30 jaar geleden, reclame voor zaklampen van het merk Maglite

Mag Instrument, het bedrijf achter de bekende Maglite-zaklampen, kent een geschiedenis die onlosmakelijk verbonden is met de oprichter, Anthony Maglica.

Maglica werd geboren in New York, groeide op in Europa en keerde in de jaren vijftig terug naar de Verenigde Staten met nauwelijks kennis van de Engelse taal, maar met een enorme gedrevenheid.

In 1955 begon hij in Los Angeles een kleine machinewerkplaats met slechts een draaibank en een bescheiden startkapitaal.

Zijn bedrijf produceerde aanvankelijk precisieonderdelen voor de industrie, de ruimtevaart en het leger.

Deze achtergrond in precisietechniek legde de fundering voor zijn latere successen.

In 1979 introduceerde Mag Instrument de allereerste Maglite. Maglica had als doel een product te ontwerpen dat robuust en betrouwbaar genoeg was voor de veeleisende omstandigheden van politieagenten, brandweerlieden en andere hulpverleners.

De zaklamp werd vervaardigd uit geanodiseerd aluminium, waardoor deze extreem duurzaam bleek.

Dit ontwerp viel direct op in een markt die op dat moment werd gedomineerd door kwetsbare plastic modellen.

Een ander opvallend kenmerk was de mogelijkheid om de lichtbundel aan te passen door aan de kop te draaien, een innovatie die al snel de standaard werd binnen de industrie.

De introductie van de kleinere Mini Maglite in 1984 zorgde voor een definitieve doorbraak bij het grote publiek.

Deze compacte variant bood dezelfde bouwkwaliteit en functionaliteit, maar paste gemakkelijk in een jaszak of dashboardkastje.

De zaklampen groeiden al snel uit tot een wereldwijd symbool van Amerikaans vakmanschap en betrouwbaarheid.

Het bedrijf hecht er bovendien veel waarde aan om de productie volledig in de Verenigde Staten te houden.

Vanuit de fabriek in Ontario, Californië, blijft Mag Instrument trouw aan de oorspronkelijke visie van zijn oprichter, waarbij kwaliteit, degelijkheid en innovatie nog steeds centraal staan.

Wat Anthony Maglica’s persoonlijke verhaal zo bijzonder maakt, is dat hij in november 1930 in New York werd geboren, tijdens de Grote Depressie, maar als peuter met zijn moeder naar Kroatië verhuisde, haar thuisland.

Hij bracht zijn jeugd door op het eiland Zlarin en maakte daar de verwoestingen van de Tweede Wereldoorlog mee.

Pas in 1950 vluchtte hij terug naar Amerika. Hij sprak destijds geen woord Engels en leerde de taal door elke dag een paar nieuwe woorden in zich op te nemen terwijl hij allerlei baantjes aannam.

Het bescheiden startkapitaal voor zijn eerste werkplaats bedroeg precies 125 dollar, net genoeg voor de aanbetaling van zijn allereerste draaibank.

Ondanks dat hij inmiddels 95 jaar oud is, heeft Anthony Maglica de touwtjes nog steeds strak in handen.

Er is bij Mag Instrument dan ook geen sprake van een externe directie of overname; het is altijd een onafhankelijk bedrijf gebleven dat stevig binnen de familie verankerd ligt.

Als eigenaar en president weigert Maglica resoluut om een stap terug te doen.

Met een ongekende werkethiek stuurt hij de onderneming nog elke dag aan en hij staat erom bekend dat hij persoonlijk elk nieuw productontwerp inspecteert voordat het op de markt wordt gebracht.

Tegenwoordig is Mag Instrument een miljoenenbedrijf met een uiterst solide financiële toestand.

De geschatte jaaromzet van de onderneming schommelt tussen de honderd en ruim tweehonderdvijftig miljoen dollar, wat de absolute onafhankelijkheid van het merk verder onderstreept.

In lijn met dit onafhankelijke karakter is het bedrijf dus niet aanwezig op de beurs, waardoor het zonder druk van externe aandeelhouders volledig zijn eigen koers kan blijven varen.

Het bedrijf biedt werk aan ongeveer vijfhonderd tot duizend werknemers.

Wat bijzonder is aan de werking van deze wereldwijde speler, is de strikte scheiding tussen de productie enerzijds en de internationale verkoop anderzijds.

Alle productiearbeiders wonen en werken in de Verenigde Staten, omdat Maglica weigert de fabricage naar goedkopere landen te verplaatsen.

Tegelijkertijd heeft het merk een indrukwekkend distributienetwerk uitgebouwd in Europa en de rest van de wereld.

In deze regio’s werkt Mag Instrument uitsluitend met lokale verkoopteams, vertegenwoordigers en distributeurs die de producten in de markt zetten.

Hierdoor is de Maglite overal ter wereld vlot verkrijgbaar, van gespecialiseerde Europese outdoorwinkels tot internationale politiekorpsen, terwijl het kloppende hart van het bedrijf onveranderd in Californië blijft liggen.

Hoewel het bedrijf in essentie is gebouwd rond de klassieke zaklamp en dit product nog steeds de kern van hun bestaan vormt, heeft Mag Instrument zich door de jaren heen niet beperkt tot slechts één model.

Het bedrijf heeft zijn expertise in precisietechniek en aluminiumbewerking gebruikt om het assortiment aanzienlijk te verbreden naar andere verlichtingsoplossingen en toepassingen.

Naast de traditionele modellen produceert het bedrijf tegenwoordig ook een breed scala aan specifieke verlichting voor uiteenlopende sectoren.

Dit omvat onder meer tactische verlichting die specifiek is ontworpen voor gebruik door wetshandhavingsinstanties en militaire eenheden, waarbij extra eisen worden gesteld aan de robuustheid en de lichtopbrengst.

Daarnaast bieden ze geavanceerde, compacte, oplaadbare varianten aan voor dagelijks gebruik en gespecialiseerde werklampen voor professionals in de bouw of de auto-industrie.

Buiten de zaklampen zelf richt Mag Instrument zich op het creëren van een compleet ecosysteem rondom hun producten.

Dit vertaalt zich in de productie van talloze accessoires, variërend van oplaadstations en vervangbare onderdelen tot filters en montagebeugels waarmee de lampen bijvoorbeeld aan voertuigen of uitrusting kunnen worden bevestigd.

Bovendien zet het bedrijf zijn eigen technologie en patenten in voor andere doeleinden die direct voortkomen uit hun productieprocessen.

Omdat ze beschikken over een hoogwaardig machinepark voor metaalbewerking, worden onderdelen en componenten ook buiten de eigen zaklampenlijn geproduceerd.

Toch blijft de focus onveranderd liggen op producten die profiteren van dezelfde hoge kwaliteitsstandaarden die het merk wereldberoemd hebben gemaakt.

80 jaar geleden, reclame voor cognac van het merk Staub

Cognac Staub was een historisch drankenmerk dat zijn oorsprong vond in de negentiende eeuw, toen het werd opgericht door Auguste Staub.

Het huis vestigde zich in de beroemde Franse Charente-streek en groeide al snel uit tot een gerespecteerde naam binnen de wereld van de distillaten.

Wat dit merk destijds zo bijzonder maakte, was niet alleen de zorgvuldige rijping van de drank zelf, maar vooral de vooruitstrevende manier waarop de producent de cognac aan de man bracht.

In de late negentiende en vroege twintigste eeuw investeerde Auguste Staub namelijk stevig in opvallende en kleurrijke reclamecampagnes.

Deze artistieke posters en postkaarten bepaalden destijds het straatbeeld tijdens de Belle Époque en vormden later waardevol materiaal voor archivarissen en verzamelaars van historische documenten.

Ook na de woelige oorlogsjaren zette het drankenmerk zijn marketingtraditie voort, zoals bleek uit een specifieke reclameboodschap uit juni 1946.

Op deze publicatie prijkte een Brussels adres in de Van Lintstraat nummer negenendertig, gelegen in de gemeente Anderlecht.

Dit was toen de hoofdzetel van de exclusieve Belgische importeur.

Grote Franse drankhuizen werkten in die periode vrijwel altijd met nationale agenten die de verdeling voor het hele land op zich namen.

Vanuit dit centrale depot in de hoofdstad vertrokken de flessen en het bijbehorende promotiemateriaal naar lokale wijnhandelaren, slijterijen en horecazaken in heel België.

De advertentie bevatte tevens een hoopvolle Franse slagzin die verwees naar een dag die ooit zou komen.

In de vroege zomer van negentienzesenveertig, vlak na de Tweede Wereldoorlog, waren luxeproducten zoals Franse cognac immers nog uiterst schaars en streng gerantsoeneerd door hardnekkige logistieke problemen aan de grenzen.

Met deze melancholische woorden speelde de Brusselse distributeur slim in op het diepe verlangen naar betere tijden, waarin de consument weer vrijuit kon genieten van de vertrouwde luxe van voor de oorlog.

Het was een doordachte manier om de merknaam warm te houden in het bewustzijn van het publiek, terwijl men wachtte tot de bevoorrading vanuit de Charente weer op volle toeren draaide.

Hoewel het cognachuis de tand des tijds uiteindelijk niet op dezelfde schaal doorstond als de grootste giganten in de sector, bleef de rijke geschiedenis van Auguste Staub nog lang voortleven via de zeldzame flessen en antieke affiches die geliefde objecten werden op internationale veilingen.

80 jaar geleden, reclame voor de winkel La Voix de son maître

De winkel van La Voix de son maître, vaak beter bekend onder de Engelstalige naam His Master’s Voice of HMV, bevond zich destijds op huisnummer veertien in de Koningsgalerij in Brussel.

Het merk zelf vond zijn oorsprong eind negentiende eeuw, toen de Amerikaan William Barry Owen in Londen The Gramophone Company oprichtte en in 1899 een befaamd schilderij van de Britse schilder Francis Barraud kocht.

Dat schilderij, waarop het hondje Nipper in de hoorn van een fonograaf kijkt, werd in 1909 het officiële logo voor de platenlabels van het bedrijf.

In 1921 opende de allereerste eigen HMV-winkel in de Londense Oxford Street, waarna al snel internationale filialen volgden.

Het Britse moederbedrijf gebruikte in Franstalige gebieden steevast de vertaling La Voix de son maître om de lokale markt beter aan te spreken.

Uit oude Brusselse tijdschriften en archieven blijkt dat het filiaal in de Galerie du Roi al in de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw een grote aantrekkingskracht uitoefende op muziekliefhebbers en verzamelaars van geluidsdragers.

In de chique setting van de galerij verkocht de winkel niet alleen de allernieuwste 78-toerenplaten van hun eigen label, maar ook van concurrenten zoals Columbia, Polydor en Brunswick.

Daarnaast was het een belangrijke verdeler van de destijds zeer moderne grammofoons en radiotoestellen.

De zaak pakte regelmatig uit met advertenties waarin ze gratis thuisdemonstraties aanboden, zodat klanten in hun eigen luisteromgeving overtuigd konden raken van de geluidskwaliteit.

Naast deze prestigieuze winkel in de Koningsgalerij had het merk in diezelfde periode overigens nog een tweede Brussels filiaal aan de Maurice Lemonnierlaan.

Het specifieke pand in de Koningsgalerij heeft na het vertrek van La Voix de son maître nog lang een muzikale bestemming behouden.

Vele jaren later, tijdens de hoogtijdagen van de elpee en de cd, was op exact hetzelfde adres de platenzaak Music Way gevestigd.

Toevallig is de naam HMV sinds april van dit jaar na lange afwezigheid weer terug in het Brusselse straatbeeld, ditmaal met een ruime nieuwe vestiging in het winkelcentrum City2.

Gisteren nog vandaag

45 jaar geleden, reclame voor de verzamelaar Hit Singles Volume 8 (mei 1981)

Het nummer ‘Stars On 45’ was een legale bewerking van een illegale 12-inch-single van Alto Passion, waarop originele opnamen van diverse artiesten, waaronder The Beatles, tot een medley waren gesmeed.

Toen Willem van Kooten deze illegale plaat in handen kreeg, gaf hij producer Jaap Eggermont de opdracht om er een officiële versie van te maken.

Voor de zangpartijen werd een indrukwekkend team samengesteld.

Smile-zanger Bas Muys nam de stem van John Lennon voor zijn rekening, en hij deed dat zo overtuigend dat Julian Lennon ooit opmerkte dat de stem van Muys meer op die van zijn vader leek dan die van hemzelf.

Hans Vermeulen kroop in de huid van George Harrison, terwijl Okkie Huysdens te horen was als Paul McCartney.

Daarnaast leverden ook Albert West, Tony Sherman, Arnie Treffers, Okkie Huysdens, en Jody Pijper een bijdrage aan het project.

Het resultaat was een ongekend wereldwijd succes.

In 1981 werden er van deze eerste single meer dan 5 miljoen exemplaren verkocht.

Op 20 juni 1981 bereikte de plaat de eerste plaats in de Amerikaanse Billboard Hot 100, een prestatie die werd beloond met een platina-status voor de verkoop van meer dan een miljoen stuks in de Verenigde Staten alleen al.

Uiteindelijk voerde de single de hitlijsten aan in minstens een dozijn landen, waaronder Nederland, Duitsland, Canada en Australië.

Het succes breidde zich dat jaar razendsnel uit met een volledig album en verschillende vervolgsingles.

Het eerste album, in de VS uitgebracht als Stars on Long Play, was een internationaal fenomeen waarvan meer dan 2,5 miljoen exemplaren over de toonbank gingen.

Na de Beatles-medley volgden in 1981 nog meer hits, zoals de Abba-medley, Stevie Wonder-medley en Frank Sinatra-medley.

Deze opvolgers domineerden eveneens de hitlijsten en droegen bij aan een indrukwekkend totaalplaatje.

De totale verkoop van alle Stars on 45-releases in 1981 wordt wereldwijd geschat op ruim 10 tot 15 miljoen eenheden.

Gisteren nog vandaag

45 jaar geleden, reclame voor Chu Pops

De geschiedenis van de muzikale kauwgom Chu Pops, in Amerika bekend als Chu-Bops, begon aan het begin van de jaren tachtig, toen producent Amural Products Company een unieke verzamelrage ontketende.

Tussen 1980 en 1983 bracht dit bedrijf miniatuurversies uit van destijds razend populaire lp-hoezen.

Het succes waaide al snel over naar Europa, waar importeur Ets Charlier uit Antwerpen de distributie voor de Lage Landen op zich nam.

Onder de enthousiaste slagzin dat de hit uit Amerika nu ook bij ons verkrijgbaar was, veroverde het product in mei 1981 de markt in onder andere Nederland, Luxemburg, Duitsland en Frankrijk.

Het concept was even eenvoudig als doeltreffend. Voor een klein bedrag kochten jongeren bij kiosken en platenzaken een kartonnetje van vierenhalve vierkante centimeter dat exact leek op een echte vinylplaat.

Binnenin dit miniatuur-album zat een felroze stuk kauwgom in de vorm van een grammofoonplaat, inclusief nagemaakte groeven.

Een extra verrassing wachtte aan de binnenzijde van het openklapbare hoesje, waar de songtekst van de grootste hit van het album stond afgedrukt.

Wie bijvoorbeeld het album Voulez-vous van ABBA bemachtigde, vond daarin de complete tekst van het bekende nummer ‘Does your Mother know’.

De marketing achter de kauwgom speelde perfect in op de verzamelwoede van de jeugd.

Er werd gewerkt met opeenvolgende reeksen die telkens acht nieuwe albums van actuele sterren bevatten.

De allereerste serie die in onze regio op de markt kwam, bestond uit een gevarieerde mix van wereldberoemde pop- en rockacts, waaronder Dire Straits, Kiss, Roxy Music, Billy Joel, Blondie, Sheila en twee verschillende albums van ABBA.

Later volgden nog speciale thematische series rondom iconen zoals Elvis Presley en The Beatles.

Om al deze schatten netjes te bewaren, konden fans een speciaal Chu Pops-verzamelalbum aanschaffen, waarin precies zestien hoesjes overzichtelijk konden worden opgeborgen.

Verzamelaars werden destijds al gewaarschuwd dat ze snel moesten toeslaan.

Zodra er na twee maanden een nieuwe reeks verscheen, stopte de fabrikant direct met de productie van de vorige serie.

Hierdoor veranderden oude hoesjes in korte tijd in schaarse rariteiten.

De advertenties uit die tijd gaven de jeugd dan ook de tip om dubbele exemplaren goed te bewaren voor ruilhandel, met de belofte dat de waarde van dag tot dag zou stijgen.

Die voorspelling is decennia later werkelijkheid geworden. De nostalgische hoesjes, en dan met name de zeldzame exemplaren die na al die jaren nog ongeopend zijn, inclusief de originele kauwgom, zijn tegenwoordig gezochte en waardevolle objecten onder verzamelaars van popmemorabilia.

Weltruf: Gentse radio’s en televisies uit de Zinniastraat

De geschiedenis van Weltruf in de Zinniastraat in Gent is nauw verbonden met de opkomst van de radio en het modernisme in de twintigste eeuw.

In het pand op nummer 1, gelegen in de wijk Brugsepoort-Rooigem, was de firma Etablissements Van Den Weghe gevestigd.

Dit bedrijf combineerde houtbewerking met de assemblage van elektronica.

Omdat Weltruf in de Zinniastraat hoofdzakelijk fungeerde als een assembleur en verdeler, gebruikten zij vaak chassis en onderdelen van grotere fabrikanten uit die tijd, zoals Barco, Siera of Philips.

In het eigen atelier werden houten kasten vervaardigd waarin deze onderdelen werden ingebouwd, om vervolgens als complete radiomeubels en platenspelers onder de eigen merknaam Weltruf te worden verkocht.

Later werd het aanbod uitgebreid met televisietoestellen.

Naast het atelier op nummer 1 diende de locatie op nummer 37 als een bijkomend verkooppunt en toonzaal waar klanten rechtstreeks de geassembleerde toestellen konden aanschaffen.

Ook de nabijgelegen firma Supermoderne aan de Boerderijstraat 85 fungeerde als toonzaal en officieel verkooppunt voor de apparatuur uit het atelier.

De sterke lokale verankering van deze zaken bleek onder meer uit de betrokkenheid bij de wielersport.

Een feitelijk bewijs hiervan is de overwinning van Rik Van Steenbergen en Emile Severeyns in de Gentse Zesdaagse van 1956 in ’t Kuipke.

Deze foto waarop Van Steenbergen een Radio-Pick-up van Weltruf in ontvangst neemt bij Supermoderne in de Boerderijstraat, bevestigt dat deze toestellen als prestigieuze prijzen werden geschonken.

Ook op de Gentse Jaarbeurs in het Floraliënpaleis was het merk aanwezig met eigen presentaties van modellen zoals de Weltruf Super.

Het atelier in de Zinniastraat bood naast de vervaardiging ook technische ondersteuning voor het onderhoud van de apparaten.

De geschiedenis van de firma Van Den Weghe en het merk Weltruf blijft herkenbaar door de bewaarde objecten, zoals radio’s, televisies en luciferetiketten, die rechtstreeks naar deze locaties in Gent verwijzen. (Met dank aan Dirk Peeters voor de reclame)

Hoe een boze kok de populairste snack ter wereld bedacht

Chips zijn al decennia een favoriete snack en daarom duiken we vandaag in de boeiende geschiedenis van deze lekkernij.

Het begon allemaal in 1853 in het Amerikaanse Moon’s Lake House Hotel. De kok George Crum verloor zijn geduld met een veeleisende gast die zijn gebakken aardappels steeds terugstuurde, omdat ze te dik waren.

Uit pure frustratie sneed Crum de aardappels zo flinterdun dat ze niet meer met een vork te eten waren.

Tot zijn grote verbazing was de gast razend enthousiast.

Deze Saratoga Chips werden al snel een hit en kregen een vaste plek op de menukaart.

Het duurde tot 1920 voordat Europa kennismaakte met de snack, dankzij Frank Smith.

Hij emigreerde van Amerika naar Engeland en opende daar een fabriek die binnen een jaar alweer te klein was door de enorme vraag.

Ondertussen zat men in Amerika ook niet stil.

Herman W. Lay richtte in 1932 een aardappelbedrijf op in Nashville, dat later fuseerde met de Frito Company van C.E. Doolin.

Zo ontstond in 1961 de gigant Frito-Lay, Inc.

In de Benelux waren chips eind jaren vijftig nog nagenoeg onbekend.

Daar kwam verandering in toen Nederlandse aardappeltelers uit Broek op Langedijk zochten naar nieuwe manieren om hun oogst te verkopen.

Boer Gerrit Kistemaker leerde het vak van Frank Smith en samen stampten zij in 1958 de eerste Nederlandse chipsfabriek uit de grond onder de merknaam Smiths.

België volgde niet veel later. In 1966 opende een klein fabriekje in Nieuwkerke, dat na een overname door United Biscuits in 1972 wegens succes moest uitwijken naar een grotere, moderne locatie in Veurne.

De jaren negentig stonden in het teken van grote veranderingen en rages.

Terwijl Smiths in 1995 heel Nederland en België in de ban hield van de flippo-gekte, werd het bedrijf achter de schermen klaargestoomd voor de wereldmarkt.

Na de overname door PepsiCo in 1998 werd de fabriek in Veurne onderdeel van een van de grootste voedingsmiddelenconcerns ter wereld.

Om wereldwijd eenheid en kwaliteit uit te stralen, veranderde de merknaam voor aardappelchips in 2001 van Smiths naar Lay’s.

Hoewel de naam Smiths nog een tijdje werd gebruikt voor zoute snacks met speciale vormen, zoals Bugles en Grills, besloot PepsiCo in 2015 om definitief afscheid te nemen van die naam en alles onder te brengen bij Lay’s en Cheetos.

Gisteren nog vandaag