
Ivan Heylen (foto, januari 1975)

Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek



Maggie Bell die vooral bekendheid verwierf als de leadzangeres van de bluesrockband Stone the Crows (1969-1972).
Bell’s krachtige, bluesy stem en podiumprésence trokken de aandacht, wat leidde tot de oprichting van Stone the Crows in 1969.
De band bracht drie albums uit en toerde uitgebreid, waarbij ze optrad met artiesten als Rod Stewart en The Faces.
Een tragisch incident tijdens een concert in 1972, waarbij gitarist Les Harvey geëlektrocuteerd werd op het podium, leidde tot het uiteenvallen van de band.
Na Stone the Crows begon Bell aan een solocarrière en bracht ze verschillende albums uit.
Ze werkte samen met verschillende muzikanten, waaronder Les Harvey, de gitarist van Stone the Crows en haar partner tot zijn dood.
Ook bleef ze samenwerken met de andere twee leden van Stone the Crows, namelijk Jimmy Dewar (Bassist van Stone the Crows) en Colin Allen (Drummer van Stone the Crows).
Met Jimmy Dewar vormde ze in 1980 de groep Midnight Flyer.
Ook werkte ze samen met B.A. Robertson (brachten samen brachten ze de single Hold Me uit in 1981).
Ze maakte ook deel uit van het The British Blues Quintet.
Ze werkte samen met de voormalige Deep Purple toetsenist John Lord aan zijn soloalbum “Gemini Suite” en toerde met The Jon Lord Blues Project.
Hoewel Maggie Bell nooit mainstream succes bereikte, wordt ze door critici en fans geprezen om haar uitzonderlijke vocale talent.
Haar werk met Stone the Crows wordt beschouwd als haar succesvolste periode, met albums als “Stone the Crows” (1970) en “Ode to John Law” (1970) die lovende kritieken kregen.
Maggie Bell treedt soms nog op en blijft muziek maken (Joepie 16 januari 1979)


Leuk weetje dankzij dit artikel, Peter Koelewijn en zijn rol als uitgever, toen Donna Summer nog werkte in Europa.




Sheldon Allan Silverstein, beter bekend als Shel Silverstein, werd geboren op 25 september 1930 in Chicago, Illinois.
Hij groeide op in de wijk Logan Square en ontwikkelde al op jonge leeftijd een passie voor tekenen en schrijven.
In tegenstelling tot wat veel mensen denken, was hij niet alleen de componist van het nummer “The Ballad of Lucy Jordan,” maar een buitengewoon veelzijdig artiest: dichter, songwriter, muzikant, componist, illustrator, scenarist en schrijver van kinderboeken.
Silverstein begon zijn carrière in de jaren 50 tijdens zijn militaire dienst in Japan en Korea.
Daar tekende hij cartoons voor het militaire dagblad Stars and Stripes. Deze periode legde de basis voor zijn latere succes als illustrator.
Na zijn diensttijd keerde Silverstein terug naar Chicago en begon hij te werken voor verschillende tijdschriften.
Zijn doorbraak kwam in 1956 toen Hugh Hefner, de oprichter van Playboy, hem inhuurde als vaste cartoonist.
Zijn cartoons, bekend om hun scherpe humor en unieke stijl, werden een vast onderdeel van het magazine en droegen bij aan zijn groeiende bekendheid.
Hij zou meer dan 25 jaar voor Playboy werken.
In de jaren zestig verbreedde Silverstein zijn artistieke horizon en begon hij met het schrijven van kinderboeken.
Deze boeken, zoals The Giving Tree (1964), Where the Sidewalk Ends (1974) en A Light in the Attic (1981), werden wereldberoemd.
The Giving Tree was aanvankelijk afgewezen door veel uitgevers die het te verdrietig vonden voor kinderen.
Het werd uiteindelijk een van de meest geliefde en besproken kinderboeken aller tijden.
Zijn verhalen, vaak vergezeld van zijn eigen kenmerkende illustraties, waren geliefd om hun fantasierijke verhalen, humor en diepere boodschappen.
Zijn boeken zijn vertaald in meer dan 47 talen en er zijn wereldwijd meer dan 20 miljoen exemplaren van verkocht.
Naast zijn werk als illustrator en kinderboekenschrijver was Silverstein een begenadigd songwriter.
In 1969 schreef hij het nummer “A Boy Named Sue” voor Johnny Cash dat een wereldwijde een hit werd.
Dit humoristische lied, verteld vanuit het perspectief van een man die door zijn vader met een meisjesnaam is opgezadeld, won een Grammy Award voor Best Country Song.
Silverstein schreef later inderdaad een vervolg hierop, “The Father of a Boy Named Sue,” vanuit het perspectief van de vader.
Hij schreef ook het nummer “25 Minutes to Go” voor Johnny Cash, dat gaat over een ter dood veroordeelde die aftelt tot zijn executie
Silverstein schreef liedjes voor vele andere artiesten, waaronder The Irish Rovers (“The Unicorn”), Brothers Four, en Loretta Lynn.
Zijn succesvolste samenwerking was echter met de band Dr. Hook & The Medicine Show (later ingekort tot Dr. Hook).
Silverstein schreef alle nummers voor hun debuutalbum, Dr. Hook (1971), en een groot deel van hun opvolgende albums.
De single “Sylvia’s Mother”, een tragikomisch verhaal over een man die probeert zijn ex-vriendin telefonisch te bereiken, werd een internationale hit en bereikte in 1972 de vijfde plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100.
Voor Dr. Hook schreef Silverstein ook “The Ballad of Lucy Jordan” in 1974.
Hoewel het nummer oorspronkelijk door Dr. Hook werd opgenomen, bereikte het pas echt wereldfaam toen Marianne Faithfull het in 1979 coverde voor haar album Broken English.
Haar indringende vertolking van het melancholische verhaal over een huisvrouw die haar dromen ziet vervagen, werd een klassieker.
Faithfull’s versie werd later ook gebruikt in de films Thelma & Louise en Montenegro.
Eerder werd het nummer ook al gecoverd door Johnny Darrell (1975) en Lee Hazlewood (1976).
Hij kreeg 2 Grammy Awards en was genomineerd voor een Oscar en een Golden Globe.
Shel Silverstein overleed onverwacht aan een hartaanval op 10 mei 1999 in Key West, Florida, op 68-jarige leeftijd.
Silverstein werd in 2002 postuum opgenomen in de Nashville Songwriters Hall of Fame.
Ongelooflijk maar waar, rocklegende Rod Stewart mag vandaag maar liefst 80 kaarsjes uitblazen!
Terwijl de wereld zijn verjaardag viert, dwaal ik in gedachten af naar mijn eigen persoonlijke Rod Stewart-moment, een herinnering onlosmakelijk verbonden met één specifiek nummer: “Passion”.

Het nummer roept meteen beelden op van een vervlogen jeugdige verliefdheid.
In die tijd was mijn hart gestolen door een prachtige verschijning, een jonge vrouw die werkte in de lokale buurtwinkel in de Gentse Forestraat.
Elke boodschap werd een excuus om een glimp van haar op te vangen, haar glimlach te zien.
Uiteindelijk, na lang aarzelen, verzamelde ik al mijn moed en nodigde ik haar uit voor een avondje uit in het bruisende Gentse nachtleven.
Wat begon als een hoopvolle uitnodiging ontvouwde zich in een magische nacht.

Van het ene moment kwam het andere, en we verloren onszelf in elkaars gezelschap.
Het werd een nacht vol passie en tederheid, een herinnering die ik tot op de dag van vandaag koester.
En daar, in de vroege uurtjes, na de liefde bedreven te hebben, klonk “Passion” van Rod Stewart door de kamer.
Het nummer verankerde zich in mijn ziel, voor altijd verbonden met die bijzondere nacht.
De ochtend bracht echter een ontnuchterende onthulling.
Met een vanzelfsprekendheid vertelde ze me dat ze een vaste vriend had.
De klap kwam hard aan, een bittere pil in de nasleep van een zoete nacht. Het jonge hart, op de proef gesteld, kon niet anders dan de pijn voelen.

Nu, jaren later, kijk ik terug op die nacht met een mengeling van weemoed en dankbaarheid.
De pijn van toen heeft plaatsgemaakt voor waardering voor de intensiteit van de ervaring.
Het was een les in liefde, in de onvoorspelbaarheid van het leven, en in de kracht van muziek om herinneringen voor eeuwig vast te leggen.
Dankjewel, Rod, voor “Passion”, en voor de soundtrack bij een onvergetelijke nacht.
En proficiat met je 80ste verjaardag! Je muziek leeft voort, net als die mooie herinnering uit de Forestraat.

De Franse zangeres, auteur en componist Jeanne-Marie Sens, geboren op 8 december 1937 in Parijs.
Begon haar carrière in de late jaren 60 en bracht haar eerste single “Les Boots” uit in 1969.
Sens verwierf bekendheid in 1972 met haar cover van “Les Clowns” van Giani Esposito.
Haar muziek wordt gekenmerkt door een melancholieke, poëtische stijl en ze heeft kritiek op de toenemende dehumanisering van de wereld.
Haar bekendste nummers zijn onder andere: Tant et tant de temps, Tape Tape Tape, Un Dimanche, Jeu de mots, En plein Coeur en L’enfant Du 92e.
In totaal bracht ze acht albums uit en 19 singles.
Haar laatste muzikale wapenfeit was de single Jalousie uit 1984.
Daarna ging ze verder als zakenvrouw en focuste ze haar leven op het schrijven van verschillende boeken, waaronder romans, korte verhalen, gedichten en fotografie.
In de vroege jaren 90 richtte ze samen met Hubert Tonka de uitgeverij Sens & Tonka op.
De Nederlandse groep ontstond in 1970 uit een fusie van de groepen All Beat Generation en South River Village Band en waren afkomstig uit Assen.
Aanvankelijk speelde Hydra een mix van hardrock en underground, maar verschoof later richting de Nederlandstalige feestmuziek.
In 1974 brak Hydra door met het nummer “’t Geeft allemaal niks”, dat de 25e plaats behaalde in de Veronica Top 40.
Het echte succes kwam in januari 1975 met “Marietje (Want in het bos daar zijn de jagers)”.
Deze single stond drie weken op nummer één in de Nationale Hitparade en groeide uit tot een carnavalsklassieker.
In Vlaanderen was de single goed voor een negende plaats in de Brt Top 30.
Het jaar daarop scoorde de band opnieuw een hit met “Als het gras twee kontjes hoog is”, dat de vierde plaats bereikte.
De opvolgende singles “Hela Gij Bloemke” en “M’n Zwager” wisten de hitlijsten echter niet te halen.
Ten tijde van de grootste successen bestond Hydra uit zanger Frens Drijfhout, Fokko Kunstman, Gert Immerzeel, Anne Doedens en Richard Hartung.
Dan Hartman, was niet alleen de schrijver, maar ook de producer van deze discohit die hij samen zong met de krachtige stem van Loleatta Holloway, een Amerikaanse zangeres die we kennen van onder meer de nummers “Love Sensation”, “Hit and Run”, “Love Sensation” en de prachtige ballade “Cry To Me” uit haar debuutalbum met dezelfde titel en dit jaar ook al 45 jaar geleden uitgebracht in 1975.
Weet je trouwens dat “Love Sensation” later gesampled werd voor het nummer “Ride on Time” van Black Box en “Good Vibrations” van Marky Mark and the Funky Bunch?
Om dan nog maar te zwijgen, over de cover van Relight My Fire door de jongens van Take That met zangeres Lulu, waardoor het nummer terug hoog scoorde in de hitparade.
Eind verleden jaar, oktober 2024 bracht Cascada (geboren als Natalie Horler, Bonn, 23 september 1981) haar cover uit van deze dance klassieker.
Het nummer leverde Hartman en Holloway in België een zevende plaats op in de BRT Top 30, en in Nederland zelfs een indrukwekkende derde plaats in de Top 40.
Maar voordat hij de discowereld veroverde, liet Hartman in 1976 al van zich horen met zijn debuutsingle “High Sign”, die een veel ruiger geluid had.
Misschien verrassend, maar Hartman speelde in die beginjaren zelfs basgitaar in de band van Johnny Winter en was later gitarist en zanger bij de Edgar Winter Group!
De wereld leerde Hartman pas echt goed kennen in de hoogtijdagen van de disco, met name door zijn hit “Instant Replay” uit 1978.
Dit nummer bereikte in verschillende landen de top van de hitlijsten en wordt nog steeds gezien als een absolute discoklassieker.
Wist je dat de baslijn van “Instant Replay” geïnspireerd was door “Philadelphia Freedom” van Elton John?
In 1984 was het weer raak met “I Can Dream About You”, een nummer dat niet alleen hoog in de hitlijsten belandde, maar ook te horen was in de actiefilm “Streets of Fire” uit datzelfde jaar.
Hij schreef “I Can Dream About You” oorspronkelijk voor Hall & Oates, maar besloot het uiteindelijk zelf op te nemen!
Een jaar later, had hij terug een hit met het nummer We Are The Young.
In 1986, had hij een bescheiden hit met het nummer Waiting To See You.
Zowel “We Are The Young” als “Waiting To See You” kon in Nederland reken op radio steun, want beide waren toen goed als de Alarmschijven van de week.
Maar ondanks die steun, bleef het succes dus beperkt.
Helaas kwam er in 1994 een einde aan het leven en de carrière van Dan Hartman. Hij overleed namelijk op slechts 43-jarige leeftijd in Westport, Connecticut aan de gevolgen van een hersentumor (Joepie 9 december 1979).

De band, opgericht in 1977 in Sheffield, Engeland, ontleende zijn naam aan een sciencefiction-bordspel, StarForce: Alpha Centauri, waarin “The Human League” een van de politieke groeperingen was.
De oorspronkelijke line-up bestond uit Philip Oakey (zang, synthesizers), Martyn Ware (synthesizers), Ian Craig Marsh (synthesizers) en Adrian Wright (visuals, later synthesizers).
Reproduction, hun debuutalbum en uitgebracht in oktober 1979, wordt gekenmerkt door het prominente gebruik van synthesizers, drummachines en minimalistische arrangementen, een geluid dat destijds revolutionair was.
De muziek is donkerder en experimenteler dan het latere, meer pop-georiënteerde werk van de band, met duidelijk hoorbare invloeden van bands als Kraftwerk en de producties van Giorgio Moroder.
Hoewel het commercieel niet direct een groot succes was, kreeg het album lovende kritieken van de pers, maar niet van de Humo en wordt het dan ook beschouwd als een pionierswerk in de elektronische muziek.
In 1980, na interne conflicten over de muzikale richting, verlieten Ware en Marsh de band om Heaven 17 te vormen.
Oakey en Wright gingen verder dan The Human League en rekruteerden twee vrouwelijke achtergrondzangeressen, Susan Ann Sulley en Joanne Catherall, die ze ontdekten in een nachtclub in Sheffield.
Deze nieuwe line-up markeerde een verschuiving naar een meer pop-georiënteerd geluid en leidde tot het internationale succes van het album Dare (1981).


In Vlaanderen behaalden The Sugarhill Gang de derde plaats, en in Nederland veroverden ze zelfs de felbegeerde nummer 1-positie in de Top 40.
De productie van deze single was in handen van Sylvia Robinson.
De invloed van Sylvia Robinson op de ontwikkeling van de hiphop kan moeilijk overschat worden.
Naast haar rol als producer van “Rapper’s Delight”, was ze als artiest bekend van hits als “Love Is Strange” (1957 en dat later een comeback maakte in de film Dirty Dancing) en “Pillow Talk” (1973).
Bovendien schreef ze mee aan “The Message” van Grandmaster Flash and the Furious Five.
Haar bijdragen leverden haar dan ook de eretitel “moeder van de hiphop” op.
Robinson overleed op 29 september 2011.
The Sugarhill Gang bestond uit de leden Guy “Master Gee” O’Brien, Michael “Wonder Mike” Wright, en Henry “Big Bank Hank” Jackson.
De leden van The Sugarhill Gang waren geen doorgewinterde rappers toen ze Rapper’s Delight opnamen.
Sylvia Robinson rekruteerde hen min of meer uit de buurt, Big Bank Hank was bijvoorbeeld de manager van een pizzazaak!
Voor “Rapper’s Delight” gebruikten ze de instrumentale basis van Chic’s “Good Times”.
Deze onvermelde sampling leidde tot een rechtszaak aangespannen door componisten Nile Rodgers en Bernard Edwards, resulterend in een schikking waarbij Rodgers en Edwards alsnog erkenning en royalty’s ontvingen.
Rapper’s Delight was niet alleen een commercieel succes, het wordt ook beschouwd als het nummer dat hiphop introduceerde bij een breed publiek.

Gisteren nog vandaag
“Long Tall Glasses (I Can Dance)” bereikte nummer 4 in het VK Singles Chart en in Amerika was de single goed voor een negende plaats in de billboard top 100.
In Vlaanderen was de single dus goed voor een tweede plaats en in Nederland zelfs goed voor een eerste plaats.
Deze single is afkomstig van zijn tweede album “Just a Boy” verscheen in 1974 en het album bereikte de vierde plaats in het Britse Albums Chart.
Voor het album werkte hij samen met twee producers, namelijk:
De gekende ex-zanger Adam Faith, die begin jaren 70 een management voor artiesten was begonnen.
Sayer was toen een van zijn eerste klanten.
David Courtney, een songwriter, drummer en producer die met Faith samenwerkte.
Hij schreef ook mee aan de nummers op het album en dit samen met Sayer, die trouwens ook alle teksten schreef.
De arrangementen zijn geschreven door Del Newman.
Buiten het nummer Long Tall Glasses (I Can Dance), die als derde single uit kwam, verscheen er in Vlaanderen en Nederland nog twee andere singles uit het album, namelijk:
“One Man Band” en Bereikte toen nummer 6 in het VK Singles Chart.
In Vlaanderen Nederland bereikte het nummer niet de hitparade.
“Train” werd vreemd niet in het Verenigd Koninkrijk uitgebracht, maar wel dus in andere landen, waaronder Vlaanderen en Nederland.
Het nummer was in Vlaanderen goed voor een vijfentwintigste plaats en in Nederland deed het nummer beter en bereikte daar de vijftiende plaats.
Op dit album verscheen ook het door hem geschreven nummer Giving It All Away, die een groot succes was voor Roger Daltrey in 1973.
Voor het album werkte Sayer met de volgende muzikanten:
Gerry Conway: Drums
Alan Tarney: Basgitaar
Dave Courtney: Keyboards
Cliff White: Gitaar
De albumhoes van Just a Boy is ontworpen door Humphrey Butler-Bowdon, zijn oude leerkracht die hem les gaf aan op academie (Leo Sayer, eindelijk weer mezelf zijn uit de Joepie van 25 december 1974).

