Vandaag is het 55 jaar geleden dat de Nederlandse schrijver en dichter Willem van Iependaal komt overlijden.

Willem van Iependaal, pseudoniem van Willem van der Kulk, groeide op in een Rotterdamse volksbuurt.

Zijn weerbarstige natuur bleek al op jonge leeftijd; meerdere scholen zagen zich genoodzaakt hem weg te sturen.

Na korte en afgebroken opleidingen aan de mulo en de tuinbouwschool, vertrok hij naar Engeland om als tuinder te werken.

De Eerste Wereldoorlog bracht een drastische wending in zijn leven.

In 1915 nam hij dienst in het Britse leger.

Zijn ervaringen in de Belgische loopgraven maakten hem tot een overtuigde antimilitarist.

Bovendien verloor hij door zijn dienst in een buitenlands leger het Nederlands staatsburgerschap, wat hem na de oorlog in een lastige positie bracht.

Zonder vaste grond onder de voeten raakte hij in de onderwereld verzeild.

Hij hield zich bezig met oplichting en fraude, wat hem meermaals in de gevangenis deed belanden.

Tijdens zijn detentie begon hij gedichten te schrijven.

Enkele van deze gedichten bereikten de bekende schrijver en journalist A.M. de Jong, die het talent van Van Iependaal herkende.

Buiten zijn boeken, waaronder de toen populaire reeks Merijntje Gijzens jeugd. Was De Jong ook de schrijver van ‘Bulletje en Bonestaak’, een immens populaire strip die getekend werd door George van Raemdonck, een Vlaming die in 1914 naar Nederland was gevlucht.

De strip werd een favoriet binnen socialistische kringen, mede omdat de makers geen zoetsappige, brave verhaallijnen volgden. Integendeel, het beeldverhaal werd als zedenbedervend beschouwd omdat de personages scholden, kotsten en soms in hun blote billen liepen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat juist De Jong, met zijn voorliefde voor het tegendraadse, het talent van de opstandige Van Iependaal herkende.

Hij nam hem onder zijn hoede en moedigde hem aan te publiceren.

Deze steun, samen met zijn huwelijk met Fien Klapwijk, bracht rust in zijn leven.

Het paar kreeg drie kinderen.

Hij begon te publiceren in pacifistische en socialistische tijdschriften en werd actief in de vrijdenkersbeweging.

In de jaren dertig groeide zijn bekendheid aanzienlijk, met name door zijn anarchistische schelmenromans ‘Polletje Piekhaar’ en ‘Lord Zeepsop’.

Zijn werk viel op door de levendige, door het Rotterdams gekleurde taal.

De Nederlands romanschrijver, dichter en muziekcriticus Simon Vestdijk noemde hem zelfs de interessantste schrijver van de ‘nieuwe revolutionaire generatie’.

Hij zorgde ook voor ophef met zijn scherpe kritiek op het gevangenissysteem en de reclassering in zijn boek ‘De commissaris kan me nog meer vertellen’.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog gebruikte Van Iependaal zijn schrijverssucces om goed te doen.

In 1943 vestigde hij zich in Laren, waar hij samen met de zoon van A.M. de Jong tientallen Joden hielp onderduiken.

Deze periode werd echter overschaduwd door diep persoonlijk leed: zijn zevenjarige dochtertje overleed en zijn bewonderde vriend A.M. de Jong werd in 1943 door Nederlandse SS’ers vermoord.

Na de oorlog was Van Iependaal zijn wilde haren grotendeels kwijt, al bleef hij een man van het volk.

Vanwege zijn verdiensten in het verzet kreeg hij in 1954 zijn Nederlandse staatsburgerschap terug, waar hij aanvankelijk gemengde gevoelens over had, omdat hij nu weer belasting moest betalen.

Hij bleef schrijven en hield door het hele land voordrachten.

Willem van Iependaal overleed op 23 oktober 1970 in Baarn.

Ondanks zijn kleurrijke leven en omvangrijke oeuvre – van poëzie en romans tot hoorspelen – is hij grotendeels in de vergetelheid geraakt.

Een straatnaam in Rotterdam en de opera ‘Pol’, gebaseerd op zijn bekendste werk, herinneren nog aan deze volksschrijver.

35 jaar geleden, Johan Op de Beeck over bekend zijn in Vlaanderen.

Als zoon van Ward Op de Beeck, voormalig journalist bij de BRT-nieuwsdienst, was de weg naar de media voor Johan Op de Beeck een logische stap.

Na zijn studies communicatiewetenschappen aan de Vrije Universiteit Brussel startte hij in 1980 zijn carrière als journalist bij de BRT, waar hij uitgroeide tot een bekend gezicht als presentator van Het Journaal.

In 1990 verliet hij de openbare omroep om zijn eigen mediabedrijf op te richten.

Zijn ondernemerschap leidde hem in 1993 naar de functie van eerste hoofdredacteur bij TV Limburg.

Zijn carrière kreeg een internationaal vervolg toen hij vanaf 1996 de redactie van de nieuwszender Euronews in Lyon leidde.

Later was hij ook actief bij het European Journalism Centre in Maastricht.

Zijn expertise in de mediawereld bleek opnieuw in 1999, toen hij meehielp aan de oprichting van Kanaal Z, waar hij in 2002 hoofdredacteur en directeur informatie werd.

Tussen 2003 en 2005 keerde hij terug naar de VRT als netmanager van Canvas en Ketnet. Nadien bekleedde hij de functies van gedelegeerd bestuurder bij Videohouse en secretaris-generaal van RTD, de beroepsvereniging van Belgische kabelmaatschappijen.

Naast zijn managementfuncties bleef Op de Beeck ook creatief actief. Hij maakte tv-documentaires zoals “Masters of the Game”, “Undercover”, “Raveel”, “Atlantik Wall” en “Jodentransport XX”.

Bovendien was hij het gezicht van praat- en debatprogramma’s, waaronder “Eerlijk Gezegd” op TV1 en “Zeven op Z”.

De voorbije jaren heeft hij zich succesvol toegelegd op het schrijven van historische werken. Hij is de auteur van vijf bestsellers over het napoleontische tijdperk, waaronder “Napoleons nachtmerrie” (2012), “Waterloo” (2013) en de tweedelige biografie “Napoleon” (2014).

Ook zijn boek “Het verlies van België” (2015), over het ontstaan van het land, werd een groot succes.

Later volgden nog werken over de vrije meningsuiting (2017) en Lodewijk XIV (2018). Recent verscheen zijn nieuwste boek, getiteld “De aanslag op Napoleon”

35 jaar geleden, Hugo Van Den Berghe, pannellid in de Wies Andersen Show.

Hugo Van den Berghe, geboren op 19 juni 1943 in het Oost-Vlaamse Wetteren, zette zijn eerste stappen in de acteerwereld al op jonge leeftijd.

In 1958 sloot hij zich aan bij het liefhebberstoneel ‘Vrank en Vrij’ in zijn geboortedorp.

Zijn talent bleek al vroeg, want nog tijdens zijn theateropleiding aan het conservatorium van Gent presenteerde de toen achttienjarige Van den Berghe het jongerenprogramma ‘Tienerklanken’ (1961-1965).

Na zijn studies debuteerde hij professioneel in ‘De Kleine Johannes’ bij Toneel Vandaag in Brussel.

Opmerkelijk genoeg volgde hij er vrijwel meteen zijn mentor Rudi Van Vlaenderen op als directeur en speelde hij mee in de geruchtmakende productie ‘Thyestes’ van Hugo Claus.

Toch verliet hij Brussel na een jaar voor het Nederlands Toneel Gent (NTG).

Die overstap bleek bepalend, want daar leerde hij niet alleen zijn echtgenote Blanka Heirman kennen, maar bouwde hij ook een indrukwekkende carrière uit.

Zijn talent werd er bekroond met de Oscar De Gruyter-prijs voor zijn rol in ‘Nooit te bereiken’ van Simon Gray.

Als regisseur bij het NTG toonde Van den Berghe een duidelijke voorliefde voor het werk van Cyriel Buysse; maar liefst drie van zijn eerste vier regies waren stukken van deze auteur.

“Ik ben begonnen via zijn meest bekende stuk, ‘Het gezin Van Paemel’, en nadien ben ik hem grondig gaan lezen en ik moet zeggen: ik had daar heel veel binding mee,” lichtte hij die keuze ooit toe.

Zijn regiewerk strekte zich ook uit tot televisie, met onder meer het tv-feuilleton ‘Het gezin van Paemel’ in 1978.

Naast het regisseren bleef hij zelf een gevierd acteur en speelde hij bijvoorbeeld de glansrijke hoofdrol van Dore Maersschalck in “Daar is een mens verdronken” (1983).

Zijn visie als NTG-directeur was helder, zoals bleek uit zijn ‘beginselverklaring’: “Het NTG richt zich ondubbelzinnig naar een jong publiek.

Dit wil zeggen: een publiek dat zich jong voelt, dat openstaat voor de trilling van de tijd, voor vernieuwing, voor avontuur, voor vers talent, voor ongewone visies.

Een publiek dat niet blind is voor wat gebeurt op deze planeet en daarom niet kan zonder de zuurstof van de allesrelativerende humor, ironie en zelfspot.”

Zelfs tijdens zijn drukke directeurschap bij het NTG bleef Van den Berghe een bekend gezicht op televisie.

Op uitnodiging van collega-acteur en VTM-programmadirecteur Mike Verdrengh presenteerde hij programma’s als ‘Sanseveria’ en ‘Kort Vlaams’.

In 1990 nam hij met een rol in ‘Elektra’, geregisseerd door Dirk Tanghe, voor lange tijd afscheid van het theater.

Hij bleef echter zeer actief op het kleine scherm, met rollen in populaire series als ‘Familie’, ‘Flikken’, ‘Recht op Recht’, ‘Spoed’ en ‘Dirk Tanghe’, en bleef ook regisseren voor televisie.

Jarenlang meed hij het schouwburgpodium, tot actrice Chris Lomme hem in 2005 kon overtuigen om terug te keren in het stuk ‘Het licht in de ogen’.

Na een herseninfarct, waar hij redelijk goed van herstelde, vond hij rust in De Haan, waar hij met zijn vrouw naast Koen Crucke woonde.

Toch bleef de passie voor het podium trekken. “Ik kan het acteren niet laten en ik ben zeer blij dat ik het weer doe,” vertelde hij eind 2012 in De Gentenaar.

“Straks kan ik weer op de grote scène staan in Platonov. Ik voel dat ik weer onder de mensen ben.

Na mijn herseninfarct doet dit deugd.” Hij voegde de daad bij het woord en was in 2014 ook nog te zien als bisschop in de film ‘Café Derby’.

De laatste jaren van zijn leven ging zijn gezondheid achteruit.

Acteur en regisseur Hugo Van den Berghe overleed uiteindelijk op 23 februari 2020 op 76-jarige leeftijd in zijn woonplaats De Haan.

Kan een afbeelding zijn van 3 mensen en tekst

75 jaar geleden, foto van de Frans-Amerikaanse actrice Claudette Colbert.

Hoewel ze werd geboren in het Franse Saint-Mandé, verhuisde Claudette Colbert al rond haar derde, in 1906, naar de Verenigde Staten.

Haar passie voor acteren ontstond op de middelbare school en legde de basis voor een succesvolle carrière.

In 1923 maakte ze haar debuut op de planken van Broadway, en vier jaar later volgde haar eerste filmrol.

Haar talent werd al snel erkend en bereikte een hoogtepunt in 1934, toen ze een Oscar in ontvangst mocht nemen.

Naast haar filmwerk was Colbert ook een bekende stem op de radio, waar ze van 1936 tot 1944 een programma presenteerde.

Na een lange en succesvolle filmcarrière keerde ze in 1958 terug naar haar eerste liefde, het theater op Broadway.

Claudette Colbert overleed in 1996 aan de gevolgen van een beroerte.

De Nederlandse kunstschilder Johannes Cornelis Roelandse wordt gerekend tot de Leidse School, een groep impressionistische schilders die in de vroege twintigste eeuw werkten in de traditie van de Haagse School.

Hoewel Roelandse zichzelf altijd als autodidact beschouwde, kreeg hij wel aanwijzingen van schilders als Floris Verster en Willem van der Nat.

Zijn talent werd officieel erkend toen hij in 1927 en 1928 de Koninklijke Subsidie voor de Schilderkunst ontving.

Zijn stijl wordt vaak omschreven als laat-Haagse School, waarbij zijn impressionisme vooral tot uiting kwam in de losse manier waarop hij zijn onderwerpen weergaf, meer dan in zijn kleurgebruik.

Later in zijn carrière experimenteerde hij wel met expressievere kleuren.

Roelandse werkte voornamelijk met olieverf, maar in zijn jonge jaren maakte hij ook etsen, aquarellen en veel tekeningen.

Zijn onderwerpskeuze was breed: van landschappen en stillevens tot portretten, dieren en stadsgezichten.

Hij stond erom bekend dat hij er graag op uit trok om op locatie te schilderen. Gewapend met zijn schilderskist zwierf hij op zijn motor, en later zijn brommer of met zijn boot “Roeland”, door het Groene Hart rond Leiden en Leiderdorp.

Veel van zijn werken zijn daardoor topografisch herkenbaar.

Zijn reizen brachten hem ook door de rest van Nederland, waar hij talloze karakteristieke plekken vastlegde, soms in een vlotte schets, dan weer in een volledig uitgewerkt schilderij.

Zijn werk vond al vroeg zijn weg naar het publiek via tentoonstellingen, voornamelijk in Leiden en Leiderdorp.

Een hoogtepunt was zijn deelname aan de groepstentoonstelling ‘Onze Kunst van Heden’ in het Rijksmuseum in 1939.

Een bijzonder detail is dat Roelandse kort te zien is in de film ‘Impressions de Paris’ uit 1953, terwijl hij schildert langs de Seine.

Vandaag de dag is zijn werk te vinden in de collecties van diverse musea, waaronder het Stedelijk Museum De Lakenhal in Leiden, het Rijksmuseum Amsterdam, Teylers Museum in Haarlem en het Katwijks Museum.

Ook de universiteitsbibliotheek van Leiden en verschillende gemeenten bezitten werk van hem.

Vanavond 60 jaar geleden, eerste voorstelling van het Nederlands Toneel Gent.

Op 9 oktober 1965 ging het NTG van start met een merkwaardige opvoering van Maria Stuart van Friedrich von Schiller (1759-1805) in een regie van Georges Vitaly (animator van kleine theaters in Parijs) en de regieassistent was Jo Decaluwe.

Met Joanna Geldof in de titelrol en Suzanne Juchtmans als Elisabeth.

Maakten ook nog deel uit van deze eerste cast: Gaby Bouüaert, Roger Bolders, Jef Demedts, Daniël Decock, Eric Raes, Werner Kopers, Edgar De Pont, Jo Delvaux, Jaak Vissenaken, Jo De Meyere, Paul-Emile Van Royen, Eddy Asselbergs, Roger De Wilde, Greta Verniers, Anton Cogen, Blanka Heirman, Lieve Moorthamer, Maria Verheyden, Veerle Wyffels, Ivo Baeyens, Jan Gheysens, Dirk Liefooghe, Dirk De Vilder en Gilbert Braeckman.

Er werden van Maria Stuart drieëntwintig voorstellingen gespeeld, waarmee 13.429 toeschouwers werden bereik.

De laatste voorstelling was op 27 oktober 1965

De eerste NTG-directeur, Dré Poppe, kon er maar twee seizoenen blijven.

Wegens een onenigheid met zijn Raad van Bestuur met als voorzitter Bert Willems, omtrent participatie in de opbrengst van het toenemende aantal bezoekers, vroeg Poppe op het einde van het seizoen 1966-1967 van zijn verplichtingen als directeur ontheven te worden.

Hij werd opgevolgd door Albert Hanssens, die al als administrateur aan het NTG verbonden was.

Vandaag 90 jaar geleden, première van de opera Porgy and Bess van George Gershwin in Colonial Theatre te Boston. 

George Gershwin zag zijn opera Porgy and Bess als zijn ultieme poging om erkenning te krijgen als serieus klassiek componist.

Bij de eerste opvoering, voor publiek op 10 oktober 1935 in New York, was het succes echter beperkt.

Een bijzonderheid van het werk was Gershwins strikte eis dat alle gezongen rollen door zwarte acteurs en actrices vertolkt moesten worden; slechts enkele kleine, niet-gezongen rollen waren weggelegd voor blanke acteurs.

Deze voorwaarde leidde tot een historisch moment tijdens de Amerikaanse tournee in 1936.

Toen het Nationaal Theater in Washington DC aanvankelijk alleen een blank publiek wilde toelaten, weigerde hoofdrolspeler Todd Duncan (Porgy) op te treden.

Zijn protest was succesvol: voor het eerst in de geschiedenis opende het theater zijn deuren voor een gemengd publiek.

Porgy and Bess was de laatste Broadway-productie van George Gershwin.

Hierna vertrok hij naar Hollywood om filmmuziek te schrijven, maar hij overleed op 11 juli 1937 op 38-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hersentumor.

Ironisch genoeg werd de opera pas na zijn dood echt populair. Toch wordt het werk relatief weinig opgevoerd.

De voornaamste reden is de moeilijkheid om een volledige bezetting van zwarte operazangers te vinden, een voorwaarde die Gershwin testamentair had laten vastleggen.

Terwijl de volledige opera een zeldzaamheid bleef, vonden diverse stukken een eigen leven in de jazzwereld.

Nummers als SummertimeIt Ain’t Necessarily So en I Loves You, Porgy worden als absolute klassiekers beschouwd, net als het album dat Miles Davis en Gil Evans in 1958 op basis van de opera maakten (30 september 1935, foto’s van de film uit 1959).

Vandaag 50 jaar geleden, première van de Nederlandse film “Het jaar van de kreeft”

De film van regisseur Herbert Curiel, met Willeke van Ammelrooy als Toni en Rutger Hauer als Pierre, is een bewerking van de gelijknamige roman van Hugo Claus.

Claus baseerde het intense liefdesverhaal op zijn eigen, turbulente relatie met actrice Kitty Courbois.

Interessant is het verschil in symboliek: in het boek sterft Toni aan kanker (kreeft in het Duits is ‘Krebs’), terwijl de film zich volledig richt op de eigenschappen van haar sterrenbeeld.

De rol van Pierre werd Hauer aangeboden nadat Rijk de Gooyer had geweigerd.

De Gooyer vond het boek maar niets en had geen vertrouwen in de regisseur.

Criticus Gerrit Komrij beschreef de film als een verhaal over “psychische verwarring” en “Allesverslindende Liefde”, waarin Pierre ontroerd wordt door de onvolkomenheden van Toni, een vrouw die hem zowel tederheid als ergernis bezorgt en in seksueel opzicht frigide blijkt te zijn.

40 jaar geleden, op de filmset van de Vlaamse film Springen in de regie van Jean-Pierre De Decker.

De film, die op 13 september 1986 in wereldpremière ging op het Filmfestival van Toronto, is de verfilming van het boek ‘Uit het raam springen moet als nutteloos worden beschouwd’ van Fernand Auwera.

Het scenario werd bewerkt door Auwera en Stijn Coninx, die ook als regieassistent aan de film meewerkte.

In de hoofdrollen spelen Herbert Flack, Mark Verstraete en Maya van den Broecke, terwijl de muziek werd gecreëerd door Dirk Brossé.

Daarnaast spelen ook Jef Cassiers, Ingrid De Vos, Vic Moeremans, Bob Van Der Veken, Cyriel Van Gent en zangeres Emly Starr mee, en had zelfs Robbe De Hert een kleine rol als portier.

In het verhaal worden in het luxueuze rusthuis Sempa Vivex kosten noch moeite gespaard om de bemiddelde bewoners te vermaken. Wanneer een gepensioneerde politicus zich wil laten opnemen en zijn kleindochter de bemiddeling verzorgt, lijkt dit de perfecte gelegenheid voor het rusthuis om een dreigende sluiting af te wenden.

Directeur Axel Woestewey ziet in de kleindochter bovendien een nieuwe vrouw om te verleiden.

De filmtrailer veroorzaakte in 1986 een kleine rel, omdat deze uitsluitend de nadruk legde op de seksscènes uit de film.

Vandaag 170 jaar geleden, de geboorte van de Gentse dichter Georges Rodenbach.

De Gentse dichter Georges Rodenbach werd 170 jaar geleden, op 16 juli 1855, geboren. Hij stamde uit een Duitse familie; zijn vader, Constantin-Ferdinand Rodenbach, was verificateur van maten en gewichten in Gent en trouwde met de Doornikse Rosalie Gall.

Georges bracht zijn jeugd door in Gent, waar zijn familie kort na zijn geboorte neerstreek. Veel van zijn jonge jaren speelden zich af in hun ouderlijke huis aan de Frère-Orbanlaan 9, vlak bij het Klein Begijnhof.

Hoewel er in 1948 een gedenkplaat werd aangebracht, zijn zowel het huis als de plaat inmiddels verdwenen.

Hij was een briljante leerling aan het Sint-Barbaracollege, waar hij Emile Verhaeren ontmoette en een levenslange vriendschap met hem sloot.

Rodenbach studeerde rechten in Gent en Parijs, waarna hij assistent werd van de bekende strafpleiter Edmond Picard.

Daar kreeg hij de bijnaam ‘L’avocat-cravate’ vanwege zijn opvallende uiterlijk.

Zijn neef, Albrecht Rodenbach, zou later beroemd worden als Vlaams studentenleider.

In 1877 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Le Foyer et les Champs.

De positieve Franse reacties leidden tot zijn eerste bezoek aan Parijs.

Hij kwam in contact met de ‘cercle des Hydropathes’ en sloot er vriendschappen met figuren als Catulle Mendès en Maurice Barrès. Hij besloot zijn advocatencarrière op te geven en zich volledig op de literatuur te richten.

Hij schreef voor La Flandre libérale en het eerste nummer van La Jeune Belgique, en publiceerde La Mer élégante.

In 1886 brak hij door in zowel België als Frankrijk met La Jeunesse blanche, gedichten over Vlaamse begijnhoven en de verlaten, regenachtige straten van stervende provinciestadjes.

Hij probeerde via lezingen ook het pessimisme van Arthur Schopenhauer, dat zijn werk zou beïnvloeden, te promoten.

Vanaf 1888 verhuisde hij definitief naar Parijs en werkte als correspondent voor het Journal de Bruxelles.

Uiteindelijk won de literaire roep het, en Rodenbach koos resoluut voor een schrijversbestaan. In 1888 trok hij definitief naar Parijs, waar hij als eerste Fransschrijvende Vlaming de stad veroverde met zijn symbolistische werken.

Zijn bekendste werk, de roman Bruges-la-morte, verscheen in 1892. Het werd eerst als feuilleton in Le Figaro gepubliceerd en later als boek uitgebracht door Flammarion.

Dit werk, gezien als het hoogtepunt van het symbolisme, was direct een groot succes. Fernand Khnopff illustreerde de voorkant.

Hoewel Rodenbach nooit in Brugge woonde (de geboorteplaats van zijn vader), kon de stad daardoor voor hem gemakkelijk legendarische vormen aannemen.

Zoals Rilke schreef, transformeerde Rodenbach de stad in Bruges-la-morte tot een innerlijk landschap, door voortdurend een analogie te leggen tussen de stad en de overleden vrouw die in het hoofd van de hoofdpersoon voortleeft.

In Parijs was hij een graag geziene gast en werd hij vrienden met onder anderen Alphonse Daudet, Edmond de Goncourt, en symbolisten als Villiers de l’Isle-Adam en Stéphane Mallarmé. Ook Rodin behoorde tot zijn vrienden.

Hij trouwde met Anna-Maria Urbain en in 1894 werd zijn toneelstuk Le Voile als eerste van een Belgische schrijver opgevoerd door de Comédie-Française.

Twee jaar later, in 1896, verscheen Les Vies encloses, een dichtbundel geïnspireerd op het occultisme en de Duitse romantiek.

Ondanks een slepende ziekte verscheen nog een meesterwerk, eveneens gesitueerd in Brugge: Le Carillonneur (1897).

Dit werk beschrijft realistisch de debatten tussen voorstanders van de haven van Zeebrugge en verdedigers van Brugge als kunststad voor de elite.

Een jaar later, op 25 december 1898, stierf Rodenbach op 43-jarige leeftijd aan typhlitis.

Zijn begrafenis vond plaats in Parijs, waar hij werd bijgezet op Père Lachaise.

Het grafmonument toont de dichter die met een roos in de hand uit het graf stapt, met daaronder de inscriptie: “Seigneur, donnez-moi donc cet espoir de revivre / Dans la mélancholique éternité du livre.”

In 1899 kreeg George Minne de opdracht voor een herdenkingsmonument voor Rodenbach.

Het marmeren kunstwerk was niet welkom in zijn geboorteplaats Doornik of in Brugge.

Uiteindelijk vond het een vaste plek op de dries van het oude Sint-Elisabethbegijnhof in Gent, waar het op 19 juli 1903 werd ingehuldigd.

In 1993 werd een ideeënwedstrijd georganiseerd voor een “beeld in de stad”, waarvan het winnende ontwerp van Klaas van de Sompel in 1997 werd onthuld.

In 2020 was het monument opnieuw dringend toe aan restauratie, want de tekst is nauwelijks leesbaar en de platen van de sokkel komen los.

Helaas is deze treurende dame het enige tastbare dat nog naar Georges Rodenbach in Gent verwijst, want zijn straat moest hij afstaan aan Edmond Boonen.

Gelukkig bracht David Bowie in 2013 in “Dancing out in space” nog hulde aan de zwijgende stilte van de Gentse schrijver met de zin “Silent as Georges Rodenbach.”

Vanavond, 34 jaar geleden, op 9 juni 1991, vond de laatste voorstelling plaats van het toneelstuk Het gezin Van Paemel in de Tolhuislaan in Gent.

Deze klassieker, geschreven door Cyriel Buysse, werd geregisseerd door Dirk Tanghe.

Ik herinner me nog dat ik hem tijdens de repetities regelmatig een glas witte wijn bracht en dan bleef kijken naar de gang van zaken.

Het decor, ontworpen door Steven Demets, en de verlichting van Jaak van de Velde waren subliem.

Het verhaal was ijzersterk en de bezetting was fantastisch; Jef Demets schitterde in zijn rol als vader Van Paemel.

Naast vrijwel de complete vaste groep toneelspelers van het NTG, kregen ze ook nog versterking van Els De Schepper, Koen De Sutter, Frank Dierens en Marijke Pinoy.

Dirk Tanghe wist er bijna een filmvoorstelling van te maken, mede dankzij de ruimte die hij kreeg in de Tolhuislaan.

Bijna 30.000 mensen kwamen kijken, dus we kunnen zeker spreken van een groot succes.

Het is vandaag ook al 78 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Felix Timmermans is overleden.

Hij was een van Vlaanderens meest vertaalde en productieve auteurs.

Hij schreef ook onder het pseudoniem Polleke van Mher en een enkele keer als Stelijn Koldijs.

Polleke van Mher was afgeleid van zijn voornaam (Leopoldus) en Mher was een afkorting van de naam van zijn vader (Gommaire).

Hij was autodidact en schreef toneelstukken, romans met een historisch karakter, novellen, religieus getinte werken en gedichten.

Naast schrijver was Timmermans ook schilder en tekenaar.

Hij illustreerde zijn eigen boeken alsook sommige boeken van zijn collega en vriend Ernest Claes.

Hij was ook zelf de boekbandontwerper van de meeste van zijn boeken.

Hij werd drie keer genomineerd voor een Nobelprijs.

Op 12 oktober 1912 trouwde hij met Marieke Janssens.

Ze hadden drie dochters: Cecilia, ook bekend als Lia (1920), Clara (1922) en Tonet (1926) en een zoon Gommaar (1930).

Deze kinderen werden ook actief in de kunstwereld.

Ze illustreerden onder andere werken van hun vader en schreven diverse biografieën over hem.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog schreef hij zijn bekendste werk, Pallieter, dat in 1916 werd uitgegeven.

Het wordt door velen als zijn meesterwerk gezien.

In 1921 werd het in het Duits vertaald en uitgegeven.

In de jaren 1930 schreef de Italiaans-Oostenrijkse componist Carlo Ferdinando Scholta op basis van het boek een operapartituur, getiteld ‘Pallieter’.

Het boek Pallieter werd in 2016, 100 jaar na de originele uitgave, opnieuw uitgegeven.

Felix Timmermans was een activist.

Na de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij naar Nederland om een veroordeling te ontlopen.

Hij keerde begin 1920 ongehinderd terug

In 1922 kreeg hij de Staatsprijs voor Literatuur.

In 1936 werd zijn vijftigste verjaardag zowel in Vlaanderen, Nederland als Duitsland met veel aandacht gevierd.

Tijdens de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog was Timmermans redacteur van het Vlaams-nationalistische Volk.

In 1942 ontving hij in Antwerpen van de Hamburgse universiteit de Rembrandtprijs.

Als Vlaams-nationalist en in Duitsland bekende schrijver was hij een graag geziene figuur bij Duitse officieren tijdens de Duitse bezetting.

Na de bevrijding van Lier op 4 september 1944 werd hij beschuldigd van culturele collaboratie en werd bijgevolg onder huisarrest geplaatst.

De aanklacht werd geseponeerd op 22 december 1946.

De reacties hierop uit de literaire wereld waren uiteenlopend.

Als luidste klonk de stem van Toussaint van Boelaere.

De criticus, die aanvankelijk een grote fan was van Timmermans, viel hem af omwille van zijn verdenking van culturele collaboratie.

Op 6 augustus 1944 werd Timmermans getroffen door een hartinfarct.

Hij stierf in Lier op 24 januari 1947.

De begrafenisdienst vond plaats in de Sint-Gummaruskerk, waar hij ook was gedoopt.

Timmermans werd begraven op het kerkhof Kloosterheide te Lier.

Als aanwezigen op zijn begrafenis vermelden kranten onder andere Lode Baekelmans, Gerard Walschap, Maurice Gilliams, Antoon Thiry, Lode Monteyne en Willem Elsschot.

Stijn Streuvels, genoemd als een “intieme vriend” van Timmermans, werd ook verwacht, maar werd thuis gehouden door een zware verkoudheid.

Op 8 november 1997 had in Lier de wereldpremière plaats van “Pallieter” de musical, geschreven door Willy Van Couwenberghe.

In 1998 kreeg deze musical de cultuurprijs van de Stad Lier uit handen van minister Marleen Vanderpoorten.

In 1997, bij de herdenking van de 50e verjaardag van het overlijden van Felix Timmermans, werd in Lier een bronzen buste onthuld (beeldhouwster Anne-Marie Volders) op het Felix Timmermansplein.

In 2014 werd hij ook officieel ereburger van zijn thuisstad Lier.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 24 december 1971)