Foto's, en reportages en voor 95 % niet terug te vinden op Google uit ons ver verleden, over Gent, Vlaanderen, film, muziek, sport, politiek en zoveel meer uit tijdschriften en kranten en jaarboeken. Vanaf de jaren 1900 tot en met gisteren. Meer foto's en artikelen terug te vinden op onze Fb groep Gisteren nog vandaag en de Fb groep Weetjes over popmuziek
In november 1980 gingen Benny Andersson en Anni-Frid Lyngstad, het tweede echtpaar van de wereldberoemde popgroep ABBA, al feitelijk uit elkaar.
Enkele maanden later, eind februari 1981, werd officieel bekendgemaakt dat hun huwelijk definitief was beëindigd en dat er een scheiding zou volgen.
Deze breuk vond plaats twee jaar na de scheiding van de andere helft van de groep, Björn Ulvaeus en Agnetha Fältskog.
Ondanks deze nieuwe persoonlijke crisis bleef de boodschap vanuit het hoofdkwartier duidelijk: de groep zou in elk geval blijven bestaan en de muzikale samenwerking werd niet beïnvloed door de privéproblemen.
Benny en Frida verklaarden dat hun besluit weloverwogen en in alle sereniteit was genomen.
Ze benadrukten dat het een persoonlijke kwestie betrof en dat zij als volwassenen tot een onderlinge oplossing waren gekomen.
Hoewel het voor de buitenwereld een grote schok was, gaven de groepsleden aan dat de eerdere breuk tussen Björn en Agnetha de werkrelatie binnen de band juist had verduidelijkt, omdat spanningen en wrijvingen uit de weg waren geruimd.
De geschiedenis leek zich nu te herhalen, waarbij de focus volledig op de professionele toekomst van het imperium kwam te liggen.
Tegelijkertijd deden er verschillende geruchten de ronde over de achtergrond van de breuk.
Er werd gespeculeerd over de rol van de Zweedse tv-journaliste Mona Nörklit, met wie Benny een nieuwe relatie zou zijn gestart.
Hoewel intimi aangaven dat deze romance niet de directe aanleiding was voor de scheiding met Frida, zorgde het nieuws voor veel beroering in de media.
Te midden van alle persoonlijke veranderingen bleven de artistieke plannen ongewijzigd, met vooruitzichten op een nieuwe televisieshow voor de Amerikaanse markt en de opname van een nieuwe single in de studio.
Ondanks de breuk bleven ze samenwerken binnen ABBA en brachten ze later in 1981 het album The Visitors uit.
Na de scheiding hertrouwde Benny Andersson al snel in 1981 met Mona Nörklit.
Steve Strange, de artiestennaam van Steven Harrington, staat te boek als een van de belangrijkste pioniers van de new romantic-beweging binnen de new wave.
Zijn passie voor muziek werd aangewakkerd na een concert van de Sex Pistols in 1976.
Dit zette hem er niet veel later toe aan om de club Blitz te openen in de Londense wijk Soho, waar hij een legendarisch streng deurbeleid voerde: alleen de meest creatief geklede bezoekers mochten naar binnen.
Zelfs een wereldster als Mick Jagger werd ooit geweigerd, omdat hij niet aan de strikte kledingvoorschriften voldeed.
Deze club groeide razendsnel uit tot de absolute hotspot voor de scene. Het was de plek waar bands zoals Duran Duran hun debuut beleefden en waar David Bowie persoonlijk figuranten kwam uitzoeken voor zijn videoclip Ashes to Ashes.
In 1979 vormde Strange zijn eigen band, Visage. Hun geluid was een innovatieve mix van futuristische synthesizers en dansbare ritmes, sterk beïnvloed door de elektronische klanken van Kraftwerk en de visuele flair van Bowie.
De grootste triomf van de band was de wereldhit Fade to Grey uit 1980.
De muziek voor dit nummer werd gecomponeerd door Christopher John Payne en Billy Currie.
De basis ontstond oorspronkelijk als een instrumentaal stuk onder de titel Toot City tijdens soundchecks van een tournee van Gary Numan in 1979, waar Payne en Currie deel van uitmaakten.
Midge Ure schreef uiteindelijk de songtekst en nam de productie voor zijn rekening.
Het nummer bevat een kenmerkende Franse stem, ingesproken door Brigitte Arens, en werd vergezeld door een iconische videoclip waarin Strange te zien is met zijn gezicht beschilderd in zilver en geometrische patronen.
In Vlaanderen was het een enorm succes in 1981 met een vierde plaats in de BRT Top 30, terwijl de single in Nederland opmerkelijk minder presteerde en niet verder kwam dan de tweeëntwintigste plaats in de Top 40.
Het succes bleek echter niet onfeilbaar; nadat hun derde album Beat Boy flopte, hield de band het in 1984 voor gezien.
De jaren daarna verliepen moeizaam voor Strange.
Hij kampte lange tijd met een zware heroïneverslaving, wat leidde tot ernstige financiële problemen en een wankele gezondheid.
Tijdens een dieptepunt in zijn leven werd hij zelfs gearresteerd voor het stelen van een Teletubbie-pop voor zijn neefje.
Hoewel hij later een comeback maakte met een nieuwe bezetting van Visage, kwam er in 2015 een einde aan zijn bewogen leven toen hij op 55-jarige leeftijd overleed aan een hartinfarct in de Egyptische badplaats Sharm el-Sheikh.
Ter gelegenheid van zijn toen zeventigste verjaardag vond hij het na vijftig jaar liedjes schrijven voor anderen de hoogste tijd om zelf een album uit te brengen.
Het werd zelfs een dubbel-cd onder de titel Roaring 2020.
Hoewel zijn naam misschien niet bij iedereen meteen een belletje doet rinkelen, is zijn werk ongetwijfeld bekend.
Zo schreef hij de tekst van ‘Vreemde Vogels’, de zomerhit van Claire uit 1973 die nog altijd staat als een huis.
Daarnaast schreef hij nummers voor namen als Johan Verminnen, Kris De Bruyne, Ann Christy en Miek en Roel.
Ook voor Rob de Nijs was hij een belangrijke schakel; Walter werkte mee aan diens album ‘Tussen Zomer En Winter’ uit 1977.
Rob de Nijs verbleef destijds enkele weken in Gent in 1976, voor de voorbereiding, en was toen bijna elke avond aanwezig in de Hotsy Totsy.
De hoes van dat album is overigens een kunstwerk van de Gentse kunstenaar Frank Liefooghe.
Ook als producer liet Walter zijn sporen na in samenwerkingen met Roland, de Skyblasters en Zaki.
Zijn creativiteit reikte echter verder dan muziek alleen; samen met Herwig Deweerdt maakte hij de film Jacques Brel aux Marquises en tot 2001 verzorgde hij een column in het Radio 1-programma ‘Het Einde van de Wereld’.
Bovendien was hij de drijvende kracht achter de Waterfront Galerie op Meulestede in Gent.
Dat was ook de plek waar Hotsy Totsy in 1998 een groot feest gaf ter gelegenheid van ons 25-jarig bestaan, gecombineerd met een tentoonstelling in de galerie.
Voor zijn eigen muzikale project werkte hij samen met componist Yves Meersschaert en liet hij zich omringen door het kruim van de Gentse muziekscene, met bijdragen van onder anderen Roland, Steven De bruyn, Bart Maris en Edward Buadee.
De zussen McGarrigle groeiden op in een gezin waar zowel de Angelsaksische als de Frans-Canadese cultuur een belangrijke rol speelde.
Die tweetaligheid vormde de rode draad in hun muziek.
Eind jaren zestig vormden de toen begin twintigjarige Anna en haar bijna twee jaar jongere zus Kate een duo.
In 1976 braken ze wereldwijd door met de klassieker Complainte pour Sainte-Catherine.
Dit eigenzinnige nummer, over de metro van Montreal en de mensen die daar de ijzige kou ontvluchten, haalde in Vlaanderen de hitlijsten niet.
In Nederland werd het echter een succes met een zeventiende plaats in de Top 40.
Gedurende hun carrière namen de zussen tien albums op, variërend van Engelstalig werk tot Franse chansons.
Met het album French Record (Entre Lajeunesse et la Sagesse) maakten ze in 1980 een prachtig gebaar naar de Franstalige bevolking van Quebec.
Hun talent bleef niet onopgemerkt bij collega-artiesten; iconen als Linda Ronstadt, Emmylou Harris en Marianne Faithfull namen covers op van hun nummers, waaronder The Work Song en Heart Like a Wheel.
Hoewel het succes groot was, kozen de zussen er bewust voor om hun gezin voorrang te geven boven een nog grotere internationale carrière.
De muzikale genen werden echter succesvol doorgegeven.
Uit het huwelijk tussen Kate McGarrigle en singer-songwriter Loudon Wainwright III kwamen twee kinderen voort, Rufus en Martha Wainwright, die inmiddels beiden zelf een indrukwekkende muzikale loopbaan hebben opgebouwd.
Het leven van Kate nam een zware wending toen er in de zomer van 2006 sarcoom bij haar werd vastgesteld, een zeldzame vorm van kanker.
Ondanks haar ziekte bleef ze tot het laatst toe verbonden met de muziek.
In december 2009 stond ze voor het laatst op het podium in de Londense Royal Albert Hall, waar ze samen met haar zoon en dochter optrad tijdens het concert A Not So Silent Night.
Op 18 januari 2010 kwam ze op 63-jarige leeftijd te overlijden.
Julien Clerc, geboren als Paul Alain August Leclerc, groeide op in een wereld van uitersten.
Aan de ene kant was er de gedisciplineerde opvoeding in een groot landhuis in Bourg-la-Reine bij zijn vader, een professor bij UNESCO, waar discipline en traditie de boventoon voerden.
Aan de andere kant was er het bruisende Parijs van zijn moeder, waar de jonge Paul zich pas echt vrij voelde.
De wortels van zijn moeder in Guadeloupe gaven hem de bron voor zijn temperament en de creativiteit die later zijn muziek zou kenmerken.
Tijdens zijn middelbareschooltijd vond hij een zielsverwant in Maurice Momo Vallet, met wie hij de liefde voor sport, literatuur en muziek deelde, variërend van Charles Aznavour tot The Beatles.
Wanneer Paul in 1966 in Parijs rechten gaat studeren aan de Sorbonne, ontmoet hij in een café tekstschrijver Etienne Roda-Gil.
Het drietal droomt van succes, maar daarvoor moet er eerst een artiestennaam komen.
Na suggesties als Paul Le Rock en Joe Leclerc valt de keuze definitief op Julien Clerc.
Na een aanvankelijke afwijzing bij CBS Records zorgt een toevallige ontmoeting op een feest van UNESCO voor de ommekeer.
Julien mag auditie doen bij Pathé-Marconi en krijgt zijn eerste contract.
In 1968 verschijnt zijn eerste single La Cavalerie en niet veel later staat hij in het voorprogramma van Adamo.
De echte grote doorbraak volgt in 1970 wanneer hij de hoofdrol speelt in de Franse versie van de musical Hair.
Het publiek is verkocht en Julien Clerc groeit uit tot een waar tieneridool dat wekenlang in een steevast uitverkocht Olympia in Parijs staat.
In de jaren zeventig verovert Julien ook Nederland en Vlaanderen. Na successen als Ce Nest Rien en Si On Chantait bereikt hij in 1976 de absolute top met This Melody, dat op nummer een belandt in de hitlijsten.
Hij trouwt met actrice Miou Miou, met we wie hij twee dochters krijgt, en knipt zijn iconische wilde krullen af.
Hoewel hij later breekt met zowel zijn vrouw als zijn vaste schrijvers Momo en Roda-Gil, blijft het succes aanhouden.
Hij werkt samen met iconen als Serge Gainsbourg en Françoise Hardy, terwijl albums in Frankrijk met platina worden bekroond.
In 1987 scoort hij bij ons opnieuw een grote hit met het vrolijke Helene, een weerspiegeling van het geluk in zijn nieuwe huwelijk met Virginie Couperie.
Juliens leven blijft in beweging, zowel muzikaal als persoonlijk.
Na een reis door Afrika wordt hij in 2003 benoemd tot speciaal ambassadeur van de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties.
Hij vindt uiteindelijk nieuw geluk bij de schrijfster Helene Gremillon en wordt op 61-jarige leeftijd opnieuw vader van zoon Leonard.
Rond die tijd neemt hij met Rob de Nijs, die in dezelfde levensfase ook weer vader wordt, een nieuwe versie op van zijn oude hit This Melody.
Naast zijn eigen werk blijft hij zich inzetten voor Les Enfoirés en de daklozenorganisatie Restos du Coeur.
Met zijn nieuwste album Une Vie uit 2025 bewijst hij dat zijn passie onverminderd groot is.
Om zijn vijftigjarige carrière te vieren, start hij in 2026 een grote tournee die hem langs de grootste zalen van Frankrijk en België voert, een ode aan een leven dat volledig in het teken staat van de muziek.
Gisteren nog vandaag
Julien Clerc is roddelpraatjes beu (Joepie 16 april 1975)
Gisteren nog vandaag
Kluizenaar Julien Clerc in de Joepie van 23 oktober 1978
Gisteren nog vandaag
Julien Clerc, klagen is dom en puur tijdverlies (Joepie 6 maart 1983)
Zijn carrière begon toen hij begin jaren zeventig een advertentie plaatste waarin hij zichzelf aanbood als drummer.
Paul Stanley en Gene Simmons reageerden op zijn oproep voor hun groep Wicked Lester.
Met die band namen ze een album op, al zou dit pas in 2002 verschijnen. De echte doorbraak kwam in 1974, toen het drietal – inmiddels aangevuld met Ace Frehley – onder de naam KISS hun debuutalbum uitbracht.
Peter Criss, geboren onder de naam George Peter John Criscuola, groeide op in Brooklyn als vriend van Jerry Nolan (New York Dolls).
Hij kreeg les van zijn idool Gene Krupa.
Die jazzachtergrond gaf KISS een unieke swing, wat hem een eervolle dertiende plaats oplevert in mijn lijst van beste drummers aller tijden.
Toch moeten we eerlijk zijn: die dertiende plek is relatief.
Zijn opvolger Eric Carr, geboren als Paul Charles Caravello, was technisch gezien namelijk een veel betere drummer.
Criss moest het vooral hebben van zijn karakteristieke stijl en uitstraling.
Binnen de KISS-mythologie was zijn personage, de Catman, onmisbaar. Volgens de overlevering koos Peter voor de kat omdat hij zichzelf zag als iemand met negen levens die altijd op zijn pootjes terechtkwam.
De Catman bracht een zachtere, meer mysterieuze energie naar de band. Juist die menselijke kwetsbaarheid achter het masker maakte hem bij veel fans het meest geliefde lid.
De verstandhouding met de overige bandleden vertoonde na een auto-ongeluk in 1978 serieuze barsten.
Peter kampte in die tijd ook met alcoholisme en drugsgebruik. In datzelfde jaar brachten alle vier de bandleden tegelijkertijd een soloalbum uit.
Het gelijknamige album van Criss, met singles als You Matter to Me, liet een heel andere kant van hem horen.
Zijn solowerk neigde naar rhythm-and-blues en soul, wat duidelijk afweek van de hardrockrichting van de band.
In oktober 1980 blikte Criss in het blad Joepie eerlijk terug op deze periode.
Hij gaf toe dat hij een onverschillige houding had aangenomen die niet eerlijk was tegenover de andere groepsleden.
Hij schaamde zich zelfs voor zijn vroegere superstar-maniertjes, zoals het uitschelden van personeel als zij om drie uur ’s nachts in Texas geen kaviaar voor hem konden regelen.
De enorme druk van tournees met soms negentig concerten in enkele maanden werd hem simpelweg te veel.
Hoewel hij later op albums als Dynasty (1979) en Unmasked (1980) nauwelijks of zelfs helemaal niet meer meespeelde, bleef hij als zanger verantwoordelijk voor een aantal van de grootste successen.
Zijn allergrootste succes blijft Beth, een nummer dat hij schreef samen met Bob Ezrin en Stan Penridge.
De single werd in 1976 de enige Amerikaanse top 10-hit voor KISS.
Ook nummers als Black Diamond en Hard Luck Woman groeiden uit tot fan favourites.
Dat laatste nummer was door Paul Stanley eigenlijk voor Rod Stewart geschreven, maar op aandringen van Gene Simmons mocht Peter het inzingen.
Na zijn vertrek bracht hij zijn eerste echte soloplaat Out of Control uit, een mengeling van popballades en bluesy rock met veel saxofoon.
Hij probeerde in die tijd incognito te leven in New York met een baard en een donkere zonnebril.
Achter de schermen was zijn privéleven minstens zo bewogen. Peter is drie keer getrouwd geweest en vond na huwelijken met Lydia Di Leonardo en Debra Jensen (moeder van zijn dochter Jenilee) uiteindelijk het geluk bij Gigi Criss.
Zij was zijn steun toen hij in 2008 borstkanker overwon. Peter ontdekte de ziekte zelf na het sporten en is sindsdien een voorvechter van vroege detectie bij mannen.
Naast de muziek zocht Peter de schijnwerpers op als acteur. In 2002 maakte hij indruk door een gevangene te spelen in de rauwe serie Oz.
Later, in 2009, vertolkte hij de rol van Mike in de film Frame of Mind. Deze uitstapjes lieten zien dat er achter het drumstel een veelzijdig artiest schuilde.
Na jaren van vertrek, succesvolle reünies en ruzies over salarissen, nam Peter in 2003 definitief afscheid van de band.
Dat Eric Singer daarna zijn Catman-make-up overnam, zorgde voor veel woede bij de fans; voor hen kan er immers maar één echte Catman zijn.
In 2014 kreeg hij de ultieme erkenning met een plek in de Rock And Roll Hall Of Fame.
Zijn muzikale reis begon nochtans klassiek; als jong kind volgde hij lessen aan het conservatorium op de accordeon en klarinet.
Die wereld veranderde echter volledig toen hij de Amerikaanse rock-‘n-roll ontdekte.
Geïnspireerd door iconen als Elvis Presley en Bill Haley ruilde hij zijn klassieke instrumenten in voor een gitaar.
In de vroege jaren 60 vormde hij zijn band The King Creoles.
Ze maakten furore met instrumentale nummers die sterk deden denken aan de stijl van The Shadows en The Ventures.
Blanca stond al snel bekend om zijn virtuoze spel op de Fender Stratocaster, wat hem in eigen land de bijnaam de Belgische Elvis opleverde.
Wat zijn carrière echter uniek maakte, was zijn enorme succes over de taalgrens.
In 1961 werd zijn talent opgemerkt door het grote Franse label Pathé-Marconi.
Hij verhuisde naar Parijs, speelde in de legendarische club Golf Drouot en deelde in 1962 het podium van de Olympia met internationale grootheden zoals Gene Vincent.
Toen de muzikale trends in de jaren zeventig veranderden, bleef Blanca trouw aan zijn wortels.
Hij nam in dat decennium verscheidene rock-‘n-roll-albums op met zijn eigen versies van bekende songs uit het genre.
Zijn status als gerespecteerd muzikant werd bevestigd door de artiesten voor wie hij het voorprogramma mocht verzorgen.
Dit waren niet de minsten: hij opende voor legendes als Chuck Berry, Jerry Lee Lewis, Bill Haley, Gary Glitter en de Frans-Belgische rocker Johnny Hallyday.
De jaren tachtig brachten een enorme commerciële heropleving. In het begin van dit decennium ging Burt Blanca een samenwerking aan met Lou Deprijck, de producer achter Plastic Bertrand en Two Man Sound.
Dit resulteerde in de single Touche Pas à Mon R.N.R., waarmee hij de hitlijsten veroverde.
Maar daar bleef het niet bij. In 1983 richtte hij de band The Klaxons op.
Samen met zijn vrienden Jean-Marie Troisfontaine en Roger Verbestel schreef hij de megahit Clap, Clap Sound.
Het nummer werd een fenomenaal succes en haalde in verscheidene landen de top van de hitparade.
In Zuid-Afrika stond de single maar liefst 25 weken op nummer 1.
Het leverde hen verscheidene keren platina en zelfs diamant op.
Ook in het nieuwe millennium bleef hij actief en veelzijdig.
In januari 2004 maakte hij een uitstapje naar televisie door deel te nemen aan de opnamen van de populaire VTM-serie Familie.
Datzelfde jaar was ook op muzikaal vlak bijzonder: in juni 2004 gaf hij opnieuw een concert in de Olympia in Parijs en vierde hij zijn 45-jarige carrière met een optreden in de Ancienne Belgique.
Burt Blanca, inmiddels Ridder in de Orde van Leopold II, blijft de geschiedenis ingaan als de man die de elektrische gitaar in België populariseerde, internationale successen boekte van Parijs tot Zuid-Afrika, en zijn hele leven in dienst stelde van de rock-‘n-roll.