De Gentse rommelmarkt, toen bekend als de prondelmarkt, vulde de volledige Vrijdagmarkt.
De kramen stonden opgesteld rond het standbeeld van Jacob van Artevelde, die met gestrekte arm over de marktkramers en het winkelende publiek leek te waken.
Prondelen, zo noemden ze dat: lekker snuisteren tussen andermans afgedankte spullen, op zoek naar een handig koopje voor weinig geld.
De eerste die meteen de aandacht trok, was een parapluverkoper.
Met een compact vouwmodel in de hand sprak hij het publiek toe. In een gewone winkel betaalde je daar zo 125 frank voor, maar een voorbijganger mocht het materiaal gerust zelf even testen.
Geen goedkope rommel, zo verzekerde hij, maar echte zijde en een handvat van echt hoorn.
De baleinen bogen soepel mee zonder ooit te breken en de paraplu kon moeiteloos tegen een flinke storm.
Hij liet de prijs razendsnel zakken: geen 125 frank meer, geen 120, zelfs geen 115 frank.
Voor 30 frank mocht hij weg. Was dat nog te veel?
Met een flinke tik op zijn knie ging hij naar zijn absolute bodemprijs: 20 frank.
Een vrouw twijfelde nog even en vroeg bezorgd of hij wel helemaal zeker wist dat het doek geen water doorliet.
Vlak daarnaast stond een kaasboer zijn Hollandse kaas aan te prijzen.
Hij liet iedereen proeven van een smaak die ze volgens hem nog nooit eerder hadden ervaren.
Er werd vlot geproefd en afgerekend, al liepen er ook slimme bezoekers rond die bij verschillende kramen hapjes meepikten en met een volle maag weer vertrokken.
Eentje knipoogde geamuseerd dat zoiets nu eenmaal marktpsychologie was.
Even verderop demonstreerde een verkoper vulpennen door soepele lijnen te trekken op allerlei papiersoorten, gewoon om te laten zien dat hij kwaliteit leverde, terwijl hij uitlegde hoe je het mechanisme moest vullen.
Plotseling weerklonk er klaroengeschal over het plein.
Tussen stapels oud ijzer en koper stond een man van rond de zestig een vlot deuntje te blazen.
Een toeschouwer riep dat het nog prima klonk, waarop de muzikant lachend opmerkte dat het op zijn eenentwintigste toch nog een stuk soepeler ging.
Of hij van plan was om het instrument te kopen? Zeker niet, hij wilde gewoon even testen of hij het blazen nog niet verleerd was.
Verderop scharrelde een doe-het-zelver tussen het schroot.
Vond hij bij het metaal niets bruikbaars, dan keek hij verder bij de tweedehands keukenspullen: kachels, vazen, waskommen, kandelaars en koffiemolens.
Iemand pakte nieuwsgierig een verrekijker op om zichzelf van dichtbij te bekijken, maar merkte toen pas dat de glazen ontbraken en zette het ding snel weer terug.
Bij het boekenstalletje zochten studenten naar betaalbare boeken, die vaak net uit de kast van een studiegenoot kwamen.
Onderhandelen hoorde er standaard bij, al verliep dat die middag net even anders.
Een klant wilde een zo goed als nieuw, recent verschenen boek, dat zeven frank kostte, meenemen voor zes frank.
De verkoper hield zijn poot stijf.
De klant liep weg, maar bedacht zich even later en kwam toch terug met de vraag of het boek voor zes frank mee mocht.
De handelaar dacht even na en ging akkoord, omdat het om een vaste klant ging.
De koper rekende af en legde vervolgens doodleuk acht frank neer.
Op de verbaasde blik van de verkoper legde hij uit dat het boek zeven frank waard was, precies de oorspronkelijke vraagprijs, en dat die extra frank bedoeld was als vergoeding voor de tijd die hij zojuist had verspild.
De marktkramer kon er wel om lachen en gaf toe dat het de eerste keer was dat hij meer kreeg dan hij had gevraagd.
De fietsenkraam was een van de grootste trekpleisters, al stonden er vooral kijkers en weinig echte kopers.
Mensen bogen zich over de frames, voelden aan de bandenspanning en draaiden aan de pedalen.
Een bezoeker beaamde dat het om een prachtfiets ging en vroeg of hij een testritje over het plein mocht maken.
De verkoper bedankte vriendelijk voor de eer: hij had ooit een klant gehad die ook een rondje wilde proberen, en die fietste waarschijnlijk vandaag de dag nog rond.
Bij het verlaten van de markt liet een dame zich nog snel een schoen aanmeten.
Wie daarna via het Serpentstraatje naar buiten wandelde, zag hoe mensen uit de omliggende dorpen hun kleding kochten.
Niet alleen omdat het goedkoop was, maar vooral omdat zo’n pak er altijd piekfijn uitzag, alsof het precies voor hen op maat was gemaakt.
Zo zag een zaterdag op de Gentse rommelmarkt er in oktober 1931 uit, toen het plein van de Vrijdagmarkt nog het decor was.
Pas later verhuisde het hele gebeuren naar de vertrouwde plek rond de Sint-Jacobskerk, waar de markt tegenwoordig op vrijdagochtend wordt gehouden.

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag
