Vandaag is het precies 60 jaar geleden dat de beroemde Britse schrijver Aldous Huxley overleed.

Hij is vooral bekend om zijn roman Brave New World, waarin hij een toekomstige samenleving schetst die wordt gedomineerd door technologie, consumptie en massamedia.

Huxley werd geboren in een intellectuele familie.

Zijn grootvader, Thomas Henry Huxley (1825-1895), was een vooraanstaand bioloog die samen met Charles Darwin de grondslag legde van de evolutietheorie.

Zijn ouders waren Leonard Huxley en Julia Frances Arnold. Leonard Huxley was ook een schrijver en leraar. Julia Frances Arnold was oprichtster van de gekende meisjesschool Prior’s Field School.

Zijn moeder Julia overleed aan kanker toen hij nog maar 14 jaar oud was.

Op zijn 16de kreeg hij een ooginfectie die hem twee jaar lang blind maakte.

Uiteindelijk moest hij verder leven met één functionerend oog en dat kon ook maar 40% zien.

Op zijn 20ste maakte zijn broer Trevenen een einde aan zijn leven.

Ook in zijn latere jaren kende hij weinig geluk.

Maria Nys, een Vlaamse vrouw, was de eerste echtgenote van Aldous Huxley.

Ze werd door haar ouders naar Groot-Brittannië gestuurd om te ontsnappen aan de dreiging van de Eerste Wereldoorlog.

Ze vond een baan als dienstmeisje in Garsington Manor, waar ze in contact kwam met de Bloomsbury Group, een literaire kring met bekende leden zoals Virginia Woolf en T. S. Eliot.

Zo ontmoette ze ook Aldous Huxley, die haar introduceerde in de wereld van de beroemdheden.

Hij was namelijk bevriend met vele invloedrijke schrijvers en denkers, zoals D.H. Lawrence, Bertrand Russell en George Orwell.

Het koppel kreeg een zoon, Matthew Huxley in 1920.

Maria was ook zijn trouwe assistente die hem hielp met alles wat hij nodig had.

Ze typte zijn boeken uit, begeleidde hem bij verplaatsingen, en onderhield zijn contacten met beroemdheden zoals Chaplin en Strawinsky (die een muziekstuk voor hem heeft geschreven).

De Huxleys mogen dan ook gezien worden als een beroemd echtpaar dat zowel in Europa als in Amerika veel invloed hadden.

Ze waren bevriend met de Belgische koning Albert en koningin Elisabeth en werden zelfs uitgenodigd op het paleis.

Ook in Hollywood waren ze graag geziene gasten.

Maria Huxley organiseerde er glamoureuze feesten waar schrijvers, acteurs, componisten en wetenschappers elkaar ontmoetten en ideeën uitwisselden.

Maar ook Louis B. Mayer, een van de medestichters van de filmstudio van Metro Goldwyn Mayer, was een vriend aan huis bij de Huxleys.

Maria had biseksuele gevoelens en beleefde lesbische avonturen met onder anderen Greta Garbo en Marlene Dietrich.

Maar ook hielp ze haar man met het verleiden van andere vrouwen,

Maria stierf acht jaar voor Huxley aan borstkanker.

Ze zorgde er echter voor dat hij niet alleen achterbleef. Ze regelde een huwelijk en dit de Amerikaanse Laura Archera, die voor hem kon zorgen na haar dood.

Laura Archera was ook schrijfster, producent van documentaires, psychotherapeut en violiste.

Zo speelde ze viool op haar veertiende voor Helena van Montenegro, die toen koningin was van Italië was.

Het koppel kreeg te maken met een brand die al hun bezittingen verwoestte, waaronder zijn literaire werken.

In 1960 werd bij Huxley keelkanker vastgesteld, waardoor hij niet meer kon spreken.

Hij stierf op 22 november 1963 aan kanker, op dezelfde dag als de moord op president John F. Kennedy.(Foto Wikipedia)

Een van de invloedrijkste en geliefde auteurs uit de Zweedse literatuurgeschiedenis is Selma Lagerlöf, die vandaag 165 jaar geleden geboren werd (20 november 1858)

Ter ere van haar verjaardag publiceerde het tijdschrift Ons Land in november 1933 een interview met de schrijfster, die toen al wereldberoemd was.

Selma Lagerlöf groeide op in een welgestelde familie op een landgoed in Värmland.

Ze studeerde voor onderwijzeres en gaf les op verschillende scholen. Haar literaire carrière begon met de roman Gösta Berling (1891), die haar meteen veel succes en erkenning bracht.

Ze schreef nog vele andere werken, waarin ze haar rijke verbeelding, haar gevoel voor de Zweedse natuur en cultuur, en haar interesse voor het spirituele en het religieuze liet zien.

Enkele van haar bekendste boeken zijn De wonderen van Anti-christ (1897), Jerusalem (1901) en Nils Holgerssons wonderbare reis (1906).

Dit laatste boek was oorspronkelijk bedoeld als een leermiddel voor de Zweedse aardrijkskunde, maar werd al snel een klassieker voor jong en oud.

De Nederlandse vertaling door Margaretha Meijboom verscheen in 1911.

Ze was de eerste vrouw die de Nobelprijs voor Literatuur won in 1909, en de eerste vrouw die lid werd van de prestigieuze Zweedse Academie in 1914.

Ze was ook betrokken bij sociale en politieke kwesties, zoals vrouwenrechten, pacifisme en antisemitisme.

Ze stierf op 16 maart 1940 op haar geliefde landgoed Marbacka, dat nu een museum is.

Haar gezicht sierde tot 2015 het bankbiljet van twintig kronen.

Vandaag is het precies 90 jaar geleden dat in Gent een gedenkplaat werd ingehuldigd voor de Vlaamse schrijver en dichter Lambrecht Lambrechts, die op 13 augustus 1932 overleed.

Hij was een van de voortrekkers van de Vlaamse Beweging en een veelzijdig kunstenaar, die zowel proza, poëzie als muziek schreef.

Na zijn dood werd zijn lichaam overgebracht naar zijn geboortedorp Hoeselt, waar hij een ereplaats kreeg op de gemeentelijke begraafplaats.

Zijn grafmonument werd ontworpen door de beeldhouwer Jules Vits. Bij de plechtigheid waren onder meer zijn weduwe Maria Vanden Doorne en de gouverneur van Oost-Vlaanderen Hubert Verwilghen aanwezig.

Lambrecht Lambrechts, die het pseudoniem Lambrecht Renier gebruikte, was de zoon van Willem-Hendrik Lambrechts en Rosalia Somers.

Zijn vader was hoofdonderwijzer in Hoeselt, waardoor hij de bijnaam “Lemmen van de Meester” kreeg.

Hij volgde de lagere school in zijn geboortedorp en kreeg daar ook zijn eerste muzieklessen van de koster van Werm.

Daarna studeerde hij aan het Koninklijk Atheneum van Tongeren, waar hij bevriend raakte met Camille Huysmans en Jef Cuvelier.

In 1884 ging hij naar de normaalschool in Brugge, waar hij in 1887 afstudeerde als regent Nederlands en Engels.

Omdat hij geen werk vond, schreef hij zich in aan het Koninklijk Conservatorium van Luik, waar hij zang studeerde.

In 1889 werd hij aangesteld als leraar aan de Rijksnormaalschool in Ronse, waar hij tot 1901 bleef.

Op 25 augustus 1894 huwde hij in Ronse met de pianiste Maria Vanden Doorne, met wie hij meer dan 100 zangavonden verzorgde in heel Vlaanderen.

In 1901 verhuisde hij naar Lier, waar hij leraar werd aan de normaalschool.

Van 1905 tot 1918 gaf hij les aan de normaalschool in Gent.

Hij woonde toen in de Kunstlaan nr. 51 in Gent, waar zijn vrienden (onder wie Emiel Hullebroeck) in 1933 een gedenkplaat lieten aanbrengen.

In 1912 werd hij benoemd tot ridder in de Leopoldsorde.

In 1919 werd hij (omwille van zijn “flamingantisch non-conformisme”) overgeplaatst naar de normaalschool in ‘s-Gravenbrakel.

Zijn laatste overplaatsing (naar Blankenberge) gebeurde in 1921, waar hij les gaf tot in 1925 (hij was toen 60 jaar).

Van 1923 tot 1926 gaf hij ook les aan het Handels- en Taalinstituut van Jan Baptist Wannyn in de Savaanstraat in Gent.

In 1922 publiceerde hij zijn autobiografie “Mijn leven”, waarin hij zijn strijd voor de Vlaamse zaak en zijn artistieke loopbaan beschreef.

Hij schreef ook talrijke romans, verhalen, gedichten en liederen, die getuigen van zijn liefde voor zijn geboortestreek en zijn volk.

Een aanrader, het boekje ’t Spookhuis van Gent van onze vriend Rudy Chatelet.

Het vertelt het verhaal van Angélique, een jong meisje dat in 1757 overleed aan de pokken en door haar vader werd gebalsemd en tentoongesteld in hun huis aan de Nederscheldestraat.

Het huis kreeg al snel de bijnaam ’t Spookhuis, omdat er allerlei geruchten en legendes ontstonden over het lot van Angélique en haar familie.

Het boek volgt de levens van verschillende generaties die met het spookhuis te maken kregen, tot het in 1883 werd afgebroken om plaats te maken voor het Laurentplein en het Provinciehuis.

Hij baseert zich op archiefbronnen, krantenartikelen, getuigenissen en foto’s om een levendig beeld te schetsen van het Gent van de 18de en 19de eeuw.

Het boek is niet alleen een spannend verhaal, maar ook een interessante kijk op de geschiedenis en de cultuur van een stad die voortdurend verandert.

Gisteren nog vandaag

Amerikaanse schrijfster Patricia Highsmith (geboren als Mary Patricia Plangman).

Patricia Highsmith (1921-1995) was de auteur van ruim twintig romans, waaronder de Ripley-reeks en Vreemden in de trein (Strangers on a Train).

Zij werd geboren in de Verenigde Staten, maar woonde het grootste gedeelte van haar leven in Frankrijk.

Haar boeken zijn in meer dan twintig talen vertaald en veelvuldig verfilmd, door onder meer Alfred Hitchcock.

Carol verscheen in 1952 onder het pseudoniem Claire Morgan.

Pas in 1990 verscheen een boek voor het eerst onder haar eigen naam. (foto december 1981)

75 jaar geleden, reclame voor het plakboek Folkore geschreven door Henri Liebrecht en met 125 gekleurde getekende prenten van Côte D’Or (oktober 1948)

Henri Liebrecht was een Belgische schrijver en historicus, die vooral bekend is om zijn werk over de Franstalige literatuur en het theater in België.

Hij werd geboren in Pera (Istanboel) op 29 juli 1884, waar zijn vader als ingenieur werkte, en verloor zijn moeder op jonge leeftijd.

Hij studeerde aan het Atheneum van Brussel en begon al vroeg met het schrijven van poëzie, onder invloed van Valère Gille.

Hij publiceerde verschillende dichtbundels, zoals Les Fleurs de soie (1905) en Les Jours tendres (1908), maar richtte zich later meer op het toneel.

Hij schreef een aantal komedies in verzen, die doen denken aan de Italiaanse, Molièrese en Marivauxse tradities, zoals L’École des valets (1905), L’Effrénée (1906) en Les Fourberies amoureuses (1912).

Hij schreef ook twee romans, Le Masque tombe (1907) en Un cœur blessé (1911), die zich afspelen in de theaterwereld.

Hij was hoofdredacteur van Le Soir Illustré voordat hij de leiding kreeg over de literaire afdeling van de krant Le Soir.

Na de Eerste Wereldoorlog legde hij zich toe op de geschiedenis van de Franstalige literatuur en het theater in België.

Hij publiceerde onder meer Histoire de la littérature belge d’expression française (1909), Histoire du théâtre français à Bruxelles au XVIIe et au XVIIIe siècle (1923) en Histoire illustrée de la littérature belge de langue française, des origines à 1930 (1931), in samenwerking met Georges Rency.

Deze werken werden bekroond door de Académie française en de Académie royale de Belgique.

Liebrecht was ook de oprichter van het Comité de la Gravure originale belge in 1923, samen met de graveur Émile-Henry Tielemans, en de secretaris-generaal van het Musée du Livre.

Hij was professor aan de Académie royale des Beaux-Arts in Brussel en lid van de Académie royale de langue et de littérature françaises de Belgique, waar hij van 1945 tot 1955 de negentiende zetel bezette.

Hij overleed in Brussel op 27 september 1955.

Zijn belangrijkste bijdrage aan de Belgische cultuur was zijn studie van het folkloristische element in de literatuur, die hij uitwerkte in twee boeken: Folklore, tome I: Le Folklore dans la littérature belge d’expression française (1948) en Folklore, tome II: Le Folklore dans le théâtre belge d’expression française (1950).

Hierin toonde hij aan hoe de Belgische schrijvers zich lieten inspireren door de lokale tradities, legenden, sprookjes en humor.

Natuurlijk heb ik zowel het eerste, ls het tweede deel in mijn verzameling.

Blog Gisteren nog vandaag

Blog Gisteren nog vandaag

Blog: Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

Gisteren nog vandaag

De Vlaamse schrijver Stijn Streuvels gehuldigd voor goede koopwaar op de markt (De Post 23 december 1962)

Hij werd geboren als derde kind van Kamiel Lateur (1841-1897) en Marie-Louise Gezelle (1834-1909), een jongere zus van priester-dichter Guido Gezelle.
Vader Lateur was kleermaker en een zwijgzaam man, in tegenstelling tot zijn vrouw die graag en boeiend sprak en ver­telde.
Nadat Stijn Streuvels school had gelopen bij de zusters in de plaatselijke nonnenschool, stuurden zijn ouders hem in 1883 naar het St.-Jan-Berchmanspensionaat in Avelgem, waar zijn letterkundige begaafdheid voor het eerst tot uiting kwam.
Van 1886 tot 1887 leerde hij de bakkersstiel in Avelgem, Kortrijk en Heule.
In mei 1887 namen Streuvels ouders in Avelgem de bakkerij van zijn ongehuwde broer Lateur over en ver­huisde heel het gezin naar deze gemeente aan de Schelde.
Van 1887 tot 1905, op de 20 maanden na (1889-1891) die hij in Brugge doorbracht om zich in het bakkersvak te bekwamen, bleef Streuvels in Avelgem bakken en schrijven.
Zijn eerste schetsen en gedichten verschenen in 1895 in De Jonge Vlaming en in Vlaamsch en Vrij.
De volgende jaren namen ook de voornaamste tijdschriften, zoals Van Nu en Straks, bijdragen op van zijn hand. In 1899 verscheen zijn eerste verhalenbundel Lenteleven.
Veertig jaar lang publiceerde Streuvels ieder jaar minstens één werk.
Onder de meest bekende bevinden zich De vlaschaard (1907), Het leven en de dood in de ast (1926), De teleurgang van de Waterhoek (1927) en Alma met de vlassen haren (1931).
Op 19 september 1905 huwde hij met Alida Staelens (1879-1975) en ging hij in Ingooigem in zijn pasgebouwde huis Het Lijsternest wonen, waar hij voortaan van zijn pen zou leven.
Zij kregen vier kinderen. Dichteres Jo Gisekin is een kleindochter van Streuvels.
In zijn laatste periode hield hij zich voornamelijk bezig met het schrijven van memoires.
Hij heeft ruim 60 jaar in het Lijsternest gewoond en overleed er op 15 augustus 1969.
Op zijn begrafenis op 21 augustus, met de wijtewagen waren er zowat 7000 mensen aanwezig. (Diverse bronnen en Wikipedia)

Vandaag 200 jaar geleden, huwelijk van de schrijfster en feministe avant la lettre George Sand met baron Casimir Dudevant, een jongeman die zich al vroeg uit het leger had teruggetrokken en zijn tijd doorbracht als herenboer.

Sand was dit huwelijk niet echt uit liefde aangegaan, maar meer om te ontsnappen aan de druk van haar familie.

Het verschijnen van Jean-Pierre Aurélien de Sèze, advocaat-generaal te Bordeaux, zorgde voor instabiliteit in het huwelijk van George Sand.

Zij ontmoette hem voor het eerst in 1825.

Vijf jaar lang onderhielden zij een levendige briefwisseling. Tijdens deze periode ontmoetten ze elkaar echter vrij zelden.

De relatie was platonisch, maar wist toch de jaloezie van Sands man op te wekken.

De eerste scheuren in hun huwelijk manifesteerden zich.

Sand realiseerde zich dat haar man meer interesse had voor zijn vee en de jacht dan voor haar.

Al die tijd had George Sand ook een innige band met Stéphane Ajasson de Gransagne, die zij al sinds haar jeugd kende.

Hun relatie was steeds een onderwerp van roddel geweest, maar rond 1827 werden de roddels rond een buitenechtelijke relatie zo sterk dat men zelfs het vaderschap van haar dochter Solange (geboren op 13 september 1828) aan Gransange toeschreef.

Vanaf ongeveer 1830 tot aan haar dood schreef George Sand elke dag.

Haar landgoed en kasteel te Nohant in Frankrijk

Toen zij in 1831 brak met haar man, trok zij samen met haar twee kinderen naar Parijs om zich aan de literatuur te wijden.

De romans die zij vervolgens schreef, voortaan onder het pseudoniem George Sand, vertoonden dezelfde romantische inslag: Valentine (1832) en Lélia (1833).

In deze jaren werd zij een graag gezien persoon in de Parijse literaire kringen.

Sainte-Beuve was gedurende een korte periode de vertrouwenspersoon van haar gevoelsleven én haar literair raadgever.

Haar landgoed en kasteel te Nohant in Frankrijk

Zij had een kortstondige romance met Prosper Mérimée.

De ‘losbandige’ levenswandel van Sand en haar vele kortstondige romances zorgden voor heel wat schandaal.

Bovendien kleedde ze zich als een man – zij droeg een broek en rookte pijp – wat haar eveneens tot onderwerp van gesprek maakte.

Haar landgoed en kasteel te Nohant in Frankrijk

Sand ontmoette Alfred de Musset tijdens een diner in 1833.

Een tijd daarna begonnen de twee een amoureuze relatie.

In 1833-34 maakten zij een reis naar Venetië.

Het paar kon het in eerste instantie uitstekend met elkaar vinden, maar geleidelijk aan irriteerden ze elkaar.

Sand schreef gedurende grote delen van de dag, soms zelfs acht uur aan één stuk, en Musset zocht verstrooiing in cafés, bars en bij prostituees.

Toen Musset echter ziek werd, verpleegde Sand hem met de grootste zorg.

Tegelijkertijd had zij een romance met de dokter die hem verpleegde, Pietro Pagello.

Toen Musset genezen was, keerde hij terug naar Parijs.

Sand bleef in Venetië en kwam uiteindelijk ook naar Parijs terug, samen met Pagello.

De romance was echter een kort leven beschoren en Sand dong al vlug weer naar de aandacht van Musset, onder andere door haar haar af te snijden en het hem toe te sturen.

Musset gaf echter niet toe en vergaf haar haar ontrouw niet.

Ze hadden voortaan wat men nu een knipperlichtrelatie zou noemen, maar in maart 1835 kwam het tot een definitief einde.

De relatie vormde de inspiratie tot het schrijven van twee werken van literair belang: La Confession d’un enfant du siècle van Musset en Elle et lui van Sand.

Tijdens haar verblijf in Italië schreef Sand ook nog de volgende werken: Leone Leoni, André, Le Secrétaire intime, Jacques, en Les Lettres d’un voyageur, die zij stuurde naar de Revue des Deux Mondes.

Na Musset volgde een meer duurzame relatie met Michel de Bourges, een advocaat die Sand ontmoette in april 1835.

De Bourges was een autoritair man, die haar fascineerde en haar politiek bewust maakte.

Zij deelde zijn republikeinse passie en nam zelfs het risico om haar appartement tot een republikeinse verzamelplaats te maken.

Toch nam ze uiteindelijk afstand van deze oudere man, die overigens virieler was dan haar vorige minnaars.

Hij had haar ontgoocheld toen hij een vurig pleidooi hield voor een radicale en bloedige revolutie.

Door haar sociaal engagement stond zij ook positief tegenover de Revolutie van 1848 en wierp ze zich in de politieke actie aan de zijde van de republikeinse politicus Alexandre Auguste Ledru-Rollin.

Toch ontgoochelde de revolutie haar tijdens het Juni oproer en trok zij zich terug uit de politiek.

In de salons ontmoette Sand, die ook een grote liefde voor de muziek had, in 1836 haar volgende grote liefde: de Poolse componist-pianist Frédéric Chopin.

Maar tot een echte verhouding kwam het pas drie jaar later.

Hun relatie was vrij discreet, aangezien Chopin de reactie van zijn familie vreesde.

Ze zou negen jaar duren, tot 1847, en zou nu als een latrelatie te boek staan.

De zomer van 1839 brachten ze door te Nohant.

Chopin bezat een gecompliceerd, egocentrisch karakter en had moeite met de socialistische vriendschapsbanden van Sand.

Bovendien stelde Maurice, Sands zoon, zijn moeders relatie met Chopin niet op prijs.

Op zijn beurt was de componist juist erg ingenomen met Sands vrijgevochten dochter Solange.

Daarom was hij ontstemd toen hij vernam dat Sand had ingestemd met het huwelijk (in 1847) van haar dochter met de beeldhouwer Jean-Baptiste Clésinger, een vrij brutale, aan alcohol verslaafde man.

Kort daarop werd Chopin ziek.

Hij was niet in Nohant toen er een geweldige ruzie ontstond tussen Clésinger aan de ene kant en George Sand en Maurice aan de andere kant.

George Sand brak volledig met haar dochter en eiste van Chopin dat hij dat ook zou doen.

Dat deed hij echter niet en op 24 juli 1847 pleitte hij in een brief aan George Sand voor een verzoening tussen haar en haar dochter.

In reactie hierop verbrak Sand in een brief van 28 juli de relatie die negen jaar had geduurd.

Chopin was niet de enige componist die door Sand werd bewonderd.

Zij had ook een grote bewondering voor Franz Liszt, die zij via Musset had leren kennen.

Sands laatste minnaar, die in 1849 haar leven binnenkwam, was Alexandre Manceau. Manceau, die door Sands zoon Maurice aan haar werd voorgesteld, werd Sands privésecretaris en later ook haar geliefde.

Maurice kon echter maar moeilijk Manceaus rol in het leven van zijn moeder verteren.

Sand zou echter Manceau trouw blijven en hem tijdens zijn ziekte verzorgen tot diens dood op 21 augustus 1865.

Sand onderhield ook nauwe vriendschapsbanden met de actrice Marie Duval, wat leidde tot nooit bewezen geruchten over een lesbische relatie.

Sand stierf uiteindelijk in 1876, 71 jaar oud, op haar landgoed.

George Sand maakte deel uit van de eerste generatie schrijvers die daadwerkelijk van hun pen konden leven in de negentiende eeuw.

Deze generatie omvatte schrijvers als Honoré de Balzac, Victor Hugo, Alexandre Dumas père en Eugène Sue.

Sand was de enige vrouw in dit selecte gezelschap.

Haar landgoed en kasteel te Nohant in Frankrijk

Vanaf vandaag 35 jaar geleden, De Krimson-crisis van Suske en Wiske dagelijks te lezen in De Standaard en Het Nieuwsblad tot en met 12 maart 1988.

De eerste albumuitgave was in september 1988.

Dit verhaal speelt zich af op de volgende locaties: café ‘n Bolleke, theater ’t Peertje, café het Verdriet van Vlaanderen, kasteel Hertoginnedal, een fort en het stadspark.

“Het Verdriet van Vlaanderen” is een allusie op Hugo Claus’ boek Het Verdriet van België (1983).

“Vlaanderen leeft” was in 1987-1988 een culturele campagne in Vlaanderen om het Vlaamse zelfbewustzijn aan te wakkeren.

Anna Plan is een allusie op het Sint-Annaplan van de regering-Martens VI.

Er wordt verwezen naar veel Bekende Vlamingen of Vlaamse historische figuren zoals Lutgart Simoens, Freddy Sunder, Armand Pien, Toots Thielemans, Raymond van het Groenewoud, Peter Benoit, Jacob van Artevelde,….

Volgende mensen komen echt in beeld: Gaston en Leo, Will Tura, Johan Verminnen, Urbanus, Eddy Wally en De Strangers.

Op pagina 55, strook 216 vechten alle bekende Vlamingen tegen Krimsons troepen. Tijdens de vechtpartij worden er verschillende uitspraken gedaan:

– Urbanus: “Wreed accident!” (“ernstig ongeluk”), een verwijzing naar een bekende sketch waarin hij een zogenaamde kettingbotsing heeft veroorzaakt.

– “Amaai m’n voeten ze kloppen op menne kop!”

– “’t Is v’r mee te doen aan het speil” verwijst naar het radio-typetje Vercruusse, bekend uit Radio Deprimo.

– “Hoger! Nee lager!” is een verwijzing naar het destijds populaire televisieprogramma Hoger, lager.

– “Allez, Tootske, blazen jong”, verwijst naar Toots Thielemans

– “Zo’n rettepetet die mé lullen heure tijd verschet” is een verwijzing naar het nummer “’n Rettepetet” (1987) door De Strangers.

– “Je veux de l’amour” verwijst naar het gelijknamige lied van Raymond van het Groenewoud

– “Ik voel me goed” verwijst naar het gelijknamige lied van Johan Verminnen

– “Oep m’n mansarde” verwijst naar Wannes Van de Veldes lied Mijn mansarde

– “Gordelen moet je doen” verwijst naar de slogan van De Gordel.

– “Heila Van ’t Groenewoud, in ’t Vlaams, hé zotteke!”

Aan het einde van het album wordt verwezen naar Marc Sleen en zijn reeks Nero, waar de hoofdpersonages van Suske en Wiske aan de wafelenbak bij Nero deelnemen.

Verschillende historische figuren in het album speelden ook al in vroegere Suske en Wiske-albums een belangrijke rol.

Zo dook Pieter Breughel de Oude al op in Het Spaanse spook en zijn gelijknamige schilderij in De dulle griet.

Naar Ambiorix werd al verwezen in het album Lambiorix.Peter Paul Rubens dook al eerder op in het album De raap van Rubens en Emmanuel Jozef Van Gansen in De gladde glipper.

Vandersteen maakte ooit twee stripalbums rond Tijl Uilenspiegel en De Geuzen is een andere stripreeks van hem.

In het verhaal is Schanulleke ineens verdwenen.

In andere albums gebeurt dat ook weleens, maar wordt ze altijd teruggevonden.

In dit verhaal echter niet.

Dit album is het enige Suske en Wiske-verhaal dat niet naar het Frans vertaald is.

Dit wegens de thematiek van het verhaal (Vlaams-nationalisme) dat ongeschikt bevonden werd voor een Waals publiek, alsook de vele referenties naar Vlaamse figuren en zaken die onbekend zijn in Wallonië.

In de plaats daarvan verscheen album 215 met twee gebundelde kortverhalen: De dappere duinduikers en Het monster van Loch Ness (Frans: “Les plongeurs des dunes” – “Le monstre du Loch Ness”) (Diverse bronnen en Wikipedia)