglas, Dan Belloc en Frank Lavere en werd destijds wereldberoemd gemaakt door Nat King Cole.

De uitvoering van Alvin Stardust bleek een groot succes te zijn.

Een leuk detail over deze comeback is dat ‘Pretend’ hem in het Verenigd Koninkrijk zijn grootste succes sinds lange tijd opleverde en de deuren naar het legendarische televisieprogramma Top of the Pops opnieuw wijd voor hem opende.

Ook in de Benelux was het een voltreffer: de single bereikte op 12 december 1981 de eerste plaats in de Vlaamse BRT Top 30 en behaalde in de Nederlandse Top 40 een knappe derde plaats.

Ook in de jaren die daarop volgden, wist Alvin Stardust nog enkele hits te scoren.

Zo was hij in 1982 succesvol met ‘A Wonderful Time Up There’ en had hij in 1985 nog een notering met ‘I Feel Like Buddy Holly’.

Naast zijn muziekcarrière speelde hij succesvol mee in diverse theatermusicals zoals Godspell en Chitty Chitty Bang Bang, en verscheen hij regelmatig in Britse televisieseries.

Het leven van deze veelzijdige artiest kwam ten einde in oktober 2014, slechts enkele weken nadat er uitgezaaide prostaatkanker bij hem was vastgesteld.

Bernard William Lewry, de man die we ons altijd zullen herinneren als de in leer gehulde Alvin Stardust, werd 72 jaar oud.