
50 jaar geleden, de Franse schilder Bernard Lorjou met zijn thema tentoonstelling Sharon Tate

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek




Francisco Maria da Silva was een invloedrijke Portugese prelaat die als aartsbisschop van Braga diende tijdens een van de turbulentste periodes in de Portugese geschiedenis.
Zijn leven werd gekenmerkt door een diepgaand geloof, een sterke intellectuele vorming en een onwrikbare houding ten aanzien van de politieke en sociale veranderingen van zijn tijd.
Geboren op 15 maart 1910 in Murtosa, studeerde hij in Rome waar hij een doctoraat in de theologie behaalde.
Op 21 mei 1932 werd hij tot priester gewijd. Zijn kerkelijke loopbaan bereikte een hoogtepunt met zijn benoeming tot hulpbisschop van Braga in 1956 en vervolgens, op 12 december 1963, tot aartsbisschop van Braga.
Als aartsbisschop nam hij deel aan het Tweede Vaticaans Concilie, een gebeurtenis die zijn pastorale beleid diepgaand beïnvloedde.
De meest bepalende episode in zijn leven vond plaats na de Anjerrevolutie van 1974, tijdens de “Hete Zomer” van 1975.
In een context van intense politieke strijd, profileerde hij zich als een uitgesproken criticus van het communisme.
Zijn krachtige toespraak op 10 augustus 1975 in Braga, waarin hij het communisme veroordeelde, wordt gezien als een sleutelmoment in de mobilisatie van het conservatieve noorden van Portugal tegen de linkse revolutionaire krachten.
Naast zijn politieke stellingnames was hij een toegewijde herder voor zijn aartsbisdom.
Aartsbisschop da Silva overleed op 14 april 1977, en liet een complexe nalatenschap na als een geleerde kerkleider en een standvastige verdediger van het geloof in een tijd van grote onzekerheid.

Als kleinzoon van graaf Charles d’Ursel, die gouverneur van West-Vlaanderen was, groeide hij op binnen de invloedrijke en eeuwenoude adellijke familie d’Ursel.
Naast zijn adellijke titel verwierf graaf Philippe ook bekendheid als alpineskiër en vertegenwoordigde hij België op de Olympische Winterspelen van 1948 in St. Moritz.
Samen met zijn echtgenote, Marie Roche de la Rigodière, kreeg hij vier kinderen: de zonen Etienne, Nicolas en Christophe d’Ursel, en een dochter, Valentine Marie Anne, die helaas is overleden.
Graaf Philippe was zijn leven lang de bewoner van het Kasteeldomein Gruuthuse en overleed in 2017 op 96-jarige leeftijd in Oostkamp.
Het Kasteeldomein Gruuthuse in Oostkamp heeft een geschiedenis die veel verder teruggaat dan de familie d’Ursel.
De site dankt zijn naam aan de bekendste 15e-eeuwse eigenaar, Lodewijk van Gruuthuse.
Begin 17e eeuw kwam het domein in het bezit van de familie d’Ursel.
Het huidige kasteel in Vlaamse neorenaissancestijl werd in 1888 gebouwd in opdracht van graaf Charles d’Ursel.
In 1981 verwoestte een brand de bovenverdieping en daarna als plat dak werd hersteld.
Na het overlijden van graaf Philippe is de continuïteit op het domein verzekerd.
Vandaag de dag wordt het kasteel bewoond door zijn zoon, graaf Etienne d’Ursel, die er met zijn gezin de lange familietraditie voortzet.
De rijke geschiedenis van het domein is in 2019 uitgebreid gedocumenteerd in het boek ‘Het kasteel d’Ursel in Oostkamp: adellijke residentie aan de Rivierbeek’.
Dit werk beschrijft de volledige historiek, van de vroegste bewoning in het beekdal tot de actuele toestand van het beschermde domein.
Het kasteel en het omliggende landgoed zijn privébezit en niet publiek toegankelijk

Gisteren nog vandaag


Gisteren nog vandaag









Gedurende de jaren 40, 50 en 60 was Jean Dessès een vooraanstaand couturier wiens ontwerpen de invloeden van zijn reizen weerspiegelden.

Zijn specialiteit was het draperen van avondjurken in chiffon en mousseline, geïnspireerd op de kleding uit de Griekse en Egyptische oudheid (De Post van 24 september 1950)




De Belgische atleet Etienne Gailly is de geschiedenis ingegaan met zijn marathondebuut op de Olympische Spelen van Londen.
Op 7 augustus 1948 betrad hij als eerste het Wembley Stadion, op weg naar goud.
In de laatste honderden meters kreeg hij echter een plotselinge inzinking. Hij wankelde over de piste en werd in de laatste meters nog ingehaald door de Argentijn Delfo Cabrera en de Brit Thomas Richards.
Uiteindelijk finishte hij als derde in een tijd van 2:35.34. Gailly kon zich later enkel herinneren dat hij ‘buiten deze wereld’ was en kon nooit een verklaring voor zijn instorting vinden.
Een tweede olympische kans zou hij nooit krijgen, want hij diende als vrijwilliger in de Koreaanse Oorlog, waar in 1952 een mijn een van zijn voeten verminkte, net voor de Spelen in Helsinki.
Op 21 oktober 1971 werd de 48-jarige veteraan in Genval aangereden door een auto en overleed.
Ter ere van Gailly, die luitenant bij de paracommando’s was, organiseert Defensie jaarlijks de ‘Challenge Gailly’ in Eupen, waarvan de recentste editie op 28 mei 2025 plaatsvond.

Helaas voor Sydne Rome is het nooit gekomen tot een huwelijk tussen haar en Julio Iglesias.

Verhaeghen, die op 16 juni 1962 tot priester was gewijd, was als jonge onderpastoor in de parochie Sint-Egidius een man van de vernieuwing.
Geïnspireerd door de openheid van het Tweede Vaticaans Concilie, botste hij al snel met de conservatieve krachten binnen de kerk, vertegenwoordigd door pastoor De Brouwer en later ook bisschop Van Peteghem.

Het conflict kwam tot een kookpunt toen Verhaeghen voorstelde om geld te investeren in de parochiale jeugdlokalen, die in erbarmelijke staat verkeerden.
De gevestigde orde wilde de fondsen liever aanwenden voor een nieuwe marmeren vloer in de Sint-Gilliskerk.
Deze tegenstelling, samen met klachten over zijn vriendschap met de progressieve priester Frans Wuytack en een vermeende “flirterige houding”, leidde tot een openlijke strijd.
Er ontstond een actiecomité dat Verhaeghen steunde.
Maandenlang werden er in de parochie protesten georganiseerd en pamfletten verspreid, waarbij meermaals de oproerpolitie moest ingrijpen.
De situatie escaleerde zozeer dat hulpbisschop Leo De Kesel, die Verhaeghen adviseerde om naar een ander bisdom over te stappen, enige tijd later zelf door de politie moest worden ontzet tijdens een vormselviering die door protesten werd verstoord.

In mei 1969 aanvaardde Verhaeghen uiteindelijk zijn overplaatsing naar Nieuwkerken-Waas, waarmee een einde kwam aan de protesten in Sint-Egidius.
De rust was echter van korte duur. Ook in zijn nieuwe parochie bleven er problemen met zijn handelwijze, wat in 1970 leidde tot zijn ontslag.
Deze autoritaire en eenzijdige beslissing lokte kritiek uit van meerdere collega-priesters.
Na zijn ontslag verhuisde Verhaeghen naar Stekene, waar hij later als priester met rust ging.

Zijn laatste levensjaren bracht hij door in een rusthuis in Nieuwkerken-Waas, waar hij in juli 2014 op 79-jarige leeftijd overleed.
De hele kwestie, die diepe sporen naliet, werd in 2019 gereconstrueerd door schrijver Louis Van Dievel in het boek “De Onderpastoor”.

Op zaterdag 31 augustus 1974, aan het einde van de middag, klonken dramatische woorden over de radio.
Het populaire piratenstation Radio Veronica was aan zijn laatste uur begonnen.
Dj en programmaleider Rob Out hield met verstikte stem een lijkrede, terwijl een tikkende klok de seconden aftelde. Hij hekelde de politieke beslissing die de zeezenders de nek omdraaide en beweerde dat met de dood van Veronica ook ‘een beetje de democratie in Nederland’ stierf.
In het boek ‘Dit was Veronica’ van Auke Kok wordt de geschiedenis van deze zender beschreven.
Een luisteraar noemt het afscheid ‘ronduit pathetisch’. Het stond in schril contrast met Britse zeezenders zoals Radio London en Swinging Radio England, die zeven jaar eerder vrolijk en met opgeheven hoofd de lucht uit gingen.
Zij hadden mooie jaren gekend, veel geld verdiend en de Britse pop- en radiowereld opgeschud.
De dramatische woorden van Out waren ook behoorlijk brutaal, gezien de geschiedenis van de zender.
Drie jaar eerder, op 15 mei 1971, ontplofte er een bom op het zendschip van concurrent Radio Noordzee. Een van de directeuren van Veronica, Bull Verwey, werd tot een jaar cel veroordeeld voor het geven van de opdracht.
De bomaanslag, die gelukkig geen slachtoffers eiste, was een zwarte episode die de populariteit van Veronica flink deed dalen.
Voordien leek de zender, die sinds 1960 geen vlieg kwaad deed, op legalisering te kunnen rekenen.
Maar het geweld maakte in één klap een einde aan die goodwill.
De aanslag was het resultaat van een conflict met Radio Noordzee dat Veronica met geweld het zwijgen op wilde leggen. De zaak werd nog complexer doordat voormalige Veronica-dj’s als Joost de Draaijer en Jan van Veen bij de concurrent aan de slag waren gegaan.
Auke Kok interviewde voor zijn boek tientallen betrokkenen, waaronder dj’s, producers en stafleden.
Zij vertellen hoe Veronica in het begin een saaie zender was met titels als ‘Gevarieerde grammofoonplaten’.
Halverwege de jaren zestig ging het roer om: er kwam een strakke, Amerikaanse programmering met dezelfde dj’s op vaste uren en de iconische Top 40. Joost de Draaijer, een van de bekendste dj’s, beweerde het format in de VS te hebben opgesnoven, maar volgens Kok was die strakke formule in het buitenland al langer bekend.
Tegen het einde van de jaren zestig bouwde Veronica het imago op van een jonge en dynamische zender.
Dit hield ze vast toen ze een legale omroep werd. Dj Lex Harding omschrijft de piratenjaren als ‘letterlijk seks, drugs en rock-‘n-roll.’
Toch draaide Veronica ook Nederlandstalige smartlappen, want die waren populair bij de luisteraars, en hoe hoger de luisterdichtheid, hoe meer reclame-inkomsten.
Bovendien hadden sommige dj’s financiële belangen bij bepaalde platen.
Onder het kabinet-Den Uyl werd de bomaanslag gebruikt als argument om definitief in te grijpen en de zeezenders te beëindigen.
De Telegraaf zag hierin een links complot.
Ondanks het omstreden einde heeft Radio Veronica de Nederlandse popmuziek een goede dienst bewezen.
Het station hielp bands zoals Earth & Fire, Ekseption en Shocking Blue internationaal door te breken.
Zoals dj Will Luikinga het treffend verwoordt: “Wij waren het voorportaal van Europa. Na Amerika en Engeland kwam Veronica.”


Gisteren nog vandaag

Vijf jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog, in 1950, zaten er nog steeds 300.000 mensen vast in Duitse vluchtelingenkampen.

.
Dit waren de laatste van de miljoenen ‘Displaced Persons’ (DP’s), een term van de geallieerden voor burgers die door de oorlog ontheemd waren geraakt.

Direct na de bevrijding in 1945 was een immense repatriëring op gang gekomen. Burgers uit West-Europese landen waren relatief snel weer thuis.
Maar voor de miljoenen ontheemden uit Oost-Europa lag de situatie veel gecompliceerder.
Hun terugkeer werd een politiek schaakspel.

De Sovjet-Unie controleerde de doorgangsroutes en vertraagde het proces.
Tegelijkertijd wilden velen niet terug naar hun vaderland, dat nu achter het IJzeren Gordijn lag.
Ze vreesden de nieuwe communistische regimes.

Voor Sovjet-burgers was die angst existentieel: wie terugkeerde, liep het risico om als collaborateur te worden vervolgd en zelfs geëxecuteerd door het Stalin-regime.
Zo bleef een grote groep ontheemden achter in de kampen, bestempeld als ‘niet-repatrieerbaar’.
Pas in 1951 werd de officiële internationale hulp stopgezet en werd de zorg voor de laatste tienduizenden overgedragen aan Duitsland, als een laatste, stille getuige van de chaos die de oorlog had achtergelaten.
