Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
Hoewel het nummer uitgroeide tot een Franse klassieker, is het oorspronkelijk een cover van Nel Cuore Nei Sensi van de Italiaanse formatie Albatros.
Het lied werd gecomponeerd door Toto Cutugno en Vito Pallavicini, waarna Pierre Delanoë tekende voor de Franse vertaling.
In de tekst bezingt Lenorman zijn zoon Mathieu, die in het lied Nicolas wordt genoemd, en reflecteert hij op een mogelijke scheiding van zijn vrouw Caroline.
Hij benadrukt dat zij altijd welkom blijft en overhandigt haar symbolisch de sleutels van haar geluk.
Hoewel het echtpaar op het moment van de opname nog gelukkig samen was, bleek het nummer een onbedoelde voorspelling van de toekomst; in 1989 ging het stel definitief uit elkaar.
De single werd een groot succes in de Lage Landen en bereikte zowel in de Vlaamse hitlijsten als in de Nederlandse Top 40 de tweede plaats.
Midden jaren 70 was de wereld volledig in de ban van oosterse gevechtskunsten.
Bruce Lee was de grootste filmster van het moment en in de hitlijsten had Carl Douglas net de weg vrijgemaakt met zijn wereldhit Kung Fu Fighting.
In dat kielzog verscheen in 1975 nog een opvallende single die slim inspeelde op die rage: Chinese Kung Fu van de groep Banzai.
Het nummer werd geschreven door de Fransman Bernard Estardy.
Estardy was in de Franse muziekwereld een ware legende; hij was een geniale geluidstechnicus en toetsenist die in zijn eigen studio werkte met de grootste sterren.
Voor dit project, dat op de hoes vaak als Banzaii met twee i’s werd geschreven, besloot hij zelf te experimenteren met synthesizers en geluidseffecten.
Estardy combineerde die typische, vroege discobeat met stereotiepe oosterse melodietjes en – uiteraard – de nodige ‘Hia!’-kreten en geluiden van vechtende mensen.
Omdat het een echt studioproject was, was Banzai geen band die je zomaar live zag optreden; het was puur gemaakt voor de dansvloer.
Hoewel we het nu als een klassieker beschouwen, is het feitelijk nooit een officiële hit geweest.
Het nummer werd destijds grijsgedraaid in de discotheken van de Benelux en was enorm populair in het uitgaansleven, maar die populariteit vertaalde zich vreemd genoeg niet naar de verkoopcijfers.
Zowel in Vlaanderen als in Nederland haalde de single nooit de officiële hitparade. Het blijft daarmee een van de bekendste ‘niet-hits’ uit het discotijdperk.
Onder deze artiestennaam omarmt de uit Valkenswaard afkomstige Merel Brusselers het leven als een muzikale ontdekkingsreis die haar van Nederland naar de Verenigde Staten bracht.
Daar haalde ze inspiratie uit het werk van artiesten als James Taylor en First Aid Kit, en vond ze haar passie in samenwerkingen met gevestigde muzikanten in de Amerikaanse muziekhoofdsteden Nashville, New York, Boston en New Jersey.
Het resultaat is persoonlijke indie- en americana-folkmuziek die zich langzaam maar zeker, en heel comfortabel, in je hart nestelt.
De muziek speelde al vroeg een rol in haar leven; op vijfjarige leeftijd begon ze met pianospelen, later gevolgd door zang en gitaar.
Haar talent ontwikkelde ze verder tijdens haar bachelor aan de Fontys Hogeschool voor de Kunsten in Tilburg en haar master aan het Conservatorium van Amsterdam, die ze in 2023 afrondde.
Daarnaast studeerde ze meermaals in New York City en kreeg ze door de jaren heen zangcoaching van namen als Lucy Woodward, Jim Mola en Marle Thomson.
Na haar afstuderen in 2023 reisde Brusselers maandenlang door de grote muzieksteden van Amerika om inspiratie op te doen, op te nemen en op te treden.
Onderweg verzamelde ze een groep muzikale vrienden om zich heen met wie ze nu regelmatig werkt.
Dit leidde onder meer tot haar derde EP, Unusual Fairytales, die werd opgenomen in Asbury Park (New Jersey) en verscheen in mei 2025.
Op dit album vinden we onder meer het mooie nummer Would You Have Stayed.
Haar carrière kent inmiddels diverse hoogtepunten, zoals een endorsement van Martin Guitar, samenwerkingen met publishers als Warner Chappell en Primary Wave Music, en het verzorgen van voorprogramma’s voor artiesten als Steph Strings, de Billy Walton Band en The Cinelli Brothers.
Ze is inmiddels zelfs Voting Member voor de New Yorkse afdeling van de Recording Academy.
Eind november 2025 voegde ze een bijzonder hoofdstuk toe aan haar discografie met een cover van de wereldberoemde klassieker December, 1963 (Oh What a Night!) van The Four Seasons.
Waar het origineel uit 1975 de geschiedenisboeken inging als een upbeat disco- en popnummer, weet Joanne het nummer volledig naar haar hand te zetten.
Het is een gewaagde keuze om zo’n iconische track te vertalen naar haar eigen, intiemere stijl.
Voor deze productie, uitgebracht onder het label MAD Records (waarmee ze ook samenwerkt voor sync-opdrachten), nam ze zelf de touwtjes in handen.
De mix werd verzorgd door René Bloks en de mastering door Pier-Durk Hogeterp.
Deze release staat niet op zichzelf.
Eerder dat jaar, in augustus 2025, bracht ze al een interpretatie uit van Closing Time, een cover van de Amerikaanse band Semisonic.
Hiermee laat ze zien dat ze momenteel volop experimenteert met het heruitvinden van bekende songs naast haar eigen materiaal. Tijdens haar liveoptredens komen al deze invloeden samen: ze neemt haar publiek aan de hand en laat hen haar muzikale reis meebeleven alsof ze er zelf bij waren.
Casey ontmoette Finch begin jaren 70 in de platenzaak waar Harry werkte.
Wanneer ze een Caraïbische band aan het werk zien, besluiten ze een discogroep op te richten met Caraïbische invloeden.
De eerste single flopt, maar met ‘Queen Of Clubs’ scoren ze een eerste top 10-hit, merkwaardig genoeg wel enkel in de UK.
Op dat moment is er ook nog geen echte Sunshine Band. Harry en Richard nemen alles zelf op in de studio.
‘Get Down Tonight’ wordt in de zomer van 1975 de eerste wereldhit voor het kleurrijke gezelschap uit Miami, meteen goed voor een eerste Amerikaanse n°1.
Ondertussen was er al een echte Sunshine Band samengesteld waarmee op tournee kon worden gegaan. Met ‘That’s The Way I Like It’ scoort KC & The Sunshine Band in het najaar van 1975 zijn voorlopig grootste hit.
Naast de Billboard Hot 100 bereikte de single ook in Nederland de top van de Top 40.
In Ultratop houdt ‘I’m On Fire’ van 5000 Volts hen van de top. Hierna wordt ‘Queen Of Clubs’ in januari 1976 alsnog een top 10-hit in Vlaanderen en Nederland.
KC & The Sunshine Band scoorde tot 1980 nog hits.
Na ‘Please Don’t Go’ was het vet van de soep. In 1983 volgde een verrassende comeback met ‘Give It Up’, een Britse n°1.
Alhoewel de naam KC & The Sunshine Band behouden bleef, ging het om een soloproject van Harry W. Casey.
‘Queen Of Clubs’ werd in het najaar van 1995 weer een klein Ultratop-hitje (n°38) in de versie van het Vlaamse danceproject Timeshift (Joepie 17 december 1975 en met dank aan Denis Michiels).
Het nummer “This Is My Song” werd oorspronkelijk gecomponeerd door Charlie Chaplin voor zijn film “A Countess from Hong Kong” (1966), die op 5 januari 1967 in première ging.
De hoofdrollen waren voor Marlon Brando, Sophia Loren, Sydney Chaplin en Tippi Hedren.
Het scenario was losjes gebaseerd op het leven van de Russische artieste Moussia Sodskaya, die Chaplin ooit in Frankrijk had ontmoet.
Het was Chaplins laatste film als regisseur, en hij verscheen zelf nog een laatste keer in een kleine cameo als steward aan boord van het schip.
Voor de vocale versie van het titelnummer dacht Chaplin meteen aan Petula Clark.
Hij kende haar als buurvrouw – ze had net als hij een huis in Zwitserland – en vroeg haar om het nummer op te nemen.
Het project stuitte echter op de nodige weerstand. Haar vaste arrangeur, Tony Hatch, vond het lied niet geschikt voor haar.
Petula Clark zelf had ook grote moeite met de ouderwetse tekst, maar Chaplin weigerde er ook maar iets aan te veranderen.
Omdat Hatch afhaakte, werd het arrangement uiteindelijk gemaakt door Ernie Freeman.
De productie was in handen van Sonny Burke en de instrumentale begeleiding werd verzorgd door The Wrecking Crew, een bekende Amerikaanse groep sessiemuzikanten.
Clark was wel bereid het nummer op te nemen voor haar album, maar toen platenmaatschappij Pye Records besloot het als single uit te brengen, probeerde ze dat nog te blokkeren.
Tevergeefs, want het nummer werd toch uitgebracht en groeide, tegen haar eigen verwachtingen in, uit tot een wereldhit.
Het behaalde de eerste plaats in de hitparades van zowel Vlaanderen als Nederland.
Petula Clark zong later ook succesvolle versies in het Frans (C’est ma chanson), Duits (Love, so heisst mein Song) en Italiaans (Cara felicità).
Het succes van het lied stond in schril contrast met de ontvangst van de film.
“A Countess from Hong Kong” was een flop in de VS (waar het slechts 2 miljoen dollar omzette) en de rest van Europa.
De enige uitzondering was Italië, waar de film wel een succes werd. Uiteindelijk was het dankzij het enorme succes van de filmmuziek dat de film toch nog uit de kosten kwam.
De herkenbare melodie was gebaseerd op Moonlight Serenade van Glenn Miller (1939), met een Franse tekst van zijn echtgenoot Patrick Loiseau en productie van Jean Jacques Souplet.
Het werd een enorme hit: in Vlaanderen en Nederland bereikte het de eerste plaats (op 6 december 1975) in de Brt Top 30 en in de Nederlandse Top 40 (10 november 1975)
Achter de artiestennaam Dave gaat Wouter Otto Levenbach schuil, geboren in Amsterdam in mei 1944.
Hij begon zijn carrière op twintigjarige leeftijd als de frontman van het combo Dave Rich & the Millionaires, waarmee hij in 1964 de single Girl of my dreams uitbracht.
De voornaam van “Dave Rich” hield hij aan als zijn artiestennaam.
In zijn begintijd zong Dave nog in het Nederlands.
In 1967 verhuisde hij echter naar Frankrijk.
In een aflevering van het tv-programma Volle Zalen (13 maart 2025) vertelde hij hierover aan Cornald Maas.
Hij gaf aan dat hij als jonge man met een vriend naar Frankrijk vertrok, zonder enig toekomstplan. Hij wist niet waar hij zou belanden, maar voelde dat hij iets moest veranderen; alleen zou hij die stap waarschijnlijk niet gezet hebben.
Hoewel hij in Frankrijk woonde, had hij in 1969 nog een eerste, bescheiden Nederlandstalige hit in Vlaanderen en Nederland met Natalie. Met het nummer Natalie nam hij trouwens deel aan het Songfestival van Knokke in 1969.
In datzelfde jaar deed hij met het Nederlandstalige Niets gaat zo snel mee aan het Nationaal Songfestival.
Uiteindelijk schakelde hij definitief over naar het Frans.
Zijn eerste grote hit in Frankrijk scoorde hij in 1974 met Trop Beau, een Franse vertaling van Sugar Baby Love van The Rubettes.
Na zijn hoogtijdagen in de jaren 70 keerde Dave in de 21e eeuw terug in de schijnwerpers.
Zijn autobiografie Soit Dit En Passant (2003) zorgde ervoor dat hij veelvuldig op de Franse radio en tv verscheen.
Dit leidde tot nieuwe successen: in 2004 gaf hij drie concerten in het Olympia in Parijs en zijn album Doux Tam Tam (2004) werd goed verkocht.
In 2006 bracht hij het album Levenbach uit, vernoemd naar zijn achternaam, met zeer persoonlijke teksten.
Dave bleef een bekende persoonlijkheid in zowel Frankrijk als Vlaanderen en Nederland.
Hij was te zien in de Franse film Une chanson pour ma mère (2013) en speelde een prominente rol in beide afleveringen van het Nederlandse tv-programma Chansons! met Matthijs van Nieuwkerk en Rob Kemps.
De afgelopen jaren kende hij persoonlijke tegenslagen. In 2021 ontsnapten hij en zijn partner Patrick aan een koolmonoxidevergiftiging.
Een jaar later raakte Dave ernstig gewond na een ongelukkige val van de trap in hun Parijse huis.
Hiervan is hij redelijk hersteld, al heeft hij nog last van de gevolgen; zo zijn zijn smaak- en reukzin nog steeds niet teruggekeerd.
Desondanks blijft hij actief.
Eind maart 2025 gaf hij voor het eerst een optreden in Carré in Amsterdam.
Joepie 21 augustus 1974
Gisteren nog vandaag
Dave, rusten op bevel (Joepie van 2 september 1979)
Ze brak door met haar debuutsingle ‘This Will Be’, een nummer afkomstig van haar eerste album ‘Inseparable’.
Achter de schermen waren Chuck Jackson en Coles toenmalige partner Marvin Yancy de drijvende krachten.
Zij schreven niet alleen alle nummers voor het album, inclusief de hitsingle, maar namen ook de arrangementen en de productie voor hun rekening.
De single deed het goed in de hitlijsten: in Vlaanderen bereikte ‘This Will Be’ de vijfde plaats in de BRT Top 30, terwijl het in Nederland tot de zestiende plek in de Top 40 schopte.
De professionele samenwerking tussen Cole en Yancy bloeide al snel uit tot een persoonlijke relatie.
Op 31 juli 1976 trouwde de zangeres met Marvin Yancy, die naast producer ook een voormalig lid was van de R&B-groep The Independents en een gewijde baptistenpredikant.
Onder zijn invloed werd Cole een vrome baptist. Samen kregen ze een zoon, Robert Adam “Robbie” Yancy, die later als muzikant met zijn moeder op tournee zou gaan.
Helaas was hun huwelijk geen lang leven beschoren; het koppel scheidde in 1980.
Het gezin werd echter getroffen door een reeks van tragedies.
Marvin Yancy overleed amper vijf jaar na de scheiding, in 1985, aan een hartaanval op de jonge leeftijd van 34 jaar.
Dertig jaar later, in 2015, overleed Natalie Cole zelf op 65-jarige leeftijd in een ziekenhuis in Los Angeles.
Het noodlot sloeg opnieuw toe in 2017, toen hun zoon Robbie op 39-jarige leeftijd stierf, net als zijn vader aan een hartaanval.
Het nummer ‘Cry Me A River’ werd in 1953 geschreven door Arthur Hamilton.
Hij schreef het oorspronkelijk voor een film van regisseur Jack Webb, de toenmalige echtgenoot van zangeres Julie London, die Hamilton nog kende van de middelbare school.
Het was de bedoeling dat Ella Fitzgerald het bluesy nummer zou zingen in de film Pete Kelly’s Blues, maar uiteindelijk werd het liedje uit de film geknipt.
Na haar scheiding van Webb leerde Julie London de jazzpianist Bobby Troup kennen, de componist achter de klassieker ‘Route 66’.
Hij werd haar tweede echtgenoot en overtuigde haar om een LP met jazzstandards op te nemen voor Liberty Records. ‘Cry Me A River’ was het enige nieuwe nummer op dit album, getiteld Julie Is Her Name.
Het werd als single uitgebracht en groeide uit tot de eerste grote hit voor het platenlabel, met een negende plaats in de Billboard-hitparade.
Julie London zong het nummer ook in de film The Girl Can’t Help It en bracht in 1960 een nieuwe versie uit.
Bobby Troup overleed in 1999 op 81-jarige leeftijd. Een jaar later, in oktober 2000, overleed Julie London op 74-jarige leeftijd.
De Duits-Roemeense producer Michael Cretu kende halfweg de jaren 80 bijzonder veel succes met zijn zingende echtgenote Sandra (o.a. van ‘Maria Magdalena’).
Maar veruit het grootste succes kende hij met zijn project Enigma. De opvallende mix van Gregoriaanse gezangen, een dance-beat en de sensuele stem sloeg in als een bom.
Het debuutalbum ‘MCMXC a.d.’ dat in december 1990 verscheen, kreeg 57 keer platina en stond in 41(!) landen op n°1.
Het was op dat moment de succesvolste plaat van Virgin Records!
De single ‘Sadeness part 1’ stond in december 1990 in 24 landen op n°1 en was een top 5-hit tot in de VS.
Sandra verzorgde, net als op de meeste nummers, de vocalen.
De gezangen zijn samples uit een album van een Duits koor uit 1976.
Aanvankelijk werd Cretu beschuldigd van plagiaat, maar uiteindelijk werd er een schikking getroffen.
Het nummer, geschreven door Benjamin Dantès en Patxi Garat, is een modern Franstalig nummer dat bewijst hoe Lear zichzelf na bijna vijftig jaar in de schijnwerpers als een ware kameleon steeds opnieuw kan uitvinden.
De productie was in handen van Alain Mendiburu, met wie ze al sinds 2006 samenwerkt, en Georges Landtsheere.
Het nieuwe album, “Looking Back”, wordt omschreven als een verkenning van hedendaagse Franse chanson, met verrassende uitstapjes naar genres als de blues.
Het bevat, maar liefst acht nieuwe nummers die speciaal voor haar zijn geschreven door talenten als Pierre Lapointe, Sacha Rudy en Patxi Garat.
Naast nieuw materiaal kunnen we ook een versie van de klassieker “Strangers In The Night” verwachten.
Een opvallende samenwerking is die met de legendarische Amerikaanse DJ Chris Cox, die een krachtige dance-remix maakte van het nummer “When I Was Your Favourite Singer”.
Een ander uniek detail is dat de albumhoes een schilderij is van Amanda Lear zelf.
Het album zal zowel op lp als op cd verkrijgbaar zijn.
De Britse zanger en songwriter Nick Hall, geboren als Nicolaas R. Hall, woonde sinds eind jaren zestig in Nederland.
Hij bracht de leuke single “Hop on the bus” uit, die de vierenveertigste plaats in de Nederlandse Nationale Hitparade bereikte.
Hoewel het de Top 40 niet haalde, kwam het wel tot de twaalfde plaats in de Tipparade. In Vlaanderen kwam de single niet in de hitlijsten voor.
Het nummer is terug te vinden op zijn enige album, “A Very Special Case” dat werd geproduceerd door Pim Koopman.
Naast zijn muzikale carrière had Hall een heel andere baan. Hij werkte jarenlang als croupier in verschillende Nederlandse casino’s, met als voornaamste standplaats Zandvoort.
Na zijn pensioen vond hij een nieuwe passie. Samen met zijn vrouw Jane, een vertaalster en artieste die hij al in 1967 in een Engels kunstcentrum had ontmoet, startte hij het project ‘Nursery Tracks’.
Hun YouTube-kanaal ontstond als een natuurlijk vervolg voor het koppel, dat naast hun passie voor muziek en beeldende kunst werd overvallen door een nog grotere passie: hun kleinkinderen.
Voor dit project schreef Nick de muziek, terwijl Jane de animaties verzorgde.
Het koppel woonde in Nederland en had twee kinderen en vijf kleinkinderen.
Charles improviseerde dit nummer toen hij in december 1958 bij een van zijn optredens de gehele setlist gespeeld had, maar nog zin had om verder te spelen.
Het nummer is dus geschreven door Ray Charles zelf en de productie was in handen van Jerry Wexler.
Het was voor Ray Charles zijn eerste top 10-hit in zijn thuisland Amerika.
Het werd in 2002 opgenomen in het National Recording Registry.
In een door het muziekblad Rolling Stone samengestelde lijst van de vijfhonderd beste liedjes stond What’d I Say op de tiende plek.