Vandaag 90 jaar geleden, première van de opera Porgy and Bess van George Gershwin in Colonial Theatre te Boston. 

George Gershwin zag zijn opera Porgy and Bess als zijn ultieme poging om erkenning te krijgen als serieus klassiek componist.

Bij de eerste opvoering, voor publiek op 10 oktober 1935 in New York, was het succes echter beperkt.

Een bijzonderheid van het werk was Gershwins strikte eis dat alle gezongen rollen door zwarte acteurs en actrices vertolkt moesten worden; slechts enkele kleine, niet-gezongen rollen waren weggelegd voor blanke acteurs.

Deze voorwaarde leidde tot een historisch moment tijdens de Amerikaanse tournee in 1936.

Toen het Nationaal Theater in Washington DC aanvankelijk alleen een blank publiek wilde toelaten, weigerde hoofdrolspeler Todd Duncan (Porgy) op te treden.

Zijn protest was succesvol: voor het eerst in de geschiedenis opende het theater zijn deuren voor een gemengd publiek.

Porgy and Bess was de laatste Broadway-productie van George Gershwin.

Hierna vertrok hij naar Hollywood om filmmuziek te schrijven, maar hij overleed op 11 juli 1937 op 38-jarige leeftijd aan de gevolgen van een hersentumor.

Ironisch genoeg werd de opera pas na zijn dood echt populair. Toch wordt het werk relatief weinig opgevoerd.

De voornaamste reden is de moeilijkheid om een volledige bezetting van zwarte operazangers te vinden, een voorwaarde die Gershwin testamentair had laten vastleggen.

Terwijl de volledige opera een zeldzaamheid bleef, vonden diverse stukken een eigen leven in de jazzwereld.

Nummers als SummertimeIt Ain’t Necessarily So en I Loves You, Porgy worden als absolute klassiekers beschouwd, net als het album dat Miles Davis en Gil Evans in 1958 op basis van de opera maakten (30 september 1935, foto’s van de film uit 1959).

Vandaag 50 jaar geleden, première van de Nederlandse film “Het jaar van de kreeft”

De film van regisseur Herbert Curiel, met Willeke van Ammelrooy als Toni en Rutger Hauer als Pierre, is een bewerking van de gelijknamige roman van Hugo Claus.

Claus baseerde het intense liefdesverhaal op zijn eigen, turbulente relatie met actrice Kitty Courbois.

Interessant is het verschil in symboliek: in het boek sterft Toni aan kanker (kreeft in het Duits is ‘Krebs’), terwijl de film zich volledig richt op de eigenschappen van haar sterrenbeeld.

De rol van Pierre werd Hauer aangeboden nadat Rijk de Gooyer had geweigerd.

De Gooyer vond het boek maar niets en had geen vertrouwen in de regisseur.

Criticus Gerrit Komrij beschreef de film als een verhaal over “psychische verwarring” en “Allesverslindende Liefde”, waarin Pierre ontroerd wordt door de onvolkomenheden van Toni, een vrouw die hem zowel tederheid als ergernis bezorgt en in seksueel opzicht frigide blijkt te zijn.

40 jaar geleden, op de filmset van de Vlaamse film Springen in de regie van Jean-Pierre De Decker.

De film, die op 13 september 1986 in wereldpremière ging op het Filmfestival van Toronto, is de verfilming van het boek ‘Uit het raam springen moet als nutteloos worden beschouwd’ van Fernand Auwera.

Het scenario werd bewerkt door Auwera en Stijn Coninx, die ook als regieassistent aan de film meewerkte.

In de hoofdrollen spelen Herbert Flack, Mark Verstraete en Maya van den Broecke, terwijl de muziek werd gecreëerd door Dirk Brossé.

Daarnaast spelen ook Jef Cassiers, Ingrid De Vos, Vic Moeremans, Bob Van Der Veken, Cyriel Van Gent en zangeres Emly Starr mee, en had zelfs Robbe De Hert een kleine rol als portier.

In het verhaal worden in het luxueuze rusthuis Sempa Vivex kosten noch moeite gespaard om de bemiddelde bewoners te vermaken. Wanneer een gepensioneerde politicus zich wil laten opnemen en zijn kleindochter de bemiddeling verzorgt, lijkt dit de perfecte gelegenheid voor het rusthuis om een dreigende sluiting af te wenden.

Directeur Axel Woestewey ziet in de kleindochter bovendien een nieuwe vrouw om te verleiden.

De filmtrailer veroorzaakte in 1986 een kleine rel, omdat deze uitsluitend de nadruk legde op de seksscènes uit de film.

Vandaag 170 jaar geleden, de geboorte van de Gentse dichter Georges Rodenbach.

De Gentse dichter Georges Rodenbach werd 170 jaar geleden, op 16 juli 1855, geboren. Hij stamde uit een Duitse familie; zijn vader, Constantin-Ferdinand Rodenbach, was verificateur van maten en gewichten in Gent en trouwde met de Doornikse Rosalie Gall.

Georges bracht zijn jeugd door in Gent, waar zijn familie kort na zijn geboorte neerstreek. Veel van zijn jonge jaren speelden zich af in hun ouderlijke huis aan de Frère-Orbanlaan 9, vlak bij het Klein Begijnhof.

Hoewel er in 1948 een gedenkplaat werd aangebracht, zijn zowel het huis als de plaat inmiddels verdwenen.

Hij was een briljante leerling aan het Sint-Barbaracollege, waar hij Emile Verhaeren ontmoette en een levenslange vriendschap met hem sloot.

Rodenbach studeerde rechten in Gent en Parijs, waarna hij assistent werd van de bekende strafpleiter Edmond Picard.

Daar kreeg hij de bijnaam ‘L’avocat-cravate’ vanwege zijn opvallende uiterlijk.

Zijn neef, Albrecht Rodenbach, zou later beroemd worden als Vlaams studentenleider.

In 1877 publiceerde hij zijn eerste dichtbundel, Le Foyer et les Champs.

De positieve Franse reacties leidden tot zijn eerste bezoek aan Parijs.

Hij kwam in contact met de ‘cercle des Hydropathes’ en sloot er vriendschappen met figuren als Catulle Mendès en Maurice Barrès. Hij besloot zijn advocatencarrière op te geven en zich volledig op de literatuur te richten.

Hij schreef voor La Flandre libérale en het eerste nummer van La Jeune Belgique, en publiceerde La Mer élégante.

In 1886 brak hij door in zowel België als Frankrijk met La Jeunesse blanche, gedichten over Vlaamse begijnhoven en de verlaten, regenachtige straten van stervende provinciestadjes.

Hij probeerde via lezingen ook het pessimisme van Arthur Schopenhauer, dat zijn werk zou beïnvloeden, te promoten.

Vanaf 1888 verhuisde hij definitief naar Parijs en werkte als correspondent voor het Journal de Bruxelles.

Uiteindelijk won de literaire roep het, en Rodenbach koos resoluut voor een schrijversbestaan. In 1888 trok hij definitief naar Parijs, waar hij als eerste Fransschrijvende Vlaming de stad veroverde met zijn symbolistische werken.

Zijn bekendste werk, de roman Bruges-la-morte, verscheen in 1892. Het werd eerst als feuilleton in Le Figaro gepubliceerd en later als boek uitgebracht door Flammarion.

Dit werk, gezien als het hoogtepunt van het symbolisme, was direct een groot succes. Fernand Khnopff illustreerde de voorkant.

Hoewel Rodenbach nooit in Brugge woonde (de geboorteplaats van zijn vader), kon de stad daardoor voor hem gemakkelijk legendarische vormen aannemen.

Zoals Rilke schreef, transformeerde Rodenbach de stad in Bruges-la-morte tot een innerlijk landschap, door voortdurend een analogie te leggen tussen de stad en de overleden vrouw die in het hoofd van de hoofdpersoon voortleeft.

In Parijs was hij een graag geziene gast en werd hij vrienden met onder anderen Alphonse Daudet, Edmond de Goncourt, en symbolisten als Villiers de l’Isle-Adam en Stéphane Mallarmé. Ook Rodin behoorde tot zijn vrienden.

Hij trouwde met Anna-Maria Urbain en in 1894 werd zijn toneelstuk Le Voile als eerste van een Belgische schrijver opgevoerd door de Comédie-Française.

Twee jaar later, in 1896, verscheen Les Vies encloses, een dichtbundel geïnspireerd op het occultisme en de Duitse romantiek.

Ondanks een slepende ziekte verscheen nog een meesterwerk, eveneens gesitueerd in Brugge: Le Carillonneur (1897).

Dit werk beschrijft realistisch de debatten tussen voorstanders van de haven van Zeebrugge en verdedigers van Brugge als kunststad voor de elite.

Een jaar later, op 25 december 1898, stierf Rodenbach op 43-jarige leeftijd aan typhlitis.

Zijn begrafenis vond plaats in Parijs, waar hij werd bijgezet op Père Lachaise.

Het grafmonument toont de dichter die met een roos in de hand uit het graf stapt, met daaronder de inscriptie: “Seigneur, donnez-moi donc cet espoir de revivre / Dans la mélancholique éternité du livre.”

In 1899 kreeg George Minne de opdracht voor een herdenkingsmonument voor Rodenbach.

Het marmeren kunstwerk was niet welkom in zijn geboorteplaats Doornik of in Brugge.

Uiteindelijk vond het een vaste plek op de dries van het oude Sint-Elisabethbegijnhof in Gent, waar het op 19 juli 1903 werd ingehuldigd.

In 1993 werd een ideeënwedstrijd georganiseerd voor een “beeld in de stad”, waarvan het winnende ontwerp van Klaas van de Sompel in 1997 werd onthuld.

In 2020 was het monument opnieuw dringend toe aan restauratie, want de tekst is nauwelijks leesbaar en de platen van de sokkel komen los.

Helaas is deze treurende dame het enige tastbare dat nog naar Georges Rodenbach in Gent verwijst, want zijn straat moest hij afstaan aan Edmond Boonen.

Gelukkig bracht David Bowie in 2013 in “Dancing out in space” nog hulde aan de zwijgende stilte van de Gentse schrijver met de zin “Silent as Georges Rodenbach.”

Vanavond, 34 jaar geleden, op 9 juni 1991, vond de laatste voorstelling plaats van het toneelstuk Het gezin Van Paemel in de Tolhuislaan in Gent.

Deze klassieker, geschreven door Cyriel Buysse, werd geregisseerd door Dirk Tanghe.

Ik herinner me nog dat ik hem tijdens de repetities regelmatig een glas witte wijn bracht en dan bleef kijken naar de gang van zaken.

Het decor, ontworpen door Steven Demets, en de verlichting van Jaak van de Velde waren subliem.

Het verhaal was ijzersterk en de bezetting was fantastisch; Jef Demets schitterde in zijn rol als vader Van Paemel.

Naast vrijwel de complete vaste groep toneelspelers van het NTG, kregen ze ook nog versterking van Els De Schepper, Koen De Sutter, Frank Dierens en Marijke Pinoy.

Dirk Tanghe wist er bijna een filmvoorstelling van te maken, mede dankzij de ruimte die hij kreeg in de Tolhuislaan.

Bijna 30.000 mensen kwamen kijken, dus we kunnen zeker spreken van een groot succes.

Het is vandaag ook al 78 jaar geleden dat de Vlaamse schrijver Felix Timmermans is overleden.

Hij was een van Vlaanderens meest vertaalde en productieve auteurs.

Hij schreef ook onder het pseudoniem Polleke van Mher en een enkele keer als Stelijn Koldijs.

Polleke van Mher was afgeleid van zijn voornaam (Leopoldus) en Mher was een afkorting van de naam van zijn vader (Gommaire).

Hij was autodidact en schreef toneelstukken, romans met een historisch karakter, novellen, religieus getinte werken en gedichten.

Naast schrijver was Timmermans ook schilder en tekenaar.

Hij illustreerde zijn eigen boeken alsook sommige boeken van zijn collega en vriend Ernest Claes.

Hij was ook zelf de boekbandontwerper van de meeste van zijn boeken.

Hij werd drie keer genomineerd voor een Nobelprijs.

Op 12 oktober 1912 trouwde hij met Marieke Janssens.

Ze hadden drie dochters: Cecilia, ook bekend als Lia (1920), Clara (1922) en Tonet (1926) en een zoon Gommaar (1930).

Deze kinderen werden ook actief in de kunstwereld.

Ze illustreerden onder andere werken van hun vader en schreven diverse biografieën over hem.

Vlak voor de Eerste Wereldoorlog schreef hij zijn bekendste werk, Pallieter, dat in 1916 werd uitgegeven.

Het wordt door velen als zijn meesterwerk gezien.

In 1921 werd het in het Duits vertaald en uitgegeven.

In de jaren 1930 schreef de Italiaans-Oostenrijkse componist Carlo Ferdinando Scholta op basis van het boek een operapartituur, getiteld ‘Pallieter’.

Het boek Pallieter werd in 2016, 100 jaar na de originele uitgave, opnieuw uitgegeven.

Felix Timmermans was een activist.

Na de Eerste Wereldoorlog vluchtte hij naar Nederland om een veroordeling te ontlopen.

Hij keerde begin 1920 ongehinderd terug

In 1922 kreeg hij de Staatsprijs voor Literatuur.

In 1936 werd zijn vijftigste verjaardag zowel in Vlaanderen, Nederland als Duitsland met veel aandacht gevierd.

Tijdens de eerste jaren van de Tweede Wereldoorlog was Timmermans redacteur van het Vlaams-nationalistische Volk.

In 1942 ontving hij in Antwerpen van de Hamburgse universiteit de Rembrandtprijs.

Als Vlaams-nationalist en in Duitsland bekende schrijver was hij een graag geziene figuur bij Duitse officieren tijdens de Duitse bezetting.

Na de bevrijding van Lier op 4 september 1944 werd hij beschuldigd van culturele collaboratie en werd bijgevolg onder huisarrest geplaatst.

De aanklacht werd geseponeerd op 22 december 1946.

De reacties hierop uit de literaire wereld waren uiteenlopend.

Als luidste klonk de stem van Toussaint van Boelaere.

De criticus, die aanvankelijk een grote fan was van Timmermans, viel hem af omwille van zijn verdenking van culturele collaboratie.

Op 6 augustus 1944 werd Timmermans getroffen door een hartinfarct.

Hij stierf in Lier op 24 januari 1947.

De begrafenisdienst vond plaats in de Sint-Gummaruskerk, waar hij ook was gedoopt.

Timmermans werd begraven op het kerkhof Kloosterheide te Lier.

Als aanwezigen op zijn begrafenis vermelden kranten onder andere Lode Baekelmans, Gerard Walschap, Maurice Gilliams, Antoon Thiry, Lode Monteyne en Willem Elsschot.

Stijn Streuvels, genoemd als een “intieme vriend” van Timmermans, werd ook verwacht, maar werd thuis gehouden door een zware verkoudheid.

Op 8 november 1997 had in Lier de wereldpremière plaats van “Pallieter” de musical, geschreven door Willy Van Couwenberghe.

In 1998 kreeg deze musical de cultuurprijs van de Stad Lier uit handen van minister Marleen Vanderpoorten.

In 1997, bij de herdenking van de 50e verjaardag van het overlijden van Felix Timmermans, werd in Lier een bronzen buste onthuld (beeldhouwster Anne-Marie Volders) op het Felix Timmermansplein.

In 2014 werd hij ook officieel ereburger van zijn thuisstad Lier.(Diverse bronnen, Wikipedia en De Post 24 december 1971)

Vandaag 65 jaar geleden onderweg naar Nederland, komt de Franse filosoof en schrijver Albert Camus om het leven door een auto-ongeluk.

De Nobelprijswinnaar, bekend van literaire klassiekers als De Pest en De Vreemdeling, stierf op slechts 46-jarige leeftijd toen de imposante Facel Vega FV3B, bestuurd door zijn vriend en uitgever Michel Gallimard, met hoge snelheid tegen een boom reed.

Het ongeluk vond plaats in het Franse dorpje Villeblevin.

In de wrakstukken van de auto werd het onafgemaakte manuscript van Camus’ autobiografische roman Le Premier Homme (De Eerste Mens) teruggevonden, dat pas in 1994 door zijn dochter werd gepubliceerd.

De Facel Vega FV3B was een luxueuze en krachtige Franse auto, een zeldzaam model dat bekend stond om zijn snelheid.

De auto was eigendom van Michel Gallimard, de neef van de beroemde uitgever Gaston Gallimard, en hijzelf en zijn vrouw Janine kwamen eveneens om in het ongeluk, net als hun dochter Anne.

Tien jaar geleden lanceerde de Italiaanse academicus en dichter Giovanni Catelli een controversiële theorie: het auto-ongeluk zou geen ongeluk zijn geweest, maar een moordaanslag georkestreerd door de KGB.

Volgens Catelli zou de Sovjet-Russische geheime dienst, op bevel van Sovjet-minister van Buitenlandse Zaken Dmitri Sjepilov, de banden van Camus’ auto hebben gesaboteerd, zodat deze bij hoge snelheid zouden klappen.

Catelli baseerde zijn bewering onder andere op passages uit het dagboek van de Tsjechische dichter Jan Zábrana, die zou hebben gehoord van een “betrouwbare bron” dat de KGB achter het ongeluk zat.

De vermeende reden voor deze aanslag zou Camus’ uitgesproken kritiek op de Sovjet-Unie zijn geweest.

Hij veroordeelde de Sovjet-invasie van Hongarije in 1956 fel en sprak openlijk zijn steun uit voor Boris Pasternak, de auteur van het in de Sovjet-Unie verboden meesterwerk Dokter Zjivago.

Albert Camus ontving in 1957 de Nobelprijs voor de Literatuur, onder andere voor zijn “belangrijke literaire productie, die met scherpzinnig oprechte ernst de problemen van het menselijk geweten in onze tijd belicht.”

Pasternak zou het jaar daarop de Nobelprijs winnen, maar werd gedwongen deze te weigeren door de Sovjet-autoriteiten.

Camus was een fervent voorstander van een “Verenigd Europa” en geloofde in de kracht van dialoog en verzoening.

Hoewel experts erkennen dat de KGB destijds tot gruwelijke daden in staat was, is er tot op heden geen overtuigend bewijs gevonden voor Catelli’s moordtheorie.

De officiële lezing blijft dat het een tragisch auto-ongeluk betrof, veroorzaakt door een klapband.

De dood van Albert Camus, de beroemde grondlegger van het absurdisme, blijft dus tot vandaag omgeven door een zweem van mysterie en speculatie.

Zijn invloedrijke werken en zijn pleidooi voor menselijkheid en vrijheid blijven echter voortleven.

Vandaag 55 jaar geleden, begrafenis van de Franse schrijfster Louise de Vilmorin.

Louise de Vilmorin werd in 1902 geboren in Verrières-le-Buisson, telg uit een vooraanstaand geslacht van botanisten.

Ze had een ouder zusje en vier jongere broers, die ze later aanmerkte als haar beschermende klaverblad; het klavertjevier waarmee ze haar brieven ondertekende, haar handelsmerk.

Haar moeder leidde een mondain leven, had een salon, waar vorsten, diplomaten en schrijvers elkaar kruisten.

Als kind was Louise door ziekte vaak gekluisterd aan haar ‘Rossinante’, haar bed op wielen; een positie aan de zijlijn die haar observatievermogen en haar fantasie scherpte.

Haar liefdesleven was tumultueus.

In 1923 verloofde ze zich met haar neef Saint-Exupéry; in 1925 trouwde ze met de Amerikaan Henry Leigh-Hunt, met wie ze drie dochters kreeg.

In 1933 had ze kort een verhouding met André Malraux.

In 1937 trouwde ze met de Hongaarse graaf Pali Pálffy; ook dat huwelijk hield geen stand.

In 1947 leerde ze Coco Chanel kennen en tien jaar later bracht ze haar biografie uit, Mémoires de Coco.

Vanaf 1950 vestigt ze zich in het huis van haar familie in Verrières-le-Buisson, waar ze in haar ‘salon bleu’ kunstenaars, schrijvers en regisseurs ontvangt.

Enkele meesterwerken van haar zijn Sainte-Unefois, Julietta, L’Heure Maliciôse, Lettre dans un taxi en poëziebundels als Fiançailles pour rire en L’Alphabet des aveux.

Louise schreef zelf het scenario voor Les Amants, van Louis Malle, uit 1958.

De film is gebaseerd op de novelle Point de lendemain van de Franse auteur Vivant Denon, met onder meer in de hoofdrol Jeanne Moreau en Alain Cuny.

Aan het eind van haar leven krijgt ze opnieuw een verhouding met André Malraux.

De media-aandacht die dat oplevert, doet haar verzuchten: ‘Ik ben niet langer Louise de Vilmorin, ik ben Marilyn Malraux.’

Ze stierf op de leeftijd van zevenenzestig jaar op 26 december 1969 en drie dagen later begraven op 29 december 1969 (diverse bronnen, Wikipedia en foto 1 André Malraux troost één van haar dochters, foto 2 de Franse acteur Paul Meurisse en foto 3 Ingrid Bergman en haar man)

Vandaag, 100 jaar geleden, première van het toneelstuk de Paradijsvogels van Gaston Martens in Antwerpen.

Gaston groeide op in een welgesteld brouwersgezin in Zulte. Hij was geen briljante student, maar blonk wel uit in sport.

Zijn specialiteit was verspringen.

Hij werd viermaal Belgisch kampioen en hield van 1905 tot 1919 het Belgisch record in handen.

Hij behaalde ook twee medailles op de Belgische kampioenschappen atletiek in het kogelstoten.

Martens schreef vooral volkse toneelstukken met humoristische en sentimentele elementen.

Enkele van zijn werken zijn:

“De Heirweg” (1924, “Het Dorp der Mirakelen” (1932), “En waar de ster bleef stille staan” (1933), “De Mannen van Goed Gewil” (1936) en “Paradijsvogels” (1934, zijn succesvolste stuk)

Het verhaalt de lotgevallen van de bewoners van Leydonck-Waterland, een fictief dorpje aan de Leie in de tweede helft van de jaren twintig van de twintigste eeuw.

Het werd vertaald in verschillende talen en opgevoerd in binnen- en buitenland.

In 1946 werd het verfilmd in Frankrijk als “Les Gueux au Paradis” met Raimu en Fernandel in de hoofdrollen.

Martens won voor “Paradijsvogels” de Staatsprijs voor Toneelliteratuur.

In 1911 trouwde Gaston Martens met Germaine De Buck. Ze kregen samen één dochter, Godelieve.

In 1937 verhuisde Martens naar Frankrijk, waar hij een perzikplantage begon.

Tijdens zijn verblijf in Frankrijk vertaalde hij zijn stukken in het Frans.

Na de Tweede Wereldoorlog keerde Martens terug naar België. Hij bleef schrijven, maar zijn latere werk was minder succesvol dan zijn vroegere stukken.

Gaston Martens overleed in 1967 in Deinze en is begraven in Deurle.

Vandaag, 100 jaar geleden, viering 25 jaar NTG (27 december 1924)

De officiële naam luidt als volgt: Koninklijke Nederlandse Schouwburg (KNS).

Nochtans staat het gebouw beter bekend als NTG of NTGent omdat NTG de theatergroep is die op die locatie speelt.

Ik heb daar jaren gewerkt als hoofd van het horecagedeelte en ik woon daar toen ook in het gebouw.

Ook ben ik trots dat ik toen de eer had om de Foyer op te starten en dat met veel succes.

90 jaar geleden, het nieuwe Diocesaan Museum in Mechelen.

Het museum sloot de deuren in 1986, gelukkig bestaat vandaag nog wel het Archief van het Diocesaan Museum, Mechelen.

Het archiefbestand bestaat in de eerste plaats uit stukken in verband met de oprichting van het diocesane museum en de administratieve commissie in 1933.

Voorts zijn vergaderverslagen en briefwisseling van de commissie bewaard, evenals stukken betreffende de betrekkingen met de stedelijke en provinciale overheden.

Andere bescheiden betreffen de tentoonstellingen die in het museum werden georganiseerd en de weerklank ervan in de pers.

Rafaël Tambuyser, geboren en getogen in Mechelen, werd in 1927 tot priester gewijd en was één van de oprichters van het museum.

Vier jaar later behaalde hij in Leuven een diploma als licentiaat in het kerkelijk recht.

Datzelfde jaar benoemde kardinaal Van Roey hem tot secretaris van het aartsbisdom en tot assistent van diocesaan archivaris Jozef Laenen.

Na de dood van Laenen in 1940 werd Tambuyser archivaris en conservator van het diocesaan museum. E

en jaar later volgde de benoeming tot erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel.

Intussen was Tambuyser ook actief aan de kerkelijke rechtbank in Mechelen.

Met zijn aanstelling tot hulparchivaris en vervolgens hoofdarchivaris van het Aartsbisschoppelijk Archief groeide bij Tambuyser de interesse voor Mechelse geschiedenis.

In 1931 werd hij lid van de Mechelse oudheidkundige kring. Later volgde het lidmaatschap van diverse andere historische commissies en verenigingen.

In 1939 trad Tambuyser toe tot het bestuur van de oudheidkundige kring van Mechelen. Een jaar later werd hij voorzitter, een functie die Tambuyser tot aan zijn dood in 1966 bleef uitoefenen.

In het gebouw vestigde zich daarna het Koninklijke Manufactuur De Wit die over een van de prestigieuste privécollecties van wandtapijten ter wereld beschikt.

De “Manufacture de Tapisseries d’Art” werd in 1889 opgericht door Theo De Wit en vernoemd naar diens zoon, tapijtwever Gaspard De Wit.

Ook is er een werkplaats waar men werk verricht op het vlak van conservatie en restauratie van oude wandtapijten voor musea (De Stad van 28 december 1934, site Koninklijke Manufactuur De Wit, Wikipedia en Site Odis)

90 jaar geleden, het nieuwe Diocesaan Museum in de Schoutetstraat 7, in Mechelen (De Stad van 28 december 1934).

Het museum sloot de deuren in 1986, gelukkig bestaat vandaag nog wel het Archief van het Diocesaan Museum, Mechelen.

Het archiefbestand bestaat in de eerste plaats uit stukken in verband met de oprichting van het diocesane museum en de administratieve commissie in 1933.

Voorts zijn vergaderverslagen en briefwisseling van de commissie bewaard, evenals stukken betreffende de betrekkingen met de stedelijke en provinciale overheden.

Andere bescheiden betreffen de tentoonstellingen die in het museum werden georganiseerd en de weerklank ervan in de pers.

Rafaël Tambuyser, geboren en getogen in Mechelen, werd in 1927 tot priester gewijd en was één van de oprichters van het museum.

Vier jaar later behaalde hij in Leuven een diploma als licentiaat in het kerkelijk recht.

Datzelfde jaar benoemde kardinaal Van Roey hem tot secretaris van het aartsbisdom en tot assistent van diocesaan archivaris Jozef Laenen.

Na de dood van Laenen in 1940 werd Tambuyser archivaris en conservator van het diocesaan museum. E

en jaar later volgde de benoeming tot erekanunnik van het Sint-Romboutskapittel.

Intussen was Tambuyser ook actief aan de kerkelijke rechtbank in Mechelen.

Met zijn aanstelling tot hulparchivaris en vervolgens hoofdarchivaris van het Aartsbisschoppelijk Archief groeide bij Tambuyser de interesse voor Mechelse geschiedenis.

In 1931 werd hij lid van de Mechelse oudheidkundige kring. Later volgde het lidmaatschap van diverse andere historische commissies en verenigingen.

In 1939 trad Tambuyser toe tot het bestuur van de oudheidkundige kring van Mechelen. Een jaar later werd hij voorzitter, een functie die Tambuyser tot aan zijn dood in 1966 bleef uitoefenen.

In het gebouw vestigde zich daarna het Koninklijke Manufactuur De Wit die over een van de prestigieuste privécollecties van wandtapijten ter wereld beschikt.

De “Manufacture de Tapisseries d’Art” werd in 1889 opgericht door Theo De Wit en vernoemd naar diens zoon, tapijtwever Gaspard De Wit.

Ook is er een werkplaats waar men werk verricht op het vlak van conservatie en restauratie van oude wandtapijten voor musea (De Stad van 28 december 1934, site Koninklijke Manufactuur De Wit, Wikipedia en Site Odis)